23 Augustus 1900. (I.)

Stella, geloof me, als er van mij, van ons, ooit wat terecht komt in

dien zin, die jij en ik 't "terechtkomen" bedoelen, dan hebt gij dat op

je geweten. Ik schrijf dit niet zoo maar neer, maar meen het met heel

mijn hart. Je hebt mij héél veel geleerd, en je aanmoediging is mij een

lieflijke steun, een kracht. Ik wil, ik zal mijne vrijheid bevechten. Ik

wil, Stella ik wil, hoor je dat? hoe zal ik ooit kunnen overwinnen, als

ik niet strijd? hoe zal ik kunnen vinden, als ik niet zoek? Zonder

strijd geen overwinning; ik zal strijden, Stella, ik wil mijne vrijheid

veroveren. Ik zie niet op tegen bezwaren en moeilijkheden, ik voel me

sterk genoeg ze te overwinnen, maar er is iets, waar ik vreeselijk tegen

opzie. Stella, ik heb je al meer verteld, dat ik Vader ziels, ziels

liefheb. Ik weet niet, of ik den moed zal hebben mijn wil door te

zetten, als ik daarmee zijn hart breek, dat zoo vol liefde voor ons

klopt. Ik heb hem lief, oneindig lief, mijn ouden, grijzen vader, oud en

grijs door zorgen voor ons, voor mij. En als een van ons beiden dan toch

absoluut ongelukkig moet worden, laat mij 't dan zijn. Ook hierin

schuilt egoïsme, want ik zou toch niet gelukkig kunnen zijn, ondanks

vrijheid, ondanks onafhankelijk-en zelfstandigheid, als ik Vader

daardoor rampzalig maakte.

Maar zie je den toestand niet een beetje te donker in? vraag je, O! was

het maar zoo! Ik ben zelfs optimistisch geweest door te zinspelen op een

mogelijke uitkomst! Wil ik je wat zeggen? De levensweg der Javaansche

meisjes is afgebakend en gevormd naar een en 't zelfde model. Wij mogen

géén idealen hebben; de eenige droom, dien wij droomen mogen is: vandaag

of morgen de zooveelste vrouw te worden van den een of anderen man. Ik

tart hen, die dit weerleggen kunnen.

Over Indische en Europeesche toestanden nadenkende, en ze met elkaar

vergelijkende, moet je wel erkennen, dat het daar geen haartje beter is

dan hier, wat de moraliteit der mannen betreft, en zijn daar de vrouwen

er even ongelukkig aan toe als hier, met dit verschil echter dat de

vrouwen daar, althans de overgroote meerderheid uit vrijen wil den man

in 't huwelijksbootje volgen, terwijl hier de vrouwen niets te willen

hebben, maar eenvoudig getrouwd worden, krachtens den wil van ouders of

voogden, met wien deze machthebbenden 't maar goed vinden. In de

Mohammedaansche wereld is de toestemming, ja zelfs de tegenwoordigheid

der vrouw niet noodig bij 't sluiten van een huwelijk. Vader kan bijv.

vandaag thuiskomen en mij vertellen: "je bent met die en die getrouwd".

Ik heb dan mijn man te volgen, of ik kan 't ook wel weigeren, maar dit

geeft den man dan recht om me levenslang aan zich te ketenen, zonder dat

hij zich wat om mij te bekommeren heeft. Ik ben zijn vrouw, ook al volg

ik hem niet, en als hij zich niet van mij wil laten scheiden, dan ben ik

heel mijn leven lang aan hem gebonden, terwijl hij vrij blijft in zijn

doen en laten, zooveel vrouwen trouwen kan, als hij maar wil, zonder

zich om mij te bekreunen. Als vader me op zoo'n manier uithuwt, dan maak

ik me maar eenvoudig van kant. Maar dat zal Vader nooit doen.

God heeft de vrouw geschapen als gezellin van den man, en de bestemming

der vrouw is 't huwelijk. Goed, 't is niet te weerspreken, en gaarne

erken ik, dat 't hoogste vrouwengeluk, ook eeuwen na deze, zal zijn: een

harmonisch samenleven met den man! Maar hoe kan van een harmonisch

samenleven sprake zijn, als onze huwelijkswetten zoo zijn, als ik je er

een voorbeeld van beschreef? Moet ik als vanzelf niet het huwelijk

haten, verachten, als het de vrouw zoo gruwelijk verongelijkt? Neen,

gelukkig niet ieder Mohammedaan houdt er vier vrouwen op na, maar iedere

getrouwde vrouw in onze wereld weet, dat zij zijne eenige niet is, en

dat vandaag of morgen manlief haar een gezellin kan thuis brengen, die

op hem evenveel rechten heeft als zij; volgens Mohammedaansche wet is

zij ook zijn _wettige_ vrouw. In de Gouvernementslanden hebben de

vrouwen 't lang zoo hard niet te verantwoorden als hare zusters in de

Vorstenlanden, Soerakarta en Djokjakarta. Hier zijn de vrouwen al

doodongelukkig met een, twee, drie, vier bij-vrouwen van hare mannen;

daar in de Vorstenlanden noemen de vrouwen dat kinderspel. Je vindt daar

bijna geen enkele man, die maar één vrouw heeft; in de adellijke

kringen, vooral in de omgeving van den Keizer, hebben de mannen tot over

de 26 vrouwen.

Mogen deze toestanden voortbestaan, Stella?

Ze zijn er al zoo aan gewend, dat zij er niets meer in vinden, maar dat

neemt niet weg, dat die vrouwen er ontzettend onder lijden. Bijna iedere

vrouw, die ik ken hier, vervloekt dit recht der mannen. Maar

verwenschingen helpen niets; gehandeld moet er worden.

Komt, vrouwen, meisjes, staat op, reiken wij elkaar de handen en laten

wij samen arbeiden, om verandering te brengen in die onhoudbare

toestanden.

Ja, Stella, ik wist het, dat ook in Europa de toestand op zedelijk

gebied der mannen intreurig is. Ik zeg met jou, hulde aan de jonge

mannen, die de ingekankerde gewoonten, die verleiding den rug toekeeren;

en schande over de hedendaagsche meisjes, die niet onwetend mannen

volgen, wier leven bezoedeld is. Ja zeker, de jonge moeders kunnen

hieraan 't meest doen, dat heb ik reeds meer betuigd met mijne zusters.

Ik zou wel kinderen willen hebben, jongens en meisjes, om ze op te

voeden, te vormen tot menschen naar mijn hart. Allereerst zou ik die

ongelukkige gewoonte om jongens voor te trekken boven meisjes

afschaffen. Wij mogen niet verwonderd zijn over het egoïsme van den man,

wanneer wij nagaan hoe als kind hij reeds voorgetrokken werd boven 't

meisje, zijn zusje. En als kind al wordt den man geleerd het meisje te

minachten. Heb ik niet vaak moeders tegen hare jongens hooren zeggen,

wanneer zij vallen en huilen: "foei, een jongen huilen, net als een

meisje!" Ik zou mijne kinderen, jongens en meisjes, leeren elkaar als

gelijke wezens te beschouwen, en hun geven volkomen dezelfde opvoeding,

natuurlijk volgens ieders aanleg. Ik zou mijn meisje bijv. omdat ik van

haar eene nieuwe vrouw wil maken, _niet_ laten studeeren, als ze

daarvoor lust noch aanleg heeft; doch haar iets te kort doen, om haar

broer te bevoorrechten, _nooit_! En dan zou ik de grens ook laten

wegvallen, die men zoo bespottelijk angstvallig tusschen beide seksen

trekt. Ik ben ervan overtuigd, dat indien hij wegviel, dit den mannen

vooral ten goede zou komen. Ik kan en wil niet gelooven, dat beschaafde,

ontwikkelde mannen opzettelijk 't gezelschap van vrouwen, die gelijk

staan met hen in beschaving en ontwikkeling, vermijden, om zich te

werpen in de armen van onrespectabele vrouwen. Wat vele mannen weerhoudt

zich veel in beschaafd damesgezelschap te bewegen is, dat een heer bijna

nooit een beetje aardig kan zijn tegen een meisje, zonder dat zij aan

een huwelijk denkt. Nu, dit alles zal verdwijnen, wanneer man en vrouw

hun vrijen ongedwongen omgang met elkaar als kinderen tot op lateren

leeftijd behielden.

Je zegt: "Wij meisjes kunnen veel doen, om de jonge mannen op den goeden

weg te brengen, maar wij mogen zoo weinig van hun leven kennen". Alles

zal veranderen, mettertijd, maar wij moeten hard, hard arbeiden, anders

komt die tijd nooit. Wij hier op Java staan pas aan den vooravond van

den nieuwen tijd; moeten wij nog eerst alle phasen afloopen, die jullie

hebt doorgemaakt, om te komen tot den tijd, waarin jullie in Europa

leven?

* * * * *

Onder mijne nieuwe schatten bevindt zich ook "Het Jongetje" van Borel.

Een verrukkelijk mooi boek, je hebt gelijk hoor! Velen hier vinden het

ziekelijk en schrikkelijk overdreven, doch ik ben 't volstrekt daarmee

niet eens. Ziekelijk is het in geen geval en overdreven evenmin. Er zijn

wel niet veel zooals Borel's jongetje, maar ik ken er toch een, hier op

de plaats. Het jongetje van den assistent-resident is Borel's jongetje

verpersoonlijkt. Op een keertje zei hij tot Kardinah: "Tante, ik houd

zooveel van meisjes. Meisjes kunnen zoo dodderig glimlachen. Ze zijn zoo

heel, heel anders dan jongens, ze zijn zoo lief, zoo zacht". Dit zegt

een ventje van 5 jaar. Hoe vindt je dat? Hij betastte eens den arm van

Kardinah en vroeg toen: "Tante, waarom zijn de vrouwen toch zoo zacht?"

Zijn eigen armpje betastende, vervolgde hij: "al ben ik nog zoo klein,

ik ben toch een man, daarom ben ik zoo hard". O, 't is zoo'n allerliefst

kindje, met groote, vochtige droomen-oogen en bruin krullend haar.

Voordat hij hier kwam, zag hij bij kennissen op Soerabaja onze

portretten. Zijne moeder vertelde hem, dat op de plaats, waar naar toe

zij gingen, die lieve tantes woonden. Het jongetje dacht, dat hij

trouwen moest en vroeg: "Maatje, moet ik met alle drie, of met eentje

van haar trouwen?" En toen hij hier kwam en kennis met ons maakte, vroeg

zijne moeder hem: "Wel broertje, heb je al een keus gedaan? Met wie van

de Tantes wil je trouwen?" "Maatje, ik kan niet kiezen, want ze zijn

alle drie even lief!" Het kleine engeltje zeide daarop tot ieder onzer:

"Ik hou van jou, ik hou van jou, ik hou van jou, ja ik hou van de heele

wereld, want ieder is goed, ieder is lief!" Als mij dit door anderen

werd verteld, zou ik 't misschien niet gelooven, maar ik zag en hoorde

alles met eigen oogen en ooren.

* * * * *

Het onderwerp, dat Mevrouw van Zuylen-Tromp behandeld wilde zien, was

"'t leven der Inlandsche vrouw". Over dit onderwerp schrijf ik _nu_

liever niet. Ik heb daarover veel te veel te zeggen, en zou nu

onmogelijk daar een geregeld verhaal van maken. Over een paar jaar

misschien, als ik verstandiger en kalmer ben geworden, zal ik het

aandurven. Nu warrelen en dwarrelen de gedachten, die ik daarover heb,

nog door mijn brein, als vallende blaren, die vooruitgedreven worden

door den wind. Wat eene vergelijking hè?

* * * * *

De ochtenden zijn goddelijk, de avonden eveneens, doch zoo midden op

den dag zou ik wel aldoor in 't water willen liggen, als dat nu ook niet

zoo lauw was. Wat genieten wij hier van de ochtenden; zij zijn zoo

heerlijk frisch en de natuur is dan zoo mooi. Wij dwalen dan rond in den

tuin, waar alles geurt en fleurt. 't Is waarlijk een genot om 's morgens

buiten te zijn! Ons tuintje, dat we zelf nebben aangelegd en beplant,

bloeit. Kon je maar met ons daarin dwalen, of hou je niet van bloemen en

planten? Ma heeft haar moestuin en wij onzen bloemen- en rozentuin. Deze

laatste staat voor onze kamer, en als het volle maan is, kan het er zoo

idyllisch wezen. 't Is er dan om te dwepen. De zusjes brengen hare

cithers naar buiten, zetten zich neer tusschen bloeiende heesters en

maken muziek. Wat wordt er dan gestoeid, gebabbeld en gelachen na het

concert.

* * * * *

Je verontwaardiging over de behandeling, welke die twee beschaafde,

ontwikkelde landgenooten van me van vele Europeanen ondervonden hadden,

deed me goed. Geloof me, het zijn niet domme menschen alleen, die zich

zoo bespottelijk aanstellen tegenover den Javaan. Ik heb menigmaal

personen ontmoet, die volstrekt niet dom zijn, ja aristocraten zijn van

den geest, maar toch o, zoo hoogmoedig en verwaand, om er geen huis mee

te houden. 't Grieft mij zoo ontzettend, en men heeft 't ons maar al te

dikwijls laten voelen, dat wij Javanen eigenlijk géén menschen zijn. Hoe

willen de Nederlanders toch door ons Javanen bemind zijn, als zij ons

zóó behandelen! Liefde wekt wederliefde, maar nooit zal minachting

liefde wekken. We hebben veel vrienden onder de Hollanders, die we

hartelijk liefhebben, zelfs méér dan vrienden van ons eigen ras. Zij

hebben zich de moeite gegeven ons te leeren kennen en begrijpen, en ze

hebben ons liefgekregen. Wij houden heel veel van de Hollanders, en zijn

hun dankbaar voor het vele goeds, dat zij ons leeren. Wij zullen nooit

vergeten, aan wie we het wakker worden en de ontwikkeling van onzen

geest te danken hebben. De Hollanders mogen ons dan onrechtvaardig

behandelen, ik zal hen steeds liefhebben, wij zijn hun zooveel

verschuldigd! Men mag zeggen van de Javanen, wat men wil, doch geloof

nooit, dat zij géén hart hebben. Ze hebben het wel degelijk, en zij

kunnen zeker dankbaar zijn voor ontvangen weldaden in stoffelijken of

geestelijken vorm, al verraadt hun onbeweeglijk gezicht ook niets van

hetgeen hun inwendig beroert. Doch ik hoef je dat eigenlijk niet te

vragen, jij, die alle schepselen, van welke kleur ook, als menschen

evengoed als je zelf beschouwt.

O! ik ben toch zoo innig, innig blij, dat ik je heb mogen ontmoeten. Ik

laat je _nooit_ los, Stella. Ik heb je zóó innig liefgekregen, dat ik

mij niet voorstellen kan, hoe 't moet gaan, als 't leven, wat God

verhindere, ons van elkaar scheidt. Alsof de oneindige oceaan nu niet

reeds tusschen ons beiden staat! Maar geesten, die elkaar in groote

sympathie vinden, zien op geen afstand; ze overbruggen de grootste zeeën

en uitgestrekte landen om in contact met elkaar te komen. Een goddelijke

uitvinding zijn de brieven! gezegend zij degene, die ze uitvond!

Een week geleden kregen we bezoek van den Directeur van Onderwijs,

Eeredienst en Nijverheid en echtgenoote van Batavia ... en Stella, jubel

met me, de Directeur kwam hier speciaal om persoonlijk Vader's opinie te

vernemen over 't voorstel, dat hij binnenkort der Regeering wilde

indienen, n.l. het oprichten van Inlandsche meisjesscholen! Ik was ziek,

en gevoelde mij ellendig, niet alleen door lichamelijke pijn, maar ook

door zieleleed. Stella, ik geloof dat mijn vrijheidsdroom weldra ten

einde zou zijn--toen Vader mij dien brief van den Directeur gaf, waarin

hij vroeg, Papa te spreken en mededeelde, waarover. Hoe heerlijk

weldadig was mij dat schrijven, het fleurde me heelemaal op! 't Deed me

zoo oneindig goed te weten, dat daar op Batavia een der hooge

Regeeringsmannen _hart_ had voor den Javaan allereerst en voor de

_Vrouw_! Toen even daarna Mama naar me kwam kijken, vond ze haar dochter

in tranen, o, ik was zoo gelukkig, zoo dankbaar! Ik moest en ik zou

beter worden als hij kwam, want ik wilde hem spreken, al was 't ook maar

alleen, om hem woorden van dank toe te roepen.

En hij kwam ... niet alleen ... zijne vrouw vergezelde hem! O! Stella,

nooit van ons leven hebben we zóó heerlijk, verrukkelijk kennis gemaakt.

Voor hem had ik al groote sympathie opgevat, toen ik wist waarvoor hij

kwam. En die sympathie nam toe, toen ik hem ons erf zag binnenrijden;

hij op de voorbank, op de achterbank zijn vrouw en naast haar Vader,

die hen van 't station afhaalde. Ik wist, dat Vader niet dan op zijn

dringend verzoek dáár zat. Voor jou is dit eene gewone beleefdheid, meer

niet, maar lach mij gerust uit, Stella, zij trof mij zeer. Zij sprak mij

van den eenvoud van den Directeur en--dat hoogheidswaan die alle

ambtenaren hier bijna zonder uitzondering aankleeft, bij hem geheel

vreemd was. Ik was zoo gewoon Vader aan den linkerkant van resident,

assistent-resident, hoeveel jonger hij ook moge zijn dan vader, te zien.

Niet alleen ik, doch zelfs Europeanen ergeren zich dood aan de dwaze

rangaanstellerij hier, die op ambtelijke bijeenkomsten de Europeesche

ambtenaren en regenten op stoelen doet plaatsnemen, terwijl voor de in

den dienst vergrijsde wedono's de koude grond, slechts bedekt met een

bamboezen matje, en somtijds onbedekt, goed genoeg is. De minste

Europeaan heeft recht op een stoel te zitten, terwijl Inlandsche

ambtenaren beneden den rang van regent, van welke leeftijd, afkomst of

kunde ook, de grond als zitplaats aangewezen wordt, waar Europeesche

bestuursambtenaren bij zijn. Het is zeker niet hartverheffend om te

zien, hoe de grijze wedono op den grond kruipt voor den kandjeng toewan

adspirant, een jong broekje, dat nauwelijks de schoolbanken verlaten

heeft. Doch genoeg--daarom trof mij de beleefdheid van den Directeur,

die een heel hooge oom is, zeer.

We hoorden den Directeur tot Vader zeggen: 'k Ben overal op Java geweest

en heb verscheiden hoofden gesproken, Regent. U heeft 't voorbeeld

gegeven, meisjes naar school te zenden. Ik heb aan meisjes, die nog

schoolgaan, zelf gevraagd, of zij verder zouden willen leeren, en ze

antwoordden allen enthousiast: "Ja!" Hij vroeg, hoe of Vader de

meisjesschool wilde ingericht hebben, en waar of die, bij wijze van

proef, moest zijn, in West-, Midden- of Oost-Java.

O, Stella, hoe tintelden mijne ooren en oogen, en klopte mijn hart van

zalige verrukking, bij 't hooren van dat al! Er zal dan tòch licht

komen, in onze arme, donkere vrouwenwereld!

Terwijl Mijnheer met Vader sprak, onderhield Mevrouw zich met ons. Met

welk eene verrukking luisterden wij naar haar!

Ze vertelde me, wat 't doel was van haar man, en vroeg, hoe of ik 't

vond. "Een goddelijk idee, Mevrouw, dat de Inlandsche vrouwenwereld ten

zegen zal zijn, als 't tot uitvoering komt; en nog grooter zou die zegen

zijn, indien de meisjes dan ook in de gelegenheid werden gesteld, zich

in 't een of ander vak te bekwamen, dat haar in staat zou stellen, zich

een eigen weg door 't leven te banen, wanneer het haar door hare

ontwikkeling mocht tegenstaan, terug te keeren in hare oude

maatschappij. En 't meisje, wier geest men heeft ontwikkeld, wier blik

is verruimd, zal niet meer kunnen leven in haar voorvaderlijke wereld.

Men leert haar wat _vrijheid_ is, en brengt haar in een kerker; men

leert haar _vliegen_, en sluit haar op in een kooi. Neen, de werkelijk

ontwikkelde vrouw, kàn onmogelijk zich gelukkig voelen in de Inlandsche

maatschappij, zoolang zij is, zooals zij nu is. Er staat, er is tot

dusver voor 't Inlandsch meisje slechts één weg open om door 't leven te

komen en dit is "trouwen". En hoè de huwelijken zijn in de Inlandsche

maatschappij, zal u wel niet onbekend zijn, u, die al zoolang op Java

is. O, wij vinden 't goddelijk, dat uw echtgenoot den meisjes opvoeding

en ontwikkeling wil geven, maar laat daarnaast ook vakopleiding staan,

en dan zal de zegen, die uw man aan de Inlandsche wereld brengen zal,

_ten volle_ een _zegen_ zijn!"

"Man, hoor je dat?" vroeg ze haar man enthousiast. "Deze jonge dame

vraagt vakopleiding voor Inlandsche meisjes."

Verbaasd keek hij mij aan "en vroeg: "Werkelijk, vraagt u voor de

meisjes vakopleiding? Hoe wil u die hebben? Toe, vertelt u maar, wat zou

u willen worden? Dokter?"

Ik voelde aller blikken op mij gevestigd, vooral die mijner ouders

brandden mij in 't gelaat, ik sloeg mijne oogen neer. 't Gonsde en

suisde in mijne ooren, maar boven dat alles uit klonken je woorden:

"Kartini, wees flink, wees niet wankelmoedig!"

"Toe, zegt u 't maar, wat zou u willen worden?"

"O, ik weet 't wel, u wil schrijfster worden, maar daarvoor hoeft u niet

opgeleid te worden? U kan het uit u zelf wel worden!"

Voor studie ben ik helaas te laat, maar ik mag immers niet omzien,

nietwaar, ik moet "mijn blik omhoog richten en eenvoudig voorwaarts

gaan". Stella, Stella, laat me niet los, houd mijn hand in de uwe, leid

me; van jou gaat een kracht uit, die me bezielt, laat me niet alleen!

Als er van mij wat terecht komt ooit, dan is dit je werk, lieveling!

Mevrouw sprak lang met me over alles en wat jij en ik zoo vaak met

elkaar bespraken "de vrouw". Toen wij dien avond van elkaar gingen om

naar bed te gaan, nam zij mijne hand in beide hare, drukte die met

warmte en sprak: "vriendin, wij zullen nog weer op dit punt terugkomen,

ik zal u vaak en veel schrijven, wil u hetzelfde aan mij doen? Vertel me

veel, vertel me alles." Den volgenden ochtend brachten we haar weg, en

in de drie uren, dat we met haar in 't rijtuig en in de tram zaten,

hebben wij, zij en ik, zooveel met elkaar afgepraat. Hoewel 't reeds 12

uur was, toen wij den vorigen avond van elkaar gingen, had ze haar man

toch alles verteld, wat ze van ons wist.

"O, Regent", riep ze telkens, "geef me toch uwe dochters mee, laat haar

op Batavia komen bij me. Toe, laat deze jonge dame bij me komen, ik zal

haar zelf komen halen."

En Vader zei haar, dat hij er over dacht om dit jaar nog naar Batavia te

gaan, "doch zij blijft bij Mama thuis, Mevrouw!" Met dat "zij" werd mijn

persoon bedoeld; was 't ernst of scherts?

Zij wilde ons op Batavia hebben, om zelf bij de hooge oomes onze

belangen en de belangen van onze Inlandsche vrouwen te bepleiten. O,

Stella, hoop dat als 't zoover komt, ik goed moge pleiten. Mevrouw zal

naar Buitenzorg gaan om belet te vragen bij Mevrouw Rooseboom om haar

van de Javaantjes te vertellen. Bij 't afscheid zeide Mevrouw tot me:

"Wees flink, houd moed, en _vertrouw_. Het màg zoo niet langer blijven,

er moet en zal wat aan gedaan worden. Wees flink!" Stella, droom ik of

waak ik? Is er heusch uitkomst voor ons? Mogen we hopen, dat onze droom

toch voor verwezenlijking is vatbaar? Ik heb nog veel meer gehoord. Ze

heeft me nog meer gezegd, maar ik durf 't je niet te vertellen. Het is

nu nog zoo ver van me, maar 't straalt en glanst me tegen. Later, later,

Stella, lieveling, als ik het al in mijne armen heb, stevig, stevig

omstrengeld houd, dat 't me niet ontglippen kan, zal je weten wat 't is.

Ik heb mijne zusjes gevraagd, leef ik nog, want ik voel mij zoo

onbeschrijfelijk zalig en gelukkig! Bid voor mij, liefste, dat dit geene

illusie moge zijn, geen bleeke hersenschim! Want, o, dat zou vreeselijk

zijn! Ik zal er me nog maar niet al te zéér op verblijden, want 't is

nog zoo onzeker, 't kon misloopen, en de terugslag zou verschrikkelijk

zijn.

De tweede onderwijzer gaat spoedig naar Europa en vindt je 't niet

aardig van den Directeur om in zijn plaats een onderwijzeres te zullen

benoemen? Hij zal ons eene Hollandsche zenden, leeftijd komt er niet op

aan, maar zij moet eene beschaafde, ontwikkelde vrouw zijn, waar wij

veel aan zouden hebben. Dit is wat hij dadelijk voor ons kan doen, en

dan, o, Stella, toen hij bij ons onze werken zag, schilderijen,

boetseerwerken, enz., zei hij, of 't niet mogelijk was, om in één jaar

tijds eene tentoonstelling voor te bereiden. Hij betreurde ten zeerste,

dat wij niet meer hebben ingezonden naar de Fransche tentoonstelling. En

den volgenden morgen vertelde hij, dat hij met invloedrijke personen op

Batavia zou spreken, om zoo mogelijk 't volgende jaar nog eene

tentoonstelling van Inlandschen arbeid aldaar te houden. "U moet veel

inzenden, van alles wat wij bij u gezien hebben."

O, Stella, ik kon niets, niets zeggen, ik keek hem en haar maar aan, met

tranen in de oogen. Waaraan hebben wij zooveel goedheid verdiend,

zooveel liefs, zooveel geluk. Wij hebben elkaar nooit tevoren gekend. We

leefden als in een droom, er was geen gisteren, geen morgen voor ons,

alleen het heerlijke, gelukstralende heden bestond! Zooveel moois deed

me duizelen, maakte me bang!--o, de reactie zou vreeselijk zijn, als de

droomen en illusies, die wij nu hebben, allen in rook vervlogen. Thuis

gekomen nam ik dadelijk de pen op, om een jubelenden brief aan onze

vriendin, Mevrouw Ovink, te schrijven, want een paar dagen tevoren

bereikte haar een wanhoopskreet van me, en mijn lief moedertje moest

weten, dat haar dochtertje weêr gelukkig was. Ik heb haar niets verteld

van hetgeen ik je hier schrijf, alleen maar dat ik mij ontuitsprekelijk

gelukkig gevoelde, en vol lust was en levensmoed. Maar jou heb ik alles

verteld, met uitzondering van dat eene, omdat jij daarop recht hebt,

immers 't zal jou werk zijn, wanneer alles zich voor mij ten goede

keert. Je zedelijke steun hield me staande, wanneer ik wanhopig was, je

bemoediging, je opwekking sterkten mij, wanneer ik me zwak gevoelde.

Stella, als ik ooit iets kan doen voor mijne zusteren op Java, dan is

het enkel en alleen door en met je hulp.

Ik vertelde je reeds, dat Mevrouw Ter Horst mij haar blad ter

beschikking stelde, om er de belangen der Inlandsche vrouw te bepleiten;

ze beloofde me geheimhouding, en deed me zelfs een vorm aan de hand,

waarin ik dat onderwerp behandelen kon "eene causerie van twee

regentsdochters". Zij van haar kant zal en wil alles doen, om de goede

zaak te bevorderen, als ik haar maar wilde zeggen op hoe'n wijze zij

zulks zou kunnen doen. Van Vader heb ik de toestemming. O! Stella,

Stella, wat wordt me toch _veel_ in handen gelegd. God geve, dat ik 't

volbrengen kan. Steun me, sterk me, mijn vriendin. Schrijf me véél,

véél, Stella. Om me te oefenen schreef ik schetsjes, doodgewone dingen,

voorvallen uit ons eigen leven. Een er van is al in de "Echo"

verschenen; als pseudoniem koos ik "Tiga Soedara" (drie zusters), omdat

wij drieën één zijn. Men had al gauw ontdekt wie Tiga Soedara was en ik

kreeg een pluimpje voor mijn werk in de "Locomotief" (een dagblad hier

in Indië). Ik vond 't vervelend, ik had 't zoo graag geheim willen

houden, dat ik pende. Ik vind het heusch vervelend om er over

aangesproken te worden. Men mag mij aanstellerig vinden, maar waarlijk

ik ben niet van complimenten gediend. Maar dat bericht in de krant heeft

toch ook zijn goeden kant, en een zéér goeden ook, want zie, verleden

maand werden Vader twee nommers van een nieuw tijdschrift voor Inlanders

gezonden, met verzoek ze ons te geven en een brief waarin de medewerking

van "Tiga Soedara" werd verzocht. Het is het eerste Nederlandsche

tijdschrift, dat voor Inlanders is opgericht. Wensch me geluk met de

verschijning van dit blad, ik verwacht veel heil van de "Nederlandsche

Taal" voor mijne landgenooten, voor ons Inlanders. Het is in den trant

van onze Lelie! Hollandsche bloem, tot in 't verre Indië, dringt uw geur

en schoonheid door! De "Echo", nu de "Nederlandsche Taal"! Je kunt

begrijpen, dat ik den redacteur en oprichter (directeur der

hoofdenschool te Probolinggo) een enthousiasten brief schreef en mij

beschikbaar stelde voor zijn blad. En daar net werd mij een brief van

hem gebracht, waarin hij opgave deed van de onderwerpen die hij graag

door mij behandeld zag. En Stella, denk eens, 't eerste wat ik las, was:

"Inlandsch Onderwijs voor Meisjes"; daarna "Eene Inlandsche Instelling"

en "Javaansche kunst". "Kartini, zeg niet, ik kan niet, maar zeg ik

wil". Ik wil, Stella, ik wil, ik zal beproeven, Stella, ik hoop innig,

dat jij mijne krachten niet hebt overschat. Ik zal mijn best doen.

Nu wil ik je ook nog iets vertellen, n.m. dat wij drietjes begonnen zijn

met Fransch te leeren, uit de boekjes van Servaas de Bruijn. Wij hebben

al een stuk of vier boekjes doorgeworsteld en komen je nu vragen ons

eenvoudige, gemakkelijke Fransche boeken te willen noemen (geen

leerboeken). Pa heeft ons ook een leercursus Duitsch cadeau gedaan, doch

als wij met het Fransch ooit klaar komen kunnen, hopen we met het

Engelsch te beginnen; 't Duitsch naderhand, als wij nog leven ten

minste. We probeeren nu Fransche illustraties te lezen, maar lezen en

begrijpen is twee, nietwaar? In den beginne maakten wij de dolste

vertalingen, maar het gaat langzamerhand gelukkig beter. Wij zijn vol

goeden moed. Roekmini beweerde eens in 't Fransch te droomen; ze was met

Chateaubriand in Louisiana, 't wonderschoone land, dat hij beschreef. De

Fransche taal heeft veel overeenkomst met de onze, wat zinsbouw betreft,

en ook de h is geheel als bij ons.

Onze nieuwe vriendin zeide tot haar man: "Zij zou zoo graag talen

leeren, o, man, wat zou ik graag die taak op mij nemen." Gisteren kreeg

ik een brief van haar, een van 20 zijdjes. Wat schrijft ze innig lief.

Zij zegt, dat zij voelt dat zij ons nog eens zal spreken, en vertrouwt

in dat gevoel. Ik help 't haar hopen. "Vertrouw in de toekomst!" schreef

ze me. En ik vertrouw, zoolang ik jou en haar aan mijn zijde weet! Haar

brief deed evenals je brieven altijd, me beschaamd worden; jij en zij

denken zoo goed van me. O, dat ik hen niet teleurstelle, die me zoo

vertrouwen! stijgt uit het diepst van mijn hart op naar boven, als een

innige, stille bede.

En toch, o Stella, 't leven is zoo vol raadselen en geheimen. De mensch

is zoo veranderlijk. Wijt dit niet altijd aan een zwak karakter; er

kunnen omstandigheden in 't leven komen, die zelfs een held

oogenschijnlijk tot lafaard maken: Veroordeel, niet, hoe laaghartig,

laf, een daad ook schijne, voor gij de drijfveeren daartoe weet.

Ik heb zoovéél ondervonden, in deze laatste dagen. Welk een emoties

hebben mijn gemoed beroerd. Eerst was ik der wanhoop nabij, omdat ik uit

't een en ander meende te mogen opmaken, dat mijn vrijheidsdroom weldra

diep in den grond begraven zou liggen, en ik dat zou moeten doen, waar

heel mijn wezen zich tegen verzette. Toen kwamen de vrienden van Batavia

en een zalig geluksgevoel kwam over me dat me duizelen deed en

bedwelmde. Ik leefde in een roes van extase! en schrikkend wreed werd ik

daaruit gewekt door een smart, zóó hevig, dat ik dacht, niet meer te

kunnen ademhalen. Mij zelve gold 't niet, doch een, die ik zielslief

heb. Ik heb gekreund en gesteund.

O, waarom? waarom? moeten geluk en verdriet elkaar zoo snel opvolgen? Ik

kon niet denken, alleen voelen, deze hevige pijn hier in 't hart. Het is

nu bedaard, en ik kan mij weer rekenschap van alles geven.

Arme, dierbare Vader, hij heeft zoo ontzettend veel geleden, en 't leven

brengt hem nog steeds nieuwe en smartelijke teleurstellingen. Stella,

mijn Vader heeft _niemand_ dan zijne kinderen, wij zijn zijn _alles_,

zijn vreugde, zijn troost. Ik heb mijn vrijheid zeer lief, o, 't is

àlles voor me, en 't lot mijner zusteren gaat mij zeer ter harte; ik heb

veel voor haar over, en ben tot ieder offer bereid, dat haar ten goede

kan komen. 'k Beschouw 't als mijn levensgeluk, mij geheel daaraan te

kunnen en te mogen wijden. Doch _liever_ dan dat alles tezamen, is mij

mijn Vader. Stella, noem mij laf, wankelmoedig, maar ik kan niet anders;

als Vader er zich tegen verzet, dat ik mij daaraan wijd, hoe mijn hart

ook schreien zal, ik zal er in berusten! Ik heb den moed niet, dat hart,

dat trouwe hart, dat zoo warm voor me slaat, nog meer wonden toe te

brengen, nog meer te doen bloeden. Het heeft al genoeg gebloed, al ben

ik daaraan ook volkomen onschuldig. Je zegt, dat je niet kunt begrijpen,

dat iemand trouwen moet. Je stelt tegenover "het moet" steeds "ik wil".

Als 't anderen gold, zou ik zeer zeker 't zelfde doen, maar tegenover

mijn Vader zou ik 't niet kunnen, vooral nu niet, nu ik weet, welk een

onnoemlijk zwaar leed hem trof. Wat ik te doen zal hebben, beschouw ik

niet als een "moet," maar als iets dat ik vrijwillig op me neem voor

"hem". Ik schrijf, schilder, en doe alles, omdat Vader daar plezier in

heeft. Ik zal hard werken en al mijn best doen, om iets goeds te maken,

omdat ik daar hèm genoegen mee doe. Stella, noem mij dwaas, overdreven,

maar ik kan niet anders. Vader is mij zoo onuitsprekelijk lief! Ik zal

wel heel erg verdrietig zijn, als Vader zich tegen mijn vrijheidsplannen

mocht verzetten, maar ik zou nog oneindig bedroefder zijn, wanneer mijn

vurigste wensch werd vervuld, maar ik tegelijkertijd Vader's liefde

verliezen moest. Och verliezen zal ik haar nooit, dat geloof ik niet,

maar ik kon hem 't hart breken. Van iemand anders zou hij misschien

beter teleurstellingen verdragen, doch van mij zou hij 't zich _erg_

aantrekken, omdat hij van mij misschien een beetje meer dan van anderen

houdt. En hij is mij zoo dierbaar!

't Is toch vreemd, hè? mij zelf doet niemand haast ooit kwaad, en toch

ik lijd voortdurend. O! dat diep voelen dàt is lijden, en toch ik zou

niet anders willen zijn; al moet mijn hart ook menigmaal bloeden, het

geeft mij soms toch zoo'n onbeschrijfelijk zalig geluk, als waarvan de

koele verstandsmenschen zich geen idee kunnen vormen.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 28 / 136 题