Nu, als wij niet naar Holland gaan, mag ik dan naar Batavia om voor
dokter te studeeren? Wat Vader hierop antwoordde, is in 't kort samen te
vatten: "dat ik niet moest vergeten, dat ik ben een _Javaan_, dat het
_nu nog niet mogelijk_ is, dat ik die richting opga--over 20 jaar zal 't
anders zijn--maar _nu_ kan 't nog niet--of ik zou 't _verschrikkelijk
moeilijk_ moeten hebben--"omdat ik dan de eerste zou zijn". Vader kon
niet zoo maar op stel en sprong beslissen. Vader zou er eerst lang en
breed over nadenken, met anderen er over spreken en velen raadplegen.
Dit laatste bewijst, dat Vader mijn idee _niet_ geheel en al verwerpt;
dat Vader weet, dat ik tot elken prijs vrij, zelfstandig, onafhankelijk
wil worden; en dat ik _werkelijk niet_ gelukkig zal kunnen zijn in een
huwelijksleven, zooals dat tot nu toe is.
Toen vroeg ik: "maar als de Inlandsche meisjesschool van Mr. Abendanon
tot stand komt, mag ik dan onderwijzeres worden?" en ik vertelde wat
mevrouw Abendanon me vroeg en voorstelde.
O! Moedertje, 't was alsof de hemel openging, een eindelooze
heerlijkheid zich aan mij vertoonde, die me verblindde en bedwelmde,
toen ik daarop Vader hoorde zeggen: "Dat is mooi, dat is prachtig! dat
mag je wel!"
"Maar ik moet er eerst voor opgeleid worden; ik moet een jaar of vier
naar 't klooster om te leeren en dan examen te doen. Zonder akte wil ik
er niet komen."
En Vader vond 't _goed_, billijkte mijn verlangen.
O! Moedertje, hoe zalig gelukkig gevoelde ik me; ik had niet gedacht dat
't zóó gemakkelijk zou gaan. Er was geen enkel hard, bitter of scherp
woord gevallen; ik kreeg heel wat op mijn kop--ja--doch ik heb 't
verdiend; dat erken ik zelf gulweg. Maar Vader deed 't zoo zachtzinnig,
zoo liefderijk. O! ik heb mij dan toch niet in zijn onmetelijke liefde
voor mij vergist, in zijn geheel meêvoelen, meêleven met zijn kind; dat
Vader méér nog dan ik zelf zou lijden, als hij mij dat leed moest
aandoen, en dat hij even vurig als ik zelf hoopte, dat er eene uitkomst
voor mij mocht wezen.
O! welk eene woeste, jubelende vreugde maakte zich van mij meester, toen
ik die zalige zekerheid had; wist, dat Vader, mijn afgodisch beminde
Vader, zich _zonder verdriet_ bij mijne ideeën, wenschen en verlangens
neêrlegde!
't Was om hèm, dat ik mij zoo ellendig gevoelde, maanden lang, dat ik
wankelmoedig, zwak, ja _laf_ was, want ik kòn zijn hart niet breken; en
ik _moest_, omdat ik _niet kon, niet wilde_ mij vernederen, mijn
vrouwenhart, mijn waarde als vrouw, als mensch laten vertrappen; ik
_moest_ mij tegen hunne plannen verzetten; ik was 't zedelijk verplicht
aan mijn eigen fierheid, die ik 't zwijgen niet vermocht op te leggen.
Hard was die innerlijke strijd geweest.
O! en Vadertje heb ik voor mij gewonnen; daarmeê is de _grootste_
moeilijkheid, overwonnen, het grootste struikelblok uit den weg geruimd.
Waar ik _Vader_ aan mijne zijde weet, heb, ga ik onverschrokken, blij en
opgewekt, met luchtigen tred, en een glimlach om den mond den vijand
tegemoet!
Nu hangt het alleen van mijn eigen willen en kunnen af of ik mijn doel
al dan niet bereiken zal! Ik ben vol hoop, vol moed, houd u dien moed
frisch in me, Moes! Ik heb Vader dadelijk gevraagd of ik Mevrouw
Abendanon die goede tijding mocht berichten, en ik mocht! Dien zelfden
avond nog schreef ik haar en u dit regeltje.
't Is wel nog een vraag, of de Inlandsche meisjesschool tot stand komt,
maar ik wanhoop niet; 't een en ander wijzen op een ernstig streven van
eenige, zoo niet vele, invloedrijke personen om de Inlandsche wereld op
te heffen, en om "licht" te brengen der Inlandsche vrouwenwereld, haar
op te heffen uit haar treurigen staat.
Op Djokdja zochten we Mevrouw Ter Horst op, zooals ik u reeds schreef.
Ze was heel aardig voor ons, haalde ons van 't station af, waar ze ons
echter misliep, daar we een station eerder waren afgestapt; zij had eene
rijsttafel voor ons klaar. We kwamen alleen om haar te groeten, doch zij
had wat met me te bespreken. Zij vertelde mij dat Resident de B.,[1]
afgescheiden van Mr. Abendanon's plannen, waarvan hij niets wist,
ernstige plannen had, om zoo mogelijk van Regeeringswege, zoo niet, dan
uit particuliere middelen, een kostschool voor dochters van Inlandsche
hoofden op te richten. De Resident vroeg haar daarvoor een plan te
ontwerpen, dat hij dan verder zou uitwerken, en ze vroeg nu hoe ik
daarover dacht, en wat ik noodig vond, dat de Inlandsche meisjes,
dochters van hoofden, hoog en laag, weten en kennen moesten om tot meer
zedelijke welvaart te geraken. Onlangs vroeg de directeur der
hoofdenschool te Probolinggo me dit onderwerp: "'t Inlandsch onderwijs
voor meisjes" te willen behandelen voor een Hollandsch tijdschrift voor
Inlanders. Er bestaat dus werkelijk een ernstig streven om de Inlandsche
meisjes onderwijs te geven. Mochten de pogingen van Mr. Abendanon om
Inlandsche meisjesscholen op te richten, mislukken, wat de hemel
verhoede! en ik dus geen onderwijzeres worden, dan laat u mij niet
alleen, nietwaar, Moedertje? Maar wil mij wel helpen om Vader's
toestemming te verkrijgen voor 't dokter worden? Of mag ik 't van u
beiden ook niet? U beiden kunt zoo veel van Vadertje gedaan krijgen, als
u maar wilt.
Vader is sedert dien gedenkwaardigen middag dubbel lief voor me; hij kan
zoo zacht, zoo teeder mijn hoofd tusschen zijn beide handen nemen, zoo
warm en innig zijn arm om mij heen slaan, als om me te beschermen tegen
naderend onheil. Ik voel uit alles en alles zijne onmetelijke liefde, en
ik ben daar trotsch op, en er o zoo gelukkig meê!
Sedert we van Batavia terug zijn, hebben we een gevoel alsof wij thuis
komen, alleen om even uit te rusten, goeden dag te zeggen en weer uit te
vliegen. Waarheen??? Ik wil volop genieten van mijn thuis-zijn, want
nergens in de heele wereld zal ik 't zoo goed hebben als bij mijn eigen
ouders thuis, en 't stemt mij zoo oneindig dankbaar te weten, dat
wanneer ik vandaag of morgen 't huis verlaat, 't zal zijn met zijn
zegen, en ik hoop innig ook met dien van de anderen.
Vroeger kon ik nogal gemakkelijk leeren--ik was niet achterlijk --maar
tusschen 't toen en nu ligt al zoo'n heel menschenleven. Alles wat ik op
de "bewaarschool" geleerd heb, ben ik vergeten,--ik was 12 1/2 jaar,
toen ik die school verliet. Maar _willen_ is bijna altijd _kunnen_,
nietwaar, Moedertje. Ik zal in elk geval _goed, goed_ mijn best doen en
hard werken. Geef mij uw beider zegen! houd den goeden geest, wil en
moed steeds wakker in me, liefsten! Nu heb ik u alles trouw en eerlijk
opgebiecht, Moedertje! Hoe denkt u beiden over dit alles? Zeg mij
ronduit uw beider meening, ik ben _geheel uw kind_, en u weet, hoeveel
waarde ik aan uw beider opinie hecht.
Ik heb deze biecht geschreven in de volle overtuiging--in 't vaste
vertrouwen, dat _niemand_ warmer belang kan stellen in al mijn
aangelegenheden, dan u beiden, en deze betreft _heel_ mijne verdere
toekomst. Ik weet ook dat ik ten allen tijde bij u komen mag, wanneer ik
raad en steun en troost behoef. En in de komende tijden zal ik zeker
dikwijls daarom tot u komen.
[1] Welke resident bedoeld wordt, blijkt niet.