Ik wil wel, nederig, bekennen, dat mijne aspiraties niet zoo

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Reis-Impressies

Door

Louis Couperus

L. J. Veen--Amsterdam

Typ. Th. A. van Zeggelen. (M. J. P. van Santen) Amsterdam

I.

ANNONCIATIE.

In de Oostelijke galerij der Uffizië schittert ze als een straal

van goud, de Heilige Boodschap van Simone Martini en Lippo Memmi,

van Siena....

Neêrgedaald is juist de Engel, verrassende de Maagd, waar ze zat

op haren ivoor-ingelegden zetel,--achter zich een doek van goud--,

haar gebedenboek nog in de vingers....

Toen de Engel daalde, heeft zijn glans alles overstraald en goud

gemaakt. Want éen gouden licht heeft de architectuur van de maagdelijke

kamer overschitterd, en de atmosfeer is er geworden als een atmosfeer

van goud, zichtbaar stofgoud, of de trillingen van de lucht zichtbaar

zijn geworden en goud. Goud, maar etherisch goud, en niet goud van

metaal, maar goud van engelglans, ronden zich nu de drie bogen der

kamer. En in het midden der middenste boog daalt de geaureoolde

duif van den Heiligen Geest al neêr in een krans van hemelduifjes,

tweevoudig gewiekte toovervogelen met cherubijnengezichten....

Op de knieën is de Engel neêrgezonken, de Engel uit zijn mystieken

fabelhemel, in zijn goudblauw brokaat, dat goudt in zijn eigen

licht maar diep donkerblauwt in de plooien van zijn kleed. Banden,

met heilige spreuken bestikt, hangen om hem neêr.... Juist is

hij neêrgezonken, geene seconde geleden, want hoog nog en pas even

toegevouwen staan zijne ranke vedervleugels, en zijn roodbruingouden

mantel, waarvan hij twee einden om zijn hals bond, fladdert nog

met éen slip in de lucht, in de allerlaatste windbeweging van zijn

engelvlucht door sferen.

Lang, bleek en fijn is zijn gelaat, en zijne half toegesloten oogen

onder even opgaande wenkbrauwbogen geven iets voornaam chineezigs aan

zijne schoonheid, als was hij een jonge mandarijnenzoon, maar blond

toch golven zijne haren, waarom zich een glans van olijvenbladeren

wijd-uit heenrondt: een juweelen sieraad, als een kleine diadeem,

houdt dien op zijn voorhoofd vast.

Zijne eene lange, fijne hand heft een olijventwijg; van zijne andere

steekt hij den wijsvinger op, als vraagt hij aandacht....

En nu opent hij de lippen en spreekt hij zijne woorden, die, als

een mirakel, goud zichtbaar worden in het stofgoud der heilige

kameratmosfeer, en goud gaan naar de jonkvrouw toe....

Goud, door de leliën heen, die hoogslank bloeien in een gouden vaas,

tusschen hen beiden, engel en maagd:

Ave, gratia plena, Dominus tecum...

Heel even maar is Maria geschrikt alsof een heilig voorgevoelen haar

reeds doorsidderd heeft en de Heilige Boodschap niets is, dan wat

zij verwachtte... Gezeten is zij gebleven op haren ivoor-ingelegden

zetel,--achter zich een doek van goud--; maar zij is wat gedeinsd,

schuchter even huiverend in elkaâr. De eene hand houdt nog het boek

tusschen de bladeren, als om het nog niet uitgelezen blad niet te

verliezen; de andere klemt den donkerblauwen mantel, die ook het

hoofd omgeeft, wat dichter aan den open hals.

En die blauwe mantel, arabesk-omboord, omgiet geheel haar heilig

lichaam; omlijst haar gelaat, zustergelaat van den Engel, zacht

chineezig als van een mandarijnendochter, met de oogen, toevallend

onder zware leden en hoog opgaande brauwen; den langen neus, den

neêrgetrokken mond;--die mantel, kuisch, houdt haar geheel omgoten

en laat maar even zichtbaar het roode onderkleed....

Reeds straalt de heilige krans haar om het hoofd. Een medelijden kijkt

onder op uit den blik van den Boodschapper, als weet hij reeds van hare

smarten, die komen zullen.... Maar zij neemt aan in vrome resignatie

en zonder hoogmoed, neemt alzoo aan, omdat zij voorgevoelde--niet

hare smarten nog, maar wel de Annonciatie, gezegd in gouden woorden

van mirakel, gaande door engelschittering, die alles overglansde:

Ave, gratia plena, Dominus tecum...

In de Oostelijke galerij der Uffizië schittert ze als éen straal

van goud, de Heilige Boodschap van Simone Martini en Lippo Memmi,

van Siena.

Florence, Oct. '93.

II.

PINCIO.

Op de balustrades, de treden van de groote Scala della Trinita de'

Monti--de trap, die naar de Piazza di Spagna neêrtreedt--slenteren

de modellen, of liggen ze lang-uit, lui.

Jongens--zwarte oogen, zwarte haren,--in hunne Romeinsche

Campagna-dracht, blauw en roodbruin en gelapt, op den puntigen hoed

een geknakte pauweveêr.

Lui liggen ze: ondeugend gaan hunne zwarte oogen naar de vreemdelingen,

die boven wandelen, als zeggen ze: je kijkt naar ons, je vindt ons

mooi en wij, wij eten onze china's-appelen: de zon schijnt warm,

gemakkelijk is het leven....

In de zon geuren de gouden vruchten, de china's-appelen en mandarijnen;

achter de stapels zitten de verkoopers op den grond.

Een enkele vrouw, met zuigend kindje aan ontbloote borst; een

paar meisjes met vierkanten hoofddoek, reikende hare bloem;

een oude, grijze man, in ruimen, bruinen plooimantel, net een

patriarch of een profeet. Maar meer de jongens en de kinderen;

de kleine dreumessen--nauwlijks kunnen ze loopen en bieden ze hun

lucifers--de dreumessen in wat gelapt oud bruin fluweel en het hemdje

slippende uit een scheur van het fluweelen broekje, expres zoo,

om de schilderachtigheid.

En bijna Moorsch doet de Trinita de' Monti, roomgeel met twee torens,

tegen de blauwende late middaglucht; terwijl zoo sterk als een aroom

van zonvitaal leven, de china's-appels geuren....

Naar den Pincio toe stevenen de wandelaars, de rijtuigen, bont in

strooming van kleuren. De rijtuigen met de paarden, trappelend en

glad van huid en met de gecambreerde koppen, met de wirlende gele

en roode spaken der wielen; in de rijtuigen de kleurige dames, de

bonte kindermeiden, frisch en blozende lachende, de breede bonte

linten gestoken op het zwarte haar met groote, zilveren spelden,

die staan in aureool; en lachende houden zij de teêre kinderen op,

de rijke-lui's-kinderen, als pakjes witte kant....

Onder aan de viale's en terrassen van den Pincio koepelt de groote

stad. Eerst, ruim, en vlak beneden, de Piazza del Popolo, met den

obelisk en de waterspuwende leeuwen, de groepen beeldhouwwerk, de

granieten kolommen en de bronzen trofeeën; een lange, eenzame weg,

grijzig, schiet recht weg naar St. Pieter, opwelvenden reuzenkoepel,

naar de gevangenisachtige vierkantmassa van het Vaticaan, aan het eind,

in de verte. Links, aan de Piazza del Popolo, de koepels harer beide

kerken--Santa Maria rechts--en achter die koepels, verder en verder

weg, wijkende naar de verte, de koepels en de koepels altijd, de ronde

en de ovale en de plattere koepels, de zee van koepelende kerken....

En achter die kerken en koepels en torens de violetvale Campagna,

terwijl de heuvelenkling met de cypressen van den Monte Mario en

de pijnen van den Janiculus--parapluie-achtige boomen, klein in de

verte,--den horizont stremmen....

En rond, als een gouden bal, verblindend wie uitkijkt over de

stad, hangt de zon in de wolkenlooze lucht, het transparante ether,

limpidener naar het Oosten toe, wit brandende, nu ze daalt, en straks

achter de daken verdwijnen zal....

Of ... nevelen zweven over, drijvende doorzichtige vaalheden, die

vullen de straten en afstompen de duizenden koepelingen, en zich in

de verre perspectieven opstapelen tot meer melkachtige wezenlijkheden,

als spoken, die belichamen....

Dan is het einde.... maar hangt nog de zon, dan schittert de Pincio

bont, en onder op zijn vialen, boven op zijn terrastuin, fonkelen de

palmen en mimosa's zuide-achtig in de laatste schijnsels, flonkeren

de cactussen en aloës, blauwgroen met weêrflikkeringen van brons en

metalen; en de herfstplatanen, vol bladeren van effen goud, klateren

hunne gouden tinten aan tegen den limpiden blauwen hemel....

Dan schittert de Pincio bont, onder zijn bonte boomen, goud en groen;

en de wielen der rijtuigen, de linten en spelden der minnen, de pluimen

en uniformen der muziekanten, de soutanes der seminaristen--rood,

blauw, paarsch,--de pijen der monniken,--de Capucijners bruin, en

wit de Benedictijners,--wirlen kaleidoscopisch door elkaâr; bont,

maar klein bont, terwijl de stad zich beneden uitbreidt, koepelend

en reusachtig....

Rome, Dec. '93.

III.

SAN PIETRO.

De zon schijnt in vol licht binnen, in de baziliek, waar de menschen

nog weinig zijn: de groote baziliek, wijd en goud met de gouden

stukken vierkant aan hare binnenkoepels, die in de lucht horizontale

cirkels ronden, waarop weêr andere cirkels recht staan, als gouden

regenbogen. Zoo buigen de cirkels zich langs elkaâr, in perspectief

van segmenten en snijdende cirkelbogen, van goud.

Het licht is er egaal, koud, op al dat goud, zonder wazigheid en

zonder ziel, zonder mystiek tusschen al die cirkels van overal even

fel schittergoud. En koud, boven den bronzen reuzenbaldakijn van

gedraaide zuilen, cirkelt de Spreuk zich in blauwe reuzenletters van

mozaïek op goud:

Gij, Petrus, zijt een rots, en op dien rots zal Ik bouwen Mijne kerk

en aan u zal Ik geven de sleutelen van het Rijk der Hemelen....

Er zijn weinig menschen nog, verloren onder de gouden

reuzencirkels. Hunne kleine aantallen verliezen zich, waar ze wachten,

waar ze eindelijk, op de ellebogen geleund, wachten aan het hek van

planken, dat een gang maakt van de kapel van het H. Sacrament, met een

hoek midden de baziliek door, met een hoek naar het zijaltaar rechts.

En klein is de wachtende menigte, al telt ze duizenden, klein zwart

verloren over het marmer, onder de hoog opbuigende koepelingen....

Op enkele afstanden staan de hellebaardiers, telkens twee, in de gang

van planken; weinige. Flink staan ze, leunende op hunne hellebaarden,

de uniform rood, geel en zwart; de broek rood wijd, waarover losse

gele banden hangen tot de knie, met de nauwere hozen, geel en zwart,

tot den voet in lagen schoen. De koperen stormband van den helm,

die diep op de oogen rust, sluit nauw aan de onderlip.

Een oude heer, omslachtig, buigt zich over de planken balustrade

en vraagt iets, in log Italiaansch, aan een van hen. Hoe Zijne

Heiligheid komen zal en van waar en hoe laat.... Kort antwoordt de

hellebaardier, vriendelijk toch, tot het hem eindelijk te lang duurt,

en hij, korter, zegt:

--Non so questa.... non so.

De oude heer, omslachtig, bedankt den hellebaardier, bedankt hem zéer,

omdat het zoo interessant is, niet waar, zoo een interessante dag....

En verlegen, niet wetende hoe te doen, lacht de groote hellebaardier

even, en zegt: Si, si, en wendt zich af, verlegen.....

De menigte is wat zwarter en dichter geworden, maar dertigduizenden

schijnen zij toch nog niet, die menschen aan het hek, in die reuzekerk,

die zich reusachtiger uitbreidt, naarmate er meerdere komen...

Door de vrije ruimte tusschen de planken loopen af en aan kanunniken

met bonte pelerines, bisschoppen, een enkele kardinaal.... Ze loopen

haastig, met een slordige haast; slordig zijn hunne kleederen, vaal,

goor, dof, onaanzienlijk. Dat is een bisschop en dat een kanunnik en

dat is een kardinaal, wijst men elkaâr, want hen aanzien, dat ze het

zijn, doet men niet. Dan heeren in rokken, met ceremoniekettingen om

den hals en choorjongens, in het zwart met vuile, witte choorhemdjes;

af en aan loopen ze: éen brengt er, lachende, een hoop witte hemdjes

in zijn armen ergens weg, en haast zich....

De groote hellebaardier heeft het warm onder zijn drukkenden helm en

ligt dien even op, met een zucht.

En men wacht. Dames, in het zwart, kanten voiles over het hoofd, zitten

op vouwstoeltjes, aan het hek, te wachten. Andere dames dringen op,

bonter gekleed, binocles in de hand. Hier en daar, tegen het massief

vierkant der zuilen aan, ligt iemand te bidden, in vrome verliezing.

En geene emotie is in het wachten. Onder de reusachtige gouden cirkels,

aan het plompe, houten hek, dat een gang maakt, is alleen een zacht

dringen, een zielloos zich opstellen, om te zien....

Eindelijk. Een optocht wil zich vormen: de vuile choorjongens,

lachende, giechelende, peuterende in hun neus, slecht gedrild

door een pater, die geen orde houden kan.... De heeren in rok, de

bisschoppen, ordeloos, wachtende op elkaâr; misschien nog anderen:

een paar kardinalen. Maar men ziet niet meer, want eéne stem begint er

eene lange fraze van eentonig gejuich, waarin het: Evviva il Papa-Re,

opklinkt en andere stemmen, zwak, juichen meê....

En alle oogen zien met gulzigheid naar den verguld-en-glazen

draagstoel, de portantina, gedragen door dragers in livereiën van

gebloemd rood Utrechtsch fluweel, die aan ouderwetsche kanapé's

doen denken...

De hellebaardiers staan recht en salueeren met de wit katoenen hand. In

den draagstoel schemert zichtbaar de gezetene gestalte van den Paus,

oud-tenger, in het wit, de witte kalot op de grijs-witte haren, het

hoofd buigende links en rechts en de handen naar de menigte rechts

en links heffende met het gebaar der zegenende vingers. Het gelaat

is oud-fijn, wasbleek, van eene effene wasblankheid, zonder vele

zichtbare rimpels, zonder dien van den neus om den mond heen gegroefden

grijnsglimlach der portretten en platen. Want de glimlach is maar

even; over het gelaat wasemt eene benevolente glimlachende zachtheid,

en het oog, met diep-in gloeiende intelligente vonk, wendt overal

heen zijn innigen blik, met iets van liefhebben en weemoed, over de

juichende getrouwen... En navrant is dit: die Majesteit der Katholieke

Kerk, toegejuicht, maar omgeven door Zijne onwaardige, onplechtige,

slordige cortège: de vuile choorjongens, de gore kanunniken, de

leelijke dragers, gaande tusschen de planken die een hek vormen...

Gaande voorbij het Hoogaltaar onder den bronzen reuzenbaldakijn,

met de tombe van St. Peter, waar, om rouw over het wereldlijk gezag,

de mis nauw meer gelezen wordt; gaande, om rouwe, zonder wierook,

de kardinalen zonder hunne slepende plechtgewaden, gaande zonder

de wuivende schaduwen van veêrenwaaiers, gaande zonder al den

splendeur van vroeger, toen de Heilige Vader gedragen werd tusschen

een dichte haie van hellebaardiers en niet tusschen een leelijk hek

van onversierde planken.

In de kapel van het transept, rechts van het verweduwde Hoogaltaar,

is de menigte der dertigduizenden opgedrongen, benauwd vol, aan

weêrszijden van het hek; de menschenlucht hangt er, zoet en wee.... En

in het choor zingen nu de zangers der Sixtijnsche kapel, matweg,

zonder extaze....

Ontzettend wijd en hoog schijnt de kerk, achter leêg verlaten;

de zijkapel eene kerk op zichzelve; de Paus niet te zien, vergeefs

gezocht door binocles in weifelende handen voor reikhalzende gezichten.

Op het altaar daarginds, ver, verweg, tegen de vaag schemerende martyre

van den H. Erasmus aan, niets dan een kruis en, aan weêrszijden,

drie kaarsen. De priesters-ceremoniemeesters nemen er de misgewaden

en gaan er meê de trappen af, om ze den Paus te bieden. En de

Opperpriester verrijst eindelijk, zichtbaar nu boven de oogen der

menigte, in de gouden kazuifel, de witte kalot op de witgrijze haren

en voorzichtig, langzaam plechtig, doen zijne handen de gebaren,

die heiligen.... Kleintjes klinkt de bel en klinkt weêr en de menigte

knielt, dicht in elkaâr gedrongen....

En niet, zooals vroeger, daveren er boven den koepel bazuinen den

hemel toe, en vermelden het oogenblik, dat de Hostie omhoog is gebeurd,

en niets is te zien door het zwart der knielende menigte, tot de bel

weêr klinkt en ze rijst....

Het kruis en de zes kaarsen zijn weggenomen en een vergulde armstoel

wordt er op de zelfde plaats, op het altaar zichtbaar. En de Paus is er

nu gezeten; in de verte gaat iets om van het aanbieden van een groot,

wit, vierkant plakkaat, een adres: aan beide zijden der kapel zijn de

verschillende sociëteiten opgesteld, met hare vanen: op haar verzoek

was het, dat Zijne Heiligheid deze mis vierde.... En er gaat, vaag, in

de verte iets om van het buigen van ruggen en men raadt den voetkus;

dan rijst een heer, die het adres voorleest, op zij van den Paus;

met luide galmingen klinkt telkens zijne stem....

Eene vermoeidheid schijnt den Heiligen Vader neêr te breken. Het

hoofd hangt diep op de borst, en heft zich, nerveus, in eens op;

nerveus steunt de rechter dan het hoofd en de linker daarna, alsof

het hoofd moê is en niet weet waarheen.... Dan vallen de beide armen

slap en de handen hangen af van de leuningen van den gouden stoel,

alsof die zwakke handen het opgeven het moede hoofd te steunen....

En groot is hierna de verwondering, als--het voorlezen geëindigd--eene

resurrectie den Paus bezielt; hij zich recht heft in den zetel en

antwoordt, en van zijne stem is geen klank te hooren, maar krachtig,

energisch slaan de gebaren zijner gesterkte handen, slaan ze rechts,

links; overtuigend knikt het grijze hoofd meê en met iedere beweging

onderlijnt hij zeker wat hij zegt, in dankbare aandoening om hun

aller liefde....

En daarna wacht men, lang, eindeloos lang. Te zien is niets meer en

wat er eigenlijk gebeurt is iets geheimzinnigs, iets alleen voor

ingewijden.... Want de halzen rekken zich en de bincoles willen

kijken, maar te vergeefs.... En men loopt in het rond door de

kerk; de Pauselijke gardes ook loopen wat rond, zacht glimlachende

pratende.... [1]

Op de balustrade van het Hoogaltaar zoekt men te zitten, stijf van

het lange staan.... En het wachten heeft iets, dat van streek brengt,

omdat men niet meer weet hoe en waarom....

Tot eindelijk een gejuich weêrklinkt, zakdoeken en hoeden wuiven.... Nu

niet in den glazen draagstoel, maar op den gouden zetel wordt de Paus

teruggedragen.... En vol juichen de Evviva's op, met een enthouziasme

vol overtuiging, en eene diepe emotie siddert door allen heen, die

daar juichen, als de Priester, in het wit, met den rooden mantel, die

even over de knie drapeert, nadert, en de zegen over hunne hoofden

neêrvalt van de twee vingers, die zich beurtelings heffen, links en

rechts.... Aan een dier wassen vingers--een witte handschoen dekt de

halve hand--schittert de groote ring met flonkerenden steen....

En de emotie is zoo innig waar, spontaan gevoeld, op dat oogenblik,

als de dragers nog éenmaal stil houden,--voor de deur der kapel, vóór

het heengaan--en de Paus zich nog éenmaal buigt, rechts en links,

en voor de laatste maal de zegen neêrvalt, dat zij weenen en er

een oude bedelaar, goor, bruin en bevend vuil, uitbarst in snikken,

die stotteren door zijn laatsten juichklank heen....

De jongelieden der sociëteiten, die vroegen om de Mis, storten,

in extaze, zich nog éénmaal naar de deuren der kapel....

Maar de Paus is verdwenen. De groote middenpoort der baziliek opent

zich. Het zonlicht, het leven daar buiten, vloeit binnen....

En de menigte, zwart, zwermt uit en stroomt, als in cascades van

menschen, over de trappen heen, in de piazza....

Rome, 17 Dec. '93

IV.

BRIEF UIT ROME.

Rome, Jan. '94.

Weet je, wat er in Rome van je gevergd wordt, als je eenigszins de

pretentie wil maken Rome te kennen en Rome gezien te hebben? Ten

eerste, dat je de geschiedenis--zoowel wereld- als kunsthistorie--van

Romulus tot Bernini op je duim kent. Dan dat je vast bent geverseerd in

Rome's topografieën, van alle die eeuwen door, bij voorbeeld zóó, dat

als je in St. Pieter komt, je oogenblikkelijk ook denkt aan het Circus

van Nero en de Baziliek van Constantijn, waarop de Kathedraal als op

tronen omhoog rees; dat, in het bont-moderne gewoel van den Pincio, je

oogenblikkelijk ook denkt aan Messalina, die er eens hare tuinen had en

orgieën vierde.... Om dit eenigszins naar eisch te kunnen doen, wordt

niet alleen de historisch-topografische kennis der metropool verlangd,

maar daarenboven de psychologische kennis van jezelven; namelijk: de

macht om je indruk-en-stemming van het oogenblik, oogenblikkelijk ook,

een bliksemvluggen retrospectieven gradenboog te laten beschrijven,

die nauwkeurig aanteekent alle indrukken-en-stemmingen, welke je

ondervindt bij dien Schwung van Nero tot Leo XIII en van Messalina

tot de nou-nou's met kleurige linten.... Zoodra je dus voet buiten

de poort van je hôtel zet, geef je je vooral niet over aan een indruk

van het moment--aan de charme der uniek transparante lucht, waartegen

de kerken aankoepelen, de citroenen goud stippelen, de verminkte

zuilen hare weemoedige majesteit strak zetten--maar oogenblikkelijk

stel je je voor--van Romulus af--hoe die straat van je hôtel vroeger

was, en welke ruïnes en statuen onder je voetstap begraven kunnen

liggen.... En terwijl je gaat, moet de retrospectieve gradenboog dat

alles in je geest aanteekenen en juist, alsjeblief.

Dus vooral dit: geen charme van het oogenblik. Heb je hieraan

behoefte, ga dan overal heen, maar niet naar Rome. Lees er Ouida's

Ariadne nog eens op na; dan zal je zien hoe het behoort. Gioia en

Crispin en Hilarion--uit dat boek, dat me, toen ik vijftien was,

in extaze bracht!--en nu? Helaas... --ze zijn allen heel ver in die

kunst van retrospectief genieten en als Crispin in een stalletje van

het Ghetto een oud stuk brokaat ziet, denkt hij oogenblikkelijk aan

Vittoria Colonna, die dat wel zoû kunnen gedragen hebben. Zoo behoort

het als men eenigszins Rome wil bestudeeren, ook al bestaat het Ghetto

niet meer.

Heb je nu deze historische, aesthetische en psychologische kennis

verkregen, ga dan dravende zien, 's ochtends, 's middags en 's avonds

met maanlicht, want de tijd schiet je anders te kort. Hoû je niet op

met eigen opinies te willen verzamelen, want die zijn overbodig en

je kan veel vlugger en praktischer een aardige bloemlezing maken uit

Baedekers Guide, Hare's Walks, en uit romantischer lectuur als Ouida's

Ariadne, Bulwers Rienzi, Hawthorne's Transformation, Frances Elliots

Diary of an idle woman, Taine's Voyage en Bourgets Cosmopolis. Lees

die werken aan je lunch en diner; dit is zeer Engelsch: op andere

uren heb je er geen tijd voor. Trouwens het eenvoudigste is àlles mooi

te vinden: je kan dat doen in meerdere of mindere mate: raadpleeg je

gradenboog. Blijf dan zien--sight-seeing, zooals de aesthetische term

luidt der duizende Engelsche dames, die in stroomen van korte rokken

over Rome heen cascadeeren--blijf dan zien, herhaal ik, gedurende

_tien_ winters--'s zomers mag je weg, maar het is een algemeen erkende

waarheid, dat _tien_ winters vereischt worden. En na den tienden

winter mag je, met niet te veel zelfbewustheid, verklaren: gestudeerd

te hebben aan de Hoogeschool der Wereld en iets van Rome te kennen....

Ik wil wel, nederig, bekennen, dat mijne aspiraties niet zoo ver

gaan. Ik schaam me wel een beetje, maar ik woon ook niet, als Crispin,

aan de Ponte Sisto, maar in een heel banaal hôtel in een leelijke

buurt. Een heele leelijke buurt, want wie van Ouida's helden zoû zoo

barbaarsch kunnen zijn om te wonen in het nieuwe Quartiere Ludovisi,

tusschen de banale hooge-huizen-straten, die eerst de vroegere

Ludovisi-tuinen geruïneerd hebben en daarna eenige speculeerende

Romeinsche bankiers. Ik schaam mij ook, dat ik er woon, maar voel

me eenigszins gedekt door twee Russische dames, die hier ook wonen

en wier eenige levensdoel is: verborgen en overkalkte fresco's van

Andrea del Sarto op te speuren. De eene is weemoedig mooi, en ziet er

uit alsof dat levensdoel ook maar een pis-aller is. Dan ben ik blij,

dat ik uitzie op een palmboom, een stuk balustrade--helaas, niet

antiek--van het Casino della Aurora, en op dat Casino zelve. Toch is

dit Casino een onwrikbaar verwijt, dat altijd voor mijn oogen staat,

een verwijt aan mijne luiheid, want er is een plafond te bewonderen

van Guercino:--de Dageraad, die het Casino zijn naam gaf. Maar

die bewondering wordt alleen geduld vóor negen uur 's morgens, en

te bewonderen vóor negen uur is mij altijd onmogelijk geweest! En

nu kan ik zelfs niet verklaren, dat ik toch Guido Reni's veel meer

beroemden Dageraad zag in het Palazzo Rospigliosi, want de prins is

in Parijs en houdt dien Dageraad achter slot en grendel! Iets, dat

mij zeer teleurstelt en mijne begrippen van logica verwart, want zoo

ik de prins was, zoû ik juist mijn Dageraad publiek maken àls ik in

Parijs was, om er, in Rome, ieder moment van mijn gril zelve van te

kunnen genieten. Logischer vind ik dan den eigenaar van het Casino,

die alleen zijn plafond laat zien, als hijzelve nog in bed ligt....

Vlak bij mij, ook in deze leelijke buurt, is het brandnieuwe Palazzo

Piombino. De prinsen van Piombino zijn, door successie, eigenaars

geworden van Ludovisi--de vroegere mooie tuinen van Le Nôtre--en hebben

die tuinen, die nu een ieder betreurt, verkocht als bouwgrond. Zij

bouwden er zich ook hun nieuw paleis, waarvan een architect mij

vertelde, dat de verhouding van glas en steen zoo goed was, maar dat

ik toch heel leelijk vind, ten eerste: omdàt het geen kleur heeft,

dan die zijner nieuwheid, en ten tweede: omdàt het nieuw is, want een

paleis moet oud zijn, evenals adel, als het iets beduiden wil. Op de

rez-de-chaussée van dit groote blok is in drie of vier kleine zalen

met hideuze plafondschilderingen de beroemde collectie antieken

Ludovisi-Buoncompagni samengeplakt. Arme collectie Ludovisi! Men

behoeft u niet vroeger gezien te hebben, om u nu te beklagen, zooals

ge op een zuinigje geherbergd zijt. Arme, arme Juno Ludovisi! Uwe

majestueuze, olympische schoonheid, noch uwe wereldglorie heeft uw

nieuwen meester ten minste zóo kunnen roeren, dat hij ten minste

ú met verschuldigden eerbied behandelde en u uw eigen zaal gaf, en

een achtergrond van donker fluweel, en een edel licht. Want ge leert

wèl het communisme van onze dagen kennen, met zoovele marmers samen,

en koud, vaal valt een brutaal schijnsel op uwe godinnemajesteit,

tusschen die stijllooze nieuwe muren en die leelijke plafonds...

Mij laat Rome denken aan eene harde, strenge, oude vrouw, met een

strak gezicht vol rimpels, koude grijze oogen, energieke dunne

lippen en groote, sterke handen; eene vrouw, die geleden heeft,

maar wie men niet aanziet den weemoed van hare smart; eene vrouw, die

steeds haar leed weêr heeft afgeschud met sterke zenuwen en onknakbare

vitaliteit. Eene vrouw, die zoo is oud geworden, heel oud, en u leert:

blijf niet neêrzitten en treuren, het verleden heeft afgedaan en het

leven gaat altijd voort, tot in het oneindige; spiegel u aan mij en

schep geen behagen in uwe melancholie: dat is ziekelijkheid. Ge behoeft

niet te vergeten, maar heb geene emotie meer bij wat ge u herinnert;

iedere volgende seconde brengt u de toekomst nader en ge behoort aan

de toekomst, want al het andere, zie, is niets meer dan asch en stof

en scherf en ruïne....

En in hare harde levenskracht schijnt ze te vergeten, dat scherf

en ruïne schoonheid kunnen zijn, en dat de ziel van die schoonheid

toch blijft: de weemoed van hun verleden... Want die weemoed roert

haar niet en tusschen hare ruïnes bouwde zij zich weêr op en wat er

van hare ruïnes overbleef, gebruikte zij soms praktisch: hare tempels

werden kerken, uit wat zij overhield aan antiek marmer trok zij nieuwe

paleizen omhoog.... Tot op onzen modernen tijd toe is zij vitaal

gebleven, en dit vitale heeft iets onsympathieks, iets hards, iets,

dat afweert en geene innigheid verlangt en geene weekheid dulden kan,

en strak blijft zien, met droge oogen. Iedere stad heeft hare eigene

fyzionomie en zooals Florence haar glimlach heeft van bekendheid

voor mij, hare sympathieke weêr-en-weêr-aantrekkelijkheid, alsof ze

mij terugziet na eeuwen, alsof ik vroeger geademd in haar heb met een

ander leven, zoo heeft Rome altijd en overal dat onhartelijk-krachtige,

verwijtende mij mijne zwakheid....

Het liefst heb ik haar dan ook, daar waar ze niet vitaal was, niet

weêr bouwde op hare vroegere fondamenten, afbrokkelde in ruïnes,

het liefst in het Forum en het Colosseum, den Palatijn en de Baden

van Caracalla. Ook al staat er veel moderns omheen, het Forum, het

Colosseum, en de Palatijn vormen een geheel van ruïnes, eene doodenstad

op zichzelve en gemakkelijk is er het verleden op te trekken, in eene

illuzie van zuilen en bogen, paleizen en tempels... Maar ook zonder

illuzie hebben die ruïnes charme. Al heeft het Tabularium zijne

elegante façade van bogen met beeldengalerij daarboven verloren en

is het omhoog getrokken als de achterzijde van het Kapitool, de drie

zuilen van den tempel van Vespazianus, de achtzuilige façade van

dien van Saturnus staan als hooge poëzie in hunne verminktheid met

vermorzelde kapiteelen en stukken kroonlijst, waarop de inscripties

als afgescheurd schijnen, en de eereboog van Septimus Severus, over het

antieke plaveisel van de Via Sacra heen, behield nog veel grandeur der

Romeinsche keizer-eind'eeuwschheid over. En waar kan men dien grandeur

beter nog overleven dan in de titanische ruïne van het Colosseum,

dien cirkelbouw van bogen op bogen op bogen; of in de verbrokkelde

paleizen van Caligula en Tiberius en Augustus, of in de reuzentermen

van Caracalla, waar zich het emplacement nog uitlijnt en opboogt van

een weelde, die al onze nieuwe luxe miniem en kinderachtig maakt?

Nergens meer dan in die ongelooflijke termen verrijst de fantasmagorie

eener sublime decadence in duidelijker ommetrek: de hallen van marmer

en porfier, van zilvergegreind wit en wijnkleurig rood, de vloeren in

elaboraat mozaïek, dat het lichaam der gladiatoren in elke beweging van

zijn spierleven toont [2]; de kolossale zwembassins onder de blauwte

van de open lucht; beelden overal en reuzencoupe's en men ziet er

de baders, de decadenten, die, eens in de termen, den heelen dag

er hangen, zeven malen zich baden met hoogst gecompliceerd gebruik

van zalf en van geuren, geënerveerd dan en gebroken door de massage

hunner slaven wat epicuristiek gaan cauzeeren met de filozofen,

die in den bibliotheek boven lezen, of, lui, uit de loges zien

naar de worstelaars in de palestra, of in het stadium de courses

een oogenblik bijwonen als de keizer gekomen is; Caracalla, met den

breeden zinnelijken type-kop: laag fronsvoorhoofd, diepe gluuroogen,

kort kroeshaar, de neus snuivend, de mond dik sensueel, zooals men hem

nu nog ziet in het Vaticaan en ziet in het Kapitool; of Heliogabalus,

de zonnepriester van Emeze, die zóo vrouweschoon was, dat de soldaten,

zoodra ze hem in den tempel zagen, verliefd riepen tot keizer, en

vooruit zonden naar Rome zijne wonderbeeltenis....

Misschien treffen ons, latelingen van deze eeuw, de ruïne's dezer

baden zoozeer, omdat wij er in loopen, met een glimlach, die begrijpt

het luxe-leven van die baders, en wij, medelijdend met onszelve,

zeggen, dat onze decadence toch grandeur mist; omdat in onze wereld

zulke termen niet meer te vinden zijn, omdat ónze eind'eeuwschheid,

in die termen geanalyzeerd, slap wordt en zeurig, voor een goedkoopje

en vervelend en mesquin....

Het eenige antieke gebouw van Rome, geheel intact, is het sublime

Pantheon--S. Maria Rotonda nu. De muren staan als onverdelgbaar,

al zijn ook de kapiteelen en architraven als met hamers vernield,

geheele stukken marmer er uit neêr gemokerd, tot het schijnt alsof

gapende wonden aan dat bovenbeeldhouwwerk gevreten hebben en er nog

reuzenlitteekens graven. Van binnen maakt de welving--de eenvoudige

enkele welving, met het ronde oog, waardoor de hemel kijkt--op mij

dien lichten schrik van schoonheid, die even adem beneemt en dien

zelfs St. Pieters binnenkoepel mij niet geven kan. En de essence der

schoonheid van die eenvoudige rondte is verder vooral deze gedachte,

dat men den antieken tempel zuiver overhoudt, als men de katholieke

altaren in de nissen rondom er uit wegdenkt...

19 Januari is de sterfdag van Victor Emmanuel, wiens overschot

daar rust in een sarcofaag, tusschen twee zuilen rechts van het

hoogaltaar. Een lijkmis wordt dan in den morgen gehouden, maar een

naïve vreemdeling, die meent, dat de koning en de koningin minstens

bij deze gelegenheid ceremonieel in eene kerk verschijnen zouden,

bedriegt zich en staat op nieuw voor het gecompliceerde raadsel, dat de

verhouding vraagt tusschen Vaticaan en Quirinaal. Hunne Majesteiten,

vertelde mij een officier, hadden slechts de generale repetitie

bijgewoond, ik meen in het Palazzo Doria-Pamphili. Hierbij wil ik

nog even voegen, dat de koningin zeer devoot is, gecanonizeerden

en gebeatifieerden in hare familie telt, en, naar men zegt, iederen

morgen incognito de vroegmis bijwoont in de kerk van hare paroisse

bij het koninklijk paleis....

Aanwezig bij dien lijkdienst waren toch Militaire en Civiele Huizen

van beide Majesteiten, het corps diplomatique, en alle militaire en

civiele autoriteiten. Een betrekkelijk kleine ruimte bleef over voor

andere invités, voor het meerendeel de kolonie der vreemdelingen,

met het onmisbaar rijkelijke Britsche contingent. Vreemd doet het

ons, rigide Noordelingen, aan, hoe gul de Italianen met etiquette

omspringen. Op de invitatiekaarten stond voorgeschreven: rouwkleeding

voor dames en heeren beiden. Onze Minister-Rezident had daarenboven,

bij het toezenden der invitatiekaarten, ons hierop in zijn brief attent

gemaakt, zoodat, zoowel mijne dames als ik, er eenvoudig niet anders

over dachten dan te gaan in het zwart. Maar jawel; al waren de heeren

over het algemeen in rok en witte das, rissen dames vloeiden binnen

in de meest kaleidoscopische kleurenmengelingen... Ik moet eerlijk

zijn om te bekennen, dat zij niet allen Engelschen waren, maar ook

Italiaansche vele. Het scheen, dat het onderschrift op de kaarten

alleen een beleefd verzoek inhield, dat naar keuze kon ingewilligd

worden of niet....

Na de onplechtige, Pauselijke ceremonie, die wij in December in

St. Pieter bijwoonden, trof mij zeer wat wij in het Pantheon zagen,

vooral zágen. Want de muziek, door een krachtig luid choor gezongen

van jongens-sopranen en bassen, was mij te veel als het ensemble of

de finale van een opera en het Kyrie Eleison, dat telkens en telkens

over het doffe bommen der trommen en den zilverslag der bazuinen

uitgedaverd werd, scheen niet gezongen in toon met de smeekbeê der

woorden. Maar misschien vereischte een lijkzang voor een vorst,

zoo krachtig als Victor-Emmanuel, ook niet al te teêre klanken....

Vooral heel schoon in zijne funèbre harmonie was de decoratie

der kerk, donker gehouden, omdat het oog van boven--het eenige

licht--gesloten was en het maar schemerde van de tallooze kaarsen

der groote kandelabres, om de eere-katafalk, die, in het midden der

kerkruimte, zeer hoog oprees. Dan, op alle hoogten, hier en daar de

vlammende urnen; soms bluschten ze half uit, en daarna, door een

tocht, flikkerden ze weêr op met groote tongen. Over den ingang,

achter de katafalk, het hoogaltaar, waar de hofkapelaan officieerde;

kurassiers, stil-stijf en harnas-blinkend, op de treden; er achter,

in de koorzetels, de litanieën murmelende kanunniken, in de hand lange

kaarsen, die hen half verlichtten in het schaduwduister en hunne witte

bonten pelerines deden opvlakken als stukken blanke sneeuw.... Links

dan, in een estrade, de zangers en het orchest en rechts het mauzoleum:

de sarcofaag tusschen de twee zuilen, met twee kandelabres er voor,

van den antieken vorm, en waaruit hooge vlammen opkronkelden....

Ik herinner mij, den eersten keer, dat wij in het Pantheon kwamen--de

eenvoudige, welvende ruimte toen--den veteraan met zijne medailles,

die waakte bij het graf, en de twee soldaten, die er, in een boek,

hunne namen schreven, met ernstige gezichten, vol van de aandoening

dat graf te zien, en ernstig elkaâr vroegen, of ze ook den naam van

hun dorp, hun paese, zouden zetten, en, langzaam, toen besloten van

ja, en ik kan niet zeggen, waarom mij dit roerde: dat ze den naam

van dat plaatsje met groote langzame letters schreven: misschien

alleen om den simpelen eenvoud van dat feit en misschien wel om de

onbeduidendheid ervan.

Ik voel mij beschaamd, dat ik dit herinneringetje vermeld. Want Rome

is de stad niet voor zulke kleine dingen en Rome is de stad van het

ruime, het geweldige en ontzaglijke.... Een oogenblik herinner ik

mij wel vreemd, dat het Forum toch zoo klein was, voor het compacte

leven, dat er in de oudheid geleefd werd, tusschen de bazilieken

en tempels, die er op elkaâr drongen... Maar die herinnering duurt

niet lang, want dadelijk doemt op de Palatijn, een berg van nièt dan

paleizen; het Colosseum, waarin zeeslagen gemimeerd werden; en ik

zie de huizingen van den ouden adel: Doria en Colonna en Farnese;

ik zie het oude Pauselijke paleis van het Lateraan in al de wijdte

van wat nu muzeumzalen zijn, en eindelijk zie ik ook, als altijd,

St. Pieter en het Vaticaan, de Pauselijke stad op zichzelve.... En

al die lijnen strekken zich uit als met horizonten van architectuur

en koepels als regenbogen, duizelingwekkend bij de gedachte aan wat

menschen konden doen...

Men zoû het Michelangelo niet aanzien, dat hij een der heroën was,

die deze wereld van het kolossale schiepen. Zijne portretten en bustes

in de Uffizie en de Casa Buonarotti te Florence geven hem niet als

een titan, maar meer met het burgerlijke type van een misantropischen

timmerman. Maar portretten en bustes bedriegen en voor Michelangelo

is het woord der conventie altijd: titanisch geweest, en blijft

dat woord ook de eerste spontane uiting, van wat ieder bij zijne

scheppingen voelt....

En toch... na die eerste overweldiging, rijst een twijfel op en een

vraag. Wat is het gevoel, dat ons déconcerteert in de Sixtijnsche

kapel? Is het waarlijk de openbaring van een onmacht? Maar zoo dit

onmacht is, is het de onmacht van het genie, de onmacht van het

te vergeefs willen naar het empyreum van het állerhoogste, naar

dat supreme en alomvattende, dat voor de menigte in wolk versluierd

blijft en dat de hoogste ziel dan toch gezien heeft in een vizioen van

bovenaardschheid: een onmacht, die tragisch is en dieper roert dan de

gladde perfectie van welk klein talent ook. Want in die onmacht is de

moed, en moed is meer dan kracht, omdat moed ziel is en kracht feit:

moed de gedachte en kracht het middel slechts tot de daad....

Ik kan, wat de meeste der kunstbeschrijvers doen, in de Sixtijnsche

kapel niet juist dàt zien: de eenheid, de volmaaktheid der

eindconceptie van het geheel. In de Sixtijnsche kapel zie ik eerst:

het Laatste Oordeel, de reusachtige altaarfresco: een gewriemel van

alle even zwaar gespierde ledematen in een somber, door den adem van

eeuwen geëmbrouilleerd koloriet. Heel boven meen ik in een machtige

figuur, die mij bliksemend treft, God te zien of minstens Jezus, maar

ik vergis mij: [3] het is maar de profeet Jonas... En nu eerst ziet

de blik, die zakt, den Oppersten Rechter, in een geagiteerde houding,

die ik niet begrijp...

Nu zoek ik ook het plafond boven mij; spiegels worden gereikt en

gelukkig, want eenigszins lang naar boven te zien met verwrongen

nekspieren is ondoenlijk in het genieten van schoonheid...

Waarom toch al die meest supreme kunst voor plafonds, waar wat

arabesken voldoende zouden zijn?

En ik zie geen geheel. Ik zie een mozaïek van fresco's in de

lucht, die elkaâr vierkant opvolgen: het zijn grootere en kleinere

middenstukken, ingesloten door een elaborate architectuur en sculptuur

van geschilderde zuilstukken en engeltjes. Hoe Michelangelo die

geschilderde architectuur en sculptuur concepieeren kon, is mij

iets raadselachtigs. In die middenstukken zijn de tafereelen van

de Schepping en den Zondvloed, en op de vierkante piedestallen der

zuilstukken zitten, in houdingen, die elkaâr nieeren, telkens vier

figuren, engelen of genieën.

Dit is reeds veel, reeds duizelingwekkend van idee en elaboraat

van opstelling, maar het is niet alles... Want wat de kleinere

middenstukken kleiner zijn dan de grootere, zijn ze opgevuld met

medaille-achtige medaillons.

En vooral: waar het langwerpige plafond zich aan weêrszijden welft,

zitten, onder de kleinere middenstukken, de machtige Profeten

en Sibyllen; daartusschen, in ogivale bogen, figureeren de minder

vooruitkomende Voorouders van den Heiland, met, op zij nog, kleinere

bruinige figuren...

Beken, dat het u duizelt. Beken, dat het te veel is, voor een plafond,

te veel vooral, omdat de reusachtige Sibyllen en Profeten de figuren

der ontzettende wereldhistoriën op een tweeden grond dringen en zelve

toch niet schijnen te kunnen ademen, evenmin als de genieën schijnen

te kunnen zitten op hunne nauwe stukken piedestal...

Maar nu ook zie ik plotseling, duidelijker en duidelijker, dat alles

op zichzelve, trots dit gemis aan atmosfeer, van een ongedroomde

heroïsche schoonheid wordt, die bliksemend en weêr bliksemend treft....

En dat het geen onmacht was van den schepper, want dat hij kòn,

maar dat hij te veel schiep in eene te kleine ruimte, te veel leven

riep op een te kleine oppervlakte: het plafond en den altaarmuur van

een kapel...

En een verlangen rijst op om ieder dier figuren alleen te zien,

telkens afgezonderd van al de anderen....

Ik herinner mij, in Florence, in de Academia delle Belle Arti, den

Eterno Padre van Carlo Dolci. Toen ik dat stuk voor de eerste maal in

het oog kreeg, naderde ik het met een glimlach, maar bleef er toch lang

op staren. Een jong, week, weemoedig gelaat, met lange blonde haren,

met oogen vol van een onuitsprekelijke melancholie, een gelaat als een

bloem, smartdroomend ziende uit het licht van eigen goddelijkheid,

de blauwe en roode draperie vastgehouden door een stralend juweel

en de handen--de kleine, zwakke, mooie vrouwenhanden, die nooit een

wereld konden scheppen--in een vaag gebaar bewogen... Neen, dat was

geen Eterno Padre, dat was nauwlijks zijn Zoon, dat was zelfs geen

Heilige, die naar martyre smachtte; dat was een mensch, een kind,

een zwak kind, op den goddelijken troon verheven, en er niet voor

geschapen, en niet wetende hoe en wat, en vol melancholie, over het

lot, dat hem God maakte, Vader van het Heelal, Eterno Padre...

En toch, dit juist was de innige charme van die schilderij, die

absolute menschen boos maakt en die absolute menschen minachten. Het

was de charme, de teeder melancholieke charme, van het zwakke, dat

geroepen wordt tot den plicht van het allerhoogste, de charme, die ons,

op aarde, roert in een kind, dat een kroon draagt... En zeg me nu niet:

die Eterno Padre van Carlo Dolci is geen God: ik zie dat wel en ik

weet dat wel. Maar ook zie ik, dat uit die bloem van blonde kleur en

zachten glans, die Carlo zijn Eterno Padre noemde, geheel het karakter

van den schilder trilt, ten minste zooals ik dat karakter zie...

Want meer doen wij niet en wij bedriegen ons altijd...

En dit verhoogt oneindig de charme van de absolute schoonheid eener

schilderij: er den schilder in te zien, zooals ik Fra Angelico in

zijne fresco's zie van San Marco en Carlo Dolci in zijn Eterno Padre

en Michelangelo in den Zijnen...

In den Zijnen... De immense macht, de kolossaalste kracht, die zich

ooit de menschen droomden: de God, die schept. De God, die uit den

chaos in zeeën van glans opzweeft en is en duisternis scheidt van

licht, met éen gebaar van openspreidende armen, en uit kolken van

warrelend licht de zon rondt en ze slingert waar ze nu eeuwig staan

zal, en de maan dan slingert en dichter dan zweeft en oproept en

verdeelt, alles slechts met éen gebaar: het water hier, het land daar,

de planten en de dieren...

De God, met den machtigen frons van scheppingsgedachte, die troont op

zijn voorhoofd, met de oogen, die vèr zien door het opdoemende heelal,

en die, terwijl zijn engelen zich dringen tegen hem aan en zich

verschuilen in zijn opblazenden mantel en zich dekken de oogen voor

het licht, dat geboren wordt--de machtige armen uitzwaait en met den

vinger de zon haar punt wijst hier en de maan hare baan, daarginds...

De God, dien daarna eene intimere, mysterieuze gedachte bezielt,

een ondoorgrondelijke droom, en schept den mensch, Adam; zijn

fronsvoorhoofd heeft zich vereffend; iets teederders verzacht zijn

blik, en gedragen door zijne engelen, die hijzelve weêr in zijne

armen draagt of ze schuilen laat in zijn welvenden mantel, strekt

hij een arm uit en roept, met voorzichtigen wijsvinger, den mensch

op, zijn speelding, dat hij liefheeft, en Adam _is_, half liggende

nog, gemodeleerd in ledematen van mooiste, jonge kracht, de laatste

wezenloosheid nog schemerende in zijne oogen en den arm, hij ook,

strekkende naar den Schepper als om aan te roeren diens vinger met

zijn vinger ook...

De God, die daarna is neêrgedaald in het menschenparadijs, dat hij

maakte en er niet meer zweeft, maar staat en, terwijl Adam slaapt,

er Eva schept uit zijne zijde, Eva, die men er ziet rijzen uit

hare geboorte met dat volschoone gebaar van opstaan uit het niet,

dat gebaar van wording, de knieën nog even gebogen, de schuchterheid

nog in haren oprichtenden rug, de handen gevouwen, als in eerbied of

in dankbaarheid...

Ik zie Michelangelo in die ontzettende creaties, ik zie hem ook in

de Profeten en in de oude, subliem machtig denkende Sibyllen, met

die sombere oogen, die vooruit zien in hare afwachting der langzaam

ontsluierende toekomsten; maar ik zie Rafaël nooit als een omlijnd

karakter uit zijne kunst oprijzen. Of liever, ik zie hem nu eens

zoo, en dan weêr eens anders, met de wisselingen van eene lenige

plooibaarheid, met de schitterreflets van eene ziel, die zich geeft

zooals het op het oogenblik het beste is, zich schikkende naar de

pauselijke opdrachten en toch zich niet geheel en al schikkende en

eindelijk met eene glimlachende insinuatie kronkelend tusschen alles

door en gevende wat hem goed dunkt....

Uit zijne fresco's, maar vooral uit zijne titanensculptuur, komt het

karakter van Michelangelo, die met Paus Julius II meer vocht--over

de détails der Sixtijnsche kapel--dan dat hij de knie voor hem boog,

als gespierd marmer zelve voor ons uit, maar Rafaël blijft altijd

indécis en gecompliceerd beide....

Zie hem te Milaan in zijne Sposalizio, te Florence in zijne madonna's

en portretten, te Rome in zijne Stanza's of Loggia's, of arrazzi;

in de Farnesina of in de Sibyllen van S. Maria della Pace of in de

Transfiguratie van het Vaticaan; en het zijn karakterwisselingen

en -schitteringen als van steeds andere facetten, in steeds andere

lichten, en niet alleen te verklaren door de drie periodes, waarin

men zijn schilderleven onderscheidt. Hoog sympathiek zijn al die

wisselingen mij niet, want ik zie altijd in Rafaël iets van een

genialen faiseur: een artist, die heel veel en gemakkelijk kan, en

alles glimlachend doet en beminnelijk. Ik heb hooger achting voor

Michelangelo, met zijn streven naar het onmogelijke en zijn vechten

met het marmer; ik zie in geen enkel kunstenaar zóoveel menschelijks

en heroïsch samen. Maar de Sposalizio is mij minder waard dan welke

schilderij ook van Perugino, dan welk stukje kunst, die heilige kunst

van Perugino--al was hij zelve ook niet zoo heel heilig--omdat imitatie

van manier, hoe perfect ook, toch altijd secondair blijft. Hoog

bekoren mij het magistrale portret van Julius II, in de Uffizie,

en de glanzig kuische en goudschoone Madonna del Gran-Duca in het

Palazzo Pitti, maar in de Madonna del Cardinello vind ik het Jezuskind

bepaald dik-leelijk en den voet, die op den voet der moeder staat,

niet minder dan wanstaltig, en de Madonna della Sedia houdt telkens

en telkens iets prenterigs voor mij, tegelijk met iets ra-terre-'s....

De goddelijke glorie van Rome zijn al hare antieke marmers: de

weêrgalooze muzeums in het Vaticaan: Pio-Clementino, Chiaramonti en

de Braccio Nuovo, waar allen zoo heerlijk ruim staan, alsof de eigen

atmosfeer dier nu verminkte en ontheiligde goden nog om hen heen waait,

en bij deze unieke verzamelingen sluiten zich de collecties aan van

het Kapitool, van het Lateraan, van Borghese, van Ludovisi en van de

Termen van Diocletianus....

Reis-impressies · 第 1 / 5 段