In Pio-Clementino het eerst de zaal van het Grieksche Kruis: de antieke

mozaïeken op den vloer; de kolossale zacht gespikkelde en purperende

porfieren sarcofagen van de moeder en dochter van Constantijn den

Groote, en vooral de aanbiddelijke Afrodite, naar die van Knidos

van Praxiteles, met hare oogen van innigheid, en haar glimlach van

innigheid, met hare zacht goddelijke lieftalligheid, die dichter tot

ons menschen nadert dan de hoogere majesteit der Venus van Milo. Al

heeft men ook hare benedenvormen verborgen achter eene barbaarsche

draperie van geslagen ijzer, dat wit is gemaakt, zij is nog schoon,

zoo innig, lief mooi nog, dat men haar schijnt te mogen aanbidden van

heel dichtbij, zonder profanatie van hare goddelijke essence, en bij

die innige mooiheid schijnt de Mediceïsche Venus--in de Tribuna te

Florence--geaffecteerd en pretentieus...

En nu verder te gaan wordt louter genot voor de ziel, die zich vol

gebeeldhouwde impressie's opstapelt.... In de Rotonda, in het midden,

de porfieren reuzencoupe uit de termen van Diocletianus; ginds de

Juno Barberini, maar zij roert me niet zeer; ze lijkt te veel op de

jonge prinsessen van Wales.... Maar dan, naast haar, Antinoüs, zijne

buste alleen, zijn kop van schoonheid en vol raadsel.... De nek jong

krachtig en geserreerd; het gelaat beeldschoon Grieksch, de haren laag

tot op het voorhoofd, in rechte krullen dan vallende achter.... En de

oogen, de oogen vol weemoed, vol raadsel, vol vragen aan het leven:

waarom die smart, omdat ik mooi ben; die oogen vol peinzens over het

onoplosbare; die mijmerblik, waarin geheel de sfinx schijnt weg te

schuilen; die straal van levend marmer!

Naast hem, tevens aan de voeten van den goudbronzen Herkules, de

kop van Adrianus, maar niet zoo treffend en te veel als opgemaakt,

te netjes, en uit zijne oogen de antwoordblik niet op dien van mijn

Antinoüs....

Maar dan nog eens hij, wiens schoonheid zijne essence was, de essence

van zijn leed en zijn geluk: Antinoüs, vergood, verheerlijkt door zijn

keizer na zijn dood, als Bacchos, gekranst, den tursos in zijn hand....

En op die menschelijkheid, tragedie van twee zielen, blikt neêr de

Zeus Otricoli, als in een al begrijpend, olympisch medelijden....

In de Galleria delle Statue treft mij het meest de verminkte Eros naar

Praxiteles, zonder armen en zonder beenen, en daarom zoo pijnlijk, zoo

armoedig, als eene gemartyrizeerde godheid, maar zijn kop is intact,

het haar wat opgebonden in een strik op het hoofd van voren.... Eene

onuitsprekelijke peinzing in de neêrkijkende oogen, waarin bijna iets

trilt van wroeging, omdat hij de liefde is en het leed geeft aan de

arme menschen; en dan tevens dat aanbiddelijk noodlottige van geheel

zijn armelijk verminkt wezen, alsof hij stil fluistert: ik kan niet

anders en ik moet zoo: vergeef me.... En zijne ziel, de zoete ziel

van dat stuk marmer is zoo iets zoets, zoo iets diep-in levends, dat

mijne oogen vochtig worden, als ik hare openbaring opmerk, en dat ik

hem zoû willen troosten, en hem zeggen: het leed, dat je geeft: het

is het geluk, en de arme menschen, ze willen het niet missen, nooit....

Het is heerlijk daar te dwalen, en hoe langer men dwaalt,

hoe levender de marmers worden, in hunne atmosfeer, tegen hunne

purperende achtergronden, met hier en daar de prachtige baden van

zwaar, rood-geaderd albast, en de zetels en coupes van rosso antico,

en de marmeren bas-reliefs tegen de muur.

In de vier kabinetten van het Belvedere, de Laöcoon, de Apollo, de

Mercurius en de Perseus en Vuistvechters van Canova.... De Laöcoon

heeft mij niet zoo machtig geroerd, misschien omdat ik in een beeld

meer getroffen wil worden door eene psychische stemming, dan door eene

te dramatische activiteit, die de bekoring van het stille marmer voor

mij te veel tourmenteert.... Van den Apollo verwachtte ik ook geen

ontroering, omdat de blik er op zoo geënerveerd is geworden door

duizenden slechte copies, en toch de Apollo zelve is van eene hoog

geïnspireerde uitdrukking, waarvan de apotheoze straalt uit zijne

oogen; zijne vormen echter hebben iets schraals en gewild elegants....

Canova is in zijne Vuistvechters van eene kracht, die verbaast als

men hem zich herinnert in al zijne teederheid. De vormen der twee

kolossale gladiatoren zijn van de grofste gespierdheid en blijven

toch schoon, maar het is de schoonheid van twee prachtige beesten,

zonder ziel.... Het is de massieve schoonheid van enkel forsche

mannenkracht in het geweldigste van hunne viriliteit; de gezichten

fronsend als woedende beestenkoppen, met woedend vlammende oogen en

spalkende neusgaten, die snuiven... Onwrikbaar staan ze beiden geplant

op hunne zware voeten, waarvan de groote teenen zich sterk uitdrukken

tegen den grond aan; de een getast op zichzelven in de concentratie

van alle zijne spiermassa's, waarvan zijn rug, zijne armen en beenen

tot springens-uit-elkaâr schijnen op te zwellen. Hij staat in de

massieve houding van die een sprong wil doen, de armen aan het lijf,

de omzwachtelde handen met vingers aan elkaâr, reeds uitgestoken,

als om beet te pakken zijn vijand, onder de armen...

En de ander, geheel naar boven opgerekt, ook straf op de beenen,

de sterke voeten gegroeid aan den grond van louter kracht, zwaait

den eenen arm omhoog tot zijn mokerslag, die af zal weren, en de

vierkante vingers van zijn andere vuist drukken zich in elkaâr van

stierenwoede...

En vreemd tusschen hen beiden, contrast, op den achtergrond, heft,

etherischer strijder, de slanke Perseus een Meduzakop omhoog...

Maar van het Belvedere is de Hermes de hoogste schoonheid. Vroeger

werd hij een Antinoüs genoemd, maar al de Antinoüskoppen vertoonen

de zelfde gelijkenis als fotografisch, en deze Hermes heeft het echte

Hermessengelaat, zooals de ideale Hermes van Praxiteles het ook heeft:

het smalle proëminente voorhoofd van fijn verstand, de eigenaardige

oogen van intelligentie en intelligentie vooral de essence zijner

schoonheid. En die schoonheid is zoo wonder, zoo louter, dat zij

onuitsprekelijk wordt en de woorden gaan bezwijmen bij zijn aanblik

en men slechts in stilte bewondert, omdat alle woorden vaal zouden

klinken bij de zijne, als hij de schoone lippen openen ging en zeggen

zoû zijne eigene woorden, van goddelijk vernuft...

Langs den kolossalen Herkulestors door het Chiaramonti-muzeum, maar

hoe schitterende marmers de lange galerij ook verzamelt, men is er

een weinig moê na al het hoogschoone van zoo even.... Ik herinner

mij er toch vele:

Een Eros, die zijn boog spant, in eene losse houding van mikken; een

Niobide, alleen romp, geen hoofd en geene voeten en toch vol vlucht

in de loopende beenen, die gedrapeerd zijn, en zoovele interessante

archaïsche stukken... Toch is het een rust er wat vlugger door te

loopen, naar den Braccio Nuovo, en daar, tergend ver en toch treffend

dadelijk, schittert de Apoxuomenos van Lusippos me toe. En ik moet

altijd eerst naar hem, zonder links of rechts te zien... En toch,

daar staan de keizerlijke Augustus, een typische Domitianus met

een laagwreeden kop; de Dorufoor, de Canon van Polukleitos, copie

natuurlijk, evenals zijne Amazone; en dan links een reeks athleten

en rechts een troep van verschillende saters, die gieren van leven

en vroolijkheid. Maar de Apoxuomenos lokt nader en nader....

Het is een beeld, waaruit eene complexe moderniteit van idee

schiet. Een athleet, maar fijn van leden, de beenen zelfs slank en

de voeten heel lang en tenger; de rechterhand is uitgestoken en twee

vingers er van houden een dobbelsteen, die zij juist willen laten

vallen.... Maar machinaal gaat de andere hand door te schrappen met

den schrapper de olie van zijn onderarm, den balsem, waarmeê hij zijne

leden had gewreven, voor lenigheid. En in zijn beeldschoon gelaat van

eene dwepende, modernere schoonheid--en het zelfde gelaat van Lusippos'

rustenden Ares in Ludovisi--staren zijne mijmeringen uit, als denkt

hij niet aan zijn schrappen, dat gaat van zelf in de machinale beweging

van het steeds-zelve-doen; als denkt hij alleen aan wat hem zeggen zal

de val van den dobbelsteen: zijne overwinning.... of zijn nederlaag....

En hoog boeiend in de gewone realiteit van zijn eenvoudig doen, van

zijn reinigenden uitgestoken arm met den sikkelvormigen schrapper,

is hij; omdat zijne prachtige oogen blikken van eene geheel andere

gedachte en uit zien naar zijne dadelijk nabij zijnde athletentoekomst,

waaraan hij wil gelooven, zoodra de teerling valt.... [4].

De marmers van Rome zijn talloos en wonderschoon. De pen, die hier

schrijft, is een vlugge pen, de pen van een brief uit den vreemde,

die even trekt eene impressie van herinnering; ze schrijft geene

apodiktische, aestethische studie van sculptuur. En ze tikt aan,

en tikt aan, vlug, en hare woorden vallen neêr en willen niets geven

dan de reflets dier indrukken zelve. Ze weet niet, hoe ze ze allen

zal melden, mijn marmers, die ik liefheb....

Een der machtigste gebeeldhouwde impressie's, als gedrukt met een

zegel op de ziel, geeft mij de stervende Gladiator van het Kapitool,

de barbaar met het ruw-mooie gezicht en het steile haar, en met de

stervens-emotie in de oogen.... De galerij aldaar van de keizerbuste's

is vol verrassingen; Caracalla prachtig typisch; Caligula een heerlijk

mooien, intelligenten bazalten kop, die alles verwart in het brein wat

men van Caligula las; Heliogabalus, leelijk en geheel niet gevend de

charme van den vrouweschoonen zonnepriester; en Nero, ook niet dàt,

evenmin als in het Vaticaan waar hij gelauwerd staat.... Ik herinner

me de charmante kinderkopjes van Nero in de Uffizie, vol van de

alleraanvalligste jeugd!

En ik wil nog eindigen hiermeê: zoo ge in Rome komt, ga naar de Termen

van Diocletianus. Er zijn prachtige beelden, een rustende vuistvechter

van brons, een koploos lichaam met gebogen knie van toch nog hoog

harmonische schoonheid, maar er is een kopje....!

Een slapend kopje van bijna goudgeel marmer, afgeslagen aan den hals,

en liggende op een fluweelen kussen, voor een venster, waardoor

het licht er dommelschaduwend op valt. De neus is wreed verminkt,

als weggevreten door een kanker.... Maar de oogen, als onder een

floers van doorschijnende oogleden, leven in de sluimering. De mond

haalt adem. En niets is tot ademloosheid toe treffender--om niet

wakker te maken--dan die indruk van innige sluimerschoonheid van dat

aanbiddelijke amberkleurige vrouwekopje, met haar geschonden neus!

V.

MICHELANGELO'S CUPOLA.

Een langzaam opglooiende ronden steenen weg eerst, als eene kronkelende

viale, die ingebouwd is door een reusachtige steenmassa. Dan een

groote wenteltrap als een reuzenkurketrekker...

En het dak van St. Pieter breidt zich uit, een dak als eene stad, want,

als kerken, rijzen er overal koepels omhoog, waartusschen zich wegen

verliezen, en, eene kathedraal zelve, verheft zich voor me de cupola...

Eene hangende stad, hangende over de wereld beneden haar: Rome. Maar

de stad is desolaat, het gehamer van werklieden weêrklinkt er...

Trappen weêr, eerst buiten, de cupola langs, dan binnen hàar. Een

deur opent zich, op eene galerij...

En de immensiteit van den koepelafgrond gaapt aan mijne voeten. Boven

mij welft het zich nog met de welvingen der reuzenmozaïeken. Maar

aan mijne voeten, even onder de lijn van mijn oog, breidt zich de

duizelingwekkende schijn-ellips uit van den koepel zelve, met de

reuzenspreuk: Tu es Petrus et super hanc petram aedificabo ecclesiam

meam et tibi dabo claves regni coelorum.

En die schijn-ellips is subliem, omdat de rondte, die zij in

waarheid is, gemaakt werd door menschen en ongelooflijk is, van eene

onwaarschijnlijke realiteit.

Heel beneden zwemt de middenruimte van de baziliek als een heilige

afgrond, en een geruisch als van golvende zee, als van duizenden

echo's, fel bewogen lucht, zoemt suizende op, uit die diepte, die

toch beneden eene doodstille kerk is, waar slechts ver, in ééne kapel,

wat wordt gepreveld...

Weêr trappen en trappen altijd, vluchten van nauwer wordende steenen

trappen... Maar rissen van lachende seminaristen, die boven zijn

geweest, rennen er af; uit alle hoeken zwermen zij neêr, als mieren.

Hunne stroom is voorbij. En nu weêr de trappen, die trappen tusschen

den buitenkoepel en den binnenkoepel, al de trappen die naar de

lanterna leiden... En eindelijk, uit de benauwdheid der nauwer en

nauwer wordende blauwe houten trappen, in de lucht, in de ruimte,

op de galerij om de lanterna...

Ik zoû mij kunnen begrijpen, dat een seminarist--een van die, welke mij

daar juist voorbijzwermden--zoo er eerzucht in hem was en genialiteit,

op die galerij, eene zwellende emotie had gevoeld.

Want Rome, de wereld, lag beneden hem, en hij troonde boven Rome,

hij stond op een rand van Rome's heilige tiara, en alles was lager

dan hij, alleen de hemel niet, de zon.... En het moest in hem opkomen,

dunkt mij, dat alles te willen veroveren en dan te heerschen....

Over de stad, die de Albaansche bergen en de Abruzzen insluiten,

drijven de middagnevelen, en wemelt het middagwaas, dat de zon

optrekt als met gordijn na gordijn... En aan den anderen kant deint

zich onmetelijk de desolate campagna uit en daarachter schemert de

verre zee...

De tijd gaat voorbij, het is jammer hier van daan te moeten. Een

zwellende blijdschap, dat de wereld zoo mooi, een zwellende trots,

dat de mensch zoo titanisch kan zijn, om tòch Babel op te trekken,

omhoog tot het einde van den dampkring, kluisteren hier....

Twaalf uur. Ginds, van de ronde massa van Castel San Angelo, gaat

een dikke, witte wolk geluidloos plotseling over den Tiber heen. Dan

davert het schot, dat den middag meldt, en kaatst als tegen de bergen

aan en kaatst dan weêr terug...

En de klokken van Rome trilleren ver, klateren dichterbij, zingend

hoogschel uit hun brons en metaal, en onder mij, zwellende op tot

mij hun goudenen slag, daveren een voor een, in langzame majesteit,

de twaalf donderslagen van St. Pieter zelve...

Jan. '94.

VI.

VIA APPIA.

Eindeloos gaat de antieke weg, komt van Rome, dat reeds ver ligt

en gaat tot in het eindelooze door, naar de Albaansche bergen,

die ginds in den zonmiddag waasblauwen en zelfs witgloeien, in den

zachten winterzonglans.... En uit de transparante lucht, boven de

ver uitgespreide campagna, valt drukkende neêr de melancholie van

die antieke eenzaamheid....

Verder weg, links, loopen de oude, telkens verbroken aquaducten met

bogen na bogen weg, en verliezen zich, tusschen de steeds smaller

wordende perspectieflijnen van hunne boogsprongen, in het blauwige

middagwaas der verschieten....

Aan den weg de ruïnes der antieke sepulturen met de stukken marmer en

de busten van wier asschen daar rustten.... En ze zijn allen verdwenen,

al hebben ze eens geleefd in Romeinsche oudheid, al hebben ze eens

hunne levens gehad, met al wat het leven geven kan....

Drukkender, den adem benemend, en zittende als een spook op de borst,

zinkt de melancholie zwaar neêr....

Dichtbij, langzaam, zich nauwlijks bewegende, weidt een herder,--in

schaapsvellen en langen mantel, langen stok in de hand,--zijne

schapen en hij is van een warm bruin tegen het waas van den blauwen

middag.... Bij eene oude, kleine pachthoeve,--een hooge steenen

trap gaat naar boven--praaten een paar vrouwen, de eene op de trap,

de andere op den weg melodramatisch gebarende naar boven, en schel

vlakken de penseelvlakjes van hunne roode en gele rokken en witte

doeken in het waas van het dommelende licht op....

Rechts de eindelooze wijdte, ernstig, desolaat in de zon. Troepen van

bersaglieri, dragende den zwaren ransel, die zij verschikken telkens,

op den rug, en, in de hand, het geweer, komen aan, loopen los van

elkaâr, om ergens te kampeeren. Romantisch wapperen hunne zwarte

vederbossen, afhangende van den ronden hoed, die schuin staat....

En eeuwig schijnt de weg te gaan, eeuwig in vreemde zonmelancholie....

Jan. '94.

VII.

BRIEF UIT NAPELS.

Napels, Febr. '94.

Milaan, een groote stad als in het Noorden, toen ik ze zag voor het

eerst, des avonds, in grijze mist, waardoor de lantarens schenen als

Londensche lantarens, en met een cosmopolitische grandeur, die men

ook in Stockholm vindt.... Genua, de haven, en aan den rand van de

zee, langs de arcaden der oude paleizen, het bonte leven van allen,

die aan de zee werken; maar vooral de paleizen, de nauwe straten van

paleizen, en de nauwere kleine straten, donker hoog in den avond,

met hier en daar een lichtje, als rooverholen.... Dan langs de zee,

door een lange reeks tunnels, die telkens het licht onderscheppen;

maar in het licht, iets van wat we het Zuiden denken: blauwe lucht en

daartegen groote aloës met bladeren als blauwachtig metalen zwaarden,

en gouden gespikkel van mandarijnen.... Spezia, de kleine haven; Pisa,

de doode stad: tusschen de wijde straten en verlaten paleizen zweeft

de schim van vroegere macht en rijk Italiaansch renaissance-leven,

zweven de schimmen der Torelli's, en, als op eene grassige vlakte

houden zich de wonderschoone Toskaansche dom en de scheeve Campanile

en het Battisterio en het antieke Campo-Santo dicht bij elkaâr.

En zoo naar Florence, zoo was mijn eerste route, nu juist, op den

dag af een jaar geleden; en mijne tweede, nu, van Milaan naar Parma,

het bekoorlijke kleine Parma, en als ik aan Parma denk, zie ik altijd

den vroolijken cour van een Italiaansch hôtel; alle verdiepingen komen

er met galerijen op uit en op eene galerij speelt een trio: de cour

is vol Italiaansche officieren, die luidruchtig dineeren--manoeuvres

zijn in den omtrek--en ze vullen den cour met hun los-flinke elegance

van losse soldateske beweging, als van luchtige kracht... Als ik aan

Parma denk, zie ik dien cour, die eene scène was als uit Carmen en

ik zie ook Correggio's ideaal eetzaaltje der abdis van het Convent

van St. Paul: de gekoepelde treille met open medaillons, waardoor

de lucht schijnt te blauwen, en putti, die er uit neêrkijken en

bevallige schilderingen van sluiers, waarin borden en ramskoppen,

en op het mantelstuk van den schoorsteen de mooie, mondaine abdis

Giovanna van Piacenza zelve, in het gewaad van Diana...

Modena, altijd met mijn levendig klein Parma genoemd in één adem,

maar dood, een stad van doode arcaden. En Bologna, de wijze stad van

geleerden ernst, la docta, met hare twee scheeve torens, haren ouden

San Petronio en haar modern straatgewoel, en dan Florence...

Maar over Florence kan ik niet ter loops schrijven: er hangt te veel

van mijn hart aan die stad: alleen, ze is nog altijd niet geheel

het Zuiden der fantazie: de Arno kan gloeien in de zon, maar koud,

hoog en somber duisteren de kleinere straten en strak en streng zijn

de paleizen, Pitti Strozzi, Riccardi, als uit rotssteen gehouwen.

Om Siena heen, het op en neêr kronkelende Siena, de fijne Italiaansche

landschappen, met de dof zilverende olijven, die flauw-fijntjes

schemeren tegen de niet al te blauwe, als opalen koepels; het

landschap, zooals Perugino het heeft in zijne onuitsprekelijk schoone

kruisiging van S. Maria Maddelena de' Pazzi, in Florence...

Maar het eerst trof mij het Zuiden in Rome; nergens nog was de

lucht geweest zoo transparant, maar ook zoo blauw, en moorsch bijna

sneden er de witte en roomgele lijnen van gebouwen op af, en de

Pincio wàs het Zuiden! En toch, Rome was maar nu en dan het Zuiden,

maar Napels, dat is het! Het ideale Zuiden van de fantazie: de zee

blauw als zee maar blauw kan zijn: de punt van Sorrento en Capri

schemerig omlijnd--van louter licht--in de verte; de Vezuvius, de berg

vol inwendig vuurgeheim, en steeds met zijn op- en opkronkelenden

witten wolkpluim, die zich in eene langzame, grijze zweving verijlt

naar Capri heen; Castellamare schitterend vierkant geplekt in het

waas-blauw der verre bocht en het Castel dell' Ovo, vestingsterk en

massief in het water, als eene realiteit zich scherp kantende in

den droom der lichtwaastinten.... En, verder af, ziende van af de

Chiaia, de palmen der Villa Nazionale, schelgroen tegen de blauwe

zeekleur bladeren aanzettend; de marmeren beelden.... En verder weêr,

de Villa del Popolo en de strada Santa Lucia en de strada Nuova, met

die intense zuidkleur van het volk der Napolitaansche kaden, alsof

hun leven er is als een weefsel van oud versleten brokaat van het

Zuiden, waarin de schelle kleurvlakken van het rood en het blauw en

het geel en het goud door stof en vuil verrot zijn tot schitterrafels

met metaalreflets, die in het diffuze zonlicht telkens opflikkeren

en gloeien in abjecte schoonheid....

Dat leven van kleur als oud brokaat gaat door naar San Giovanni

a Teduccio, Portici, Resina, Torre del Greco, alles aan elkaâr

gebouwd en aangekleefd, alsof de lava, die er eens gevloeid heeft,

en er versteend is aan de huizen, er het leven bij elkaâr plakt. De

Vezuvius altijd links, met steeds duidelijker wordende kraterlijn en,

kookende als stoom, steeds de dikke, witte wolken krullende uit zijn

geheimenis.... Links de zee, met de punt van Sorrento, een landschap

uit een droom in opalen waas-tint, waarin oneigenlijk enkele bootjes

de zeilen doopen; en die zee, nu en dan maar zichtbaar, over een

muur, of door de open poort van een villa en haar tuinperspectief

heen.... Dan de weg naar Torre Annunziata, keiachtig en stoffig;

bossen van op elkaâr bladerende cactussen tieren aan de muren.... Het

rijtuigje hotst vliegende door en langs dat alles heen, eerst als door

een weefsel van reëele, tastbare kleurschoonheid, en dan als door

eene fantasmagorie van onbestaanbare tinten. Want er is in geheel

de atmosfeer om Napels iets dat aan onbestaanbaarheid doet denken,

of er een aroom uit rijst der Duizend-en-Een-Nachten....

En door dien morgendroom bereikt men Pompeï. Tusschen twee kleine

hôtels gaat de weg naar de ruïnes; overal gidsen, gegalonneerde

jongens van Cook; muzikanten, die op cithers dwepen; bedelaars als

oude gentlemen in onmogelijk gelapte jassen; kinderen, de billen uit

den broek, of alleen in een hemd, die een stukje steen oprapen en je

naloopen met: antiche, antiche....: een aplomb, waar je altijd weêr

om lachen moet....

Na den ingresso gaat de weg als door een desolate villa heen. Dan

het eerst de Porta Marina en de doode stad ligt zichtbaar....

Ze is als een graf van het verleden, als een reusachtige, leêge

sarcofaag, waarvan de steen is weggenomen. Een reusachtige zeis schijnt

er al wat boven was te hebben weggemaaid... Rondom haar heen wazen de

bergen in den zonneschijn, en alles is stil, zonder adem en zonder

geluid, en geen vogel vliegt er; alleen de hagedissen, de kleine

zonaanbidders, schieten als groene flikkeringen over de muren heen.

Langs de nauwe straten over het antieke, ongelijke plaveisel, waarin

eens de wielen van karren diepe groeven hebben ingesleten.... Om

over te steken, groote ronde steenen, twee of drie in de breedte der

straat. Een enkele fontein met nog een marmeren kop, waaruit het water

spoot, en in den rand van het bassin de holte, die de handen sleten,

als ze het water schepten, om het te brengen naar den mond....

Langs de straten de kleine winkels, of de grootere huizen, in

hunne elegance van vierkante lijnen, alsof het leven dier menschen,

trots al hunne geraffineerdheid en débauche, eene nog al strenge

harmonie behouden had, eene helleensche herinnering, klassieke

regelmaat. Nergens molligheid van ronde lijnen, zooals ons leven

nu wil, waar alles arabesk wordt; maar integendeel alles vierkant

en regelmatig en eenvoudig plan van rechte lijnen als primitieve

meetkunde. Maar toch alles fijn, alles elegant, de huizen niet alleen

en niet alleen de tempels, maar ook de baziliek met den tribunaal

met den troon, waar de rechter zat; onder hem in het gewelf, de

gevangenen; ook de beurs; en ook de slachtplaats, en deze laatste,

zoo elegant en met zulke artistieke muurschilderingen, dat men ze

eerst een Pantheon noemde; in de winkeltjes de cellen van priesters

zag; in de toonbank, met de goot, waar het bloed liep, hun triclynium,

waar zij op steenen banken zouden hebben aangelegen, met, onder,--die

goot--, hun vomitorium...

Ik had nog meer willen schrijven van Pompeï, maar mijn brief is twee

dagen blijven liggen en de dagen gaan voort en gaan voort en zoo snel,

met hunne lachende snelheid, zoo snel en zoo lachend alsof ze niet de

zware, lange dagen zijn van het Noorden, maar niet meer tellen dan

uren en zoo lachend, alsof ze de Horen zijn, met kapellenvleugels,

en lachende wegsterven in den zonneschijn van de goddelijke stad van

het Zuiden....

Reis-impressies · 第 2 / 5 段