31 Januari 1901. (VIII).

Peinzend wendde ik mijn gelaat naar buiten, staarde naar de blauwe

lucht, als verwachtte ik dáár antwoord te vinden op de onstuimige vragen

mijner ziel. Onbewust volgden mijne oogen de vaart der wolken door 't

luchtruim; ze verdwenen achter wuivend klappergroen. Daar viel mijn blik

op glinsterende, trillende blaadjes schitterend van zonnegoud--en plots

flitste 't in me op: "vraagt men ooit, waarom de zonne schijnt? wie, wat

zij haar stralen zendt? O, mijn zon, mijn gouden zon, ik zal leven, dat

ik waard ben door u beschenen te worden, bestraald, gekoesterd en

verwarmd door uw bezielend, vermooiend, edel licht!...

Daarom dus niet getreurd, liefste, als de uitslag van 't request

ongunstig mocht zijn, mijn leven is daarom immers nog _niet_ verloren;

daar is altijd nog wat moois van te maken--ik wil--ik zàl het! Wie het

Goede dient, leeft _niet_ vergeefs--en--'t Goede zoekt, vindt zelf 't

Geluk, 't ware: vrede van de ziel--en die is ook te vinden op

Modjowarno--wie weet, dáár misschien eerder dan ergens anders. Wees niet

bedroefd! Wij zijn al zóó dankbaar dat in ieder geval de grondtoon van

ons verlangen verkregen wordt: vrij, zelfstandig, onafhankelijk

zijn--en--als accoucheuse, kunnen wij ons zoo nuttig maken.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 35 / 136 题