21 Januari 1901. (VIII.)

Vanmiddag zijn we met mevrouw Gonggrijp[1] naar 't strand geweest en

hebben in zee gebaad. De zee was prachtig effen en gelijk van kleur, ik

zat op een rots met mijn voeten in 't water en den blik gericht naar 't

verre gezichtseinder. O! wat is de aarde toch wonderschoon! Verrukking,

dankbaarheid en vrede daalden in mijn hart! Moeder Natuur heeft ons nog

nooit ongetroost laten gaan, als wij bij haar om opbeuring komen.

* * * * *

Ik heb zoolang, en zooveel over opvoeding nagedacht, in den laatsten

tijd vooral, en vind die zoo'n hooge, heilige taak, dat ik 't een

misdaad acht mij er aan te wijden, als ik er niet ten volle toe berekend

ben. 't Moet nog zoo blijken, of ik als opvoedster wat waard zal zijn.

Voor mij beteekent opvoeding de vorming van den geest en de ziel. O, ik

zou nooit vrede met mezelf kunnen hebben, als ik, onderwijzeres zijnde,

voelde mijne taak niet zóó te kunnen vervullen, als ik zelf dat eisch

van een _goede_ opvoedster, al was men ook niet ontevreden over me. Ik

voel zóó dat met 't ontwikkelen van 't verstand de taak van een opvoeder

nog niet is afgedaan, nog niet afgedaan màg zijn; dat hij ook dient te

zorgen voor de vorming van het karakter; al verplicht hem geen tastbare

wet daartoe, moreel is hij dat verplicht. En ik vraag mezelf af, zou ik

het kunnen? ik, die opvoeding zelf nog zoo noodig heb? Zoo dikwijls hoor

ik beweren, dat van 't eene 't andere van zelf komt, door intellectueele

ontwikkeling het gemoed vanzelf wordt beschaafd, veredeld, maar ik heb

leeren inzien, helaas, dat dat _lang_ niet altijd 't geval is; dat

beschaving, intellectueele ontwikkeling nog geen brevetten zijn voor

zedelijkheid. En men mag dezulken, wier gemoed ondanks hooge

geestesontwikkeling onbeschaafd is gebleven, niet hard vallen, wat in de

_meeste_ gevallen ligt de fout niet aan henzelve, maar aan hunne

opvoeding; men had wel zorg, o veel zorg zelfs gedragen voor de

ontwikkeling van hun verstand, maar wat deed men voor hunne

karaktervorming? niets!

O! met warmte onderschrijf ik Mijnheer's gedachte, zoo duidelijk

leesbaar in de circulaire over 't onderwijs voor Inlandsche meisjes: De

Vrouw als draagster der Beschaving! _niet_, omdat 't de _vrouw_ is, die

daartoe geschikt wordt geacht, maar omdat ikzelf ook zoo innig overtuigd

ben, dat van de vrouw een groote, diepgrijpende invloed, hetzij ten

goede of ten kwade kan ten leven uitgaan; dat zij het meest kan

bijdragen tot verhooging van het zedelijk gehalte der menschheid.

Van de vrouw ontvangt de mensch zijn allereerste opvoeding--aan háár

schoot leert het kind _voelen_ en _denken, spreken_; en meer en meer zie

ik in, dat die vroegste opvoeding _niet zonder beteekenis_ is voor 't

heele leven. En hoe kunnen de Inlandsche moeders hare kinderen opvoeden,

als zij zelf zijn onopgevoed?

Daarom ben ik zoo één geestdrift voor dat heerlijk plan om der

Inlandsche meisjes opvoeding en onderwijs te geven; reeds lang begreep

ik, dat alleen dàt verandering kon brengen in ons droef Inlandsch

vrouwenbestaan. En niet voor de vrouw alleen, maar voor de heele

Inlandsche maatschappij zal 't onderwijs van meisjes een zegen zijn.

Overal hooren wij van de op te richten scholen voor Inlandsche meisjes

spreken--hoe schitteren dan onze oogen en warm wordt het hart, als wij

met zooveel waardeering en instemming over 't idee hooren spreken, en

dikwijls moesten wij op de lippen bijten om niet in gejuich uit te

barsten; onze handen krampachtig gesloten houden om niet luide ons

enthousiasme te uiten.

En in de Inlandsche vrouwenwereld zelf, voor zoover wij 't weten, is men

er enthousiast over. Allen die wij er over spraken, wenschten weder

kinderen te zijn om mede van 't onderwijs te kunnen profiteeren. En

heerlijk! de Inlandsche scholen te Pati, Koedoes, Japara en in de

districten kunnen u de eerste zichtbare bewijzen van succes van het

mooie werk toonen: daar gaan reeds eenige volksmeisjes school en haar

aantal neemt toe.

Morgen ook zendt Ma een klein meisje--halfweesje van Ma's anak

mas[2]--naar school, en verleden maand lieten onze oudjes een goeden,

oppassenden jongen magang Hollandsche lessen nemen.

[1] De echtgenoote van den assistent-resident, die den Heer Ovink

opvolgde.

[2] Anak mas beteekent pleegkind.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 34 / 136 题