Zeer geachte Dokter[1] Adriani,
Reeds lang had ik u willen schrijven, maar allerlei drukten, o.a.
ongesteldheid van nagenoeg mijne geheele familie, verhinderden mij mijn
voornemen ten uitvoer te brengen. Nu de heele kaboepaten, groot en
klein, zich weer in eene uitstekende gezondheid verheugen mag, wil ik
niet langer den brief ongeschreven laten, dien ik zoo lang reeds in
gedachten had en waarop u misschien ook wel had gewacht. Vergeef me,
indien dit 't geval was. Ik zelf heb er zóó naar verlangd, deze regelen
te kunnen schrijven, om u in de allereerste plaats mijn hartelijken dank
aan te bieden voor uw vriendelijk schrijven aan mijne zus Roekmini en
voor de vriendelijke toezending der boekjes, waarmêe wij drieën zoo blij
waren, en 't nog steeds zijn. We vinden 't o zoo heerlijk, dat u nog om
ons had gedacht en op zoo'n lieve, aardige wijze. Wij ook denken en
spreken zoo dikwijls over u, uw Toradja's[2]. uw werk, kortom over
alles, wat we dien avond bij de familie Abendanon van u mochten
vernemen. Die avond in uw gezelschap doorgebracht, is een onzer liefste
herinneringen aan ons verblijf op Batavia.
Van ganscher harte hopen wij, dat 't niet bij dien eenen keer zal
blijven, maar wij u nog menigmaal mogen ontmoeten. U weer te zien, te
spreken, is sedert ons afscheid te Batavia een illusie van ons. Wat zal
dat een groote vreugde zijn voor ons, als mettertijd wij u welkom mogen
heeten op Japara.
U heeft zich niet vergist; wij hebben inderdaad heel veel sympathie voor
den arbeid der Christelijke zending in Nederlandsch-Indië, en wij
stellen in alles belang wat betreft het werk, streven en leven der
edelen van harte, die zich in de afgelegenste streken, wildernissen nog,
vestigen, zóó ver verwijderd van eigen land, bloed- en geestverwanten,
kortom van de wereld, waarin zij krachtens geboorte, aanleg,
ontwikkeling, thuis hooren, om het leven van medemenschen, die de
"beschaafde wereld" "wilden" noemt, mooi te maken, te veredelen!
Met groote belangstelling volgde ik u in uw beide geschriften, en ik ben
u dankbaar, dat u ons in de gelegenheid stelde, van zooveel belangrijks,
alles zoo nieuw voor ons, kennis te nemen.
Onlangs lazen wij weer eens "Maatschappelijk Werk in Indië" (verslagen
der congressen gehouden bij gelegenheid van de Nationale Tentoonstelling
van Vrouwenarbeid in den Haag 1898) en evenals bij vorige lezingen
bleven we lang toeven bij de mededeelingen van den arbeid der
Christelijke zending in Nederlandsch-Indië. O! mijn hart slaat zoo warm
voor dat mooie liefdewerk, en niet 't minste voor degenen, edele mannen
en vrouwen, die dat werk, zoo rijk en schoon, maar o zóó zwaar, met zulk
een liefde en toewijding, met hart en ziel beoefenen!
In 1896 hadden wij 't voorrecht en genoegen eene plechtigheid bij te
wonen, die waarschijnlijk eenig zal blijven in ons geheele leven, n.l.
de inwijding der nieuwe kerk te Kedoeng Pendjalin. 't Was voor het
eerst, dat wij in een Christenkerk kwamen en een dienst bijwoonden, en
àlles, wat we daar zagen en hoorden, maakte diepen indruk op ons; lang
geleden is 't al, doch die indrukwekkende plechtigheid staat nog frisch
in mijne herinnering. Hoe schoon klonk het gezang, dat opsteeg uit
zoovele kelen en ruischte door 't ruime gebouw keurig met groen
versierd! Met de eerbiedig toeluisterende scharen daarbeneden volgden we
met aandacht hetgeen in zuiver Javaansch van den kansel verkondigd werd.
Er waren behalve de heer Hubert nog drie zendeling-leeraren, die allen
om de beurt preekten. En 't was zeker niet 't minst plechtige oogenblik
van de heele plechtigheid, toen een stokoude Javaan opstond en zijn
geloofs- en landgenooten toesprak. Alles en alles was zoo indrukwekkend;
en nog iets anders deed mee, die plechtigheid onvergetelijk voor mij te
maken.
't Was dien ochtend voor 't eerst, sedert ik van school was, dat ik
weder de buitenwereld terug zag. 't Is u zeker niet onbekend, dat 't bij
ons gewoonte is, om jonge meisjes op te sluiten, d.w.z. in strenge
afzondering van de buitenwereld te houden, zoolang tot er een bruidegom
komt opdagen, een echtgenoot haar opeischt--het kooitje wordt ontsloten,
het gevangen vogeltje vliegt er uit ... om van kooi en van "meester" te
veranderen.--Om "uitgaan", zooals de "wereld" onder dat woordje
verstaat, geven wij _niets_, maar gevangenschap was voor ons, die zoo de
vrijheid minnen, o zoo hard te dragen. Wij zijn onzen ouders daarom zoo
dankbaar, dat zij gebroken hebben met die gewoonte. Na dien gezegenden
tocht naar Kedoeng Pendjalin kwamen we, eerst met groote tusschenpoozen,
maar allengs vaker en vaker 't huis uit, we gingen al verder en verder
van huis, en verleden jaar zijn we tot Batavia gekomen!
We lazen in de krant, onder de scheepsberichten, dat Mevrouw weder in
Indië terug is en dus spoedig bij u zal zijn. Wat zijn we daar recht
blij om voor u! Met deze post komen wij u en Mevrouw op een plaatje een
bezoek brengen, om u te feliciteeren met de terugkomst uwer echtgenoote
en om Haar, ofschoon onbekend, hartelijk welkom te heeten op Mapane.
Zijn de Toradja's niet innig blij, hun "Moeder" weder in hun midden te
hebben?
[1] De schrijfster vergiste zich blijkbaar in de studie van den Heer
Adriani, en waande hem aanvankelijk geneesheer, terwijl hij is dokter in
de taal- en letterkunde van den Nederlandsch Indischen archipel.
[2] De Toradja's sijn een volksstam van Midden-Celebes, in wier midden
de Heer Adriani arbeidt.