zweeft eene atmosfeer van heiligen weemoed, een gouden atmosfeer, een
stralenkrans. In Rome is veel moderns om de ruïnes heengebouwd, hier
is ruimte gelaten, en al het moderne schreeuwt er niet tegen in. En
in die ruimte kan die atmosfeer drijven, die weemoed blijven hangen,
die stralenkrans zacht glanzen. In zulke ruimten heffen de zestien
goudene marmeren zuilen,--Penthelisch goudgewaasd marmer,--van den
Olympischen tempel hunne Korinthische kapiteelen op. Ze heffen ze op
in de blauwe lucht en de heilige weemoed geeft hun den nimbus. Hoe
men ze ook omloopt, ze wisselen hunne lijnen, ze zingen er hunne
lijnen, in goudene harmonie. En het zijn niets dan opgaande lijnen,
doelloos nu opgaande, daar ze niets meer schragen dan een doellooze
architraaf en uitbloesemen in een kapiteel, zonder doel.....
Het Theseion ook staat zoo ruim, in volle lucht, en het staat gehéel
vrij, in geheel zijn tempelrust van Dorischen eenvoud. Onsterfelijk
schijnt het te zijn, ook al hebben aardbevingen de gelijkmatige
onderdeelen der schachten bij sommige zuilen verschoven, zoodat ze
schijnen te zullen bezwijken, geen dag meer te zullen houden... En
toch ze blijven staan, als met eene onbegrijpelijke, bovenmenschelijke
energie....
Maar eenig in zijne onsterfelijkheid, in heilige majesteit, goudene
marmeren goddelijkheid, rijst boven de stad, op den Akropolis,
eeuwig schoon, het allerschoonste wat ooit menschen bouwden. Daar
rijst de maagdentempel, het Parthenon, dat Pheidias reeds lang in
gedachte er had zien rijzen, tot Pericles, de Olympiër, met zijne
Olympische welsprekendheid op den Pnyx de Atheners bewoog toe te
stemmen uit den Schat van Delos te putten voor den goddelijken
marmerbouw. Toen was er op den Akropolis nog maar het Erechtheion,
het heiligdom van Athene Polias, waar het uit den hemel gevallen
olijfhouten beeld der godin vereerd werd naar de aartsvaderlijke
traditie, maar ook stond er reeds de Athene Promachos, de bronzen
Voorvechterin van Pheidias, de reuzenstatue, die over den Piraëus
heenzag en den eersten groet der stad bracht aan de schepen, die thuis
kwamen. Maar Pericles sprak op den Pnyx en het eenige gebaar van zijn
oratie was: het uitstrekken van zijn arm naar de leêge plek, waar het
Parthenon mocht rijzen, en aller oogen volgden waar zijn vinger wees,
en het sein was gegeven. Pheidias zoû zijn droom vereeuwigd zien,
en de Athene van den Vrede geven in goud en ivoor, voor den tempel,
die Iktinos en Kallikrates zouden bouwen in Penthelisch marmer, die
de leerlingen van den hoogen beeldhouwer,--Alkamenes, Agorakritos met
hunne legerschaar van jongeren,--versieren zouden met metopen en met
de wonderfries der cella: den Panatheneïschen feesttocht....
En wat er nog staat van den heiligen bouw na al zijne profanatie's--na
een kruithuis geweest te zijn en een moskee en een Byzantijnsche
kerk--, wat er nog staat is, tot de hooge vreugde der eeuwen, nog
eene volmaaktheid, nog eene harmonie van zingende lijnen, een eeuwig
choor van zuilen, dat vibreert in den reinen, doorglanzenden ether,
of in de oranje zonnedalingen, die aangloeien van Salamis af over den
onmetelijken boog van den hemel. Nooit nog trof mij zooveel emotie voor
marmer: zooveel vreugde om marmer, dat oprijst en zooveel weemoed om
marmer, dat neêrligt. Want is het niet om te weenen als men ze lang
uit, in de onderdeelen hunner schachten, als marmeren reuzenkolommen,
nêergespreid ziet liggen door den zorg der menschen, als doode zuilen,
als zuilen zonder ziel? Dan streelt de hand over hunne gefluteerde
gleuven of over hun Dorisch kapiteel, dat eens zoo hoog was en
neêrgedonderd ligt, dood. Dan wil verbindende gedachte en verbeelding
ze weêr heffen, waar ze stonden, ze weêr zingen doen hunne lijnen,
met de andere meê. Dan treft de menschelijkheid van die harmonische
reuzen, die sterven, of reeds bezweken, het meest, en dan is vooral
de weemoed overstelpend als men er al de gouden onkruidbloemen haar
welig getier ziet tusschendringen, als men er de witte en gele en
gloeiend gekleurde kapellen over heen ziet fladderen met het broze
getril der weiflende wiekjes, omdat die bloemen en die kapellen--die
liefde van éen dag--zoo vreemd in onderscheid is met dat marmer,
dat, zelfs in den dood, eeuwig is: een zoo wijde afstand tusschen
die beiden, kapellen en zuilen, of het geheele leven er tusschen ligt.
In Hamerlings Aspasia is het Erechtheion en zijn priester alles wat
ouderwetsch is en aartsvaderlijk in tegenstelling van den nieuwen,
glanzenden, vroolijken geest, die de schoonheid vereert als met
godsdienst. Door de Perzen vernietigd is het inderhaast en tel-quel
weêr opgebouwd, is het in den roman een sombere, geheimzinnige tempel,
waarvan de priester noode, vlak voor zijne oogen, het Parthenon ziet
omhoog trekken....
Zooals wij nu het Erechtheion nog zien, dagteekent het van later,
van den tijd van Praxiteles. Wie dit niet weet en zich den somberen
tempel uit Aspasia herinnert en daarvan de ruïne meent te zullen
zien, staat verbaasd. Want het Erechtheion nu is, naast de hooge,
verhevene grandeur van het Parthenon, het bevalligste marmerwerk, dat
zich denken laat. De zuilen, de poorten zijn geornamenteerd als met
de fijnste beitels, gecizeleerd tot marmeren juweelwerk; de schachten
zijn fijn, diep-in gefluteerd; de Ionische kapiteelen gelijken om de
mollige lijn van hunne ronde volute's, waarop de drie-deelige epistyl
rust, zachte kussens, die met snoeren van marmeren parelen zijn omzet;
verder zijn de randen onder en boven den architraaf, en boven de fries
gewerkt in de fijnste Lesbische arabesken, en het geheel is als een
overwinning op het marmer, niet om het groot te houwen in trotschen
adel van lijnen, maar om het als met eene vrouwelijke insinuatie teeder
te krijgen en bevallig en bijna week. En dan de portiek der Karyatiden
aan de zuidzijde, waar de architraaf door zes vrouwen getorst wordt,
en die het geheele gebouw van eene lichtheid en eene luchtigheid doen
schijnen, alsof zij daar maar even zijn gaan staan en een oogenblik
torsen het dak van dien portiek en niet torsen voor eeuwen....
Dat zijn de tempels, waarvoor men naar Athene gaat, omdat ze volmaakt
van schoonheid zijn als nergens, misschien alleen te Paestum. En om
die tempels te zien en weêr en weêr te zien, blijft men in deze stad,
en blijft men in dit land. Want groot moet de verbeelding zijn en
nuchter archeologisch het verstand om in modern Athene nog verder
terug te vinden de stad van Pericles. Blik van af de Place de la
Constitution naar den Akropolis op, van het paleis des konings naar
het Parthenon, en in dien blik liggen de doode eeuwen, eene leêgte,
die door niets gevuld wordt. In Florence ademt men de Renaissance;
in Rome, hoe modern de stad ook zij, de oudheid; maar in Athene ademt
men niet de Gouden Eeuw.
Dit is niet verder te bewijzen, het is alleen te voelen, en misschien
wat te omschrijven. De Italianen zijn nog altijd de Italianen, maar
de Grieken, die Albaneezen zijn, zijn geen Grieken meer. Al roepen
zij, dat zij hunne oudheid lief hebben, men voelt dat dit alleen een
fraze van conventie is in de couranten; men voelt dat zij het niet
kunnen. Zij kunnen misschien, trots alle Grieksche toestanden, een
nieuw volk worden, modern; ze hebben misschien nog een toekomst voor
zich. Maar van het verleden voelen zij niets. Zij zullen dat nooit
toegeven, want: zij zijn ontwikkeld, zij richten ontelbare scholen
op, laten zich voorstaan, dat zij veel weten; hunne nieuwe openbare
gebouwen bouwen zij in klassieken stijl, en naast hunne Akademie
van Wetenschappen richtten zij twee hooge zuilen op met vergulde en
marmeren statues van Phoibos en van Athene. Maar die neo-antieke
gebouwen en zuilen detoneeren in de brandnieuwe, stoffige stad en
schijnen niet noodig, omdat de Grieken er niet meer zijn. Dit volk
vertoont duidelijk de ruw gehouwen trekken van zijn afkomst. Hun
kostuum van goud en kleurig geborduurde jakje en zwaar geplooide
witte balletrokje en schoenen met opgewipte punten, de fez op het
hoofd, kleedt hun goed, maar is niet Grieksch en hoeft dat ook niet
te zijn. Hun koning is een Deensch vorst, dien zij niet beminnen en
nauwlijks eer bewijzen, als hij zich vertoont. Somber kijken zij,
met hunne schuine oogen, en hunne passie's schijnen te zijn: kleine
kopjes koffie te nippen, vele glazen water te drinken en aanhoudend
schoenen te doen poetsen. In geene stad zag ik nog zooveel koffie
en water drinken en zoovele schoenen gepoetst worden. Zij zijn niet
onvriendelijk en niet onwillig en zelfs beleefd, maar ook zeer onhandig
en brengen u zelden waar ge zijn moet. Ik geloof niet, dat ze ooit
lachen, en ik geloof, dat als Aspasia hier terug kwam, ze op nieuw tot
het volk van Athene zeggen moest: Je moet vroolijk zijn; het leven en
de liefde zijn vroolijk in hun wezen; het leven moet genot zijn en al
het andere is maar ziekelijk! Maar ik geloof niet, dat ze er dezen
keer veel succes meê hebben zoû, en ik geloof, dat ze eindigen zoû,
zooals ze eindigde tegen Pericles: Neen, jullie zijn geen Grieken meer.
XI.
BRIEF UIT FLORENCE.
De lente nadert aan; van Brindisi tot Foggia zilverden de stoere
olijven--en deze even stoer als die van Corfu--met tintelende
looverglanzen in de zon en de weg was verder als door toovergaarden van
sneeuwig bloesemende vruchtboomen, wit en zacht roze en heel zacht
violet, fabelachtig lieflijk als tuinen van het Paradijs. Goede
Vrijdag in Rome was één bloem al bloem; op de Piazza di Spagna
liepen de jongens en meisjes met korven vol op het hoofd, tulpen en
narcissen, irissen en ooft-bloesemtakken, lelietjes-van-dalen en
violen en vooral de donkere, zoetgeurige violetten, en de geheele
piazza geurde en was er bont om. Goeden Vrijdag gaat natuurlijk
iedereen naar St.-Pieter, en de Engelsche dames stroomden er heen
met onafscheidelijke vouwstoeltjes, bengelende aan een arm. Want de
kerkmuziek is er een rage; van halfacht 's morgens tot 's middags
laat vliegt men van de eene kerk naar de andere om toch alle muziek te
hooren. Wat Romeinsche kerkmuziek betreft, geef ik den voorkeur boven
alles aan het divine gezang der nonnen van de Trinita de' Monti, met
die eene nonnestem als vol heilig klinkend kristal, dat zwellend luidt
de extaze der woorden. Maar Goeden Vrijdag ging ik, als het behoort,
naar St.-Pieter, want het Miserere van Mozart _moet_ men hooren,
Maureschi _moet_ men hooren zingen.... Dan gaat men omdat het _moet_,
en dan hoort men het Miserere, en geniet het, als men kan, in die
gouden reuzen-architectuur, tusschen al die dwarrelende menschen en
dan vindt men Maureschi mooi, als men kan, met zijn hooge falset-stem,
die toch altijd het kristallijne der vrouwlijke sopranen mist, en
mij altijd toeklinkt als van een chanteuse légère op haar retour.
En heeft men dan het Miserere gehoord, dan mag men Rome verlaten,
zelfs al is het Eerste Paaschdag en zelfs al kijken al uwe kennissen
u verwijtend aan, omdat ge niet méer kerkmuziek gaat hooren. En toch,
al hangt mijn hart nu niet zoo sterk aan Rome, ik verliet de stad
toch, na drie dagen, met eene aandoening. Want als men rechtstreeks
van Athene komt, is het dan geen genot en geen geluk in Italië terug
te zijn en zich te laten bederven door al de charme der Italiaansche
gentilezza? Te gaan naar Italië is een délice, er te zijn ook,
maar er terug te keeren is misschien het hoogste genot. Na al het
sombere, schuin-starende, wantrouwende der Albaneezen, is het een
dubbel pleizier weêr overal op uw weg te ontmoeten den Italiaanschen
glimlach met de Italiaansche hartelijkheid. Hoe ze het zijn kunnen,
zoo hartelijk, tegen al die vervelende vreemdelingen, die over hun
mooi land zwerven, ik weet het niet. Maar ze zijn het en geheel uit
hun hart, komt dat voor, en den glimlach, waarmeê zij u ontvangen,
schijnen zij genomen te hebben uit hunne zonneschijn. Ik geloof niet,
dat ik anders veel generalizeer, maar de Italiaansche hartelijkheid
generalizeer ik gaarne, en gaarne zeg ik: Italianen zijn hartelijk
en over hun land waait een adem van sympathie en in hun hart woont
de liefde voor hun naasten...
En mij waait die adem van sympathie vooral in Florence toe. Ik weet
niet, wat dat bijna is, om het in woorden te zeggen; ik weet bijna
niet sympathie te verwezenlijken in taal. Maar het is dit: zoodra ik
weêr ben aan het station van S. Maria Novella, ben ik thuis. Zoodra
ik weêr hier ben, in dit stille paleis, ben ik thuis. Beneden woont
de markies Niccolini; in zijne kelders verkoopt hij zijne wijnen en
olieën; op de eerste verdieping is een spoorwegmaatschappij, waarvan
men niets merkt; op de tweede dit pension, waar ik mijne kamer heb,
kijkende op den hangenden tuin van den markies; onder den tuin zijn
zijne stallen. Links de kleine Via del Moro met al de kleine ramen,
in welker omlijstingen een veelvuldig, stil arm leven schemert; rechts
de Via de' Fossi, met iets van hare antiquiteitenwinkels, vroolijk nu
van de vlaggen om de koningin van Engeland. En wat ik zie uit mijne
ramen heeft een intime bekoring voor mij; de kleine, hangende tuin
met zijne bloeiende oleanders en den vijver met goudvisschen en het
paviljoen, over welks dak ik de huisjes van de Via del Moro zie; de
tuin, afgesloten door den muur van weêr het eerste huis der Via de'
Fossi, waar iets van fresco's schemert, geen kunststukken, maar toch
kleur van bekoring voor mij; en dan de daken, waarvan de lijnen zich
verliezen, en de windwijzer in de lucht.... En dat geheele stille
stadsgezicht heeft zoo iets innigs, terwijl de zon er over een breede
gouden klaarte neêrgooit, dat ik me betrap op de gedachte, dat ik hier
gaarne zoû willen wonen, zoû willen blijven.... Het is dan een stille
sentimentaliteit, die in mij opkomt, een week gevoel, een vreemde rust,
en ik herinner mij zoo een dergelijk gevoel gevoeld te hebben, toen ik
las Töpffers Bibliothèque de Mon Oncle, alsof ik ook in die bibliotheek
had willen wonen, vanwaar men op een stil stuk van oud Genève zag,
een plek, die ik, in September, expres daarom ben gaan zien.... En dat
alles is zoo vreemd, en klinkt, in woorden, zoo nuchter flauw, omdat
ik het eigenlijke toch niet zeggen kan. En dan ook de oude Zwitsersche
dame, die het pension houdt, en altijd in den kleinen hall bij de deur
der étage aan hare schrijftafel en in hare boeken zit; de kleine,
dappere, vrome dame van twee-en-zeventig jaar, die veel te goed is
voor hare locataires, en daarom zeker nooit rijk is geworden, en die
mij ook al bederft, en, wie weet, dat misschien niet zoo zoû doen,
als ze wist, dat ik _Noodlot_ geschreven had.... Maar nu weet ze alleen
maar, dat ik schrijf en niet, dat ik gaarne ter analyze iets nerveus'
en morbide's zoek, en ik wacht mij wel het haar te vertellen....
En dit alles is, niet waar, erg sentimenteel, maar ik laat het dit
zijn, want het is van een groote bekoring, en zoo gaarne zoû ik die
bekoring laten duren, maar dat kan niet, omdat een leven niet is éene
bekoring alleen... En nu reeds kan ik treurig zijn als ik bedenk,
dat ik hier over tien dagen vandaan moet, en dan hier misschien terug
keer, wie weet, nooit meer...
Ik heb hier zeker voorbestaan. De groene Arno, waaruit de grillig
bevensterde achterhuizen oprijzen, en de Ponte Vecchio, en de
Piazza de' Signoria met het Palazzo Vecchio en den Duomo met Giotto's
marmerjuweelen campanile, dat alles ken ik van heel vroeger, van eeuwen
her. Onlangs heeft mijn meester, Prof. ten Brink, gezegd, dat ik, als
kind, wel den sleep had kunnen dragen van een Venetiaansche dogarezza,
maar als ik ooit, in een voorbestaan, page ben geweest, dan ben ik
het niet in Venetië geweest, maar in Florence, en misschien wel aan
het Hof van Lorenzo il Magnifico, in het Palazzo Riccardi. Want in
het Palazzo Riccardi voel ik nog altijd een zeer bizondere emotie;
ik meen in de kapel der Medici's, die Benozzo Gozzoli beschilderd
heeft. Die fresco's behooren voor mij tot het schoonste, dat men
in Florence zien kan, niet het schoonste van religieuze stemming,
maar het schoonste van mondain vertoon.
Op de drie muren der kapel ontrolt zich met al de luxe van Lorenzo's
hofstoet zelven, de optocht der Drie Koningen naar Bethlehem. Het
landschap schijnt eene aaneenschakeling van tuinen en wijde
jachtterreinen; de drie koningen, op hunne monumentale paarden,
witte met goud gecaparaçonneerde schimmels, zijn portretten: Lorenzo
zelve; de keizer van Byzantium, Giovanni Paliolologa Michele; en de
Grieksche Patriarch; de beide laatsten toen te Florence om de belangen
der Kerk. [5] De vorsten zijn omstuwd door schitterende cortèges;
in het cortège van Lorenzo reien zich al de portretten der toenmalige
Medici's met ook dat van den schilder zelven.
Vooral wonderschoon zijn de figuren van den toen twaalfjarigen Lorenzo
en zijne pages en schildknapen; ook de Byzantijnsche keizer, in
zijnen langen goudgebloemden, brokaten wapenrok, op zijn goud-getuigd
paard, is van eene hooge Renaissancebevalligheid. Het geheel heeft
niets orientalisch', maar is een schitterende afspiegeling van het
Mediceïsche leven in en bij het Palazzo Riccardi zelve, afspiegeling
van een Mediceïschen jachttocht met luipaarden aan kettingen, het
geheel zich ontrollende door het wijde landschap op de drie muren,
terwijl ginds, in de hoogte, den heuvel opklimmende, zwaar beladen
kameelen alleen schijnen te herinneren aan wat de prachtflonkerende
compozitie voorstelt: de optocht der Drie Koningen, die schatten
brengen van myrrhe en goud aan het Heilige Kind van Bethlehem.
Vroeger schijnt de kapel geen venster gehad te hebben, met kunstlicht
beschilderd te zijn geworden, met kunstlicht altijd beschenen. Want
waar nu het venster is, was vroeger Maria's Aanbidding van het
Kind door Filippo Lippi--nu in de Academia,--op de vierde muur dus,
waarheen de optocht zich scheen te begeven.
Maar wel zijn op de inspringende zijmuren van het venster, links en
rechts, nog de tuinen van het Paradijs, met de zingende en aanbiddende
engelen, van Gozzoli. En even als de optocht zeer wereldsch is, is dat
Paradijs wereldsch. Die tuinen met pauwen--éen engel voedert er een
pauw--zijn weêr de tuinen van een Mediceïsche villa. De engelen zijn
fabelwezens, met bont-schitterende vedervleugels, met rijke draperieën,
met het Adoramus van hunnen zang, geschreven in hunne diadeemachtige
aureolen. En toch, neemt men dit mondaine Paradijs voor een oogenblik
in vrede aan, dan vindt men het van een verblindende schoonheid. Die
aanbiddende en zingende engelen bewegen zich vol harmonie en leven,
en schijnen te stralen van een onverbleekbaar, eeuwig koloriet. En
noode mist men het Voorwerp van hunne glorificatie, het Kind, waarheen
de koningen zich begeven, en dat, vroeger, daar, aangebeden werd door
zijne Moeder, waar nu het daglicht binnenvalt, dat de custode vangt op
reflectors, om het te doen schijnen op tafereel na tafereel, op groep
na groep, op gelaat na gelaat, tot alles begint te leven met zijn
fabelleven, subliem tableau-vivant; alsof de Medici's er mimeeren
het aanbiddellijke verhaal van de koningen, die kwamen knielen en
geschenken bieden aan het Kind.
Over Florence, over de Arno heen, verbindend hare beide boorden,
bloesemt een paradijs van kunst: ik meen de twee paleizen der Uffizië
en Pitti, die de portrettengalerijen boven de Ponte Vecchio verbinden
tot een ontzaglijk geheel, iets unieks van uitgebreidheid en van
artistieke waarde. Uit de Uffizië domineert men geheel Florence; uit
de zaal der antieke meesters ziet men op San Miniato en Santa Croce;
uit den zuidelijken corridor op den Dom en het Palazzo Vecchio, en
ook op de Arno en de Ponto Vecchio. Met die uitzichten verwezenlijkt
men zich geheel Florence...
Door de vestibule, waar de beroemde marmeren ever is, gaat het eerst
naar de oostelijke galerij, waar een mijner heiligste doeken hangt:
de Annonciatie van Simone Martini en Lippo Memmi, van Siena. Als men
bedenkt dat dit stuk dateert van 1333, evenals de fijn-religieuze
heiligen St. Ansan en St. Julia, die er aan beide zijden hangen,
dan realizeert men gaarne de verblindende perfectie der Sieneesche
school, ook vóór de eigenlijke Renaissance.
Door deze galerij treedt men de Tribuna binnen, eene kleine,
achtkantige zaal, met een plafond van op blauw ingelegde
parelmoêrschelpen: eene zaal als een byouteriekist, opgestapeld en,
misschien te veel, met schilderkunst en sculptuur, alsof het er
vol is van juweelen, en de edele steenen er door elkaâr rammelen
en de parelsnoeren er uit neêr hangen. Er zijn daar de Mediceïsche
Venus, gevonden in de villa van Hadrianus bij Tivoli; een sater,
die dol de pedalen trapt; een compacte groep van twee worstelaars;
een Scyth, die zijn mes slijpt om Marsyas te villen... Van Rafaël
het portret van Julius II, de Madonna del Cardellino, een jeugdige
Johannes; van Titiaan twee liggende Venussen, geheel Venetiaansch
van koloriet; van Dijk, Correggio, Veroneze; een prachtige Perugino;
een meer gesculpteerde dan geschilderde H. Familie van Michelangelo;
een zeer schoone Epifanie van Albert Dürer, het kind treffend door een
heerlijk naïf gebaar, waarmeê het grabbelt in het juweelenkistje, dat
een der oude koningen reikt; dan Guercino, Dominichino, Rubens en Fra
Bartolomeo... Dat alles is te veel en te veel schitterend op elkaâr;
het glanst er tegen elkaâr in; het is er geen muzeumzaal, maar een
byouteriekist. Het is er meestal ook vol kijkers, vol kopiïsten,
en het is er heel moeilijk zuivere impressie's te krijgen, ook al
keert men er nog zoo dikwijls terug.
Om de Tribuna heen schitteren de zalen der Toskaansche, Venetiaansche
en Lombardische scholen; die der Hollandsche, Vlaamsche en Duitsche
scholen; de zaal van Botticelli...
In deze laatste, Botticelli's hemelschoone Madonna met het Kind. Een
ronde schilderij: als in een sfeer zit de heilige groep, en iets van
een Toskaansch landschap schemert in de verte. Twee engelen houden een
fijne kroon, waarvan de fijne sluiers luchtig opfladderen, boven het
hoofd der zittende Maagd, die het Magnificat juist onderschrijft, dat
een groep van drie engelen ophoudt; een ervan reikt den inktkoker. En
niemand let op het kind, dat zit op den schoot der Maagd en het eene
handje rusten laat op een geopenden granaatappel. De Maagd doopt juist
hare pen; de drie engelen zijn vol verwachting; de twee anderen beuren
voorzichtig de kroon. Niemand let op het kind, dat juist in eene extaze
naar boven ziet... Maar zijn andere handje legt zich op den arm der
moeder en op het heilige boek; hij vraagt om aandacht... Dadelijk
zal de Maagd letten en de engelen ook...
En dit roerende oogenblik waast daar in een warm kleurenspel op,
want de kleuren wazen door elkaâr: een zachte regenboog van rood,
blauw, geel en wit, waarin de zuivere ommelijnen der figuren zich
uit-graveeren met de altijd herkenbare ietwat spitse teederheid--fijne
neuzen, ernstig gesloten mondjes, lange kinnen--van Botticelli.