13 Augustus 1900. (VIII.)

Wij voelden ons diep, diep rampzalig, omdat de ruwe werkelijkheid onze

idealen dreigde te vermoorden; het koele, koude verstand beval droomen

en illusies weg te werpen, te begraven, omdat onze Inlandsche

maatschappij ze niet noodig had....

En daar kruiste u ons levenspad.... Wij voelen ons onmachtig in woorden

weer te geven, wàt ons innerlijk beroert; de warmste, innigste

bewoordingen lijken koud en koel bij hetgeen 't hart gevoelt; weet

slechts dit, lieve Mevrouw, dat zoolang onze harten kloppen, uw beider

namen in dankbare herinnering bij ons zullen blijven. Toen Vader een

maand geleden vertelde, dat de Directeur van Onderwijs, Eeredienst en

Nijverheid hier zou komen, en met welk doel, droegen we uwen, ons nog

onbekenden echtgenoot reeds groote sympathie toe; we wisten dat hij

_hart_ had voor den _Javaan_ en voor de _vrouw_! Met welk een verlangen

verbeidden wij zijn komst. Hij kwam en aan zijne zijde schreed een lieve

zachte vrouw, die met vriendelijke hand bloemen strooide voor ons.

Lieve, hartelijke woorden ruischten van hare lippen als muziek in onze

ooren en drongen diep, diep ons in 't harte. Ze waren als zonnestralen,

die verhelderden ons gemoed, en ons 't hart verkwikten en verwarmden.

We danken God innig, dat hij u tot ons zond en wij in u zoo groote

sympathie mochten ontmoeten!

Een paar dagen geleden wisten we nog _niets, niets_ van u, en nu is u

ons zóó lief als kenden wij u heel ons leven lang!

Hoe vreemd en mysterieus is sympathie toch; zij laat zich niet dwingen,

nergens binden; komt ongeroepen, onverwacht en bindt met één enkel

woord, doch één, dat een diepen blik geeft in elkaars gemoedsleven, twee

zielen, die tot dusver elkaar vreemd waren, met sterken, hechten band!

O! 't is zoo heerlijk, zoo zalig! gevoelens, denkbeelden, die in ons

leven en die wij liefhebben, bij anderen terug te vinden; en dit is 't,

dat onzichtbare, doch sterke draadjes van 't eene naar 't andere hart

spant en ons nader tot elkaar brengt, dan ooit jarenlange omgang 't

zoude kunnen doen.

* * * * *

O! we zouden 't wel willen uitjubelen van vreugde, met de vogeltjes in

de boomen meezingen liederen van lof en van dank den Schepper van 't al

gewijd, en met de gevleugelde zangers jubelend ten hemel opstijgen om

Hem te danken voor 't mooie, heerlijke leven! Mooi en heerlijk is 't

leven, ondanks zijn vele en donkere schaduwzijden; en zijn deze er niet

juist om't licht scherper te doen uitkomen? God heeft 't goed met ons

bedoeld; 't leven is ons gegeven als zegen en niet als last; wij

menschen zelf maken het veelal tot een kruis.

Hoe goed de Schepper 't met ons meent, voelen, weten we 't best, als we

in Zijn vrije natuur zijn. Op Klein Scheveningen, waar alles ademt van

schoonheid en poëzie, van vrede en rust, kunnen wij vaak ons geluk niet

op.

't Lijkt me toe, alsof ons leven nu heelemaal is veranderd, veel mooier

is geworden.

O! hoe groot is toch de macht, de invloed der geestes- en

gemoedsaristocratie, dat zij in enkele uren tijds zoo'n groote

verandering in zoovele levens kan teweeg brengen.

Door duisternis tot licht: Gedachten over en voor het Javaansche volk · 第 25 / 136 题