7 October 1900. (VIII.)

Ik wacht mijn tijd kalm af; is die daar, dan zal men zien, dat ik geen

zielloos voorwerp ben, doch een _mensch_ met een hoofd en hart--die

denkt en voelt.

't Is vreeselijk egoïstisch van me, om u deelgenoote te willen maken,

van alles wat ik in me omdraag; mij zal 't verlichting schenken, doch u

... verdriet! Ziedaar, wat ik allen geef, die mij genegen zijn! O! ik

zou u willen toeroepen, omdat ik zoovéél, zoo zielsveel van u houd: Laat

me los, trek u terug van me! ban me uit uwe gedachten, uit uw hart!

vergeet me! Laat me alleen worstelen! want o God! u weet niet in welk

een wespennest u zich steekt met mij de hand te reiken! Laat mij maar

alleen! Laat ik maar dankbaar zijn, dat ik u in zoo groote sympathie heb

ontmoet, u mijn levenspad hebt gekruist en daarop licht en bloemen hebt

laten vallen. Laat onze ontmoeting zijn, zooals die der schepen op den

wijden Oceaan, die elkaar voorbijvaren in een donkeren nacht. Een

ontmoeten, een blij groeten, even een spoor in den waterspiegel, en dan

niets meer! Maar ik vrees, ik weet, dat u dit _niet_ kunt, al zoudt u 't

willen. Laat ik er niet meer over spreken.

* * * * *

Een tijd geleden met Mama over 't een en ander de vrouw betreffend,

sprekend, gaf ik voor den zooveelsten keer te kennen, dat niets mij meer

bekoorde en aantrok, niets vuriger door mij werd verlangd, begeerd, dan

te mogen drijven op eigen wieken. Mama zeide: "Maar er is niemand nog

bij ons, die dat doet".

"Dan wordt 't tijd dat iemand 't eens doet."

"Maar weet je wel, dat alle begin moeilijk is? dat allen

eerst-beginnenden een hard lot beschoren is? Dat miskenning,

teleurstelling op teleurstelling, spot je wacht, weet je dat alles wel?"

"Ik weet 't! 't Is vandaag of gisteren niet, dat die denkbeelden bij

mij zijn opgekomen, ze hebben reeds _jaren_ in me geleefd."

"En wat zou je zelf er aan hebben? Zal 't je voldoening geven? gelukkig

maken?"

"Ik weet, de weg, dien ik wensch op te gaan, is _moeilijk, vol doornen,

distelen, kuilen_; hij is steenachtig, hobbelig, glibberig, hij is ...

_ongebaand_! En al zal ik dan zoo gelukkig niet zijn, het einddoel te

bereiken; al zal ik halverwege reeds bezwijken; ik zal gelukkig sterven,

want de baan is dan toch gebroken en ik heb meê geholpen opbreken den

weg, die leidt naar de vrijheid en zelfstandigheid van de Inlandsche

vrouw. Het zal mij reeds eene gróóte voldoening zijn, als dan de ouders

van andere meisjes, die ook zelfstandig willen worden, niet meer zouden

kunnen zeggen: "daar is niemand nog bij ons, die dat heeft gedaan".

Vreemd, maar ik voel me volstrekt niet beangst, bevreesd of verontrust,

ik ben kalm en zoo vol moed; alleen dat domme, dwaze hart doet èrg, èrg

zeer.

October 1900. (II).

Ik wil voor 't onderwijs opgeleid worden--de twee actes--lager en

hoofdacte halen--en dan cursussen volgen in gezondheids-, verbandleer en

ziekenverpleging.

Heel later ga ik een taalacte, mijn eigen moedertaal halen. Zijn we

klaar, dan gaan we met ons beiden eene kostschool openen voor dochters

van Inlandsche hoofden. Ik wil in Holland mijn opleiding ontvangen,

omdat Holland mij in alle opzichten _beter_ zal toerusten voor de groote

taak, die ik op mij wil nemen.

* * * * *

Hoevele malen in eigen leven heb ik reeds niet ondervonden, dat de

vervulling van hartewenschen vaak gepaard gaat met hartewonden.

En zoovele, vele gebeurtenissen in den laatsten tijd wijzen er op: De

mensch wikt--God beschikt. Het zijn waarschuwingen voor ons kortzichtige

menschen, waarschuwingen, om toch vooral niet zoo ijdel te wezen: in

allen ernst te meenen, dat wij _zelf_ een _eigen wil_ hebben.

Er is een Macht, hooger, grooter dan alle aardsche tezamen; er is een

Wil, sterker, machtiger dan alle menschelijke willen te zamen. Wee den

mensch, die zich verhoovaardigt op zijn _eigen, ijzer sterken

reuzenwil_!

Er is maar één wil, dien wij mògen en moèten hebben: de wil om hem te

dienen: het Goede!...

Ik hoef het u niet te zeggen, u weet het zelf wel, dat wij beiden vurig,

vurig _hopen_ en _verlangen_ u beiden weer te mogen zien op Semarang of

ergens anders.

_Vurig verlangen_ en _hopen_ wij dat, liefste, maar er vast op rekenen

doen we niet. Wij hopen en bidden maar, dat God ons die vreugde

toesta!...

Wat moet er dan veel veranderd zijn in ons, dat wij zóó spreken....

Ja, véél is er in ons veranderd, heel veel!

O! Moedertje, wij kunnen u niet zeggen, hoe blij, hoe innig dankbaar wij

zijn, dat wij mevrouw van Kol kennen.

"De liefste, de beste menschen zijn maar zwakke, feilbare wezens"--zegt

ze ... en wij voegen er aan toe: "de mensch is sterfelijk!" ... Bouw op

geen mensch!... En waarom zal ik 't u niet zeggen, wij hebben op

_menschen gebouwd_ ... onze kracht in _menschen_ gezocht.... De

geschiedenis van ons laatste levensjaar leert, hoe wij hebben gedwaald.

Wij zijn Nelly o zoo dankbaar, dat zij ons den weg heeft gewezen tot de

ware vrijheid.

Geen mensen is vrij, die zich aan eenig mensch gevangen geeft.

Steunen op menschen is zich gevangen geven aan menschen.

De weg tot God en die tot de ware vrijheid zijn _één_. Wie God _waarlijk

dient_ is aan géén mensch gevangen, is waarlijk _vrij_.

Er is dezer dagen ons iets zeer onaangenaams overkomen, dat ons vóór

dezen ommekeer in ons zieleleven, stellig wanhopig zou hebben gemaakt.

Maar nu klemmen wij ons vast aan Zijn hand, op Hem houden wij onafgewend

onzen blik gericht--Hij zal ons richten--beoordeelen --liefdevol.... En

daar werd de duisternis licht, de stormwind zachte bries.

Alles om ons is hetzelfde gebleven, feitelijk, en toch is het hetzelfde

niet meer voor ons. De verandering _is in ons_, en zij bestraalt àlles

met haar licht. Er is zoo'n rust en vrede in ons...

Moedertje wij zijn gelukkig.

Geen dol, jubelend geluk--maar kalm, vredig, innig.

Zoo graag zouden wij over dat alles met u willen praten....

De heer Van Kol zond ons een stukje van een brief zijner vrouw ... "doch

wordt vooral niet ijdel! want alle gaven zijn slechts een geschenk van

Allah!" Hetzelfde wat Mama ons zoo dikwijls zegt. Die waarschuwing komt

wel van pas. Wij, die van onze prilste jeugd af aan leven in een wereld

van vleierij, hebben het zeker noodig.

Wij, juist wij, hebben ons zeer noodig voor ijdelheid te behoeden, de

klip, waar zoo menig schip jammerlijk is gestrand, wanneer de ziele ten

Hooge vaart!

Wij bidden aldoor maar om kracht en sterkte om alles te kunnen dragen èn

leed èn vreugde!--Vreugde vooral, want in vreugde is de verzoeking

groot. Menig jong levensbootje raakt uit den koers door den eersten

vreugdestorm, en menig jong leven is er in vergaan!

Wat een wijsneuzigheid, hé?--Trek u mij maar eens flink aan de ooren,

als u me ziet.

Hoe zullen wij elkaar toch vinden, als wij elkaar eens mochten

wederzien! Ik weet al wat u bijna 't eerst tot me zeggen zal: "Maar

kind, wat ben je dik geworden!" En--fluister ik u tusschen twee haakjes

toe: ik ben _oud_ geworden--uiterlijk---en innerlijk gedeeltelijk

ook--maar dat plekje in 't hart--waarop met gouden letters geschreven

staat: _Liefde_--is hetzelfde gebleven: immer jong.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 30 / 136 题