Want Napels is vuil--zooals onze Amerikaansche kennissen zeggen,--maar

het is een vuilheid van een verblindende pracht en eene vuilheid, die

niet schijnt te bezoedelen, alsof de zon en de zee alles ontsmetten

met zuurstof en met licht.... En Napels is de bruyantste stad van de

wereld, zooals mijn Baedeker vertelt, maar vreemd hoe al dat leven

niets enerveert, en hoe er eene lachende kalmte en sereniteit schijnt

boven te hangen in de zonlucht. Het schijnt er in te zingen en te

zwijmelen in die lucht, als van een dronken faunen-vroolijkheid;

mijne ramen zijn open, een rammel-symfonie van trammen en rijtuigen,

schreeuwende kooplui, klakkende zweepen, pijpende soldatenmuziek,

wat meer nog? galmt naar binnen in een vloed van zonlicht; de Villa

Nazionale, waardoor de zee blauwschemert, schijnt onder hare boomen

te ruischen van rijk leven; en toch, een serene bekoring drijft uit

dat alles op, en schijnt te schenken het elixer zelve van het geluk.

Wat maakt de drukte van Parijs, van Londen, van Amsterdam, zoo

enerveerend, en waarom is Napels' drukte niets dan harmonie? Ik

geloof, omdat de drukte in Parijs, Londen en Amsterdam machinaal is;

met strakke gezichten gebaart de doende menigte zich, als bewogen door

methodes, die misschien in groepen zouden te verdeelen zijn.... Wanneer

men zich in een dier groepen voegen kan, doet men meê, en voelt zich

bewogen door de juiste veeren, die noodig zijn. Maar kan men zich

niet in een dier groepen voegen, dan druist men tegen allen in en

voelt zich verloren, en verlangt, ontzenuwd, naar eenzaamheid... Hier

schijnen die groepen niet te zijn. Ieder blijft individu, ieder doet

wat hij doen moet, hij alleen, en zonder methode. Eene spontaneïteit

bezielt de drukte. Alles krioelt door elkaâr: een bonte mierenhoop,

in glanzend lachende naïveteit...

En dan die lucht, de vreemde sereniteit van die lucht daarboven, die

stillende atmosfeer, die van af de zee schijnt aan te drijven. Ook

in Rome is dat zoo anders. De lucht is er droog, ijl; men voelt zich

steeds voortgejaagd, voortgezweept; men heeft veel te doen, veel te

zien, touristenplichten zonder eind. Men ziet zijne kennissen niet

meer, al woont men in het zelfde huis. Ieder vliegt een andere kant

uit, met dolle oogen, en ziet men elkaâr terug, dan dweept men, dat

Rome zoo mooi is, en dat men het water van de Trevi wil drinken, om te

moèten terugkomen, in Rome... Hier, niet die opgeschroefdheid. Alles is

natuurlijk, vroolijk. Heeft men ooit in eene stad, behalve in Napels,

fiacres gezien, die met elkaâr om het hardst reden? Vincenzo onze

koetsier, vliegt en hotst er van door met zijn kleine paardje, dat

lava in zijn aderen schijnt te hebben, en zoo vliegen ze allemaal,

de paardjes, klein maar sterk en vlug en hinnikend. Hinnikende

fiacrepaarden! En ze cambreeren zich in hun flikkerende tuigen

vol glimmende spijkers en metaalbeslag en ze willen elkaâr niets

toegeven. Baedeker beweert, dat de Napolitaansche koetsiers bekend

zijn om hunne insolentie. Het is mogelijk, maar Vincenzo is een

ideaal. Hij vindt het alleen prettig je nu en dan een lira meer te

vragen dan het tarief, want het zit hem in het bloed je liever wat

af te zetten, dan op een fooi van je te rekenen. Maar dat is ook zijn

eenige ondeugd. En hij is geboren voor koetsier van goeden huize, al

is zijn jas ook gescheurd aan alle kanten. Als we ons hôtel uitgaan

en niet willen rijden en willen wandelen en al de anderen ons wenken

en met de zweep klappen en vole? vole? roepen, alsof ze de grootste

verleiding voor ons in petto hebben, blijft Vincenzo, die zich tot

onzen lijfkoetsier heeft gepromoveerd, statig zitten, en groet ons met

een glimlach van kalme zelfbewustheid. Maar zit hij niet op zijn bok

en loopt hij zijn karretje met een plumeau af te stoffen, dan komt

hij, met dien zelfden glimlach naar ons toe en vraagt: Morgen weêr

eens naar Pompeï? Of naar Baïa? Of naar de Camaldulen? Van daar zie

je de heele wereld, de heele wereld in zonneschijn!

Alleen als we naar het Muzeum rijden, is Vincenzo een beetje

ongelukkig. Maar het kan niet anders: we moeten nu dan wel eens naar

het Muzeum, Vincenzo!

Ik weet niet, waarom beeldhouwwerken en bronzen mij altijd een sneller

schrik van schoonheid geven dan schilderijen. Er straalt altijd uit

hen een flits, die mij in eens doordringt, zoodat ik in eens het

geheele beeld zie, en schilderijen moet ik langzamerhand veroveren...

Wij gaan door de portiek der keizers naar de bronzen. De keizers

kennen wij van Rome, van het Kapitool en van het Vaticaan, en wij

willen nu naar de bronzen. Toch zie ik, dat hier een Nero is, met een

lauwerkrans, die weêr anders is dan in Rome en een Heliogabalus, die

allervreemdst is. Een plat achterhoofd; het haar sluik en wat vallende

over het gezicht met een vlok hier en daar... Koele, uitpuilende

oogen, een slechte ommelijn van wangen, en de bovenlip hangende over

de onder-... In het geheel iets van een jongen, perversen misdadiger...

De bronzen vullen vier zalen. In de eerste het prachtige bronzen paard

van Herculanum, uit een vierspan over. Nog een prachtige paardenkop,

van een paard, dat vroeger bij den tempel van Neptunus stond,--nu San

Gennaro--en dat de aartsbisschop, op den kop na, versmelten deed tot

een klok, om het heidensche te christianizeeren. Eene Dianabuste,

uit Pompeï, met een holte van achteren, waardoor de priesters aan

het beeld een orakel inbliezen...

In de tweede zaal vooral vier kleine beeldjes, naast elkaâr: de

dansende Faun in Pompeï gevonden, vol rythme in de beweging zijner

levendige armen en beenen; een Silenus, die iets gedragen heeft, op een

support, dat een slang rondt, en, zwaar dik, omkranst, zwoegt hij nog

onder zijn last, die men niet meer ziet; een sater met een wijnzak,

en een Narcissus of liever Bacchus, in een luisterende houding, met

vooruitgestoken wijsvinger... Het zijn vier kleine meesterstukken,

die daar naast elkaâr staan, en als men, geheel gecharmeerd, den een

na den ander beschouwt, is men verwonderd over dat tintelende antieke

leven in klein brons, over die vier kleine bronzen oden, van een zoo

zuivere en gecizeleerde kunst, als verzen van Horatius. Die kleine

volmaaktheden van de oudheid, die men onder zijn arm stilletjes

zoû willen wegnemen, ze geven ons, modernen, een wanhoop, omdat ze

zoo iets zuivers en levends zijn: eene kleine, vroolijke gedachte,

stralende door een vorm van louter zuiverheid.

Maar de derde zaal bevat het schoonste brons: in het midden de dronken

Faun, met zijn dol vroolijk, zalig genietend gezicht, zich wentelend op

zijn leêgen wijnzak; aan zijne zijden, links en rechts, twee andere

beelden, worstelaars, in houdingen van elkaâr-willen-aanvallen;

slank zijn ze, jongens nog, met heele fijne voeten en fijne handen;

ze zullen zeker bliksemsvlug zijn en niet zoo heel sterk. Dan een

sater, die juist wakker wordt en zich opricht, en zijn geheele lichaam

rekt zich als in eene vroolijke lijnenmelodie van natuurlijkheid en

humoristischen dageraad; en dan een rustende Hermes. Even is hij gaan

zitten; hij schijnt dadelijk weêr te willen opstaan. Zijne vleugels

zijn hem met riemen gebonden aan de enkels. Fijn luchtig is zijne jonge

gestalte; de zon, die helder binnenvalt, veegt lange schamplichten

aan de rondingen zijner efebe-ledematen, en laat hem verder in een

donkere tint van moorenzwart. Zijn gelaat heeft iets ineengedrongen

hindoesch; zijne ooren staan een beetje ver van het gezicht af.

Hij is misschien niet zóo intelligent als de marmeren Hermessen

met hun Praxiteles-type, maar hij moet vlug zijn, als de wind, als

hij niet meer rust en zich zal verheffen op den vogelslag van zijne

lichte enkelvleugeltjes...

VIII.

PESTO.

Cava dei Tirreni, Febr. '94.

De Appenijnen als rotsgebergten, die in den wazenden zonneschijn

licht transparant worden: hier en daar een tintelwitte sneeuwkop;

beneden groen grassige vlakten en her en der de tintelwitte vlakken

ook van geiten en de zwarte kroeskoppen van wilde buffels...

Over het landschap drijft een niet zichtbare schim, schijnbaar opgelost

in den luchtglans: de booze geest, de malaria; maar aan den spoorweg

links en rechts balsemen lange reeksen eucalyptussen met volheid van

geur de lucht en sterk, suikerzoet, trillert naar boven de walm van

duizenden narcissen.....

Door de Sirenenpoort gaat een weg naar Poseidonia, het oude Paestum,

de stad van den zeegod, en, in eens, bij het einde van dien weg,

verrijzen de tempels, of ze in Hellas zelve zijn...

In de majesteit van zijn Dorischen eenvoud zuilt de tempel van den

zeegod op, met zijne zuilen, die zijn als gouden lijnen. Sterk,

breed gaan zij op van den grond en, hooger, versmelten ze zich, als

zijn ze volle tonen, die, eerst gezwollen, teerder worden van klank

naar de lucht toe.

Om hen heen drijft de stilte, en tusschen hen door, telkens afgesneden

en als een smalle streep azuur teekent zich ver de zee recht.....

En ze is zoo smal en zoo azuur als Alma Tadema haar geeft boven of

tusschen zijn marmer....

In de zon warmt zich de gouden tempel. Want de zon veegt over den

sponssteen der schachten lange vegen licht, die hel vergulden, en

brons zijn dan de andere schaduwende rondingen.

Sterk stoven in de zon, die al schijnt te zomeren, de volle witte

madelieven, de gespikkelde distels, en vooral sterk de glanzend

groene akanthen, die als met fijne scharen zijn uitgeknipt. En, levend

smaragd, schieten de hagedissen met schichtige juweelen oogjes over

de zuilen en verdwijnen in haar sponsigheid...

Alles is stil. Alleen een kind kijkt naar ons, een meisje; ze is

stil blijven staan: donkerbruin met groote ronde zwarte kralen van

oogen. Recht hangen de plooien van haar rokje, warm vuilblauw, en

met beide handen steunt zij recht op haar hoofd, een lange kruik met

twee ooren.

Opener, ijler, meer ruïne heft links de Baziliek grijzere

zuilen omhoog. En verderop, rechts, grijzer ook, de tempel van

Vesta. Binnen-in bloeit een geheele blankheid van madelieven, als

het laatste, iets wit, dat de verdwenen godin achterliet...

En in deze stilte van zuilende tempels in blauwe lucht, met de

smal-blauwe streep van zee tusschen de gouden en grauwe lijnen door,

heb ik mijne vrome gedachte gewijd aan Vosmaer en "Amazone"...

IX.

BRIEF UIT CORFU.

Febr. '94

Van Napels door de dorre, woestijnachtige Basilicata, die is

als een landschap van het H. Land of als een streek uit Syrië,

golvend, verbrand door de zon, als verdord onder een vloek van uit

den hemel..... Brindisi, een havenstad van verveling, op den Zondag;

een paar groote mails alleen komen aan van Alexandrië en van Calcutta,

maar geene woelige drukte is bij hunne aankomst; alleen, saaiweg,

worden tonnen ingeladen met een hefboom, als een ijzeren arm die

aanneemt, oplicht en neêrlaat en aanneemt, oplicht en neêrlaat,

den heelen dag door....

En alleen voor het Hôtel International, waar de op den nacht--om te

gaan aan boord--wachtende gasten zich vervelen over altijd de zelfde

illustraties--als hunne brieven geschreven zijn, en gapen en zien op

hunne klokken en dan weêr gapen--alleen voor het hôtel--als iets van

Egypte, daar ver weg, goochelt een Egyptenaar en zwaait met een half

doode slang en lokt eene menigte, die grinnikend naar hem kijkt.

En over den weg heen slingeren schillen van vruchten, die ik niet

ken, purperen schillen met stekels, maar ze laten me denken aan onze

ramboetans uit Indië....

Des nachts aan boord van den Principe Oddone en de nacht aan de leêge

boot, door de stilte van de nachtzee en de nachtlucht, waardoor de

machine haar langen, langen draad van beweging stikt. En des morgens

de bekoring van Albanië; de, even boven, besneeuwde rotsbergen in

het droomlicht van den morgen, dan de kleinere Othonische eilanden,

Samothrake en het eiland van Calypso, en eindelijk de Grieksche stad

Corfu, fabelachtig gelegen en, links, de Oude Forteres, oprijzende

als een begroeid, rond oorlogskasteel....

En de woorden, om nu te zeggen de bekoring van het liggen van die

stad en hare ligging al zoo afzonderlijk te teekenen van andere

stedeliggingen aan zeeën, zijn zoo moeilijk te vinden, omdat het maar

is de bocht van bosschige of van heuvelige lijn en het vierkante rijzen

van witte huizen, en de uitstekende spits van een kerkje, juist zoo

en niet anders en dat alles met de nuances van liggingsarabesken,

die misschien nauwlijks zijn te geven met waterverf en geheel niet

in de abstracte teederheden der woorden, die meer geven de zielen

der dingen, dan hunne lijnen en hunne tinten.

De stad, levendig--mannen in Albaneesch kostuum, zwarte pope's met

iets Assyrisch' in hunne los fladderende soutane's, in hunne zwarte

baarden, in hunne hooge vierkante kalotten--is Grieksch, en niet alleen

om de letters der opschriften, die de ongewone oogen spellen, maar

Grieksch om alles; zooals de mannen loopen en gebaren en kijken met

hunne schuine oogen naar de vreemdelingen en zooals de huizen staan,

misschien. Geheel anders dan alles van Italië en het heeft zeker de

bekoring niet alleen van het nieuwe, maar vooral van het Grieksche,

alleen omdat het Grieksch is en toch in dit alles is een gemis, dat

bijna een heimwee geeft naar Italië, het eenige en aanbiddelijke....

En een eerste indruk, om te aanbidden het Nieuw-Grieksche in zijn

dadelijke dagelijkschheid, krijgt een vreemdeling niet, zelfs niet

een vreemdeling, die zich geschikt heeft, en gaarne, naar de kleinere

Italiaansche hôtels. Want groote hôtels zijn altijd slecht, zonder

comfort, zonder bediening en met oneetbaar banale tafels. Maar wat te

zeggen van een begindag, dat men zijn door Baedeker gestarde hôtel

verlaat, omdat de met goud te betalen prijzen omgekeerd evenredig

zijn aan zelfs een matig geëischt comfort, in een kleiner pension

aanlandt, waaruit men een half uur later, zich borstelende en

naziende al zijn bagage, vlucht, om eindelijk te moeten stranden

in hèt groote hôtel--de eenige woning die nog te kiezen is. En als

dan nog hèt groote hôtel--met prijzen van dubbel goud--en als men

iets terug krijgt, krijgt men van zijn goud niet aan te raken,

vuile papieren drachmen terug,--die van 10 eenvoudig in tweeën

gescheurd voor twee van 5--als dat hôtel, St. Georges, niet is warm

te stoken op een kouden regenachtigen na-dag, zoû het heimwee naar

Italië grooter en grooter worden, zoo, een vizioen gelijk, door de

lezing van Hamerlings Aspasia heen, de Akropolis, ginds bij Athene,

niet schemerde, als eene heilige belofte....

Ik zit hier voor een week gevangen. Gelukkig gaan de dagen voorbij;

maar hoe? Het is jammer van je jonge jaren, die nooit terugkeeren, zoo

een week. Corfu ademt, tegelijk met nog nergens geroken walgelijke

rotte-visch en rioolluchten, aan hare mooie haven, een suprème

verveling uit. Het is de season, zelfs carnaval; de twee hôtels--beiden

infect--zijn stampvol. De menschen gapen, wandelen 's ochtends,

's middags en 's avonds insipide-weg over de Spianata op en neêr:

de esplanade, een dorre vierkante uitgestrektheid tusschen de stad en

de Oude Forteres. Ook wandelen er kudden kalkoenen, geherderd door een

kortgerokten Albanees. De herders zien er gluiperig uit als roovers. De

priesters met hun Assyrisch type--de ouderen hebben meer iets van

Chineesche bonzes--lamlendig, in hunne slap golvende soutane's. De

soldaten onhandig; ze schijnen niet op hunne voeten te kunnen staan,

en hunne geweren schijnen hun te glippen tusschen de vingers. De

officieren, slordig in hun slecht zittende uniformen. Mannen uit

het volk, soldaten ook, houden een snoer van kralen in de hand,

alleen om wat te hebben om aan te friemelen. De vreemdelingen gapen

en pavaneeren dom weg. Het geheel is iets grenzeloos vervelends.

De gemeenschap, zoowel met Italië als met verder Griekenland, is

langzaam en luttel. Met brieven, via Brindisi, wordt men begunstigd

tweemaal in de week. Ik kijk smachtende uit naar Maandag-namiddag; dan

gaat mijn boot naar Patras. Maar ik vrees ook voor groote desilluzie

in Athene. Ik voel me hier te slap van verveling om reeds Olympia

te bestudeeren. Ik voel me ridicuul, dat ik hier Aspasia nog eens

overlees. In Florence en in de kleinere Italiaansche steden ademt men

nog een aroom van de renaissance; in Rome een aroom van antieken tijd,

maar hier in Corfu is niets Helleensch. Toch ligt er dichtbij de stad,

bij de Canone--vroeger eene batterij, nu een uitzicht--een eilandje

met een wit kerkje tusschen cypressen: Ponti Konisi, Muizeneiland,

en de legende wijst het aan als het schip van Ulyssus, versteend

door den toorn van den zeegod. En de legende wijst ook de plek, aan

het meer van Kalikiopoulo, waar Nausicaa den Homerischen zwerveling

vond..... Arme legende!

De verveling is hier niet door te komen. Te wandelen is er niet;

men kan alleen een paar toeren maken. De natuur, meer het eiland

in, is vooral treffend om de olijven. De olijven zijn prachtig en

geheel anders dan de Italiaansche. De Italiaansche olijven zijn

teeder, tenger vrouwelijk en zilver etherisch. Hier zijn ze forsch

en mannelijk, eeuwenoude boomen, met dikke, twee- en drievoudige,

sponsachtig gespleten stammen: het loover is zwaar en groengrijs,

vol donkere metaalglansingen in de zon. Valleien van olijven glooien

op en af; de forsche olijven zijn de heerschers van het eiland. Door

olijven-valleien klimt de weg naar Gasturri, waar de villa Achilleion

van Keizerin Elizabeth van Oostenrijk op een hoog standpunt rijst en

uitkijkt over het eiland heen.....

Ik raad hierbij iedereen, die mij leest en gelooven wil, een bezoek

aan Corfu af. Ik betaal hier, in goud, een pensionprijs, die in

Zwitserland en Italië alleen prinsen en Amerikanen betalen en ik voel

me, op het oogenblik, dat ik dit schrijf, flauw van den honger. Dit

hôtel, St. Georges, is het eerste en vereerd geworden door het bezoek

van den Oostenrijkschen Keizer; de groote yachtsmen uit Engeland

logeeren hier. Het wemelt er van prinsen en markiezen. Ik ben ijdel

genoeg om te denken, dat hunne magen eenigszins gelijk zijn aan de

mijne en trek dus de conclusie, dat ook zij op dit oogenblik flauw

van den honger moeten zijn.

Nog eens dus: wie naar mij hooren wil, komt niet hierheen. Het is

hier een dure armoede en een onoverkomelijke verveling. Ik slaap half,

en links en rechts hoor ik mijne beide buren snurken. Men reist toch

niet om zijne correspondentie bij te houden. En de unieke olijven

bewonderen, kan men toch niet doen met een sufheid en een geeuwhonger,

waaronder ik op dit oogenblik lijd.

Zeer lief ligt de villa Mon Repos, een zomerverblijf der koninklijke

familie. De tuin is niet zeer onderhouden, maar dit schaadt niet

aan de schoonheid ervan, aan de mooie, fijne eucalyptussen met hunne

zilveren stammen en bossen loover als smalle linten; aan de welige

mispelboomen, de oleanders en magnolia's, vooral niet aan de wilde

anemonen, die er als violet onkruid bloeien. De villa is een klein,

gezellig huis, dat nu juist in orde wordt gebracht voor het koninklijk

bezoek, in April. Van af de balkons heeft men een verrukkelijk gezicht

op Corfu, de Oude Forteres en de kust van Epirus. Het zal daar zijn,

in dat kleine huis, in dien gezelligen tuin, een vrij familieleven

zonder etiquette. In de zee, vlak bij, baadt men. Op een spiegelkast

in de kleedkamer van den koning trof mij een geheele reeks namen,

met een diamant geschreven, van zijne kinderen en familie. Als de

koning met zijne familie hierheen komt, blijft echter de hertog van

Sparta in Athene.

Maar Mon Repos ligt niet dichtbij genoeg om ieder oogenblik, dat men

zich verveelt, te bereiken en dan is de Oude Forteres het eenige

asyl. Zij is de poëzie van Corfu. Een kanaal scheidt haar van de

Spianata, een brug verbindt haar ermêe. Men wandelt haar vrij binnen en

dwaalt over hare opgaande wegen en trappen naar boven. Door de sombere

cypressen heen blauwt de zee als een droom. Overal groeien bloemen,

welige bloemen van onkruid, witte en blauwe violen, madelieven

en goudkleurige bloemen, die op madelieven gelijken, en die hel

schitteren in de zon, tegen den verren saffieren spiegel der zee

aan. Hooge cactusmassa's zijn als bronzen plantvormingen tegen de

etherische goudatmosfeer en telkens door opene kanteelen heen, als

tusschen lijsten, schittert een ander landschap in de verte... Een

verlaten burcht uit een zuidelijke riddersproke en de eenige plaats

in Corfu, waar men zich ieder oogenblik verliezen kan in de zwijmeling

van den vroegen zuidzomer.

X.

BRIEF UIT ATHENE.

Het is een genot weg te gaan van Corfu en het is een genot dat te doen

over de even gekabbelde wateren der Ionische zee, in het roze licht van

het zonnedalen, dat eindigt in gloeiend oranje boven het metaalblauw

van het water. De kust van Corfu blijft lang volgen en ook die van

Epirus tot Paxos toe; dan komt de nacht, en in den morgen vroeg landt

men te Patras, klein en woelig van havenbeweging. De spoorweg naar

Athene, langs den golf van Korinthe, gaat eerst langs onverschillige

landschappen; dan wordt het typischer: de breede, geheel uitgedroogde

rivieren, de eindelooze krentenaanplanten, die zich nu nog voordoen

als dorre, kleine, bladerlooze, stronkige boompjes; en het volk

in de velden treft vreemd door al het wit van zijne kleeding of het

boeren en boerinnen zijn uit een opera. Vóór Korinthe de Acro-Korinth,

de trotsche, kasteelachtige rotsmassa, als een zware diadeem op het

landschap; Nieuw-Korinthe als een doodsch, wijd, stoffig stadje, en

dan het nieuwe kanaal: de trots van Nieuw Griekenland. Het verbindt de

Korintische en Saronische golven, en als de spoor er langzaam overheen

glijdt, ziet men ze beiden liggen en het kleine kanaal als een glad

gepolijsten doortocht, keurig afgewerkt met twee rechte wanden, de

wateren vereenen. Het is iets als een fijne buis, iets onberispelijks

en nets van uitvoering, een klein gulden kanaal.

En nu spoort men langs de Saronische golf tot Megara toe. In

harmonische lijnen, alsof zij besef hebben van hare harmonie, wisselen

en verschuiven de lijnen der Peloponezische bergen en de groote golf

is steeds als een meer, geheel ingesloten door die blauwe harmonieën

en zelve als een spiegel, waarin maar enkele wateringen spelen van

licht. En in zijnen hoogen eenvoud is dit landschap klassiek schoon,

van eene niet zegbare, alleen voelbare, klassiek eenvoudige schoonheid:

de kalme wateren, de blauwe bergen, zacht schuivende in gelijk

golvende lijnen, rythmisch en breed als hexameters, van een rythme,

dat rust geeft, groot droomend de oogen doet openen, weg doet staren

over die stilte, en de ziel heen trekt naar het verleden toe.... Men

voelt zich--zelfs in zijn spoorcoupé--in Hellas; men is blij, daar

gekomen te zijn; het antieke leven is in eens eene openbaring. Men

begrijpt de oude Grieken, hunne ideeën van streng schoon, bij het

droomend volgen dier rythmische berglijnen. Men begrijpt hunne

zuilentempels; in de roze atmosfeer, tegen die harmonie van bergen,

ziet men ze, in gedachte, rijzen als eene harmonie van zuilen. En

het is vooral misschien, om dat stille en rustige, als van een meer,

dat zenuwstillende en grootsche, dat die wateren overdrijft als een

nimbus, en waardoor de bergen heenschemeren, zooals zij schemeren

door het roze zonnedalen, totdat men niet meer onderscheidt en de

gedachte zich weg laat sleepen in de bekoring van eene niet meer met

woorden te duiden droom....

In Athene bekoren mij, zoozeer als levenlooze dingen van uiterlijkheid

mij misschien nooit bekoord hebben, de Acropolis, het Theseion

en de tempel van den Olympischen Zeus. Het is misschien goed voor

men die ruïnes ziet, den tempel van Poseidoon gezien te hebben in

Paestum. Ieder weet wat zuilen zijn, en ieder wat een tempel en

toch: ik zoû het wagen te zeggen: die niet geweest is te Paestum

en in Griekenland, weet het niet. Ik herinner mij nog zoo goed: in

Paestum kreeg ik de sensatie van schoonheid, met deze vraag: waarom,

en hoe die schoonheid door bijna rechte lijnen, die weêr andere rechte

lijnen schragen? En het is misschien goed die vraag zich éens gesteld

te hebben, ook al is er geen antwoord op. Want hier in Athene vraag

ik nu niet meer, en ik laat mij meêslepen, geheel, alsof Paestum mij,

onbewust, geleerd heeft wat zuilen zijn en wat een tempel.

Reis-impressies · 第 3 / 5 段