valle?" vraagt de rechercheur van Dam, glimlachende om de verbazing
waarmede de jongen hem aanziet. "Maar zie je, maatje, dat komt omdat je
niet op 't wachthuisie van de tram het gelet, toe je om 't hoekhuis
keek, want daar zatte ik en me kameraad nou juistement op de loer. "Nou
jij dat aardige, kleine jongetje achterna," zeg 'k tege me kameraad, "en
ik Kootje opgepikt." En toe he' 'k 'n endje meegereje met die melkboer,
die daar met ze wage wegrijdt, en zoo ben ik dan nou bij je. Gogem, hè?
En mal van me da' 'k je dat vertel? In 't geheel niet, hoor! want zie
je, Kootje, ik weet wel honderd maniertjes om jongetjes te vangen; dan
doen 'k 't zus en dan weer zoo, maar altijd weer heel anders; en al zou
'k je nou morge, om zoo te zegge, op de eigeste plaas zien, en al hà' je
mijn dan _ook_ weer in de gate, dan was je 'r toch weer bij, want dan
prakkiseerde 'k weer heel ies nieuws.--Maar hoor 's, Kootje, ik wou 's
met je prate; ja, dat wou 'k. Zalle we dan 's zame op zoo'n hoog, diep
stoepie in de van Woustraat gaan zitte? Da' 's gezellig, hè? Alla, neem
't zakkie dan maar op."
"Draag 't zellevers," antwoordt Kootje, nijdig.
"Maar Kootje, wat ben je narrig, jongie! En dat nog al op de vroege
morge, tege 'n goed vrind van je."
"Stik!" roept Kootje uit.
"'k Mag gehange worre as 'k wat van je begrijp. En jij, zus," vraagt van
Dam aan een aardig dienstmeisje, dat voorbijloopt.
"Och malle!" roept het meisje uit, "laat mijn maar loope. 'k Zal 't an
je vrouw zegge, hoor! dat je de meisies niet met rust laat."
"Jij doe maar," antwoordt de rechercheur, "dan zal 'k 'r zegge, da' 'k
je voor me schoonmoeder hieuw.--Nou Kootje, wil je 't zakkie niet drage?
Ook al goed; dan zal ik 't doen, as je me maar 'n handje geeft; want 'k
zou me eige wel kanne begrijpe, dat je "adie" zegge en 'm smere zou, as
'k er niet voor zorgde, dat je nog 'n poosie bij me bleef.--Koman dan
maar!" En den zak op zijn schouder ladende, loopt hij met Kootje, dien
hij bij den pols vasthoudt, voort, totdat zij zijn gekomen in de van
Woustraat, bij een woning met een ingebouwde stoep, die beide opgaan.
"Nou," zegt van Dam, zorg dragende zóó te gaan staan, dat Kootje niet
kan wegloope, "late we nou 's kijke wat er in dat zakkie zit. Pijpies?
Jawel! Een, twee, drie, vier onderstukkies, en allemaal dieferente.
Jonges Kootje"--en de rechercheur bergt de vier stukken zink, afkomstig
van aan gevels bevestigde afvoerbuizen, weer in den zak--"je bent van
morge vroeg uit de veere geweest, hoor je, en je het je tijd goed
besteed ook. Maar je was met je beije, da's waar ook; en as 'r een op de
uitkijk staat, dan kan de ander 'n boel rustiger doorwerke, doordat ie
niet tellekes hoeft te kijke of 'r ook 'n smeris ankomt. Daar hei je
gelijk an. Maar 'k vin toch wel, Kootje, dat dat jongetje, dat je bij
je had, wat heel jong is, om al met je mee te gaan. Wie was 't?"
"Wie?" herhaalt Kootje, met een blik vol minachting naar den
rechercheur, die durft te denken, dat hij zal "klappe"--"wie? Kees
Gappe, hè!"
"Ja!" roept van Dam uit, zich houdende alsof hij ten hoogste verwonderd
is, "was die 't? Da' 's nog famielje van je, hè? Maar dat nou 's daar
gelate. Je mot wete, Kootje, da' 'k 'n plannetje heb; ja, dat hè' 'k; 'n
heel lief plannetje. En daar mot jij me in helpe, as 'n zoete jonge. Wil
je wete wat 't is?" vraagt de rechercheur, zijn hand op den schouder van
den jongen leggende.
Maar Kootje, nijdig omdat hij "zuur" is, trekt wrevelig zijn schouder
terug en zwijgt.
"Hoor 's jongetje," zegt van Dam, nu in vollen ernst, "nou he' 'k je
maar één ding te zegge: òf je mot hoore na 't geen ik je te zegge heb
en asem geve as 'k je wat vraag, òf, as je dat niet van zins bent, dan
blaas 'k alarm, en dan komme 'r twee smerisse, zooas jij zeit, en die
neme je mee, dà' je voor schandaal over de opebare weg loopt. Je bent
dus gewaarschouwd, Kootje!" roept de rechercheur uit, den jongen met
zijn signaalfluit dreigende. "Nou nog 's"--en al sprekende, brengt hij
bedoeld instrument langzaam naar den mond--"wil je nou hoore, of mot 'k
muziek make?"
"Wat mot 'k dan," vraagt Kootje nurks.
"Zie je wel, daar draai je al bij!" zegt van Dam, "en da' 's dan ook
verstandig van je.--Nou, Kootje, doe je oore nou goed ope, want nou komt
't.--Die pijpies"--en van Dam kijkt den jongen scherp aan--"wou je zeker
bij Krido brenge, hè? Want je ging die kant uit!" voegt hij er, met
eenige verheffing van stem en uitgestoken wijsvinger, bij.--Kootje denkt
even na en bevestigt dan, door een flauw hoofdknikje, het vermoeden van
den rechercheur.
"Zie je wel, dat dacht 'k wel!" verzekert van Dam. "Nou zeg 'k altijd,
Kootje," vervolgt hij, zijn bakkebaard streelend, "dat 't de ergste niet
altoos benne, die op 't rooje-dorp zitte. As jij en je kornuite, hier of
daar 'n stukkie zink gappe, of lood, of koper of wat 't is, dan ben je
'r gemeenlijk bij, dat spreekt, hè!--maar opkoopers, as Krido, as
Mosselman, Luchthof en andere, die veel gemeender benne, omdat ze, door
al dat gestole goed te koope, jullie an de gang houwe, die draaije d'r
niet alleenig tusse uit, maar door jou en 'n ander verdiene ze zooveel
cente, dat ze huisies koope en as groote meneere voor de dag komme, as
'r dat in d'r hoofd komt. Zie je, Kootje, dat zeg 'k altijd, da' 's niet
zoo as 't hoort, en as daar 's 'n end an kwam--dat zou heelemaal niet
mal weze.--Nou mot je wete, jongie"--en de rechercheur gaat met één been
op de stoepleuning zitten--"dat me kameraas, 'n maand of zes geleje,
Ponto, dat almee de grooste opkooper hier in de stad is, voor de tijd
van twee jare in de kast hebbe geprakkiseerd, en nou wou ik 's kijke, of
_ik_ er Krido niet bij kon lappe. En daar mot jij me nou in helpe.--Wat
zou je 'r nou wel van zegge, maatje, as wij zame's 's maakte, dat
"oome maffie," zooas juilie 'm noeme, door dit zaakie van jou"--en de
rechercheur wijst met een hoofdbeweging naar den zak--"voor 'n jaar of
wat zakkies most plakke.--Moppig, hè?"
't Is duidelijk dat Kootje dezelfde meening is toegedaan, want een flauw
glimlachje vertoont zich om zijn bleeken neus en bloedelooze lippen,
maar het plan van den rechercheur acht hij geen duit waard, want hij
antwoordt: "ja, dat zal je ook glad zitte...!"
"Nou, wacht nou 's effe; dat wou 'k nou juistement 's met je beprate,"
zegt van Dam, van de stoepleuning af komende. "Kijk nou 's! As jij nou
's"--en onder het spreken beweegt de rechercheur den wijsvinger der
rechterhand op en neer--"die pijpies, hier in dit zakkie, na Krido
bracht, en 'm vierkant in z'n gezicht zei, dat ze gegapt benne,--dan zou
ie 't toch koope, denk 'k?"
"Ja, daar zal ie ook wat om male!" roept Kootje uit.
"Nou net; maar as ie goed koopt, daar je van bewijze kan, dat ie gewete
het, dat 't gegapt was, dan is ie er bij; want da' 's effetief hele,
hoor je! En as ie daarmee voor de heere mot komme, die toch al zoo fel
op die opkoopers gebete benne, dan wil 'k nog 'n kwartje van me arremoed
verspele, as ie niet de eigeste porsie krijgt, die ze Ponto gegeve
hebbe. Dus," zegt van Dam, met den wijsvinger langs den neus strijkende,
"alles wat 'k nou van jou hebbe wil, Kootje, is, dat je met 'n
handlangertje van me na Krido gaat en 'm de pijpies verkoopt, nadat
je--versta me nou goed--nadat je 'm eerst het gezeit, dat ze gegapt
benne. Je mot dan naderhand, as Krido terechtstaat, voor de rechtbank
getuige, dat je 'm dat het gezeid, en dat kan dat handlangertje van me
dan bevestige, maar as je 't doen wil, dan beloof 'k je, da' 'k je voor
dit zaakie zal late loope; en dan krijg je nog 'n koekie van me,--je
weet wel, zoo'n mooi zillever portretje van de Koningin."
"En as ie 't nou niet koopt, la' je me dan ook loope?" vraagt Kootje,
den rechercheur met een argwanenden blik aankijkende, "want die pijpies
heb _ik_ niet gegapt, hoor!"
"Och kom!" roept van Dam uit, den jongen met een vriendelijken glimlach
aanziende.
"Wel neen 'k!" zegt Kootje, verontwaardigd. "Je het ommers die andere
jonge bij me gezien? Wel nou, van zijn he' 'k 't zakkie gekrege, om 't
voor twee vierduisstukke bij Krido te brenge, en 'm van aved, op de Dam,
de cente of te drage."
"Och kom," herhaalt de rechercheur.
"Wel ja," grauwt Kootje, "da' 's de waarheid. Wist ik nou wat 'r in dat
zakkie zat! Daar heb ik geen kennis an, hoor! En as ik bij Krido ga
zegge, da' 'k die pijpies heb gegapt, dan kan jij Krido naderhand wel 's
late verklare, dat ik dat bekend het, en dan was 'k zuur hè?"
"Ei..!" en van Dam glimlacht en knikt goedkeurend, "da's heelemaal niet
mal van je geprakkiseerd, hoor! Je bent gogemer as 'k docht, Kootje;
maar"--en de rechercheur denkt een oogenblik na--"'k beloof je, da' 'k
je in alle gevalle zal late loope. 'k Waag heel wat," beweert hij, een
bedenkelijk gezicht zettende en zich met de vlakke hand langs den hals
strijkende, "as me commissaris hoort, da' 'k je heb late loope, dan ben
'k geschogte. Maar 'n mens mot wat wage, 'n mens mot wat wage!" roept
hij uit. "Wil je dan nou 't booschappie doen, Kootje?"
Onder deze voorwaarden stemt de jongen met een hoofdknik toe, en daarop
gaat hij met den rechercheur naar het bureau, waar hij de komst van het
handlangertje afwacht, dat van Dam heeft doen ontbieden. Dit heerschap
evenwel ziek zijnde en in het gasthuis verpleegd wordende, laat de
rechercheur een ander jongmensch komen, dat ook wel eens diensten aan de
politie bewijst, en bij haar, om zijn pokdaligheid, als "de mottige"
bekend staat. Veel vertrouwen stelt van Dam wel niet in dit individu,
dat een half uurtje later aan het bureau verschijnt, maar voor dit
zaakje, waarin hij niets anders te doen zal hebben dan te hooren naar
hetgeen er tusschen Krido en Kootje verhandeld zal worden, meent van Dam
hem wel te kunnen gebruiken, en als de mottige voldoende is ingelicht,
begeven zij zich met hun driëen op weg, om den niets vermoedenden
opkooper in de val te lokken. De jongens loopen vooruit, en op eenigen
afstand volgt van Dam, die Krido onmiddellijk zal arresteeren, als de
zaak haar beslag heeft gekregen.
"'k Heb 'n lief kansie," denkt de rechercheur, "'n heel lief kansie, en
as 't me gelukt, dan zal 't me geen windeiere legge; da' 's 't minste
daar 'k over prakkiseer. As Kootje nou 't booschappie maar goed doet! 't
Is zoo'n raar kalf van 'n jonge, en je kan nooit 's wete wat ie vóór
het. Maar as 'k goed zie, dan vindt ie 't wel moppig om Krido zuur te
make. Afijn! we zalle zien wat ie doet. Maar nou 'k dit in me hoofd heb
gezet, nou is 't je geraje, maatje,"--en de rechercheur kijkt met een
dreigenden blik naar Kootje, die druk pratende en ginnegappende met den
mottige, van tijd tot tijd naar van Dam omkijkt--"nou is 't je geraje,
dat je me niet in me contrarie werkt, want jongie, jongie...! dan zou je
in 't vervolg zoo'n kwaje an me hebbe, hoor...!"
Intusschen zijn Kootje en de mottige aan het lompenmagazijn van Krido
gekomen, en terwijl van Dam op eenigen afstand daarvan blijft wachten,
gaan de beide jongens naar binnen. 't Is een smal en diep perceel, en
't is er zoo donker, dat, den geheelen dag door, in het achterhuis,
een paar gaspitten branden. Ontzaglijke hoeveelheden gesorteerde en
ongesorteerde lompen zijn tegen de muren opgestapeld, oud ijzer, koper,
lood en zink liggen bij hoopen op den vloer, en een menigte voorwerpen,
van allerlei aard: gedeukt, beschadigd, gehavend of verroest, bedekken
de lange toonbank, links van de voordeur. 't Is een chaos van dingen,
ingekocht tegen een belachelijk gering bedrag, maar die, verstandig van
de hand gedaan, een verbazende winst zullen opleveren, en te midden van
dat alles staat een bascule, waarop Kootje den zak smijt, zeggende tot
Krido, die met zijn knecht een hoop vodden uitzoekt: "daar, weeg maar
op."
De knecht haalt, zonder iets te zeggen, het zink uit den zak, en terwijl
Krido aan den eenen- en de jongens aan den anderen kant der bascule
staan, zegt de opkooper, een zuur gezicht zettende: "is dat awwes? 'n
enke' stukhie zinkhe pijp!"
"Alles!" roept Kootje uit, "ja, d'r zal daar zoo meteen nog 'n
verhuiswage met goed achteran komme, hè...!"
"'k Zà 'm zien komhe," antwoordt Krido en, met een blik naar den
mottige, dien hij nog niet kent, voegt hij er, tot diens onderricht,
bij: "'k koop awwes, en 'k geef meegh as wie ook."
Als de opkooper dit zegt, grinniken de jongens tegen elkander en zegt
Kootje, Krido brutaal aanziende: "as je maar niet in de gate het, dat 't
gegapt is, hè?"
"Gaphe!" herhaalt Krido, verontwaardigd. "Wat wou jij zeghe! Ikhe, ikhe
zou gestowe goed koophe...!"
Kootje antwoordt niet, maar snuft hoorbaar en knipoogt tegen den
mottige.
"As 'k ooit ies heef gekoch," vervolgt de opkooper, "dat achte-af gezien
geen zuive-è koffie was, heef 'k dan daa-van vemoedes gehad? Kan dat in
de hande' niet voo-komhe, dà' je ies koop, nie' te wete dat 't gestowe
is? Mà as 'k 't in de gate heef, asse ze 't me anpgesentee-è, heef 'k
dan niet a-tijd gezeid: "gaat na Mosse-man, of gaat na Nibbig, ma' bij
Kgido, da' mo' je niet weze?""
"Dan koop dit ook niet," raadt Kootje hem aan, "want die pijpies binne
gegapt, hoor!"
"As dat waagh is," zegt Krido rustig, "ove' wat zou jij dat dan zeghe?"
"Dat vraag die leenmichel, die buite staat," antwoordt Kootje.
Krido kijkt den jongen een oogenblik onderzoekend aan, maar denkende,
dat Kootje hem voor den gek houdt, haalt hij even de schouders op.
"Ja nou, ik heb je gewaarschouwd, he!" roept Kootje uit, "en as je me
niet gelooft--'t zal mijn 'n zorreg weze, hoor!"
De stellige toon, waarop de jongen spreekt en de blik, waarmede hij naar
hem opkijkt, maken den opkooper nu toch ongerust, en Kootje scherp in
de oogen ziende, vraagt hij: "voo' wat zou die buite sthaan?"
"Om je op te pikke en na 't rooje-dorp te brenge, as je de pijpies
koopt, nou je weet, dat ze gegapt binne," antwoordt Kootje.
Zoodra de jongen dit heeft gezegd, gaat Krido haastig naar de voordeur,
draait den sleutel om, en terwijl de knecht, uit eigen beweging, de
stukken zink weer in den zak doet en den zak tegen de toonbank zet,
vraagt Krido, Kootje met vonkelende oogen aanziende: "wie sthaat è
buite; hoe hiet ie?"
"Wie!" herhaalt Kootje, "van Dam, hè! die van morrege, toe 'k die
pijpies... alla! toe 'k met die pijpies over de straat gong, me het
angehouwe. En met ze lamme moppe me sarre, die verrekte stiekemert...!
Ik zuur, hè! Maar as 'k hier na toe gong, om je te verraje; as 'k
de pijpies versjaggelde, maar eerst zei, datte ze gegapt ware, om
jou d'r bij te lappe, dan kon 'k er tusse uit. "Da' 's moppig," zei
ie.--Moppig," roept Kootje uit,--"_hem_ 'n loer te draaije, da' 's veel
moppiger, hè!"
"Zoo'n vervloekte judas," zegt de knecht van Krido binnensmonds.
"'n Hond!" roept de opkooper uit. "Heef 'k niet à-tijd de resersie in de
hand geweght? Heef 'k niet a-tijd gezeid, asse ze bij me kwamhe vwage,
of 'k ditte of datte had gekoch: "kijk mà' na, en zoek mà' uit!" En
asse ze 't gevonde hadde, heef 'k dan niet à-tijd gezeid van wie 'k had
gekoch, en hebbe ze 't niet kanne meeneme ook? En ha' 'k dat hoeve doen?
Ha' 'k niet kanne zeghe: "ikhe weet van niks, en me goed--dà kom je
niet an?" En nou zou-e ze me, op me ouwe dagh, geschogte make voo' 'n
stukhie zinkhe pijp! Mà' 'k zà ze zien komhe, asse ze me noodig hebbe,
en ze zà-e wete da' ze me zuugh wou-e make. Zeg dat an van Dam"--en
Kootje, te gelijk met den zak, vier kwartjes in de hand duwende, die de
jongen terstond met den mottige deelt--voegt hij er bij: "en zeg 'm ook
dat 't 'm zà heuge, dat ie Kgido heef gezoch." En dan, naar de voordeur
gaande en de jongens uitlatende, zegt hij nog eens tusschen de tanden:
"zoo'n hond!"------
"Wel donders!" denkt van Dam, groote oogen opzettende, als hij Kootje
met den gevulden zak ziet terug komen, "'t is mis! Hoe duivel is dat
mogelijk?"
"Wel Kootje, wou ie 't niet hebbe?--Loop maar 'n endje mee; hier, de
dwarsstraat in.--Nou, wat zei ie?"
"Da' 'k 't maar weer mee most neme," antwoordt Kootje, "toe 'k zei, dat
't gegapt was."
"Wel verbazend!" roept van Dam uit.
"Kan ik 't hellepe?" vraagt Kootje.
"Stil maar, jongie, dat zeg 'k immers niet!--Wel, wel! Wou ie er niks
mee te make hebbe, mottige.--Zei ie dat?"
"Hij zei, da' we na Mosselman moste gaan, of na Nibbig," antwoordt de
mottige, "maar bij hem--daar ware we niet te recht."
"'t Is sikuur 'n mirakel!" roept van Dam uit, die, nadenkende hoe de
zaak zich kan hebben toegedragen, en van den eenen jongen naar den
andere kijkende, bemerkt, dat zij, naast hem voortloopende, af en toe
tersluiks elkander aanzien en dan, niet zonder moeite, hun lachen
verbergen.
"'k Had 'n kwartje tege 'n cent gehouwe, dat ie 't gekocht zou hebbe,"
verzekert van Dam en, met een blik naar Kootje, vraagt hij: "waarom zou
ie 't niet gedaan hebbe, denk je?"
"Weet ik 't?" antwoordt de jongen.
"Hoort eris, maatje," zegt de rechercheur, "je bent machtig kort van
asem nou, en daarom zou 'k haast wel denke, dat je, toe je bij Krido
was, veel meer woorde het vuil gemaakt, as je voor mijn part had hoeve
doen. Afijn! 'k heb je gezeid, da' 'k je zou late loope en dat zal 'k
dan nou ook doen. Geef 't zakkie dus maar hier."
"En krijg 'k nou geen koekie?" vraagt Kootje, den zak latende vallen en
den rechercheur brutaal aanziende.
"Nee," antwoordt van Dam, doende alsof hij zich even bedenkt, "'n
koekie, dat geef 'k alleenig maar as 'n zaakie in orde komt; maar
'n goeje raad, Kootje, die kan je van me krijge: as je wijs doet,
jongie"--en al sprekende, tikt hij Kootje herhaaldelijk met den
wijsvinger op den schouder--"as je wijs doet, dan maak je, dat je
vooreerst niet meer in me vaarwater komt. Dag, hoor!" En den zak
opnemende, keert hij zich om en verwijdert hij zich. "'t Is zoo klaar as
de dag," denkt hij, "Kootje het me verraje en begrepe, dat ie 't koekie,
dat ik 'm beloofde, ook wel van Krido kon krijge. En dat het ie _nog_
moppiger gevonde--zoo'n gare! 't Sting me al niet an, dat ze zoo liepe
te smoese en te grinneke, toe we d'r na toe gonge.--Maar 'n mens mot
leere, 'n mens mot leere! En jongetjes gebruike, om opkoopers in de val
te lokke--nee hoor, da' 's eens, maar dat nooit weer!"
De aanspreker.
"Nog 'n hallefie, Pieterse," zegt van Soelen--een dikke aanspreker, die
de vijftig even voorbij is, een man met grijzend haar, een rood,
gezwollen gezicht en uitpuilende, vochtige oogen--"nog 'n hallefie," en
dit zeggende schuift hij zijn glas den kastelein toe, die met een:
"meneer asjeblieft," welke uitdrukking hij zich heeft aangewend in
plaats van: "asjeblieft meneer" te zeggen, het glas opneemt en het,
enkele oogenblikken later, bijna geheel gevuld--want om de concurrentie
met zijn buurman, die knijperig is, geeft hij meer dan volle maat--voor
zijn gast op tafel zet.
"As 't zuk nat weer is as nou," zegt van Soelen, het glas tegen het
licht houdende en den inhoud even schuddende, voordat hij dien aan den
mond brengt, "as 't zuk nat weer is as nou, dan zorreg ik er voor, da'
'k me eige van binne warm houw. Wij mense motte, weer of geen weer, in
ons bloote hoofd op 't kerkhof staan, en:
"as 'n boom, in de herfst, ze blare,
verliest 'n mens met de jare ze hare;"
las me vrouw me laast uit 't een of andere boek voor, en wist 'k
buitedien ook al," verzekert hij, met de vlakke hand over de kruin van
zijn hoofd strijkende, die inderdaad zoo glad is als de bodem van een
kommetje.
"Ze magge zegge wat ze wille!" roept hij uit, een zakje met vijf sigaren
uit zijn borstzak halende en een daarvan opstekende--"de jenever is dit
en de jenever is dat, zegge ze, en 'n poos geleje he' 'k geleze, dat 't
zooveel as de volkskanker was--ook al, en dat je mirakel wijs deej as
je, in plaas van 'n proppie te koope, 'n glas warreme melk.... N-ou...!
_Ik_ zeg maar: "'n iegelijk mot wete, wat 'm past." Ik drink ze al lang,
dat wil 'k wel wete, en blijf er gezond bij. Maar--van de gezondheid
gesproke--hoe maakt 't je dochter?"
"Och!" antwoordt Pietersen, terwijl een ruk van zijn hoofd schijnt te
kennen te geven, dat dit onderwerp hem minder aangenaam is, "dat blijft
aldoor maar 't zelfde. 't Sagrijn da' 'k daar al van gehad heb..! 'n
Flinke meid, en dan de heele dag niks uit te voere, maar aldoor maar
voor d'r eige heen te zitte suffe--daar krijg je op 't laast de duvel
over in! Maar hardhans anpakke, kan je d'r niet, want dan raakt ze
heelemaal van de kook.--En 't beroerste is, dat niemand weet wat ze nou
eigelijk het. 't Is zóó met 'r, dat as d'r moeder grient, dan grient
zij ook, en om de kleinste kleinigheid kan ze d'r eige overstuur make,
dat ze in geen twee dage uit 'r bed komt, maar waar 't 'm nou effetief
in zit--ja nou, dat raaj maar! De juffrouw van hierbove zeit, dat 't
wurreme binne, en die wil, dat ze wurremekoekies zal slikke. "'t Is
niettes," zeit de vrouw van van Seggere, die baker is, en hier nogal 's
over de vloer komt, "ze is slap. Geloof me nou toch 's," zeit ze, "'t is
niks as slapte, en ze mot staalwijn drinke, staalwijn." Maar de zuster
van me vrouws tante, die 'r 'n kind an verlore mot hebbe, zeit dat 't
kliere binne. En _dat_ vin ik ook nog zoo mal niet, weet je, omdat ze
zoo bleek ziet en zoo papperig is."
"Je mot 'r 's late onderzoeke," geeft van Soelen in bedenking.
"Ook al gebeurd," antwoordt Pietersen; "de dokter is 'r bij geweest, en
'n poos later de perfester. Maar dat ha' 'k wel kanne late, want die
konne niks anders bij d'r vinde, zeije ze, as dat ze spatare het. Nou,
daar ha' 'k nou ook wat an! "Spatare," zeg 'k, "die zalle d'r niet na
d'r hoofd vliege." En toe 'k dat zei, keke ze me over d'r bril heen an
en zeije ze, met 'n strak gezicht, dat ze dat ook niet dochte. Maar
verder kwam 'k niet. 'k Most make, zeije ze, dat ze afleiding had, en
dat ze zooveel as plezier in d'r leve kreeg. As 'k 't goed begrijp, dan
mot ze, om zoo te zegge, as 'n rijkelui's kind behandeld worre en altijd
iemand om 'r hene hebbe die ze eige met d'r bemoeit.--Ja, toe maar! 't
Is gauw gezeid, hè? maar begin 'r maar 's an. _Ik_ heb met de tapperij
de heele dag me hande vol, en me vrouw--met 'r huishouwe en d'r zes
andere kindere--kan 'r tijd ook wel an."
"Ja," zegt van Soelen, "verordineere dat kenne ze, en rekene, dat kenne
ze nog beter, maar 'n kwaal kereere--da's nog wel effe wat anders.--En
daar hei je de cyperse ook," roept hij uit, als de deur opengaat en een
van zijn confraters binnen komt, "ik docht al: waar blijft ie. Gaat
zitte, man en koopt er eentje, as je niet op 'n droogie wil zitte."
De aangesprokene, iemand met vuurrood haar, die Hinsen heet, maar onder
de aansprekers als "de cyperse" bekend staat, zet zijn parapluie in een
hoek en zijn hoed af en, door een hoofdknik naar den kastelein, zijn
wensch naar zijn gewonen borrel te kennen gevende, gaat hij tegenover
van Soelen zitten, de opmerking makende, dat 't nat weertje is, en dat
het weerglas, zoo als de barbier hem verteld heeft, altijd nog
terugloopt.
"'t Zal mijn 'n zorg weze," verklaart van Soelen. "As we dit karreweitje
van ellefe achter de rug hebbe, dan gaan 'k rechtdeur na huis en as 't
niet opklaart, dan blijf ik d'r in."
"'k Wou da' 'k 't ook kon zeggen, maar ik," zegt Hinsen, met een zucht,
"kan de heele middag deur de stad loope anzegge, dat meneer Breukelmans
dood is."
"Die van de Keizersgracht?" vraagt van Soelen, "da' 's 'n toggie na
Muijerberg, hè?"
"Na Muijerberg!" roept Hinsen uit--"en ze hebbe me gezeid, dat ie op
Zorgvliet...."
"Gelijk hei je," stemt van Soelen toe, "'t is Zorgvliet, maar 't is ook
al 'n vijf en twintig jaar geleje, dat we ze vrouw, die in de kraam van
'r jongste kind stierf, d'r na toe gebrocht hebbe."
"Ja," zegt Pietersen, een stoel tusschen de beide aansprekers zettende
en zitten gaande, "dat is verleje Dinsdag, 11 Juni, vijf en twintig jare
geleje geweest want mijn vrouw het er as keukemeid gediend, en op de
eigeste dag, dat _wij_ trouwde, wier _zij_ begrave. 't Is dikkels meer
as 'k kan begrijpe, dat die tijd er alweer op zit, maar 't is zoo,
hoor! En waar is, dat er sedert me trouwe hier in Amsterdam al heel wat
veranderd is, dat mot 'k ook 's zegge.--Neem jij je eige nou maar 's,
van Soele. Toe je hier je eerste borrel dronk, nadat 'k dit zaakie had
overgenome, toe zag je 'r heel anders uit as dat je nou doet, man, en
as 'k zal zegge zooas 'k t' meen, dan stong dat vroegere pakkie toch 'n
boel beter as 't genige, dat je nou an je lijf het, hoor."