"Welke is toch de taal, al is men die ook nog zoo machtig, waarin men
goed de emoties van de ziel uit kan drukken? Deze bestaat niet."
Ik geloof met u, zij bestaat niet, althans niet in die, welke gesproken
en geschreven wordt; maar er is een stille, geheimzinnige taal, die in
woorden noch in letterteekens zich uitdrukt, en die toch verstaan en
begrepen wordt door ieder, die voelt, en waarop men ten volle kan
vertrouwen, omdat in haar ganschen woordenschat 't woordje "leugen" is
onbekend!
't Is de reine, kuische taal der oogen, de klare spiegels van de ziel!
En als u dien middag me kon zien, vijf zacht geurende velletjes trilden
in mijne bevende handen, warme tranen drupten me langs de wangen, zoudt
u zonder één enkelen klank van mijnen mond te vernemen, alles verstaan,
begrijpen, wat er in mij omging! Wat de mond noch de pen vermocht te
uiten, hadden u de oogen, die drijvend in een floers van tranen
opblikten ten hoogen, als om daar te zoeken, te vinden te midden van
andere engelen Gods, die eene, die met zachten vleugelslag tot ons was
neergedaald om onze bedroefde harten, die bitter weenden om vee!
treurigs op deze aarde, te troosten en te vervullen met eene hemelsche
vreugde! Dank! dank! dank! riep elke hartslag, elke polsslag, en iedere
ademhaling was een dankgebed!
* * * * *
Wij zijn maar heel, heel _gewone_ menschenkinderen, een mengsel van
kwaad en goed, zooals millioenen anderen. 't Kan zijn, dat er op 't
oogenblik in ons van 't goed meer aanwezig is, dan van 't kwaad, maar de
oorzaak hiervan zou dan niet ver zijn te zoeken. Waar men leeft in eene
eenvoudige omgeving, is 't geen moeite, om goed te zijn; men wordt 't
als van zelf. En 't is volstrèkt géén kunst, géén verdienste, om geen
kwaad te doen, waar ons geen gelegenheid daartoe geboden wordt. Later,
als wij 't warme, veilige ouderlijke nest zijn uitgevlogen; staan in 't
volle menschenleven, waar geen trouwe oudersarmen om ons heen worden
geslagen; als om ons 's levens stormen woeden en razen; geen liefdevolle
hand ons steunt; vasthoudt, als onze voeten wankelen ... dàn eerst zal
't blijken, wàt we zijn! O! ik bid zoo vurig, dat wij niet nog verhoogen
mogen den berg van teleurstellingen, dien het leven u reeds heeft
gebracht, en aan u een even vurige bede: denk ons _niet_ zoo mooi! want
zóó kan 't niet anders, of 't moèt wel op eene teleurstelling uitloopen,
en 't zou ons zoo bitter bedroeven. Zoo langzamerhand bij brokjes en
stukjes zal ik u naar waarheid álles van ons vertellen, opdat u een
juiste kijk krijgt op onze karakters en ons in uwe groote goedheid geen
mooie eigenschappen toedenkt, die wij niet bezitten!
* * * * *
Nog een heel leven ligt vóór ons; laten wij zien, wat daar nog van te
maken is.
"Ik voel zooveel voor de vrouw, ik trek mij haar lot zoo aan, miskend en
onderdrukt als zij is in vele landen nog in deze eeuw van "licht", ik
verdedig haar zoo graag en trouw". Dank voor deze heerlijke sympathieke
woorden, waarin luid uw groot mededoogen spreekt, uw diep meevoelen het
leed uwer medemenschen, schepselen, die eeuwenlang verongelijkt zijn en
nog worden door haar medemensch: den man. Dank, mijn God, dank! er zijn
dan toch edelen van hart en geest, die zich 't droeve lot der Inlandsche
vrouw aantrekken, die _licht_ willen ontsteken in hare arme, donkere
wereld! Het Inlandsche vrouwenhart heeft _genoeg_ gebloed, onschuldige
kinderzieltjes _genoeg_ geleden.
Blanke zuster met uw warm, diep voelend hart, uw ruimen blik, uw rijken
geest, reik ons de hand, hef ons op uit den poel van jammer en ellende,
waarin de zelfzucht van den man ons heeft gestooten, en gedompeld houdt.
Help ons bestrijden dat niets ontziend mannen-egoïsme, het demon, dat
jaarhonderden de vrouwen heeft gegeeseld, vertrapt, zóó, dat gewend als
ze zijn aan de mishandeling, zij daar geen onrechtvaardigheid meer in
zien, maar het onderworpen met stille berusting beschouwen als het
goed(!) recht van den man, als een erfenis van rouw van iedere vrouw.
Jong ben ik nog, maar ik ben doof noch blind geweest, en ik heb véél
gehoord en gezien, tè veel zelfs, misschien, dat mijn hart deed
ineenkrimpen van pijn, me woest opzweepte tot òpstaan tegenover
ingekankerde gewoonten, die vrouwen en kinderen zijn ten _vloek_!
En radeloos, in hevigen smart wring ik de handen ineen, mij als één
mensch onmachtig gevoelend tegenover een kwaad van reusachtigen omvang,
en dat--o, wreedheid! onder bescherming staat der Mohammedaansche leer
en gevoed wordt door de onwetendheid der _vrouw_, het slachtoffer!
O! en dan te bedenken, dat 't lot mij eens dat gruwelijke onrecht, dat
polygamie heet, in de hand zou laten werken.... "Ik wil niet!" krijt de
mond heftig, en 't hart echoot dien kreet duizendvoud.... Maar ach ...
willen!--hebben wij menschen wel een wil?
Wij moeten, moeten van af onzen eersten levenskreet tot aan onzen
laatsten ademtocht!
Leven, hoe vol raadselen en geheimenissen zijt ge!
Wij meenen zoo veel te weten en eigenlijk weten wij nièts! Wij meenen
een wil, een ijzeren wil te hebben, wij verbeelden ons sterk om bergen
te verzetten ... doch één brandende traan, één smartelijke blik uit
beminde oogen en gebroken is onze kracht!
Mag ik u een verhaal vertellen, dat onderhoudend noch interessant is,
maar droog, eentonig, langdradig, en véél van uw geduld vergen zal.
Vooraf vraag ik u nederig vergeving voor 't vervelend uurtje, dat ik er
u om ga bezorgen. Ik durf 't doen, omdat u mij schreef: "Schrijf mij
zooveel en zoo lang als gij kunt". Och, kon u maar vooruit weten, welk
een misbruik van uwe groote goedheid zou gemaakt worden, dan zouden die
woorden nooit zijn neergepend.
Het is de geschiedenis van drie bruine meisjes, kinderen van 't zonnige
Oosten; blindgeborenen, die men ziende heeft gemaakt, heeft laten zien,
genieten en bewonderen 't schoone, 't hooge in 't leven; en nu, nu hun
oogen aan licht en schoonheid zijn gewend, zij de zon, de mooie omgeving
der verlichte wereld liefhebben, staan ze op 't punt om den blinddoek
weer voor de oogen te voelen, te worden teruggeduwd in het duister,
vanwaar ze zijn gekomen, en waar allen en ieder van haar voorgeslacht in
hebben geleefd!
Men wijt aan boeken vol "onzin", die van 't verre Westen kwamen en
doordrongen tot 't hartje van 't binnenland, 't stille, vredige oord, op
Java's immer-groene kust, waar de zusters wonen, dat deze weerspannig,
onwillig zijn 't juk op te nemen, dat toch al hare vrouwelijke voorzaten
gewillig en geduldig hadden getorst, en dat thans hangende en
slingerende is in de lucht en ieder oogenblik op de onwillige schouders
neerploffen kan.
Men heeft niet heel en al gelijk; niet de boeken alleen hebben haar
oproerig gemaakt, toestanden doen haten, die sedert onheugelijke tijden
hebben bestaan en die een vloek--een vloèk--zijn voor àl wat heet vrouw
of meisje!
Het verlangen naar vrijheid, zelfstandigheid en onafhankelijkheid, is
niet van jongen datum. Reeds in haar vroegste jeugd, toen "emancipatie"
voor haar nog was een onbekend woord, en boeken en andere geschriften,
die 't daarover hadden, ver buiten haar bereik waren, was er in een der
drie zusjes die drang geboren; toestanden in directe en indirecte
omgeving riepen hem in 't leven op.
't Was speeluur op de Europeesche school van 't plaatsje Japara. Onder
de geelbebloesemde waroeboomen op 't schoolerf groepeerden zich in
gezellige wanorde groote en kleine meisjes op 't mollige, groene
grastapijt. 't Was zoo warm, niemand had lust in spelen.
"Toe, Letsy, vertel jij eens wat, of lees eens voor", vleide een bruin
meisje, dat niet slechts, door hare huidskleur, maar ook door hare
kleeding, de Inlandsche verried. Een groot blond meisje, dat lui leunde
tegen een boomstam en ijverig in een boek las, keek op en sprak: "Ach
neen, ik moet mijn Fransche les nog leeren".
"Dat kan je thuis immers doen, want 't is geen schoolwerk."
"Ja, maar als ik mijn Fransche lessen niet goed leer, mag ik over twee
jaar nog niet naar Holland gaan. En ik verlang al zoo erg naar de
kweekschool om voor onderwijzeres te studeeren. Als ik later dan als
schooljuf uitkom, wordt ik misschien hier geplaatst, en dan zal ik vóór
in plaats van in de klasse zitten, Maar, zeg eens, Ni, je hebt 't mij
nog nooit verteld, wat wil je later toch worden?"
Twee groote oogen keken 't spreekstertje verbaasd aan.
"Nu, vertel maar op."
't Javaantje schudde 't hoofd en zeide laconiek: "Weet niet". Neen zij
wist 't werkelijk niet, zij had daar nooit aan gedacht, ze was nog zoo
jong en ging geheel op in haar dartel jong leventje. De vraag harer
blanke vriendin maakte echter diepen indruk op haar. Zij liet haar niet
met rust, onophoudelijk hoorde zij in haar ooren ruischen: "wat wil je
later worden?" Zij peinsde en peinsde er haar hoofdje moe van. Dien dag
liep ze in school menig strafwerk op, ze was zoo verstrooid, gaf de
dwaaste antwoorden als men haar wat vroeg en maakte de domste fouten in
haar werk. 't Kon ook niet anders, hare gedachten waren niet bij hare
lessen, ze toefden bij hetgeen ze in 't uitspanningsuur had gehoord.
Haar eerste doen, toen ze thuiskwam, was naar haren vader toe te loopen
en hem die gewetensvraag voor te leggen: "Wat zal ik later worden?" Hij
zeide niets, lachte maar en kneep haar in de wang. Doch zij liet zich
niet afschepen en bleef zeuren om antwoord. Een oudere broer kwam
aanloopen, vernam hare vraag en hare gretig luisterende ooren vingen
deze woorden op: "Wat meisjes worden moeten? wèl een Raden Ajoe,[1]
natuurlijk!" Het meisje was tevreden en snelde blijde weg. Een "Raden
Ajoe" herhaalde zij telken male bij zichzelf--wàt is een "Raden Ajoe"?
De nieuwe gedachte liet haar niet met rust, aldoor dacht ze aan de twee
woordjes "Raden Ajoe". Ze moest later zoo een worden; ze blikte om zich
heen, zag en kwam in aanraking met vele Raden Ajoe's aan wie zij van
toen af aan hare aandacht wijdde en die zij bestudeerde.
En wat 't _kind_ kon te weten komen van 't leven dier vrouwen, deed in
haar hartje den geest van verzet wakker worden tegen het "Raden Ajoe
zijn", den eeuwenouden steeds gehuldigden regel: meisjes moèten trouwen,
moeten een man toebehooren, zonder te vragen wat, wie, en hoe!
Het meisje was 12 1/2 jaar geworden, en het werd tijd, dat zij haar
dartel kinderleven vaarwel zeide: afscheid nam van de schoolbanken, waar
zij zoo gaarne op zat; van Europeesche makkertjes, in wier midden zij
zoo gaarne vertoefde. Zij was oud genoeg bevonden om thuis te komen, en
zich te onderwerpen aan de gewoonten van haar land, die den jongen
meisjes gebieden, in huis te blijven, te leven in strenge afzondering
van de buitenwereld, zoolang tot de man, dien God voor ieder harer heeft
geschapen, haar komt opeischen en meevoeren naar zijn woning.
Wat ging er al niet om in 't jonge hoofdje, in 't jonge hartje, toen zij
voor 't laatst den weg van school naar huis aflegde. De donkere oogen
zwommen in heete tranen, heftig zwoegde het tengere borstje op en neer,
en 't kleine mondje trilde van ingehouden snikken.
Ze wist o, zoo goed, dat met de schooldeur _veel_ wat haar oneindig lief
was, gesloten werd voor haar. 't Afscheid van den geliefden
onderwijzer, die haar zoo lief en hartelijk had toegesproken bij haar
heengaan; van makkertjes, die haar met betraande oogen de hand drukten;
van de plaats, waar zij zooveel heerlijke uurtjes had gesleten; kostte
haar onnoemlijk veel. Maar dit woog niet op tegen haar smart over het
eindigen harer lessen. Zij hield zoo hartstochtelijk veel van leeren, en
zij wist, dat er nog oneindig veel te leeren was behalve hetgeen men op
de lagere school kon leeren. Zij was eerzuchtig; zij wilde in "knapheid"
niet achter staan bij hare blanke vriendinnetjes, die naar Europa gaan;
bij hare broers, die de hoogere burgerschool bezoeken.
Zij smeekte haren Vader haar meê met de jongens te laten gaan naar
Semarang om er de H.B.S. te bezoeken, ze zou steeds haar best doen; hare
ouders zouden niets over haar te klagen hebben. Zij lag op hare knieën
voor hem; hare gevouwen handen rustten op zijne knie, vol gloeiend
verlangen werden hare groote kinderoogen tot hem opgeslagen, en in
angstige spanning verbeidde zij ademloos zijn antwoord. Liefkoozend
streelde hij 't zwarte hoofdje; zijne vingeren streken zacht de
weerbarstige haartjes van haar voorhoofd weg, en zacht doch beslist
klonk van zijnen mond: "Neen!"
Zij sprong op; zij wist wat een "neen" van hèm beteekende; rende weg en
kroop onder een bed om zich voor anderen te verbergen; zij wilde alleen
zijn met haar droefheid, die zich uitte in een woest, onbedaarlijk
snikken.
Eens had haar onderwijzer gevraagd, of zij niet met Letsy, zijn dochter
en haar vriendin, mee wilde naar Holland, om verder te leeren. Gretig,
met schitterende oogen had zij toegeluisterd. "Nu, wil je?"
"Vraag mij niet of ik wil, vraag mij of ik màg!" klonk 't gesmoord van
haar bevende lippen.
Goede man, hij had 't zoo best met haar gemeend. Vreemdeling, die hij
was in Inlandsche gewoonten, wist hij niet hoe wreed hij was, met haar
die vraag te doen. Een hongerige voedsel, lekkers voor te houden, waar
zij niet bij kon....
Dwaas meisje, 't was de bedoeling uwer goede ouders _niet_, u naar
school te zenden om oproerige gedachten in uw hartje te brengen. Gij
moest er Hollandsch en Hollandsche maniertjes leeren, en meer niet. Dom,
klein ding, hadt gij dat maar begrepen en u daaraan gehouden, dan zou
veel leed in de toekomst u zijn bespaard. Doch 't domme, kleine ding had
zichzelve niet gemaakt; zij kon 't niet helpen, dat God haar een
ontvankelijk gemoed gaf, en een hartje, dat willig in zich opnam àl wat
de Hollandsche taal haar leerde mooi te vinden.
Arme kleine: in haar hartje hielden Westersche gedachten jubelend
intocht, en aan handen en voeten zag zij zich geketend aan de Oostersche
tradities. En hare spieren waren nog zoo zwak, zoo teer, om de banden en
boeien, die haar omknelden, te kunnen verbreken. En later, als ze zich
sterk gevoelde om met één ruk alles van zich af te schudden, toen ...
doch laten wij de geschiedenis niet vooruitloopen; wij zijn er nog verre
niet.
De schooldeur viel achter haar toe, en vriendelijk nam de ouderlijke
woning haar in zich op.... Groot was dit huis en overruim het erf, maar
hoog en dik waren ook de muren, die het omgaven. En die afgesloten
vierkante ruimte was voortaan haar wereld, haar heelal. Hoe ruim en
fraai en vol geriefelijkheden een kooi ook is, voor het vogeltje, dat er
in opgesloten wordt, is 't een _kooi_!
Voorbij! voorbij haar dartele jeugd! voorbij alles, wat de vreugde
uitmaakte van haar jong kinderleven. Zij gevoelde zich nog zoo'n kind,
en zij was het inderdaad ook, maar de adat rangschikte haar
onverbiddelijk onder de volwassenen. En zij, voor wie geen slootje te
breed was om er over te springen; voor wie geen boom te hoog was, om er
in te klimmen; die nooit liep, maar aldoor huppelde als 't dartele
veulentje in de wei; moest nu kalm, bedaard, deftig zijn, zooals 't een
Inlandsche jonge dame van hoogadellijken huize betaamde. Een juweel van
een Javaansch meisje is: stil, onbewegelijk als een houten pop; spreken
alleen, wanneer 't hoognoodig is met een fluisterstemmetje, zelfs voor
mieren onverstaanbaar; loopen, voetje voor voetje als een slak: lachen,
geluidloos zonder de lippen te openen; 't staat zoo leelijk wanneer de
tanden zichtbaar zijn; je lijkt dan wel een "loewah" (vos).
Ni zondigde ieder oogenblik.
Een dof, eentonig sleurleventje brak voor haar aan, dag aan dag dezelfde
bezigheden, dezelfde omgeving, dezelfde menschen om zich heen. Een
lichtpunt was in de eerste dagen de komst van Letsy. 't Was een feest,
als Letsy bij haar was; zij was weer 't oude vroolijke kind, en vergat
geheel hare gevangenschap, die zich deze veronachtzaming wreekte door
zich dubbel op haar te doen gevoelen, als 't blanke vriendinnetje weer
vertrokken was.
Doch dit lichtpunt was al gauw van haar kleurloos leven verdwenen! Letsy
vertrok naar 't verre, hooge Noorden. Ni had geen vriendin meer. Maar de
vriendschap zou niet door den afstand verbroken worden, zij zou in
brieven worden voortgezet.
't Sleurleventje ging voort, doffer, eentoniger....
Met hoe'n smachtend verlangen keek zij hare jongere zusjes na, wanneer
deze met leien en boeken gewapend, de deur uitgingen om naar den tempel
der wijsheid te gaan en kennis te vergaren.
Een tijdje lang had ze zelf hare lessen voortgezet, doch inziende 't
nuttelooze van een leeren zonder meester, bergde zij met een diepen
zucht hare leerboeken weg.
O! indien bantal en goelings spreken konden, wat zouden zij dan veel
kunnen vertellen; zij zouden verhalen het leed van een klein
menschenzieltje, dat in heete tranen aan hun boezem werd uitgeschreid
avond aan avond!
't Jonge menschenkind kon maar geen berusting leeren! In 't dwaze kopje
en hartje woelden rusteloos honderden oproerige gedachten.
Ze gevoelde zich zoo eenzaam en verlaten temidden van velen, waarmede
zij dag in dag uit samenleefde.
Och, men kan wel broers en zusters zijn, dag in dag uit met elkaar
samenzijn, maar als onze zielen elkaar niet vinden, blijven wij toch ten
eeuwigen dage vreemden voor elkaar.
Ze had eene oudere zuster, die met haar de gevangenschap deelde; ze
hield wel van haar, maar van een innige verhouding tusschen beiden was
geen sprake. Daartoe verschilden beider karakter en levensopvattingen te
zeer met elkaar. De oudere zuster was stil, eenzelvig, kalm en bedaard;
en zij, de jongere, daarentegen was één en al leven en vurig van natuur.
De denkbeelden, die deze aanhing, waren fouten in de oogen der eerste,
die zeer gehecht was aan de oude tradities en gewoonten[2].
Hoe dikwijls was niet de jongere met schitterende oogen tot de oudere
zuster gekomen om haar enthousiast het een of ander te vertellen of
voor te stellen. En als zij had uitgesproken--dit liet de oudere zuster
haar steeds doen--klonk haar immer koud en koel tegen: "Ga je gang, ik
ben een _Javaan_!" Ni's hartje kromp ineen, als had een ruwe hand het
aangeraakt. Een ijzige koude beving haar inwendig. Ook de jongere zusjes
waren van haar vervreemd. De oudste zag niet gaarne, dat ze veel met Ni
samen waren. Ni, die zulke rare ideeën had. En zus was heel streng; de
zusjes waren doodsbang voor haar.
Ni vond dit hard, doch zoo hard toch nog niet als hetgeen haar moeder
haar aandeed. Ook deze sloot voor haar haar hart, omdat hare denkbeelden
lijnrecht stonden tegenover die van haar kind. Arme, kleine Ni, haar
zieltje smachtte naar teederheid, en zij vond slechts koelheid, waar zij
zelve liefde gevend, bedelde om een beetje genegenheid. Waarom was zij
ook zoo vreemd, zoo raar, zoo anders dan anderen? Ach, ze had al zoo
dikwijls geprobeerd, om anders, zooals anderen, te denken; en telkens,
wanneer 't haar bijna gelukte, gebeurde er iets, dat de sluimerende
gedachten, die de kennis der Hollandsche taal in haar hartje had
gegaard, wakker schudde, en berouw hebbend over haar ontrouw daaraan,
hechtte zij zich des te inniger aan de opnieuw ontwaakte denkbeelden.
Maar zoo geheel dof en kleurloos was haar leven toch niet.
Er waren er twee, die van haar hielden, zooals ze was; die haar
liefhadden, zooals ze 't gaarne had: warm en innig. En die twee hing ze
aan met al de teedere aanhankelijkheid van haar naar liefde dorstend
hartje. Het waren haar Vader en haar derde broer, de jongste harer
oudere broers. Wèl kon hij niet vervullen haar innigsten en zoetsten
wensch: vrij zijn!--kon hij niet bevredigen haar hartstochtelijk
verlangen naar wetenschap; maar haar bemind Vadertje was zoo innig goed
voor zijn dochtertje, zijn eigen dwaas meisje; hij had haar lief, dat
wist ze, dat voelde ze. Hij kon haar zoo innig en trouw aankijken, zijn
zachte hand kon zoo teeder streelen hare wangen, heur haar, en zijn
sterke armen konden zich zoo heerlijk warm ronden om haar halsje en
schouders.
En broer hield van haar; dat wist ze, ofschoon hij 't haar nooit had
gezegd, hij haar nooit een lief woord had toegevoegd en haar nimmer had
geliefkoosd! Maar tallooze fijne attenties, zooals alleen een
liefhebbend hart 't kon bedenken, spraken haar van zijne warme
genegenheid voor haar. Hij lachte haar niet uit, wanneer ze hem sprak
over hare idealen, hoorde haar belangstellend aan en nooit deed hij haar
huiveren met een koud: "Ga je gang maar, ik ben een Javaan!" En al zeide
hij haar niet dat hij sympathiseerde met hare ideeën, toch wist zij, dat
hij in zijn hart 't met haar eens was. Ze wist, dat hij alleen maar
zweeg, omdat hij haar niet nog oproeriger wilde maken. Dat zeiden haar
de boeken, die hij zijn zusje in de hand stopte. Ni voelde zich zoo rijk
met de liefde harer beide lievelingen, met de geestelijke sympathie van
haar broer.
Maar haar vader was niet altijd bij haar, hij had zijn werk; en waar hij
werkte, daar mocht zij niet komen; immers zij mocht de afgesloten
ruimte, haar verblijf, niet uit; en broer was maar enkele keeren in 't
jaar thuis, hij ging nog school op Semarang. Haar oudste broer kwam
thuis, hij was van school af, had eene betrekking op de plaats gekregen
en woonde bij zijn ouders in. Ni's leven werd er niet vroolijker
door--integendeel, 't werd droeviger. Leed zij vroeger vóór zijn komst
door de koelheid van bijna al hare huisgenooten, door 't opgesloten
zijn, door allerlei gewoonten, waaraan zij zich niet onderwerpen kon,
thans kwamen gesar en geplaag het aantal harer grieven vermeerderen. Ni
wilde, Ni kòn niet naar de pijpen van haren broeder dansen. "Jongeren
zijn gehoorzaamheid aan ouderen verschuldigd", werd haar steeds
voorgepredikt, en "vooràl moeten meisjes haar oudere broers
gehoorzamen". Maar eigenzinnige Ni zag niet in, waarom dat zoo moest
zijn. "Zij kon 't niet helpen", redeneerde zij, dat zij later dan haar
broers geboren was; dat ze hun daarom gehoorzamen moest, vond ze zotgek.
Zij was niemand, niemand gehoorzaamheid verschuldigd dan haar geweten,
haar hart. En zij zou haar broer _niets_ toegeven, dan alleen wanneer
zij overtuigd was, dat hij gelijk had.
Een bedorven zoontje, moeders lieveling, door iedereen om 't hardst
gevleid en naar de oogen gekeken om den hoogen rang van zijn vader,
dacht hij niet beter of 't hoorde zoo, dat ieder die hij als zijn
mindere beschouwde hem onvoorwaardelijk moest gehoorzamen.
En hij was eerst verbaasd, daarna toornig geworden, toen hij zag, dat 't
kleine meisje, dat een half dozijn jaren met hem verschilde, zijn wil
durfde trotseeren. Hij zou, hij moest 't brutale onderkruipsel klein
krijgen. Alles was fout, wat Ni deed; om 't minste iets werd zij streng
berispt. Geen dag was er nagenoeg, waarop broer en zuster niet
tegenover elkaar stonden, hij met een donker gelaat haar barsche woorden
toevoegend, die haar hartje bloedig striemden, en zij met bevende lippen
en trillend stemmetje haar goed recht of dat van anderen verdedigend,
dat hij wilde vertrappen. En zij stond geheel alleen in den strijd tegen
het despotisme van haar broer, haar toekomstigen beschermer, wanneer zij
't ongeluk mocht hebben haar ouders te verliezen, vóór zij onder dak was
gebracht, onder bescherming stond van den man, dien God voor haar
schiep!!! Hij zorgde wel, dat hij haar niet kwelde in Vaders nabijheid,
die zulks nooit zoude toestaan; en hij wist, dat zij te trotsch was, om
te klikken.
Maar de overige huisgenooten, die 't zagen, lieten het stilzwijgend toe,
ofschoon zij wisten, dat zij was in haar _recht_. Men moest brutaliteit
niet in de hand werken en 't meisje was ongelooflijk brutaal; zoo jong
als ze was, durfde ze "neen" zeggen als haar zooveel oudere broer "ja"
zeide. Een meisje mag geen recht hebben, waar 't ook maar eenigszins den
man benadeelt in zijne belangen. 't Recht van het meisje is hetgeen haar
_on_zelfzuchtige broeder haar gelieft toe te staan.
En in later jaren, als Ni zich dit alles herinnerde, kon zij zich zoo
goed begrijpen, wááróm de man zoo egoïstisch was. Immers, van huis uit,
als _kind_ werd hem geleerd zelfzuchtig te zijn en ... door zijn
_moeder_ 't allereerst. Van kindsaf aan werd hem geleerd, het meisje--de
vrouw te beschouwen als een wezen van lager orde dan hij. Hoorde zij
niet hare moeder, hare tantes, hare vrouwelijke kennissen o zoo dikwijls
op smalenden, minachtenden toon zeggen: "een meisje, 't is maar een
meisje!" 't Is de vrouw zelf dus, die den man leert, de vrouw te
verachten. Ni's bloed kookte, wanneer zij smalend en minachtend over 't
meisje hoorde spreken door eene vrouw.
"De vrouwen zijn niets". "De vrouwen zijn voor de mannen, voor hun
pleizier geschapen, zij kunnen met hen doen wat zij willen", klonk
honend, sarrend als de lach van Satan haar in de ooren. Hare oogen
schoten vonken, driftig balde ze hare handen en klemde in machtelooze
woede de lippen stijf op elkaar. "Neen, neen!" schreeuwde en gilde 't in
't haar heftig kloppend hartje: "wij zijn menschen evengoed als de man.
O, laat mij 't bewijzen. Maak mijn boeien los! Laat mij mogen, en ik zal
toonen, dat ik ben een mensch, een mensch, evengoed als de man". En zij
wrong zich en kronkelde, zij trok en rukte, maar de ketens waren sterk,
en sloten nauw om hare tengere polsjes en enkels. Zij verwondde er zich
aan, maar breken deed zij ze niet.
Kon zij berusting leeren? In 't jonge hoofd woelden rusteloos honderden
gedachten; in haar hart rijpte de geest van verzet tegen de bestaande
toestanden. Ze zou, ze wilde zich er niet aan onderwerpen; ze wilde, ze
moest een nieuwen weg opgaan. Hoè wist ze nog niet; 't was nog zoo
duister en verward in haar dom brein, maar ze wilde 't, dàt wist ze.
Vroegrijp kind! op een leeftijd, waar slechts zonnige gedachten aan
dartel gespeel en gestoei 't jonge hoofdje moesten vervullen, hield ze
zich bezig met akelig sombere en donkere gedachten over die treurige
dingen in 't leven. 't Kòn niet anders; zij was doof noch blind, en
leefde als 't ware midden in scheve en schotsche toestanden der
Inlandsche maatschappij, die geen rekening hield met jeugd en fijn
gevoel. Ruw werden de jonge teere oogen geopend voor 't werkelijke leven
in al zijn ruwheid, platheid en schokkende wreedheid. Van hare ouders
zelf hoorde zij nooit een ruw woord, dat haar rein gemoed schokte en 't
fijnvoelend hartje kwetste, maar zij leefde niet alleen met hare ouders;
zij leefde in de menschenwereld en die hield geen rekening met jeugd en
fijn gevoel.
O dood! waarom wordt gij toch een verschrikking genoemd, gij, die den
mensch uit 't wreede leven verlost! Ni zou u zoo dankbaar en met vreugde
volgen!
Zij had niemand, die haar wees op 't schoone, 't hooge, dat er was naast
al 't lage en gemeene in 't leven. De Inlandsche gewoonten brengen mee,
dat een zekere afstand bewaard blijft tusschen ouders en kinderen. Zeker
kunnen ze vertrouwelijk zijn met elkaar, maar tot zulk eene innige
vertrouwelijkheid, zooals bij vele Europeesche ouders en kinderen 't
geval is, kan 't nooit komen. Ni had haren Vader zielslief, en tòch, al
zou ze nooit iets buiten hare ouders om doen, hun hare innigste
gedachten blootleggen, kon ze niet. Koud en koel stond de strenge
Javaansche etiquette tusschen hen beiden in. Ni ontvluchtte zooveel zij
kon de menschen, die met hun cynisme haar naar omlaag trokken. En waar
de zeden en gewoonten van haar land haar geen toevluchtsoord deden
vinden in de oudersarmen, aan oudersharten, voor haar droef lijdend
zieltje, vond zij troost bij stille, zwijgende vrienden: "boeken".
Ze had steeds veel van lezen gehouden, doch nu was hare liefde voor
lectuur eene passie geworden. Zoodra was niet 't werk, dat haar
opgedragen werd, verricht, of zij greep naar een boek, een krant. Zij
las àlles, wat haar onder de oogen kwam; zij verslond gulzig groen en
rijp. 't Gebeurde wel eens, dat zij een boek vol afschuw van zich
wegwierp. Ze hoefde immers niet in boeken te zoeken, wanneer zij
walgelijke, vieze dingen wilde weten; 't werkelijke leven zat er vol
van, en juist om dàt te ontloopen, verwijlde ze in haar geest in
werelden, die 't menschelijk vernuft schiep naar de natuur of fantaisie.
Er waren zooveel mooie boeken, waarvan zij onuitsprekelijk genoot, die
haar al 't naars in 't leven deden vergeten. Mooie karakters, edele
levensopvattingen, groote zielen en geesten, deden haar hartje gloeien
van geestdrift en trillen van verrukking. Zij leefde geheel meê met
alles, waarvan zij las. En aan lectuur ontbrak het haar niet; ze hoefde
slechts haar hand uit te steken en te grijpen in den leestrommel, die
elke week nieuwen voorraad bracht; en haar Vader, die haar zoo graag een
pleizier deed en zelf schik had in haren leeslust, bedierf haar met
boekgeschenken. Ze begreep lang niet alles, wat ze las; maar ze liet
zich daardoor niet ontmoedigen. Wat bij de eerste lezing onbegrijpelijk
was, werd bij de tweede reeds minder raadselachtig, en bij de derde of
vierde lezing vrijwel verstaanbaar. Elk onbekend woord dat ze las,
noteerde ze, om later, als haar lievelingsbroer thuis kwam, hem er de
beteekenis van te vragen. En hij hielp zusje zoo graag en trouw. O! hoe
hemelsch verrukt was ze, als ze naderhand bemerkte, dat de lectuur haar
niet enkel genot schonk, maar ook oneindig veel leerde. O! indien zij
haar bemind Vadertje niet had, haar trouwen broer en hare boeken, zou
zij die droeve jaren wel hebben kunnen doorkomen? Ze zou wis en zeker
bezweken zijn, onder 't vele naars, dat haar jong leventje, haar jong
zieltje zoo zwaar drukte. Vader en broer stilden den honger van haar
naar liefde smachtend hartje, en de boeken gaven haar hongerigen geest,
die de Hollandsche taal had wakker geroepen, voedsel!
Een broertje werd geboren. En dit hulpelooze wicht hield Ni van een
groot kwaad terug, bracht haar op 't goede pad, waarvan zij was
afgeweken. Zij was hard op weg om een slecht kind voor Moeder te worden.
Zij sloot al meer en meer haar hartje voor haar. En klein broertje deed
de poorten van dat hartje weder openspringen voor Moeder. Klein broertje
leerde haar: wàt een _moeder_ is, en wat haar kind haar is
verschuldigd.
Moeder had donkere kringen onder de oogen, zag er zwak en afgetobd uit,
en broertje deed dat, broertje, dat haar bijna nooit met rust liet, dat
haar 's nachts keer op keer wakker riep. En tòch, hoe lastig broertje
ook was, nooit zag ze eenigen wrevel op Moeders gelaat; wanneer broertje
moord en brand schreiend haar riep, in een oogwenk was zij bij hem, en
teeder nam zij hem op om hem niet uit de armen te leggen, voor hij weer
zoet ingesluimerd was. Was zij ook eens niet zoo klein en hulpeloos als
broertje geweest? en had haar moedertje zich toen niet afgesloofd om
haar?...
De ijskorst om Ni's hart smolt en warm klopte 't weer voor de vrouw, die
haar 't leven schonk!
Broertje was tot zijn eerste jaar een gezond kind, maar sukkelde daarna,
en drie jaar lang lag 't kleintje ziek, als 't ware in een aanhoudende
worsteling met den dood. En aan deze ziekensponde leerde Ni, 't jonge
kind, ten volle begrijpen, wat een moeder is.
Ze zag haar eigen tekortkomingen in; zij was zoo zelfzuchtig, ze dacht
maar altoos aan eigen grieven, en dacht niet dat ook anderen grieven
hadden, en dat zij daaraan schuld kon hebben. Zij was eens heelemaal van
Moeder geweest, zooals broertje nu, ze kon zonder Moeder niet bestaan;
toen waren die boeken enz. enz. gekomen en hadden haar van háár
vervreemd. Moeder moest wel geleden hebben en leed misschien nu nog. Wel
kon zij 't niet helpen, dat zij anders dacht dan Moeder, maar 't nam
daarom niet weg, dat zij háár daarmee verdriet deed.
Klein broertje leerde haar nadenken, veelzijdig zien, leerde haar
toegevendheid, dankbaarheid en geven zonder terug te vragen.
Vier jaren waren voorbijgegaan, rustig en kalm voor den oppervlakkigen
toeschouwer, maar voor den scherpzienden, van innerlijken en uiterlijken
strijd voor Ni.... Zij mocht dan veel geleerd hebben in drie jaren:
zelfbeheersching, toegevendheid, aan zich zelf niet 't allereerst te
denken, maar berusting had ze niet geleerd, kòn ze niet leeren. In haar
hoofd spookten nog steeds woelige gedachten rond, gevoed door hetgeen
zij zag in directe en indirecte omgeving, dat haar bloed deed koken, en
door de stemmen die kwamen van 't verre Westen in boeken, tijdschriften,
couranten en brieven van Hollandsche vriendinnen en die doordrongen tot
in 't diepst van haar hart.
Slechts enkele keeren was zij in die vier jaren haar ouderlijke woning
uitgeweest. Tegen 't begin van de vastenmaand, als hare ouders naar de
graven gingen, mochten hare zusters en zij mee; en eens hadden hare
ouders haar oudste zuster en haar naar een oom gebracht, die op een
andere plaats woonde.
Gedurende een jaar hadden hare zusters en zij iederen namiddag een uur
les gehad in handwerken van een Hollandsche dame. Voor Ni, waren dit
uurtjes van genot, want ze kon dan Hollandsch spreken, de taal zoo door
haar geliefd.
Haar oudste broeder was intusschen overgeplaatst, en Ni schaamde zich
erover, dat zij zich er zoo zeer over verheugde. Hij was toch háár
broer, al was hij dan ook niet lief voor haar geweest.
Tijd en afstand deden echter wonderen; zij namen allen wrok van Ni's
hartje weg, en zij had broer weer lief; zij had meelij met den grooten
jongen, die zich door 't laffe gevlei en geflikflooi van kruiperige,
baatzuchtige menschen had laten misleiden, verblinden. Hoe goed deed 't
haar, toen zij bemerkte, dat hij langzamerhand zelf zijn ongelijk inzag.
Hij bekende 't haar wel niet in woorden, maar zijne daden spraken van
zijn berouw over zijn vroegere onrechtvaardigheid tegenover haar. En Ni
dankte God met tranen in de oogen, dat haar broer haar nu liefhad. Was
zij vroeger 't gepeste, gehate zusje, nu was 't bij hem Ni voor, Ni na,
en wat anderen, zelfs zijne vrouw, niet van hem gedaan konden krijgen,
dat kon zij.
Sedert een half jaar was een jonger zusje de gevangenschap komen deelen.
Bemi had geboft, want op een leeftijd, dat Ni reeds lang veilig achter
de hooge en dikke muren opgesloten zat, dartelde zij nog vrij rond en
mocht ze reizen en andere dingen doen, die Ni verboden werden. Bemi was
14 1/2 jaar, toen zij voor goed thuis kwam.
Ni was 16 jaar geworden, de oudste zuster trouwde en met dit huwelijk
begon verandering in haar leven te komen. Ni leerde hare zusjes kennen,
die tot dusver als vreemden, met en naast haar hadden voortgeleefd.
Oudste zus stond niet meer tusschen hen--zij was nu oudste zus--en zij
wilde geen oudste zijn, zooals hare zuster, zooals haar oudste broer ...
zij wilde geliefd zijn en niet gevreesd. Vrijheid, gelijkheid, vroeg zij
voor zichzelve, moest zij niet beginnen met 't aan anderen te geven?
Vrij en ongedwongen moest de omgang tusschen de zusjes onderling zijn;
weg dus àlles, wat zulks belemmeren kon.
Met Bemi en Wi, een zusje, dat intusschen ook thuis was gekomen, kreeg
Ni zus' kamer....
En hier waren de drie levens, die elkaar tot dusver vreemd waren, op 't
punt gekomen, waar ze elkaar ontmoetten en samenvloeiden tot één geheel!