Tribuna: ik meen het kabinet der gemmen: allerlei kostbaarheden van
fijnsten smaak en hooge waarde, die aan de Medici's hebben toebehoord:
kleine kolommen van agaath en rotskristal, waarvan de kapiteelen met
edele steenen bezet zijn, als stukken architectuur uit een klein
feeënpaleis; bekers van onyx en vazen van lapis-lazuli; een beker
van goud-geëmailleerd rotskristal, dien Benvenuto Cellini voor Diane
de Poitiers maakte en waarin hare halve maan straalt; een portret
van Cosimo II. in Florentijnsch mozaïek van louter edelsteen; japis
beelden met chalcedonen koppen; een vaasje, gesneden uit een enkelen
smaragd; een hond, gesneden uit een parel; een kolossale topaas; de
Piazza dei Signoria in bas-relief van goud met eêlgesteenten; een
beker van onyx van Giovanni da Bologna met rijk bewerkten deksel,
waarop een gouden Herkules de veelkoppige Hydra bekampt... De adem
van den tijd heeft een waas van dofheid over al die exquize pracht
geblazen, maar toch is ieder voorwerp nog een reflet van het leven
der Renaissance, van het leven der Medici's. En in het midden van
dit kleine wonderkabinet schittert misschien het allerschoonste:
eene cassette van allerfijnst gecizeleerd rotskristal, die Valerio
Belli maakte voor Clemens VII; iets onwaarschijnlijks van fijnheid,
want in het kristal zijn vier-en-twintig groepen en tafereelen uit
Jezus' leven geëtst als met een feeënnaald, zoo klein, zoo fijn,
zoo diamant-duidelijk uitkomend tegen het zilveren fond der wandjes,
dat het geen menschenwerk schijnt, maar edele kunst van een klein
artistje onder de elven...
Er is misschien geene stad in Italië--en ik zonder Rome zelfs niet
uit--waarin de Italiaansche schilderkunst zich zoo bewonderenswaardig
heeft gekristallizeerd als hier, zich zoo tot een uniek kort-begrip
van Italiaansche kunst heeft geconcentreerd als hier. Misschien zoû
men uit Florence alleen heel die Italiaansche kunst leeren kennen. De
drie groote verzamelingen der Uffizië, van Pitti en van de Academia
zijn onvergelijkbaar, en daarbij sluiten zich kerken en kloosters tot
een wonderbaar volkomen geheel aan. Wil men met Cimabue beginnen, men
vindt zijne Heilige Maagd in de Rucellai-kapel van Santa Maria Novella,
schilderij, dat om zijn toen zoo begrepen goddelijke schoonheid in
processie deze kerk werd binnengevoerd. Giotto is prachtig in Santa
Croce, in de frescoverhalen van Johannes den Dooper en St. Franciscus
van Assisi, en zijne school is verspreid door alle kerken van
Florence heen. De oude meesters, Masolino en Massaccio bestudeert
men in S. Maria del Carmine. De gelukzalige Angelico openbaart zich
in geheel zijne mystische genialiteit in San Marco, en ook in het
Laatste Oordeel der Academia en in de Kroning der Maagd der Uffizië....
Het Laatste Oordeel: de Rechter, gezeten in den eivormigen aureool,
achter welks stralen de teederste engelenkopjes uitkijken, en omstuwd
door legioenen van strijd- en van vrede-engelen. Aan zijne zijden
Maria en Johannes de Dooper en de scharen der heiligen; onder naar de
aarde toe, de bazuinende engelen; op de aarde de naïve allee van open
graven in perspectief.... Links de hel en de duivels, die koningen
en monniken meêsleepen, en rechts het paradijs....
En men moet Il Beato niet te veel vragen naar zijne hel en zijn
duivels, maar men moet met hem meêgaan, dat paradijs in. De voortuinen
bloesemen; de zaligen dansen er glimlachend een melodieuzen rondedans,
en wie gescheiden waren op aarde ontmoeten er elkaâr, en omhelzen
er elkaâr zacht met hemelsche omhelzingen, en die jaren lang gewacht
hebben, voeren er de weêrgevonden zusterzielen den rondedans in, over
het tapijt van bloemen.... En ginds zijn de goudene poorten open, en
de stralen van het vlekkelooste licht vloeien de poort uit, en twee
zielen, naast elkaâr, de zachte extaze in de golving harer gewaden,
in het verrukt opheffen der armen, zweven er op de stralen heen,
de poort in, het paradijs binnen....
In onuitsprekelijke teederheid, in heilig verwachten van zulk een
binnenzweven, is dat alles geschilderd, zóo heilig teeder dat men er
gaarne aan zoû willen gelóoven...
In de Uffizië de kroning: dat heiligste en feestelijkste oogenblik
in den hemel. In de zon van het empyreum zitten Maria en Jezus, en
juist heeft de Zoon zijne Moeder gekroond tot Koningin der Hemelen,
en zijne vingers raken nog, met het wegtrekken der hand, haren grooten
aureool aan, waartegen de kroon straalt. Om de zon dansen de engelen,
schetteren de engelen op lange bazuinen en blazen ze op trompetten
en spelen ze op cithers, op violen en harpen, en lager zwaaien
ze wierookvaten. Dan, lager ook, de dichte scharen der heiligen,
der bisschoppen met hunne beparelde myters.... En dat alles in
de primitieve voltinten van blauw, roze, rood, en groen voor het
laagste, als een choraal van volle tonen, dat opgaat in al het goud
der zonnesferen, het goud van de zon der zonnen, in welker kern het
hooge feest gevierd wordt, met goddelijke eenvoudigheid....
Een allerliefst contrast met dit hooge feest, van goud en blauw en
zang en licht, is de Kroning in een der cellen van St. Marco, luchtig
dun gewasschen fresco: niets dan de twee zittende goddelijke figuren,
in stille witte tinten, als een witte vrede, als eene witte rust....
En verder kristallizeert zich het schoonste der Italiaansche kunst
hier samen tot éen juweel met duizenden facetten; elk facet een
meesterstuk; want ziet men hier niet de meeste schilders in eene
zelf-overtreffing hunner karakteristiciteit: Filippino Lippo, in
zijne wat morbide fragiliteit van madonna's en expressieve waarheid
van kinderen--de Apparitie aan St. Bernard in de Badia--; Andrea
del Sarto, in zijne gezonde, reëele lijnen, zijne ietwat ra-terre
werkelijkheidzin, maar gesublimizeerd door een tegenstralend koloriet:
in alle de drie groote verzamelingen en dan nog in de Annunziata en
het Scalzo-klooster; Ghirlandajo in zijne Florentijnsche bevalligheid
van geheel Florentijnsche types: de choorfresco's van St. Maria
Novella--en in zijne luxe-zucht: de Adoratie der koningen van St. Maria
degli Innocenti. En waar ziet men Lorenzo di Credo inniger, waar
Perugino heiliger, waar Botticelli schitterender en magistraler
dan te Florence? Waar zag ik in Siena--en de Flagellatie niet
uitgezonderd--zulk een prachtigen Sodoma als hier zijn St. Sebastiaan
met die mengeling van menschelijke pijn en martelaar-extaze?
Van Leonardo da Vinci is in Florence weinig, maar Rafaël heb ik
hier liever dan in Rome, en Michelangelo misschien zelfs ook--als
schilder--om zijne H. Familie van de Tribuna....
De groote lijn, die ik hier zwaai, ommelijnt het
juweel-met-duizend-facetten natuurlijk zeer onvolkomen, en stippelt
alleen de punten dier facetten in epistolaire vlugheid aan. Ik wil ook
niet meer. Maar ik wed, dat weinigen, die in Italië zijn geweest, mij
geen gelijk zullen geven. In alle andere steden van Italië ontvangt
men onbetaalbare alleen-indrukken van Italiaansche schilderkunst;
in Florence alleen concepieert men het geheel dier kunst in geheel
zijne flonkering, alsof dat veelfacettige juweel éen geconcentreerden
straal van schoonheid schiet, die in de ziel valt en hare onwetendheid
in éens verlicht....
Nog eens, in Florence, behalve in Riccardi en in het gemmenkabinet
der Uffizië, ziet men de onwaarschijnlijke luxe der Medici's in
hunne grafkapel van San Lorenzo. Deze kapel is in het begin der
17de eeuw opgericht, heeft twee-en-twintig millioen franken gekost,
en is nooit voltooid; alleen de sepultuur van Ferdinandus III is
geheel af. Een achtkantige kapel, als eene kerk, de koepelfresco's
onbeduidend en recent, maar weinig in het oog vallend. Want de
kapel zelve is geheel opgetrokken van verschillende marmers en
edele steenen, van steensoorten, die alleen een geoloog kent. In de
kolossale nissen staan de zes sarcofagen van spikkelig serpentina of
roze graniet, gedekt door kronen, en twee beheerscht door de--eene
slechts vergulde--statuen der doode vorsten. De edelsteenen der
kronen waren eens echt, maar zijn door de Franschen weggenomen en
nu door glas vervangen. Maar wat geeft dit, als de geheele kapel is
éen spiegel van juweel? Kornalijn van Spanje en jaspis van Sicilië
en Corsica wisselen de veelkleurige marmers af. Onder de sarcofagen
zijn de namen der prinsen vermeld, met letters van chalcedoon, in
mozaïek op porfier. Een breede rand, menschenhoog, omringt de kapel
beneden en vertoont in mozaïek eene afwisseling van urnen met de
wapens der zestien Toskaansche steden. Rosso antico, verdo antico,
het oude zwart, dat men paraone noemt, het oude geel van Numidië,
koraal, parelmoêr en lapis-lazuli, onyx, bloed-jaspis en albast, dat
alles bloesemt daar in eene fabelachtige heraldiek op den spiegelmuur,
en misschien nergens ziet men zooveel kostbaarheid en zooveel smaak
te zamen als op het wonderpiedestal dier Mediceïsche grafkapel.
Er zijn van die wereldschoonheden in Florence, die gratie's zijn voor
het oog of voor de ziel. Onder die wonderen heb ik genoemd de kapel
van Riccardi, de Sieneesche Annonciatie, het kabinet der gemmen, de
Mediceïsche kapel.... Onder die wonderen zoû ik gaarne nog eens noemen:
Giotto's marmerjuweelen campanile, en ik zoû die willen na-noemen met
een heel mooi beeld van Mrs. Oliphant--uit hare: Makers of Florence--de
lelie, die bloesemt naast Maria op het oogenblik van de H. Boodschap:
de lelie, de slanke blanke toren, en Maria, S. Maria dei Fiore zelve,
de prachtige kathedraal.... Onder die wonderen zoû ik willen noemen
de bronzen poorten van het Battisterio, van Lorenzo Ghiberti: poorten,
die Michelangelo waardig noemde om het Paradijs te sluiten. En nog zulk
een weêrgaloos wonder is het marmeren orgelstuk van Luca della Robbia
in de Opera del Duomo. Er is er ook een van Donatello: een lange ris
dansende kinderen: vroeger waren beide marmeren orgelstukken in den
Dom; daarna zijn ze bewaard geweest in het Bargello. Dat van Donatello
is heel mooi, maar dat van Luca della Robbia is een wonder. Een wonder
van zingen en dansen en spelen van kinderen, van jongens en meisjes:
dolle, lachende rondedans; op het rythme van den zang en, hand in hand,
met dolle cancanbeweging van hoog in de lucht gegooide beentjes; of
bij het slaan op de trommen, bij het pijpen van lange bazuinen, die
eenige blazen en andere beuren, omdat ze zoo zwaar zijn, bij den zwaren
bazuinenmond: een dans van twee of drie, een dans van naakte jongetjes
met antieke beweging van armen en van beenen. Dan groepen, die spelen,
op harpen en luiten en cithers; een groep, die slaat met cymbalen,
en om de verschillende en wonderfijn genuanceerde vingerzettingen aan
de verschillende instrumenten, is het als hoort men de verschillende
klanken ruischen uit het levend-vroolijke marmer. Ernstiger de twee
groepen op zij, zingende van een lange rol en zingende uit een boek,
en vol aandacht bij hun zingen, de monden geopend in vollen zang,
en sommige slaande de maat met een hand of een vinger... Heeft Luca
della Robbia in Griekenland gereisd? Ik herinner mij een antieke
sarcofaag in het muzeum van Athene en daarop een groep van dansende
genieën, en wat geleken de groepen van Luca niet wondergelijkelijk
op die antieke groep!
Van morgen ben ik nog eens voor het laatst in het Bargello geweest. Het
is het oude paleis der Podestaten, in het einde der 16de eeuw
gevangenis en rezidentie van den bargello of chef der politie. In
den mooien cour werden de gevangenen ter dood gebracht; die cour, die
nu een geliefkoosd motief is voor schilders: bont en als heraldisch
bezaaid met de wapens der oude podestaten, en met de typische trap,
die naar eene loggia voert, gedekt met arcaden, waarop Florences
lelie zich goud op blauw spikkelt: loggia, waar antieke klokken worden
bewaard. Het Bargello is nu Nationaal Muzeum. Er is eene zeer schoone
verzameling bronzen: een klein langwerpig bas-relief, waar Silenus,
dronken en spelende met een fauntje, dat hij in zijne armen opgooit,
op een kar wordt getrokken en voorgegaan door een dollen stoet van, met
druiventrossen spelende, wijngodjes. Dan het Offer van Abraham, twee
haut-reliefs, van Brunelleschi en van Ghiberti, gemaakt in concours
voor de bronzen deuren van het Battisterio. In het midden dier zaal de
David van Andrea da Verrocchio, het lichaam slank en spierig mager,
maar het gezicht met die ouwelijke trekken, die Andrea dikwijls
heeft. In de andere zaal vooral de zwevende Mercuur van Giovanni da
Bologna, vlucht en luchtigheid, opgeblazen door den bronzen adem van
een windgod, met zijn luchtige teen slechts staande op dien adem;
en de staf in de hand, met windsnelheid zijn doel tegemoet...
Maar wat een genot is het Donatello te bestudeeren in zijn groote
zaal van het Bargello. Ik kan hier niet alles van hem uit die zaal
ommelijnen, maar een paar woordenkrabbels wil ik maken van zijne
twee Davids. De eene, de marmeren, heeft iets vreemds in de houding,
iets gemaakts in het gezicht, iets laatdunkends in den blik, iets
gewilds in de draperie om beenen en pols. Maar de bronzen! Dat is de
volmaaktheid in brons! Wat een ideale schoonheid kan toch een mensch,
een artist, kon Donatello ons geven! Die bronzen David is eenvoudig
subliem, is het hoogste. Op het oogenblik is het het ideaalste brons,
dat ik ken. Ga alleen naar Florence om dien David...
Een jonge held, een kind nog, rijst zijn efebelijf, den voet op den
Goliathkop, uit den cirkel van een grooten lauwerkrans,--die zijner
overwinning--naar boven. Die lauwerkrans is zijne sfeer. Nooit
was een conceptie zoo bevallig, zoo krachtig tegelijk, zoo louter
volmaakt. De jeugd zijner bronzen ledematen is gemodelleerd in de
nog halve teederheid van het kind, dat zich reeds begint te spieren
tot jonge man. Nooit was overgang zoo buigzaam uitgedrukt. Dat is
de juiste leeftijd voor den jongen herdersheld. Zijne slankheid is
heerlijk, zijn buik verrast door een ietwat vrouwelijke lijn. De ronde
herdershoed, losgestrikt, dempt een beetje zijn hoofd, beschaduwt
zijn blik, die neêrkijkt naar het groote afgehouwen reuzenhoofd, nog
in zwaren, rijk gecizeleerden, en wijd gewiekten helm omprangd. Op
dat hoofd drukt hij in bescheiden overwinningspraal den voet. Zijne
onderbeenen zijn gepantserd in gecizeleerde beenstukken, maar anders
is hij naakt. Zijn rechterhand steunt op zijn zwaard; zijn linker-
rust op de linkerheup en houdt nog een bal vast voor zijn slinger... En
hij is een epos van schoonheid en moed, van jeugd en zege.
Dan de H. George van Or San Michele--in deze zaal kopie--een jonge
held ook, maar zoo geheel anders; geserreerd achter zijn lang schild,
den fronsblik spiedende in de verte: het moment, dat de draak
aanblazende komt... Dan de buste van het Florentijnsche meisje; de
gipsen kopieën der kindjonge, zuiver kind-bevallige H. Johannes en
Jezus; het steenen relief van den jongen Johannes, met dat ascetisch
magere halsje en dien ascetischen blik, type, dat men weêr terug
vindt in den loopenden, lezenden Dooper; dan de Eros, brons, dansende
met zijn afzakkend broekje aan riemen, de handjes in de lucht, en
trappelende op een slang. En dan geheel iets anders weêr: de in kleur
gemodelleerde terracotta kop van Niccolo da Uzzano: Romeinsche kop
met spitse faunooren; een gezicht met niet te vertrouwen, opgetrokken
oogen, slechte pupillen, een slecht gegroefd gezicht, waarachter een
slechte geest schuilt, een leven van slecht geheim: zoo prachtig in het
schemeren van dat ondeugdmysterie. Wat is dat alles mooi, wat doet het
goed daarmeê te dwepen! Wat dankbaarheid voelt men, dat dit bestaat,
dat dit een mensch kon maken, kon geven uit zijne ziel in marmer of in
brons; wat dankbaarheid vooral om dat zoo allerschoonste van Florence,
dien lieveling van mijn oogen, dien David!
AANTEEKENINGEN
[1] Redevoeringen volgden. De prezidenten der verschillende Katholieke
sociëteiten werden toegelaten tot den Handkus. Dames van de Romeinsche
arristocratie boden een rijk verlucht perkament aan, in gouden doos.
[2] Nu in het Muzeum van St. Jan Lateraan.
[3] Eene vergissing, die natuurlijk slechts een allereersten keer
kan worden gemaakt.
[4] Men zegt mij, dat deze opvatting niet juist is, en dat de athleet
met den dobbelsteen slechts zijn volgnummer wierp: dit is mogelijk,
maar ik behoû liever mijne eerste, misschien dan foutieve opvatting,
omdat ik het beeld zoó zag en zoó mooi vond.
[5] Ik heb dit en den naam des keizers slechts uit den mond van den
custode en kan het op het oogenblik niet verifieeren.
VAN LOUIS COUPERUS VERSCHEEN:
Majesteit, Roman in 2 deelen. Prijs ingen. f 4.90, geb. f 5.50.
Extaze, Een boek van geluk. 2e druk.
Prijs ingen. f 1.90. geb. f 2.50.
Een Illuzie. Met portret van den schrijver.
Prijs ingen. f 2.50, geb. f 2.90.
Een Lent van Vaerzen. 2e druk. Prijs ingen. f 1.40, geb. f 1.90.
Orchideeën. Een bundel poëzie en proza. 2e druk ter perse.
End of Project Gutenberg's Reis-impressies, by Louis Marie Anne Couperus