19 Maart 1901. (VI).

Zeer geachte Dokter[1] Adriani,

Reeds lang had ik u willen schrijven, maar allerlei drukten, o.a.

ongesteldheid van nagenoeg mijne geheele familie, verhinderden mij mijn

voornemen ten uitvoer te brengen. Nu de heele kaboepaten, groot en

klein, zich weer in eene uitstekende gezondheid verheugen mag, wil ik

niet langer den brief ongeschreven laten, dien ik zoo lang reeds in

gedachten had en waarop u misschien ook wel had gewacht. Vergeef me,

indien dit 't geval was. Ik zelf heb er zóó naar verlangd, deze regelen

te kunnen schrijven, om u in de allereerste plaats mijn hartelijken dank

aan te bieden voor uw vriendelijk schrijven aan mijne zus Roekmini en

voor de vriendelijke toezending der boekjes, waarmêe wij drieën zoo blij

waren, en 't nog steeds zijn. We vinden 't o zoo heerlijk, dat u nog om

ons had gedacht en op zoo'n lieve, aardige wijze. Wij ook denken en

spreken zoo dikwijls over u, uw Toradja's[2]. uw werk, kortom over

alles, wat we dien avond bij de familie Abendanon van u mochten

vernemen. Die avond in uw gezelschap doorgebracht, is een onzer liefste

herinneringen aan ons verblijf op Batavia.

Van ganscher harte hopen wij, dat 't niet bij dien eenen keer zal

blijven, maar wij u nog menigmaal mogen ontmoeten. U weer te zien, te

spreken, is sedert ons afscheid te Batavia een illusie van ons. Wat zal

dat een groote vreugde zijn voor ons, als mettertijd wij u welkom mogen

heeten op Japara.

U heeft zich niet vergist; wij hebben inderdaad heel veel sympathie voor

den arbeid der Christelijke zending in Nederlandsch-Indië, en wij

stellen in alles belang wat betreft het werk, streven en leven der

edelen van harte, die zich in de afgelegenste streken, wildernissen nog,

vestigen, zóó ver verwijderd van eigen land, bloed- en geestverwanten,

kortom van de wereld, waarin zij krachtens geboorte, aanleg,

ontwikkeling, thuis hooren, om het leven van medemenschen, die de

"beschaafde wereld" "wilden" noemt, mooi te maken, te veredelen!

Met groote belangstelling volgde ik u in uw beide geschriften, en ik ben

u dankbaar, dat u ons in de gelegenheid stelde, van zooveel belangrijks,

alles zoo nieuw voor ons, kennis te nemen.

Onlangs lazen wij weer eens "Maatschappelijk Werk in Indië" (verslagen

der congressen gehouden bij gelegenheid van de Nationale Tentoonstelling

van Vrouwenarbeid in den Haag 1898) en evenals bij vorige lezingen

bleven we lang toeven bij de mededeelingen van den arbeid der

Christelijke zending in Nederlandsch-Indië. O! mijn hart slaat zoo warm

voor dat mooie liefdewerk, en niet 't minste voor degenen, edele mannen

en vrouwen, die dat werk, zoo rijk en schoon, maar o zóó zwaar, met zulk

een liefde en toewijding, met hart en ziel beoefenen!

In 1896 hadden wij 't voorrecht en genoegen eene plechtigheid bij te

wonen, die waarschijnlijk eenig zal blijven in ons geheele leven, n.l.

de inwijding der nieuwe kerk te Kedoeng Pendjalin. 't Was voor het

eerst, dat wij in een Christenkerk kwamen en een dienst bijwoonden, en

àlles, wat we daar zagen en hoorden, maakte diepen indruk op ons; lang

geleden is 't al, doch die indrukwekkende plechtigheid staat nog frisch

in mijne herinnering. Hoe schoon klonk het gezang, dat opsteeg uit

zoovele kelen en ruischte door 't ruime gebouw keurig met groen

versierd! Met de eerbiedig toeluisterende scharen daarbeneden volgden we

met aandacht hetgeen in zuiver Javaansch van den kansel verkondigd werd.

Er waren behalve de heer Hubert nog drie zendeling-leeraren, die allen

om de beurt preekten. En 't was zeker niet 't minst plechtige oogenblik

van de heele plechtigheid, toen een stokoude Javaan opstond en zijn

geloofs- en landgenooten toesprak. Alles en alles was zoo indrukwekkend;

en nog iets anders deed mee, die plechtigheid onvergetelijk voor mij te

maken.

't Was dien ochtend voor 't eerst, sedert ik van school was, dat ik

weder de buitenwereld terug zag. 't Is u zeker niet onbekend, dat 't bij

ons gewoonte is, om jonge meisjes op te sluiten, d.w.z. in strenge

afzondering van de buitenwereld te houden, zoolang tot er een bruidegom

komt opdagen, een echtgenoot haar opeischt--het kooitje wordt ontsloten,

het gevangen vogeltje vliegt er uit ... om van kooi en van "meester" te

veranderen.--Om "uitgaan", zooals de "wereld" onder dat woordje

verstaat, geven wij _niets_, maar gevangenschap was voor ons, die zoo de

vrijheid minnen, o zoo hard te dragen. Wij zijn onzen ouders daarom zoo

dankbaar, dat zij gebroken hebben met die gewoonte. Na dien gezegenden

tocht naar Kedoeng Pendjalin kwamen we, eerst met groote tusschenpoozen,

maar allengs vaker en vaker 't huis uit, we gingen al verder en verder

van huis, en verleden jaar zijn we tot Batavia gekomen!

We lazen in de krant, onder de scheepsberichten, dat Mevrouw weder in

Indië terug is en dus spoedig bij u zal zijn. Wat zijn we daar recht

blij om voor u! Met deze post komen wij u en Mevrouw op een plaatje een

bezoek brengen, om u te feliciteeren met de terugkomst uwer echtgenoote

en om Haar, ofschoon onbekend, hartelijk welkom te heeten op Mapane.

Zijn de Toradja's niet innig blij, hun "Moeder" weder in hun midden te

hebben?

[1] De schrijfster vergiste zich blijkbaar in de studie van den Heer

Adriani, en waande hem aanvankelijk geneesheer, terwijl hij is dokter in

de taal- en letterkunde van den Nederlandsch Indischen archipel.

[2] De Toradja's sijn een volksstam van Midden-Celebes, in wier midden

de Heer Adriani arbeidt.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 36 / 136 题