1 November 1900. (VIII.)

Goede tijding!

Ik mag! ik mag! ik mag! wensch me geluk! druk me in gedachte aan uw hart

en lees 't geluk in mijne stralende oogen! Liefste, _ik mag voor

onderwijzeres studeeren_! Ik heb met Vader gesproken! hem verteld, wat u

mij vroeg, toen u hier waart! En vader vond 't _uitstekend_, vond 't

_prachtig_! Ik mag weer in de klasse gaan zitten, om er later vóór te

gaan staan, als ik daartoe de bevoegdheid verworven heb.

_Mogen_ en _willen_! _willen_ en _mogen_! mooier combinatie kan er niet

zijn! en _kunnen_ moet 't trio volmaken!

_Willen_ is _kunnen_, nietwaar?

O! ik ben zoo gelukkig! en ik weet, dat u beiden zich innig met me

verheugt in mijn geluk.

Ik ben nu nog _niets_, dat is waar, maar ik _mag iets_ worden, heerlijk!

"Hoop, vertrouw en wees moedig". Deze uwe woorden staan me voortdurend

voor den geest, en hebben me vergezeld, toen ik zooeven naar Vader

toeging om hem te spreken. Ik was heel kalm, en opgewekt zelfs, als had

ik al een vaag voorgevoel, dat 't onderhoud gelukkig voor me zou

afloopen.

Vader vond 't idee, onderwijzeres te worden aan de Inlandsche

meisjesschool eenig mooi! Hoe zacht en vriendelijk sprak hij mij toe! o,

ik heb mij in hem dan toch niet vergist; en hij heeft zijn kind _lief_

en begrijpt haar volkomen!

Ik heb aan den rand van een afgrond gestaan en gestaard in de donkere,

peillooze diepte! Voorbij dit alles, voorbij I Liefde

heeft mij er over heen gedragen. Ik zou de heele wereld aan mijn hart

willen drukken van pure blijdschap. Vader's toestemming en zegen heb ik,

en daarmee is het eerste en grootste struikelblok op de te betreden

levensbaan afgewenteld, opgeruimd!

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 31 / 136 题