Hier begint nu 't eigenlijke verhaal van de drie zusters.[3]

[1] Raden Ajoe de titel van gehuwde Javaansche vrouwen van goeden huize.

[2] De eerste gedachte van den bewerker dezer brieven was deze passage

en hetgeen volgt weg te laten. Tot het behoud gaf doorslag de overweging

dat later de verhouding geheel anders werd, toen de schrijfster en de

haren elkander beter hadden leeren begrijpen en waardeeren. De lezer zal

zich zelf hiervan rekenschap kunnen geven door hetgeen voorkomt op blz.

57 en 58 en in een brief van 3 Januari 1902. Behoud kwam ook noodig voor

om volkomen te doen gevoelen wat in het hart der schrijfster moet zijn

omgegaan, toen en later.

[3] De brief wordt enkele dagen later vervolgd mededeelingen van geheel

anderen aard. Het verhaal is niet voortgezet. Wat de drie zusters voor

elkander zijn geweest, kan men echter lezen op menige bladzijde.

Augustus 1900. (II).

Vreemd, dat afwezige, ons dierbare personen ons niet in den droom

verschijnen, daar wij toch zooveel aan hen denken en van hen spreken.

Eens maar droomde uwe oudste van u. U beiden kwam op Japara terug en wij

reisden u tot Semarang tegemoet. Allen waren we heel aangedaan door het

wederzien; zonder een woord te spreken, sloot u ons een voor een aan 't

hart, zoo innig, zoo vast, als om ons nooit weder los te laten. En daar

aan uw hart schreiden we van stil, dankbaar geluk. Toen uw dochter

wakker werd, was haar kussen nat van tranen. En den heelen morgen was ze

weemoedig gestemd, omdat die zaligheid slechts was een _droom_!

Wij vreezen, wij vreezen, Moedertje, dat u uwe dochtertjes niet meer

terug zult vinden, als u haar verlaten had. Wij voelen ons

achteruitgegaan. Al meer en meer komen we tot 't pijnlijk besef, dat we

niet meer zijn, wat we zijn geweest. Indroeve, smartelijke

gewaarwording! O! Leven, wat hebt ge van Moedertje Mies' eigen

dochtertjes gemaakt? Wat is er van hare meisjes geworden?

Waar is onze heerlijke geestdrift gebleven? die kostbare schat, die ons

door zooveel heeft heengeholpen en ons onmisbaar is om 't leven door te

komen, dat _hard_ zal zijn voor ons? Waar die ijver, die heerlijke lust

tot immer bezig-zijn, die zooveel liefs ons deed voortbrengen? Waar dat

pleizier hebben in alles, dat ons vergeten deed, dat ooit 't woordje

"verveling" in 't woordenboek bestaat?

Dingen, waarin we nog voor korten tijd geleden zoo belangstelden en

pleizier hadden, laten ons nu onverschillig. Moedertje, kunt u zich iets

verschrikkelijkers voorstellen, dan een onverschillig mensch? En daar

zal 't naar toe gaan, als er niet iets is, of gebeurt, dat ons opwekt

uit den toestand van apathie en geestkrachteloosheid, waarin wij

verkeeren.

Al onze voormalige liefhebberijen liggen bestoven ergens in een vergeten

hoekje. Schilderijen, muziek (!), handwerken en koken, correspondentie,

lectuur; ja zelfs lectuur, die ons eens eene levensbehoefte was,

verwaarloozen we. Intens lui zijn wij geworden. Wij moeten ons dwingen

om een klein boekske uit te lezen. Lezen een dwang, terwijl het een van

de grootste en heerlijkste genietingen was, die we kenden! Moedertje,

zoo ver is 't met ons gekomen! O! waar is onze energie gebleven? Wij

lijden onbeschrijfelijk onder deze geestverdooving,

geestkrachtsverlamming, of hoe U 't noemen wil! Wij voeren niets uit.

Doen wij iets, dan doen wij het werktuigelijk als een automaat. Wat

scheelt ons toch? Ziek zijn we niet. Is dit misschien de terugwerking

van den ellendigen tijd, dien we hebben doorstaan?

O! die moreele pijn, 't is soms niet uit te houden. Wij moeten iets

hebben, _werk_, dat ons _geheel_ in beslag neemt, ons niets geen tijd

laat tot martelend denken; dat is 't eenige, dat onze sluimerende

geestkracht wakker schudden kan, en ons geestkracht hergeven! _Werk_,

daar zit 't hem juist. 't Smachten naar werk, dat ons lief is, dat is 't

wat ons zoo ternederdrukt. Vreeselijk is 't om werkkracht en werklust in

je te voelen en tot werkeloosheid te zijn gedoemd!

Dat en al die andere ellende hebben ons in dezen toestand van apathie en

verlamming onzer geestkracht gebracht. Uw oudste staat verbaasd over

zichzelve, hoe deze brief toch zoo lang kàn zijn geworden--maar 't is

waar ook--'t is voor Moedertje Mies, dat deze biecht geschreven wordt,

en de woorden vloeiden als vanzelf uit de pen.

Wij willen, wij kunnen niet gelooven, dat ons leven zoo heel gewoon, zoo

banaal zal eindigen, en toch kunnen wij alweer ons niet voorstellen, dat

eens die mooie droom van ons verwezenlijkt zal worden! Hoe dicht hadden

wij reeds gestaan bij verwezenlijking onzer illusies, althans wij

dachten het! wij dachten dat slechts nog _dagen_ ons scheidden van het

nieuwe leven, zoo vurig door ons begeerd!

Bittere, bittere ontgoocheling! 't Doet zoo'n pijn daaraan weder te

denken. Wij spreken er hier nooit meer over, maar zwijgen is nog niet

altijd toestemmen, toegeven; alles opgeven, nu wij zoo ver zijn gekomen,

doen we _niet_, en wij hebben daartoe nooit plannen gehad.

Of 't verstandig is, wat we doen, weten we niet, maar wij kunnen en

willen niet anders dan de stem van ons hart volgen.

Door liefde te geven, de liefde te winnen van hen aan wie wij hopen ons

eens te zullen wijden, is een groote illusie van ons. Toen wij in Juni

bij den heer Sijthoff[1] waren, vroeg de Resident uwe oudste of zij

reeds wist dat de Directeur van Onderwijs eene directrice voor de op te

richten kostschool voor Inlandsche meisjes zocht. "Heeft u 't uwe

dochters al verteld, Regent?" wendde de Resident zich tot Vader, en

daarna weder tot uwe dochter: "Zou je niet directrice van die school

willen worden?" Zij zeide niets, wendde haar gezicht af, opdat Vader en

de Resident, die naast elkaar tegenover ons zaten, _niet_ hare oogen

zouden zien, die àlles zeiden, wat de stijfgesloten mond verzweeg.

Beloofd had ze niet, dat ze zou zwijgen over hare wenschen en illusies,

maar ze _wist_, dat vader niet graag had, dat zij er met anderen over

sprak. Alle emotie moest Vader bespaard worden, en die quaestie nu is

Vaders cauchemar....

"Wij hadden als jongens geboren moeten worden; er zouden flinke kerels

uit ons kunnen groeien", hoorden wij tot vervelens toe beweren.

Als 't werkelijk waar is, dat er in ons de eigenschappen aanwezig zijn,

waaruit flinke jongens gevormd worden, waarom zouden wij daarvan dan

geen partij mogen trekken, ons tot flinke vrouwen te ontwikkelen? Of

heeft men hiertoe andere bestanddeelen noodig, dan voor het gebak

"flinke man"? en zijn flinke vrouwen der maatschappij van geen nut? Maar

't is waar ook, wij Javaansche vrouwen hebben in de eerste plaats

meegaand en onderworpen van natuur te zijn; wij moeten zijn als leem,

waaraan men iederen vorm kan geven, dien men wenscht. Doch waartoe over

dit alles te spreken? 't Is of men op een zinkend schip jammert, waarom

men toch niet thuis was gebleven; elkaar verwijten doet; de oorzaak van

't ongeluk napluist en den schuldige daaraan opspoort. Met dit al

behoedt men 't schip _niet_ voor vergaan; alleen flink de hand aan het

roer slaan, pompen, waar 't lek is, zal 't onheil kunnen afwenden,

anders verdrinkt men maar....

In dat eene jaar, dat achter ons ligt, hebben we meer geleefd dan in al

de voorgaande jaren tezamen.

't Komt uw oudste voor, alsof Vader haar wat te zeggen heeft, maar

aarzelt, omdat 't haar pijn zal doen. Kunt u zich voorstellen,

Moedertje, hoe pijnigend dit voor Vader en voor haar is?

Lang geleden toen ze op 't spoedig beëindigen onzer zaak aandrong, zag

ze een blik op zich rusten zoo smartelijk alsof het zeggen wilde: "heb

je dan zoo'n haast om me te verlaten, kind?" Ze wendde haar gelaat

af--geroerd tot in't diepst van haar innerlijk zijn!

Wat is liefde toch een wonderlijk ding; zij is de hemel en de hel

tezamen. Hem liefhebben, vereeren is ons eene levensbehoefte, maakt 't

grootste deel van ons geluk uit. Zonder zijn liefde zou voor immer een

schaduw op ons leven rusten. Uit _zijn_ hand willen wij het geluk

ontvangen; anders is 't voor ons géén geluk. Zonder zijne liefde zullen

wij nooit geheel gelukkig kunnen zijn, en _met_ zijne liefde nooit

geheel ongelukkig.

[1] Destijds Resident van Semarang, tot welk gewest Japara was gaan

behooren.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 27 / 136 题