Augustus 1900. (II.)

Nu, als wij niet naar Holland gaan, mag ik dan naar Batavia om voor

dokter te studeeren? Wat Vader hierop antwoordde, is in 't kort samen te

vatten: "dat ik niet moest vergeten, dat ik ben een _Javaan_, dat het

_nu nog niet mogelijk_ is, dat ik die richting opga--over 20 jaar zal 't

anders zijn--maar _nu_ kan 't nog niet--of ik zou 't _verschrikkelijk

moeilijk_ moeten hebben--"omdat ik dan de eerste zou zijn". Vader kon

niet zoo maar op stel en sprong beslissen. Vader zou er eerst lang en

breed over nadenken, met anderen er over spreken en velen raadplegen.

Dit laatste bewijst, dat Vader mijn idee _niet_ geheel en al verwerpt;

dat Vader weet, dat ik tot elken prijs vrij, zelfstandig, onafhankelijk

wil worden; en dat ik _werkelijk niet_ gelukkig zal kunnen zijn in een

huwelijksleven, zooals dat tot nu toe is.

Toen vroeg ik: "maar als de Inlandsche meisjesschool van Mr. Abendanon

tot stand komt, mag ik dan onderwijzeres worden?" en ik vertelde wat

mevrouw Abendanon me vroeg en voorstelde.

O! Moedertje, 't was alsof de hemel openging, een eindelooze

heerlijkheid zich aan mij vertoonde, die me verblindde en bedwelmde,

toen ik daarop Vader hoorde zeggen: "Dat is mooi, dat is prachtig! dat

mag je wel!"

"Maar ik moet er eerst voor opgeleid worden; ik moet een jaar of vier

naar 't klooster om te leeren en dan examen te doen. Zonder akte wil ik

er niet komen."

En Vader vond 't _goed_, billijkte mijn verlangen.

O! Moedertje, hoe zalig gelukkig gevoelde ik me; ik had niet gedacht dat

't zóó gemakkelijk zou gaan. Er was geen enkel hard, bitter of scherp

woord gevallen; ik kreeg heel wat op mijn kop--ja--doch ik heb 't

verdiend; dat erken ik zelf gulweg. Maar Vader deed 't zoo zachtzinnig,

zoo liefderijk. O! ik heb mij dan toch niet in zijn onmetelijke liefde

voor mij vergist, in zijn geheel meêvoelen, meêleven met zijn kind; dat

Vader méér nog dan ik zelf zou lijden, als hij mij dat leed moest

aandoen, en dat hij even vurig als ik zelf hoopte, dat er eene uitkomst

voor mij mocht wezen.

O! welk eene woeste, jubelende vreugde maakte zich van mij meester, toen

ik die zalige zekerheid had; wist, dat Vader, mijn afgodisch beminde

Vader, zich _zonder verdriet_ bij mijne ideeën, wenschen en verlangens

neêrlegde!

't Was om hèm, dat ik mij zoo ellendig gevoelde, maanden lang, dat ik

wankelmoedig, zwak, ja _laf_ was, want ik kòn zijn hart niet breken; en

ik _moest_, omdat ik _niet kon, niet wilde_ mij vernederen, mijn

vrouwenhart, mijn waarde als vrouw, als mensch laten vertrappen; ik

_moest_ mij tegen hunne plannen verzetten; ik was 't zedelijk verplicht

aan mijn eigen fierheid, die ik 't zwijgen niet vermocht op te leggen.

Hard was die innerlijke strijd geweest.

O! en Vadertje heb ik voor mij gewonnen; daarmeê is de _grootste_

moeilijkheid, overwonnen, het grootste struikelblok uit den weg geruimd.

Waar ik _Vader_ aan mijne zijde weet, heb, ga ik onverschrokken, blij en

opgewekt, met luchtigen tred, en een glimlach om den mond den vijand

tegemoet!

Nu hangt het alleen van mijn eigen willen en kunnen af of ik mijn doel

al dan niet bereiken zal! Ik ben vol hoop, vol moed, houd u dien moed

frisch in me, Moes! Ik heb Vader dadelijk gevraagd of ik Mevrouw

Abendanon die goede tijding mocht berichten, en ik mocht! Dien zelfden

avond nog schreef ik haar en u dit regeltje.

't Is wel nog een vraag, of de Inlandsche meisjesschool tot stand komt,

maar ik wanhoop niet; 't een en ander wijzen op een ernstig streven van

eenige, zoo niet vele, invloedrijke personen om de Inlandsche wereld op

te heffen, en om "licht" te brengen der Inlandsche vrouwenwereld, haar

op te heffen uit haar treurigen staat.

Op Djokdja zochten we Mevrouw Ter Horst op, zooals ik u reeds schreef.

Ze was heel aardig voor ons, haalde ons van 't station af, waar ze ons

echter misliep, daar we een station eerder waren afgestapt; zij had eene

rijsttafel voor ons klaar. We kwamen alleen om haar te groeten, doch zij

had wat met me te bespreken. Zij vertelde mij dat Resident de B.,[1]

afgescheiden van Mr. Abendanon's plannen, waarvan hij niets wist,

ernstige plannen had, om zoo mogelijk van Regeeringswege, zoo niet, dan

uit particuliere middelen, een kostschool voor dochters van Inlandsche

hoofden op te richten. De Resident vroeg haar daarvoor een plan te

ontwerpen, dat hij dan verder zou uitwerken, en ze vroeg nu hoe ik

daarover dacht, en wat ik noodig vond, dat de Inlandsche meisjes,

dochters van hoofden, hoog en laag, weten en kennen moesten om tot meer

zedelijke welvaart te geraken. Onlangs vroeg de directeur der

hoofdenschool te Probolinggo me dit onderwerp: "'t Inlandsch onderwijs

voor meisjes" te willen behandelen voor een Hollandsch tijdschrift voor

Inlanders. Er bestaat dus werkelijk een ernstig streven om de Inlandsche

meisjes onderwijs te geven. Mochten de pogingen van Mr. Abendanon om

Inlandsche meisjesscholen op te richten, mislukken, wat de hemel

verhoede! en ik dus geen onderwijzeres worden, dan laat u mij niet

alleen, nietwaar, Moedertje? Maar wil mij wel helpen om Vader's

toestemming te verkrijgen voor 't dokter worden? Of mag ik 't van u

beiden ook niet? U beiden kunt zoo veel van Vadertje gedaan krijgen, als

u maar wilt.

Vader is sedert dien gedenkwaardigen middag dubbel lief voor me; hij kan

zoo zacht, zoo teeder mijn hoofd tusschen zijn beide handen nemen, zoo

warm en innig zijn arm om mij heen slaan, als om me te beschermen tegen

naderend onheil. Ik voel uit alles en alles zijne onmetelijke liefde, en

ik ben daar trotsch op, en er o zoo gelukkig meê!

Sedert we van Batavia terug zijn, hebben we een gevoel alsof wij thuis

komen, alleen om even uit te rusten, goeden dag te zeggen en weer uit te

vliegen. Waarheen??? Ik wil volop genieten van mijn thuis-zijn, want

nergens in de heele wereld zal ik 't zoo goed hebben als bij mijn eigen

ouders thuis, en 't stemt mij zoo oneindig dankbaar te weten, dat

wanneer ik vandaag of morgen 't huis verlaat, 't zal zijn met zijn

zegen, en ik hoop innig ook met dien van de anderen.

Vroeger kon ik nogal gemakkelijk leeren--ik was niet achterlijk --maar

tusschen 't toen en nu ligt al zoo'n heel menschenleven. Alles wat ik op

de "bewaarschool" geleerd heb, ben ik vergeten,--ik was 12 1/2 jaar,

toen ik die school verliet. Maar _willen_ is bijna altijd _kunnen_,

nietwaar, Moedertje. Ik zal in elk geval _goed, goed_ mijn best doen en

hard werken. Geef mij uw beider zegen! houd den goeden geest, wil en

moed steeds wakker in me, liefsten! Nu heb ik u alles trouw en eerlijk

opgebiecht, Moedertje! Hoe denkt u beiden over dit alles? Zeg mij

ronduit uw beider meening, ik ben _geheel uw kind_, en u weet, hoeveel

waarde ik aan uw beider opinie hecht.

Ik heb deze biecht geschreven in de volle overtuiging--in 't vaste

vertrouwen, dat _niemand_ warmer belang kan stellen in al mijn

aangelegenheden, dan u beiden, en deze betreft _heel_ mijne verdere

toekomst. Ik weet ook dat ik ten allen tijde bij u komen mag, wanneer ik

raad en steun en troost behoef. En in de komende tijden zal ik zeker

dikwijls daarom tot u komen.

[1] Welke resident bedoeld wordt, blijkt niet.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 29 / 136 题