Op het dak daarvan, boven het geschilderd boogvenster, verheft zich

een groot verguld kruis, dat in den zonneschijn schittert met hellen

glans, en daar omheen wieken zwaluwen, die haar nest onder de balken

van het bedehuis gebouwd hebben en die, door een opening in den muur uit

en in vliegende, van tijd tot tijd door haar vleugelruischen de stilte

afbreken, die in de gewijde ruimte heerscht, harmonisch met het

getemperd licht, waarin het gewelf is gehuld. In dat wazig halfduister

brandt zwak de vlam der kaarsen, die op hooge zilveren kandelaars op

het altaar staan, en in dat bleekgele licht strekt de Heiland aan het

crucifix de armen uit, het edel hoofd diep gebogen. Ter weerszijden van

dit roerend afbeeldsel des Heeren geurt een overvloed van witte rozen,

en achter het altaar staat hoogopgaand groen van palmen, sparren

en varens. Voor het overige is de kapel ledig; geen banken, geen

bidstoelen, niets dan het altaar en daar tegenover het orgel, waarvan,

als de laatste galm der luidende klok is weggestorven, een zachte muziek

ruischt.

Onder de tonen van het orgel, die, langzaam aanzwellend, welluidend door

de ruimte stroomen, komt een lange rij nonnen binnen, in wit gewaad, het

hoofd--bedekt met een wijd-uitstaande witte kap--eerbiedig gebogen, de

handen tegen de borst en de vingertoppen tegen elkander gedrukt. Stil,

als elven, verspreiden zij zich over de zerken, waarmede de kapel is

bevloerd, en dan knielen zij neer op die steenen, waaronder het gebeente

rust harer zusteren, die haar zijn voorgegaan. Het orgel zwijgt en het

gemeenschappelijk gebed rijst omhoog.

Er is iets niet van deze wereld, iets bovenaardsch in die vrouwenrijen,

zooals zij, in dat geheimzinnige licht, allen in een zelfde kleed

gehuld, in het heilige der heiligen geknield ter neder liggen. Meer

menschen_beelden_ zijn het dan menschen, meer herrezenen dan levenden.

Want niet van deze wereld schijnt de rust, waarvan al die gelaatstrekken

getuigen, en de kalmte, die uit den opslag dier oogen en de

gelijkmatigheid dier bewegingen spreekt.

Immers het leven daarbuiten heet "zorg." Daar is de zorg voor het heden

en die voor de toekomst, de zorg voor zichzelf en die voor anderen, de

zorg om te verkrijgen en die om te behouden, zorg van allerlei aard. En

dat rusteloos trachten en jagen, dat altijd bereid zijn en uitzien,

houdt den mensch wakend en in spanning, en zoo openbaart de uitdrukking

van zijn gelaat, zijn houding en gebaren, dat hij streeft en strijdt.

Maar hier, waar de weg, die moet worden afgelegd, tot den eindpaal des

levens is gebaand, waar vandaag is als gisteren en morgen zal zijn

als heden, waar wel een eind is, maar geen toekomst, waar het leven,

losgemaakt van al het aardsche, voorbijgaat zonder indrukken, zonder

emoties, zonder wenschen en verlangen, zonder genot en zonder smart,

waar de ziel ademt in een dampkring, doortrokken van den wierookgeur,

die van het altaar opstijgt, hier worden zij verkregen, na korter of

langer tijd, die kleurlooze kalmte en die effen rust, door allen, die op

den tocht des levens, van verre of van nabij, langs verschillende paden

naar deze toevlucht gekomen zijn.

Daar zijn er die langs steile en ongebaande wegen kwamen en die,

uitgeput van vermoeienis en bloedig verwond, hier een wijkplaats gezocht

en gevonden hebben. Maar er zijn er ook, die langs een zandweg liepen,

in koele schaduw, langs helder stroomend water, met een lieflijk

verschiet voor oogen. En als ook zij zich hebben afgekeerd van de

bekoorlijkheden van het dal, waardoor zij gingen, en haar leven aan den

dienst der Witte Vrouwe hebben toegewijd, dan is het, omdat zij geleid

werden door den drang der ziel, de verzadiging zoekende, die in de

wereld niet voor haar te vinden was, en omdat zij meenden dat de zaden,

die zij konden uitstrooien op den akker des levens, wel vruchten konden

dragen daarboven, maar niet _ook_ konden rijpen tot aardschen oogst.

Zie daar ginds die jeugdige gestalte, met dat fijngevormde, regelmatige

gelaat, zooals zij daar ligt neergeknield, de handen rustende in den

schoot, de vingers los in elkander gestrengeld, het hoofd eenigszins

achterover gebogen, de groote, blauwe oogen naar boven gericht, in

innige devotie. Hier is in jeugd en schoonheid, naam en rijkdom alles

vereenigd wat het leven kon maken tot een langen, schoonen, vruchtbaren

zomerdag, met een vriendelijken avond, waarin het genot der rust door de

herinnering aan het welbesteed en zegenvol verleden zou worden gewijd.

Maar zij heeft alles versmaad, wat haar was toebedeeld: geurende bloesem

en rijpe vrucht. Want wat was alles, wat zij naar de wereld bezat?

Zouden jeugd en schoonheid niet voorbijgaan als zonneschijn? Was een

naam iets meer dan klank, en goud iets anders dan gewicht? De menschen

zouden komen en voor dat alles knielen, en door den wierookwalm hunner

vereering, den adem hunner aanbidding den vlekkeloozen spiegel harer

ziel bezoedelen.

Haar ziel! een schittering van Zijn licht, een ademtocht van Zijn mond,

een sprank van Zijn geest, die zou leven als de doodsklok luidde over

haar en al het hare, en die naar Hem verlangde, als de balling naar zijn

vaderland. Neen, op de weegschaal van wat waarlijk geluk mocht heeten,

wees de evenaar niet naar aardsche genietingen, maar naar het heil harer

ziel. Haar wijden aan Hem, te zijn met Hem, elken dag, elk uur, elk

oogenblik, in gebed, in gedachte, in de eenzaamheid, ver van het gewoel,

den glans, de verleiding der wereld, dat was het eenig noodige, dat,

waardoor zij haar ziel door het leven kon dragen als een leeuwerik zijn

lied. En zoo was zij in 's levens lente haar roeping gevolgd.

Jong ook, maar in den strijd des levens diep verwond, is die andere

gestalte naar hier gekomen, wier edel gelaat de sporen draagt van

het leed, dat achter haar ligt. Daar was een tijd, waarin het geluk

haar toelachte, toen zij werd geëerd en benijd door allen, die haar

omringden, toen het scheen, dat de wereldsche zorgen verre van haar

zouden blijven, en dat haar leven, rijk aan zegen, zou zijn ten zegen

ook. Maar dat alles was veranderd, ineens. Een enkele windstoot had

alles vernield en haar niets gelaten dan de bittere ervaring, dat de

overgroote menigte den mensch waardeert naar zijn kleed. Toen had zij

gewerkt voor haar brood, dagen en nachten, en geleerd, dat de vruchten

van den arbeid vaak rijpen in de duisternis van kommer en ontbering.

Maar zij was jong en sterk. Zij had den gordel vaster om de lendenen

gesnoerd en voorwaarts ging zij met fieren moed, al brak haar bijna het

hart onder den spot en schimp van hen, die haar omringden. Want de

armoede haat de armoede, die niet uit haar is geboren, zij hoont het

kind der weelde, dat gebrek lijdt, en kwetst zijn fijngevoeligheid op de

pijnlijkste wijze. Maar zij had alles verdragen, geduldig, standvastig.

En toen was er een zonnestraal doorgedrongen in de duisternis om haar

heen, en weer had zij zich gekeerd naar het leven als het kind naar zijn

moeder, want zij had lief. Een vriendelijk oog had haar toegelachen,

een welluidende stem had gedeeld in haar verdriet, haar vertroost en

bemoedigd, en een sterke arm had zich om haar heen geslagen, een arm,

die haar zou leiden en steunen, haar leven lang, langs lieflijke dreven.

En gelukkig was zij geweest, als nooit te voren. O, niet meer alleen

zijn, te midden dier tallooze, onverschillige menigte, die haar ruw

bejegende, haar wegstiet en voorbij snelde in die verschrikkelijke jacht

naar brood. Neen, nooit meer alleen zijn, maar zij aan zij en hand in

hand door het leven gaan. Te zamen werken des daags, te zamen rusten

des avonds, te zamen zaaien en zorgen, en te zamen oogsten, te zamen

den zegen ontvangen en het leed dragen. Elkander steunen en bemoedigen

in iederen strijd, elkander leiden en dienen, elkander waardeeren en

hooghouden, elkander liefhebben tot het einde. _Dat_ had zij gehoopt van

haar toekomstig geluk, en het was een droom geweest waaruit zij op ruwe

wijze was wakker geschud. Want zijn hart was verdorven, en zijn ziel

kende geen idealen, en diep beleedigd had zij zich van hem losgerukt,

vluchtende ver buiten zijn bereik.

En toen, toen was het geweest of de nacht was gekomen, waarna geen

morgen meer zou dagen, alsof de wereld, de wreed-zelfzuchtige wereld,

haar joeg in de armen van den dood. Teleurgesteld in haar verwachtingen

van aardsch geluk, gebogen door de ellende, bedrogen in haar

liefde--waaruit zou haar verzwakte hand nu nog de kracht putten om het

roer van haar ontredderd levensscheepje verder te omklemmen?

Maar in dien bitteren nood had zij een stem gehoord, die zacht, maar

met nadruk had gesproken: "kom tot mij," en telkens als haar hopeloos

"waarom" onbeantwoord bleef en de moed haar ontzonk, dan had zij weer

gehoord: "kom tot mij," met de troostvolle belofte van rust. En Hij, die

haar riep, Hij had in zijn gebed geen andere aardsche gave gevraagd dan

het dagelijksch brood; Hij had zijn lijden gedragen zonder klacht, en

vergiffenis afgebeden voor hen, die Hem kruisigden. En langzaam als de

smachtende bloem, zich verzadigend aan den dauwdroppel, haar kroon keert

naar de zon, zoo had haar dorstende ziel, het levend water drinkend,

zich gekeerd tot Hem, aan den voet van wiens kruis zij was

neergeknield, zeggende: "hier ben ik, Heer!"

En zoo heeft zij Hem haar leven toegewijd en de rust gevonden, die haar

was toegezegd. Zij weet nu, dat alle dingen medewerken ten goede hem,

die gelooft, en als zij herdenkt wat achter haar ligt, dan wekt die

herinnering een glimlach, zacht als de kus der vergiffenis.------

Zie, daar dringt door het boogvenster boven het altaar een zonnestraal,

die in zijn lichtbanen het crucifix op het outer omvat en dan valt op

haar kleed. En in dat licht ziet zij het beeld van de genade Gods, die,

afstralend van den Heiland, tot haar gekomen is.

Ja, God is haar nabij geweest! En Hem dienen zal zij altijd meer, altijd

inniger, om eens, als de weg is afgelegd, die haar voert, niet naar de

duisternis des doods, maar naar het licht _des_ levens, en zij neerligt,

bleeke roze in witte wade, te zijn _in_ Hem.

Haar keuze.

.... En Geerte buigt zich over de heg. Zij hoopt, dat hij nog even naar

haar zal omzien... daar... bij 't laantje... Maar Aart loopt door, en

als hij achter het Raadhuis verdwenen is, dan zucht zij even en denkt

pruilend: "hij het ook zoo'n haast!"

Zoo'n haast! Geerte weet wel beter, want al lang geleden heeft zij

begrepen wat Aart bedoelde, en verrast is zij dan ook niet geweest,

toen hij haar zoo even vroeg, of zij nu samen zouden kermis houden.

En "kermis houwe, met Allerheilige trouwe," zegge ze in 't dorp.

Maar Geerte is niet tevreden met zichzelve en daarom zoekt zij een reden

om ontevreden te zijn over een ander. "'t Was," denkt ze--en starende op

de heg plukt zij aan de blaadjes daarvan--"'t was, toe ie me aankeek en

z'n hand toestak, of iemes me zei: "toe dan, meisie, toe dan!" en 't is

of 't dwaas van me is, da' 'k 't niet en deej. Maar 't is nog wijd veur

't kermis is. En dan..."

En in gedachte ziet ze Tinus, den boer van "de Wykamp", de grootste

hofstee in den omtrek, met haar uitgestrekte bouwvelden en heerlijke

weiden, en hoort zij hem eenzelfde verzoek doen als Aart haar zoo even

heeft gedaan. En "boerin van de Wykamp te worde," denkt Geerte, "da' 's

veul!"

Eens is zij er met haar moeder geweest, en verbaasd was ze over alles

wat ze zag. "'t Was haast te veul veur een alleenig mens," had haar

moeder gezegd, maar Tinus had geantwoord, dat hij 't nog niet half

genoeg vond, en even later had hij een kistje geopend, waarin hij het

goud van zijn moeder bewaarde. "Doe ze 's in, Geerte," had hij gezegd,

toen zij voorzichtig een paar lange oorhangers opgenomen en zwijgend

bewonderd had. Maar zij had 't niet willen doen; en toen zij 't goud

weer had geborgen, had zij, in den spiegel, zijn oogen op haar gevestigd

gezien met een uitdrukking, die haar had verschrikt.

"Zou 't waar weze, moeder," had zij peinzend gevraagd, toen zij naar

huis liepen, "zou 't waar weze, alles wat ze van 'm vertelle?" En haar

moeder had geantwoord, dat ze 't niet wist, maar dat hij rijk was en

afgunstige menschen daarom misschien kwaad van hem spraken. Dat was wel

mogelijk, had Geerte gedacht, maar zijn oogen waren toch gluiperig en

schuw, vond zij. En toen had zij aan Aart gedacht, en met een gevoel,

dat een glimlach om haar mond bracht, had zij begrepen, dat _zijn_

gezicht niets verborg.

Aan dat alles denkt Geerte, terwijl zij langzaam naar de deel gaat om de

blankgeschuurde emmers te halen,--want het is tijd om te melken,--en zij

weet niet wat zij doen zal. "'t Is moeilijk," meent zij, "moeielijk!"--

Intusschen loopt Aart naar huis, en als hij op het erf van "de

Zonnebloem" gekomen is, dan roept zijn knecht hem toe, dat Harmsen, de

kastelein van "de Roode Leeuw," er geweest is en gevraagd heeft waarom

hij het hooi nog niet had gekregen: dat er morgen markt te Elsdingen

was, en hij zijn stal vol paarden kreeg.

Aart heeft het vergeten, en 't is het eenige niet wat hij in den

laatsten tijd verzuimd heeft te doen.

"Wa' 'k tegeswoordig toch zit te piekere en te miere," denkt hij, kwaad

op zich zichzelf. "Zet de wage voor de schuur, Dirk," roept hij zijn

knecht toe, "en laat Kees ons helpe. Toe dan jong! 'k mot nog veur 't

aved weerum."

Zes rappe handen hebben den wagen spoedig geladen, en als de vracht is

vastgesjord, haalt Aart het paard van stal. 't Is de zwarte, dien hij

niet graag gebruikt, want het dier is nog te jong en te vurig voor dat

zware werk. Maar 't is zijn eigen schuld, dat hij hem nu moet

gebruiken--Arie met de bruinen komt eerst laat t'huis.

't Is ruim een half uur stappen naar "de Roode Leeuw," en reeds laat in

den namiddag, als hij er aan komt.

"Daar is ie eindelijk! Ha' je 't vergete?" vraagt Harmsen, die, met zijn

knecht, in 't zolderluik van den stal staat.

"Dat he' 'k," antwoordt Aart opkijkende; "'t was me deur 't heufd

gegaan, heur!"

"Zooas laast met de eereppels. Hei je muizeneste in 't heufd, jong?"

"Of wil ze niet meer van je wete?" vraagt de knecht van Harmsen, met een

knipoogje naar zijn baas.

"Dan denk maar jong, veur haar 'n aar!" roept Harmsen uit. "En nou, as

de weerga de zolder vol."

En Aart steekt het hooi op. 't Is zwaar werk. Diep zinken zijn voeten

in het voer, telkens als hij, heen en weer stappende, de vork drie-

viermalen in het hooi steekt, en vinden slechts een wankel steunpunt,

als hij de vork opheft en een geurende, wijd uitstaande massa, waarvan

telkens vlokken loslaten, die op zijn hoofd en schouders vallen, in het

luik werpt. Naarmate de vracht mindert, wordt de afstand tusschen hem en

den zolder grooter, zoodat hij het hooi hooger opsteken en dus ook meer

kracht aanwenden moet, en de haast, die hij maakt, om den verloren tijd

in te halen, vermeerdert de inspanning. Ja, 't is zwaar werk, maar als

eindelijk alles is geborgen en Aart, op den bodem van den leegen wagen

staande, zijn pet afneemt en met de mouw van zijn boezeroen zich het

zweet van het voorhoofd wischt, dan denkt hij: "hard werke, da's 't

beste; te prakkiseere en te narre, dat baat niks." En met een vluggen

zwaai springt hij van den wagen, en door den knecht van Harmsen

geholpen, spant hij zijn paard weer in.

"'n Mooie zwart," zegt de kastelein, naar borst en "beenen" van het

fiere en trappelende dier kijkende, en het dan onder de manen, op den

hals kloppende, herhaalt hij: "'n mooie zwart. Ho-o, man, ho!"

"'n Beste," verzekert Aart, met den voet op de trede van den wagen.

"Stil, zwart! ho jong!"

"Hij 's dartel," zegt Harmsen, op zijde gaande om den wagen voorbij te

laten.

"Hij 's jong, en 't is veurjaar," antwoordt Aart. "Da-ag!" En de teugels

vierend, rijdt hij het erf af.

"'k Zal 'm toch 's minder straf voere," denkt hij, als hij uit het

mulle zand op den straatweg gekomen is, en zijn vurig paard, dat naar

den stal verlangt, slechts met moeite in toom houdt, "hij wordt te veel

mans. Zacht, zwart! zaggies, nou!" En met sterke vuist beheerscht hij

het edele dier, zoodat het, den glanzenden nek sierlijk gebogen en

knabbelend op het bit, eenigen tijd, half stappend half dravend, over

den weg gaat, door het schudden van den kop en het vinnig slaan met den

langen staart bewijzende hoe noode het gehoorzaamt.

En terwijl hij naar huis rijdt, herinnert Aart zich wat Harmsen zei:

"veur haar 'n aar." "'k Mocht lijje," denkt hij, "dat 't zoo gemakkelijk

ging, maar 't kruipt en wriemelt in je rond, dat je 't niet verzette

kan. 'n Aar! wis, 'n aar, want moeder is oud en alleenig kan 'k niet,

maar of 'k krijg wa' 'k wil, of da' 'k neem wa' 'k kan,--of dat scheelt!

En as 'k sikuur wist," denkt hij, op het schoft van het tuig starende,

"heel sikuur, dat ze me niet lijje mag,--alla! 't zou dragelijk weze,

maar 't is of ze nee zeit met 'r aarig bekkie, en ja kijkt uit 'r...."

Maar opeens heft hij het hoofd op en grijpt met kracht in de teugels,

want zijn paard schrikt voor eenig wit goed, dat op een haag hangt en

door den wind wordt bewogen. Het dier vliegt op zij, loopt dan terug, en

als daardoor zijn lijf met den dissel en een zijner pooten met een wiel

van den wagen in aanraking komt, dan wordt het schuw. Het steigert,

slaat, en dan opeens trekt het woest aan en slaat op hol....

Blootshoofds, met fladderende haren, de oogen wijd geopend, de

kleurlooze lippen op elkander geklemd, het bovenlijf achterover gebogen,

spant Aart de teugels met levenverdedigende kracht, maar het woedende

dier stuift voort in toomelooze vaart, met opgespalkte en trillende

neusgaten, de wild-staande oogen met bloed beloopen, de ooren in den

nek en den kop tegen de borst gedrukt. De manen in den wind, bloedig

schuim om den bek, dat in vlokken wegvliegt, druipend van zweet,

peezen en zenuwen op het uiterste gespannen, telkens gespoord door den

slingerenden wagen, die hotsend en stootend over den weg giert en ieder

oogenblik dreigt te kantelen, rent het razende dier voort... Voort

jaagt het langs bouwvelden, waar daglooners nog arbeiden, die door het

ratelend gerucht van den wagen, waarvan de losse zijstukken telkens

opvliegen en weer neerploffen, opkijken en dan, ontzet door hetgeen zij

zien, hun gereedschap laten vallen en zich naar den weg spoeden, waar

zij, de handen boven de oogen, hem nastaren.

"Wie is 't?"

"Aart."

"Aart? Aart van de Zonnebloem?"

"Ja, hij. God, wat slingert de wagen...! Wat holt ie...!"

En voort gaat het. Windsnel over een pas begrint gedeelte van den weg,

zoodat de kiezelsteenen, hoog opvliegende, Aart in het aangezicht

treffen, of op den wagen kletteren--voort, naar den tol.

De tolgaarder staat buiten. Zal hij den boom dicht gooien? Als hij het

doet, dan stort alles neer in een verschrikkelijken val, maar als hij

het niet doet, het dorp is dicht bij, met alles wat er in den weg kan

staan, en verder op ligt de brug over de rivier, en als de klap daarvan

open is...!

Maar hij is een oud man, en voordat hij een besluit genomen heeft,

schiet de wagen hem voorbij, en scheuren de wielnaven stukken hout uit

den balk, waaraan de sluitboom bevestigd is.

En voort holt het kolderende dier naar het dorp. Eerst, met donderend

geraas, over het houten brugje, dat over een smallen zijarm van de

rivier is geslagen, en dan over de keien, die onder de hoeven vonken,

door de dorpsstraat, waar de menschen, die in groepjes staan te praten,

uit den weg vliegen en, als de wagen voorbij is, zich op het midden van

de straat vereenigen, waar zij, met gerekte halzen, hem nazien.

"Staat de brug op?"

"Net gestreken."

"Goddank...!"

Een aantal mannen rent hem na, want ginds, bij de losplaats, die

glooiend naar het water loopt, daar moeten paard en wagen in de rivier

storten, of, als zij op de lange en smalle brug komen, dan slingert de

gierende wagen tegen de borstwering en moet kantelen. Vlak bij de brug

rukt het dier even naar links, naar de losplaats, maar dan wringt het

weer naar rechts en is op de brug. En nu komt er een uitdrukking van

ontzetting op het gelaat van Aart, want voor hem uit rijdt een

boerenwagen, en daarachter slingert een ploeg, met de punt van het

breede ijzer dreigend naar boven. Aart tracht den dissel te grijpen, om

van den wagen te springen, maar het gelukt hem niet een oogenblik in

evenwicht te komen. De boer vóór hem heeft zijn paard aangezet, om nog

van de brug af te komen, maar in een oogwenk heeft het hollende dier hem

ingehaald, en dan storten zij neer, eerst het paard, dan Aart, terwijl

het achtergedeelte van den wagen hoog opvliegt en dan, omkantelend,

neersmakt.......

Een paar uren later komt Geerte t'huis; zij zet haar emmers op de deel,

en dan loopt zij daar eenigen tijd rond, de handen tegen de borst

gedrukt, kreunend, alsof zij pijn lijdt: "O, Aart! arme, lieve Aart!"

Want, nu opeens, nu weet zij, dat zij hem liefheeft en altijd heeft lief

gehad, en dat er geen rijkdom is zóó groot, dien zij niet zou willen

geven om hem weer beter te maken. Zij wil naar hem toe, om hem dat te

zeggen; want als hij haar nog kan hooren--en ja, dat zal immers!--dan

zal dat hem troosten, en dan zal zij hem ook zeggen, dat zij zijn vrouw

wil worden, wat er ook gebeure, als hij maar weer beter wordt... weer

beter wordt!

Zij wisent het klamme zweet van haar voorhoofd, snelt het erf af, en

spoedt zich voort, langs den donkeren dijk, op de lichten van de brug

af, starende in de verte.

De brugwachter is buiten en, met een lantaarn bijlichtende, vertelt hij

aan eenige boeren hoe het gegaan is.

"Net was de "Culemborg" de brug onder deur en de klap gestreke, toe ie

kwam aanrenne. 'k Had net effies de tijd om op zij te springe, toe ie

tege de borstwering slingerde. Hier, zie je? en daar, zie je wel? 't Is

ijzer, maar as glas afgeknapt, hè? Wat zoo'n dier toch 'n kracht het!

Watte! Effies later viel ie op de ploeg...

"Daar in me woning hebbe ze 'm binne gebracht, maar geen leve d'r in, en

toe ze 'm weghaalde, lag ie nog net as toe ze 'm gebracht hadde...."

"Dood?"

"Nee, nog effies levend; maar de dokter zei, dat 't slim met 'm was...

slim."

En haastiger spoedt Geerte zich voort, want als zij hem moet missen,

dan niet, dat geve de hemel! voordat zij bij hem is geweest.

Door de dorpsstraat, langs het kerkpad, bereikt zij den straatweg,

waaraan "de Wykamp" is gelegen, en als zij de hofstee van Tinus

voorbijgaat, dan begrijpt zij niet, dat zij niet heeft kunnen kiezen

tusschen hem en Aart. En zij denkt weer aan den blik, waarmede hij haar

in den spiegel heeft aangezien, en als zij zich een oogenblik later

herinnert hoe Aart naar haar opzag, toen hij haar vroeg of zij kermis

zouden houden, dan schieten haar oogen vol tranen, en stilstaande,

schreit zij.

Maar slechts een oogenblik geeft zij toe aan haar verdriet, en dan loopt

zij weer voort en wischt met haar voorschoot haar oogen af.

Nog enkele minuten en zij heeft "de Zonnebloem" bereikt, en over het

erf, waar de vruchtboomen bloeien, de meidoorns geuren, de pioenen

gloeien, en alles een lied der toekomst zingt, treedt zij de woning

binnen.

't Is er stil, doodstil, en slechts uit het achtervertrek, waarvan de

deur openstaat, straalt het schijnsel van een zwak licht. Daarop gaat

zij af, en als zij op den drempel staat, ziet zij, bij het getemperd

licht der hanglamp, het bleek, omzwachteld gelaat van Aart op het kussen

in de bedstede, en naast hem zit zijn arme, oude moeder, het hoofd op de

borst gebogen, zijn hand in de hare.

Stil treedt Geerte binnen, en neergeknield voor de bedstede, grijpt zij

eerst de gerimpelde hand van zijn moeder en kust die, en dan neemt zij

zijn breede hand in de hare, kust ook die en drukt haar voorhoofd er op,

en dan noemt zij hem bij zijn naam met al de teederheid van haar liefde

en houdt zijn scheidende ziel nog een oogenblik op den drempel der

eeuwigheid op....

Als de morgen weer rijst, ligt Aart alleen, de doode handen gevouwen

over het crucifix op de borst. Donker golft het glinsterend haar om het

strakke voorhoofd, en donker ook steken de lange wimpers af tegen de

wasbleeke wangen.

Ja, hij is heengegaan, maar heengegaan in vrede. Want om den even

geopenden mond rust een glimlach, en die is daar gekomen, toen zij hem

in tranen bekende, dat zij hem liefhad en altijd had liefgehad--o,

altijd...!

Blok's Vrouw.

"Zoodat je nou zooveel as heelemaal van 'r of bent?" vraagt Gijsen, een

kantoorlooper, die een met een koperen ketting om zijn hals bevestigde

portefeuille onder den arm draagt, aan Blok, een brievenbesteller, dien

hij op straat heeft ontmoet en met wien hij naar het postkantoor loopt.

"Ja," antwoordt Blok, "'t is nou zóó ver, dat we effetief en voor goed

van mekaar of benne. Gistere wier 'k bij me avekaat ontboje, en die zei

me, dat 't nou eerdaags in de krant zou komme. "Blok," zei ie, "verleje

Dinsdag is 't uitgeweze, hoor. Ze hebbe zooveel as 'n streep door je

trouwbriefje gehaald, en de kinderen.... die blijve bij jou.""

"Da's nog gauw gegaan," zegt Gijsen, "gauwer as 'k docht."

Kleurig en donker · 第 6 / 10 段