Peinzend wendde ik mijn gelaat naar buiten, staarde naar de blauwe
lucht, als verwachtte ik dáár antwoord te vinden op de onstuimige vragen
mijner ziel. Onbewust volgden mijne oogen de vaart der wolken door 't
luchtruim; ze verdwenen achter wuivend klappergroen. Daar viel mijn blik
op glinsterende, trillende blaadjes schitterend van zonnegoud--en plots
flitste 't in me op: "vraagt men ooit, waarom de zonne schijnt? wie, wat
zij haar stralen zendt? O, mijn zon, mijn gouden zon, ik zal leven, dat
ik waard ben door u beschenen te worden, bestraald, gekoesterd en
verwarmd door uw bezielend, vermooiend, edel licht!...
Daarom dus niet getreurd, liefste, als de uitslag van 't request
ongunstig mocht zijn, mijn leven is daarom immers nog _niet_ verloren;
daar is altijd nog wat moois van te maken--ik wil--ik zàl het! Wie het
Goede dient, leeft _niet_ vergeefs--en--'t Goede zoekt, vindt zelf 't
Geluk, 't ware: vrede van de ziel--en die is ook te vinden op
Modjowarno--wie weet, dáár misschien eerder dan ergens anders. Wees niet
bedroefd! Wij zijn al zóó dankbaar dat in ieder geval de grondtoon van
ons verlangen verkregen wordt: vrij, zelfstandig, onafhankelijk
zijn--en--als accoucheuse, kunnen wij ons zoo nuttig maken.