Vanmiddag zijn we met mevrouw Gonggrijp[1] naar 't strand geweest en
hebben in zee gebaad. De zee was prachtig effen en gelijk van kleur, ik
zat op een rots met mijn voeten in 't water en den blik gericht naar 't
verre gezichtseinder. O! wat is de aarde toch wonderschoon! Verrukking,
dankbaarheid en vrede daalden in mijn hart! Moeder Natuur heeft ons nog
nooit ongetroost laten gaan, als wij bij haar om opbeuring komen.
* * * * *
Ik heb zoolang, en zooveel over opvoeding nagedacht, in den laatsten
tijd vooral, en vind die zoo'n hooge, heilige taak, dat ik 't een
misdaad acht mij er aan te wijden, als ik er niet ten volle toe berekend
ben. 't Moet nog zoo blijken, of ik als opvoedster wat waard zal zijn.
Voor mij beteekent opvoeding de vorming van den geest en de ziel. O, ik
zou nooit vrede met mezelf kunnen hebben, als ik, onderwijzeres zijnde,
voelde mijne taak niet zóó te kunnen vervullen, als ik zelf dat eisch
van een _goede_ opvoedster, al was men ook niet ontevreden over me. Ik
voel zóó dat met 't ontwikkelen van 't verstand de taak van een opvoeder
nog niet is afgedaan, nog niet afgedaan màg zijn; dat hij ook dient te
zorgen voor de vorming van het karakter; al verplicht hem geen tastbare
wet daartoe, moreel is hij dat verplicht. En ik vraag mezelf af, zou ik
het kunnen? ik, die opvoeding zelf nog zoo noodig heb? Zoo dikwijls hoor
ik beweren, dat van 't eene 't andere van zelf komt, door intellectueele
ontwikkeling het gemoed vanzelf wordt beschaafd, veredeld, maar ik heb
leeren inzien, helaas, dat dat _lang_ niet altijd 't geval is; dat
beschaving, intellectueele ontwikkeling nog geen brevetten zijn voor
zedelijkheid. En men mag dezulken, wier gemoed ondanks hooge
geestesontwikkeling onbeschaafd is gebleven, niet hard vallen, wat in de
_meeste_ gevallen ligt de fout niet aan henzelve, maar aan hunne
opvoeding; men had wel zorg, o veel zorg zelfs gedragen voor de
ontwikkeling van hun verstand, maar wat deed men voor hunne
karaktervorming? niets!
O! met warmte onderschrijf ik Mijnheer's gedachte, zoo duidelijk
leesbaar in de circulaire over 't onderwijs voor Inlandsche meisjes: De
Vrouw als draagster der Beschaving! _niet_, omdat 't de _vrouw_ is, die
daartoe geschikt wordt geacht, maar omdat ikzelf ook zoo innig overtuigd
ben, dat van de vrouw een groote, diepgrijpende invloed, hetzij ten
goede of ten kwade kan ten leven uitgaan; dat zij het meest kan
bijdragen tot verhooging van het zedelijk gehalte der menschheid.
Van de vrouw ontvangt de mensch zijn allereerste opvoeding--aan háár
schoot leert het kind _voelen_ en _denken, spreken_; en meer en meer zie
ik in, dat die vroegste opvoeding _niet zonder beteekenis_ is voor 't
heele leven. En hoe kunnen de Inlandsche moeders hare kinderen opvoeden,
als zij zelf zijn onopgevoed?
Daarom ben ik zoo één geestdrift voor dat heerlijk plan om der
Inlandsche meisjes opvoeding en onderwijs te geven; reeds lang begreep
ik, dat alleen dàt verandering kon brengen in ons droef Inlandsch
vrouwenbestaan. En niet voor de vrouw alleen, maar voor de heele
Inlandsche maatschappij zal 't onderwijs van meisjes een zegen zijn.
Overal hooren wij van de op te richten scholen voor Inlandsche meisjes
spreken--hoe schitteren dan onze oogen en warm wordt het hart, als wij
met zooveel waardeering en instemming over 't idee hooren spreken, en
dikwijls moesten wij op de lippen bijten om niet in gejuich uit te
barsten; onze handen krampachtig gesloten houden om niet luide ons
enthousiasme te uiten.
En in de Inlandsche vrouwenwereld zelf, voor zoover wij 't weten, is men
er enthousiast over. Allen die wij er over spraken, wenschten weder
kinderen te zijn om mede van 't onderwijs te kunnen profiteeren. En
heerlijk! de Inlandsche scholen te Pati, Koedoes, Japara en in de
districten kunnen u de eerste zichtbare bewijzen van succes van het
mooie werk toonen: daar gaan reeds eenige volksmeisjes school en haar
aantal neemt toe.
Morgen ook zendt Ma een klein meisje--halfweesje van Ma's anak
mas[2]--naar school, en verleden maand lieten onze oudjes een goeden,
oppassenden jongen magang Hollandsche lessen nemen.
[1] De echtgenoote van den assistent-resident, die den Heer Ovink
opvolgde.
[2] Anak mas beteekent pleegkind.