Ik wacht mijn tijd kalm af; is die daar, dan zal men zien, dat ik geen
zielloos voorwerp ben, doch een _mensch_ met een hoofd en hart--die
denkt en voelt.
't Is vreeselijk egoïstisch van me, om u deelgenoote te willen maken,
van alles wat ik in me omdraag; mij zal 't verlichting schenken, doch u
... verdriet! Ziedaar, wat ik allen geef, die mij genegen zijn! O! ik
zou u willen toeroepen, omdat ik zoovéél, zoo zielsveel van u houd: Laat
me los, trek u terug van me! ban me uit uwe gedachten, uit uw hart!
vergeet me! Laat me alleen worstelen! want o God! u weet niet in welk
een wespennest u zich steekt met mij de hand te reiken! Laat mij maar
alleen! Laat ik maar dankbaar zijn, dat ik u in zoo groote sympathie heb
ontmoet, u mijn levenspad hebt gekruist en daarop licht en bloemen hebt
laten vallen. Laat onze ontmoeting zijn, zooals die der schepen op den
wijden Oceaan, die elkaar voorbijvaren in een donkeren nacht. Een
ontmoeten, een blij groeten, even een spoor in den waterspiegel, en dan
niets meer! Maar ik vrees, ik weet, dat u dit _niet_ kunt, al zoudt u 't
willen. Laat ik er niet meer over spreken.
* * * * *
Een tijd geleden met Mama over 't een en ander de vrouw betreffend,
sprekend, gaf ik voor den zooveelsten keer te kennen, dat niets mij meer
bekoorde en aantrok, niets vuriger door mij werd verlangd, begeerd, dan
te mogen drijven op eigen wieken. Mama zeide: "Maar er is niemand nog
bij ons, die dat doet".
"Dan wordt 't tijd dat iemand 't eens doet."
"Maar weet je wel, dat alle begin moeilijk is? dat allen
eerst-beginnenden een hard lot beschoren is? Dat miskenning,
teleurstelling op teleurstelling, spot je wacht, weet je dat alles wel?"
"Ik weet 't! 't Is vandaag of gisteren niet, dat die denkbeelden bij
mij zijn opgekomen, ze hebben reeds _jaren_ in me geleefd."
"En wat zou je zelf er aan hebben? Zal 't je voldoening geven? gelukkig
maken?"
"Ik weet, de weg, dien ik wensch op te gaan, is _moeilijk, vol doornen,
distelen, kuilen_; hij is steenachtig, hobbelig, glibberig, hij is ...
_ongebaand_! En al zal ik dan zoo gelukkig niet zijn, het einddoel te
bereiken; al zal ik halverwege reeds bezwijken; ik zal gelukkig sterven,
want de baan is dan toch gebroken en ik heb meê geholpen opbreken den
weg, die leidt naar de vrijheid en zelfstandigheid van de Inlandsche
vrouw. Het zal mij reeds eene gróóte voldoening zijn, als dan de ouders
van andere meisjes, die ook zelfstandig willen worden, niet meer zouden
kunnen zeggen: "daar is niemand nog bij ons, die dat heeft gedaan".
Vreemd, maar ik voel me volstrekt niet beangst, bevreesd of verontrust,
ik ben kalm en zoo vol moed; alleen dat domme, dwaze hart doet èrg, èrg
zeer.
October 1900. (II).
Ik wil voor 't onderwijs opgeleid worden--de twee actes--lager en
hoofdacte halen--en dan cursussen volgen in gezondheids-, verbandleer en
ziekenverpleging.
Heel later ga ik een taalacte, mijn eigen moedertaal halen. Zijn we
klaar, dan gaan we met ons beiden eene kostschool openen voor dochters
van Inlandsche hoofden. Ik wil in Holland mijn opleiding ontvangen,
omdat Holland mij in alle opzichten _beter_ zal toerusten voor de groote
taak, die ik op mij wil nemen.
* * * * *
Hoevele malen in eigen leven heb ik reeds niet ondervonden, dat de
vervulling van hartewenschen vaak gepaard gaat met hartewonden.
En zoovele, vele gebeurtenissen in den laatsten tijd wijzen er op: De
mensch wikt--God beschikt. Het zijn waarschuwingen voor ons kortzichtige
menschen, waarschuwingen, om toch vooral niet zoo ijdel te wezen: in
allen ernst te meenen, dat wij _zelf_ een _eigen wil_ hebben.
Er is een Macht, hooger, grooter dan alle aardsche tezamen; er is een
Wil, sterker, machtiger dan alle menschelijke willen te zamen. Wee den
mensch, die zich verhoovaardigt op zijn _eigen, ijzer sterken
reuzenwil_!
Er is maar één wil, dien wij mògen en moèten hebben: de wil om hem te
dienen: het Goede!...
Ik hoef het u niet te zeggen, u weet het zelf wel, dat wij beiden vurig,
vurig _hopen_ en _verlangen_ u beiden weer te mogen zien op Semarang of
ergens anders.
_Vurig verlangen_ en _hopen_ wij dat, liefste, maar er vast op rekenen
doen we niet. Wij hopen en bidden maar, dat God ons die vreugde
toesta!...
Wat moet er dan veel veranderd zijn in ons, dat wij zóó spreken....
Ja, véél is er in ons veranderd, heel veel!
O! Moedertje, wij kunnen u niet zeggen, hoe blij, hoe innig dankbaar wij
zijn, dat wij mevrouw van Kol kennen.
"De liefste, de beste menschen zijn maar zwakke, feilbare wezens"--zegt
ze ... en wij voegen er aan toe: "de mensch is sterfelijk!" ... Bouw op
geen mensch!... En waarom zal ik 't u niet zeggen, wij hebben op
_menschen gebouwd_ ... onze kracht in _menschen_ gezocht.... De
geschiedenis van ons laatste levensjaar leert, hoe wij hebben gedwaald.
Wij zijn Nelly o zoo dankbaar, dat zij ons den weg heeft gewezen tot de
ware vrijheid.
Geen mensen is vrij, die zich aan eenig mensch gevangen geeft.
Steunen op menschen is zich gevangen geven aan menschen.
De weg tot God en die tot de ware vrijheid zijn _één_. Wie God _waarlijk
dient_ is aan géén mensch gevangen, is waarlijk _vrij_.
Er is dezer dagen ons iets zeer onaangenaams overkomen, dat ons vóór
dezen ommekeer in ons zieleleven, stellig wanhopig zou hebben gemaakt.
Maar nu klemmen wij ons vast aan Zijn hand, op Hem houden wij onafgewend
onzen blik gericht--Hij zal ons richten--beoordeelen --liefdevol.... En
daar werd de duisternis licht, de stormwind zachte bries.
Alles om ons is hetzelfde gebleven, feitelijk, en toch is het hetzelfde
niet meer voor ons. De verandering _is in ons_, en zij bestraalt àlles
met haar licht. Er is zoo'n rust en vrede in ons...
Moedertje wij zijn gelukkig.
Geen dol, jubelend geluk--maar kalm, vredig, innig.
Zoo graag zouden wij over dat alles met u willen praten....
De heer Van Kol zond ons een stukje van een brief zijner vrouw ... "doch
wordt vooral niet ijdel! want alle gaven zijn slechts een geschenk van
Allah!" Hetzelfde wat Mama ons zoo dikwijls zegt. Die waarschuwing komt
wel van pas. Wij, die van onze prilste jeugd af aan leven in een wereld
van vleierij, hebben het zeker noodig.
Wij, juist wij, hebben ons zeer noodig voor ijdelheid te behoeden, de
klip, waar zoo menig schip jammerlijk is gestrand, wanneer de ziele ten
Hooge vaart!
Wij bidden aldoor maar om kracht en sterkte om alles te kunnen dragen èn
leed èn vreugde!--Vreugde vooral, want in vreugde is de verzoeking
groot. Menig jong levensbootje raakt uit den koers door den eersten
vreugdestorm, en menig jong leven is er in vergaan!
Wat een wijsneuzigheid, hé?--Trek u mij maar eens flink aan de ooren,
als u me ziet.
Hoe zullen wij elkaar toch vinden, als wij elkaar eens mochten
wederzien! Ik weet al wat u bijna 't eerst tot me zeggen zal: "Maar
kind, wat ben je dik geworden!" En--fluister ik u tusschen twee haakjes
toe: ik ben _oud_ geworden--uiterlijk---en innerlijk gedeeltelijk
ook--maar dat plekje in 't hart--waarop met gouden letters geschreven
staat: _Liefde_--is hetzelfde gebleven: immer jong.