aan hem gewend waren, maar ze zaten Zondags in het kerkraam, en de
menschen in de kerk keken er naar, waarom vader had gezegd, dat hij ze
moest wegdoen. Dat had moeder niet gewild; zij had gezegd, dat hij ze
Zondags moest opsluiten, en dat had hij dan ook gedaan, maar de kinderen
lieten ze los, als hij in de kerk was, en toen had vader ze verkocht."
Had hij nooit iets gezien van zijn vaderland, nooit gestaan aan het
strand van de heerlijke zee, en nooit gedwaald in de geurende bosschen?
Als ik dat vraag, kijkt Karel Jan mij aan, en een oogenblik is er iets
in zijn oogen, dat mij doet denken aan een groot, onbestemd verlangen,
maar het is aanstonds weer voorbij, en op zijn gewonen toon zegt hij,
dat hij nooit ergens anders is geweest dan in Diepenburg.
En terwijl hij mij die dingen vertelt, schaam ik mij over mijn
ondankbaarheid. Want aan den rijkdom, den overvloed des levens, zijn
schatten aan bloemen en zangen, heb ik mijn deel, maar daarvan is niets
voor hem, niets dan het strikt onontbeerlijke: een stuk brood en een
schamel kleed.------
Vier maanden was Karel Jan bij mij geweest, toen hij op een
maandagmorgen, nadat het tien uur had geslagen, niet verscheen. Even
later hoorde ik een ongewoon gestommel op de trap en, toen ik ging
kijken wat het was, zag ik den vader van Karel Jan, die met moeite naar
boven kwam en mij, toen hij bij mij zat, zeide, dat zijn zoon niet kon
komen, omdat hij ziek was.
Ik antwoordde, dat mij dat speet maar niet verwonderde, omdat hij er in
den laatsten tijd zoo slecht had uitgezien, en vroeg wat de dokter zei.
"Niet veel; hij vindt hem zwak, heel zwak. "Vonk," zei ie van morge, toe
'k 'm uitliet, "dat lampie"--en de stem van den ouden man beeft--"dat
lampie brandt nog maar heel eve.""
"Arme jongen...!"
"En helder het 't nooit gebrand; och nee, helder nooit! O, 't is niet,
da' 'k murmureer, want wie ben ik om God rekeschap te vrage van z'n
dade, maar de gedachte is toch wel 's bij me opgekomme, dat, as 'k 'm
wat meer had kanne ontzien, as 'k 'm niet altijd had hoeve voort te
jage, as ie wat meer had kanne geniete, dat ie dan... maar nog 's, zeg
'k, dat 't niet is om met God te rechte, want as 'k rijk was geweest en
'm alles had kanne geve, wie weet wat 'k dan an 'm beleefd zou hebbe. En
daarom--beruste, altijd weer beruste, want waar is ommers wa' 'k Zondag
nog hoorde: onnaspeurlijk voor 's mense oog zijn de wege Gods; wie zal
zegge of Hij niet geeft waar Hij onthoudt, Hij, die levend maakt waar
Hij doodt."
Nog eens komt Karel Jan terug, op een mooien, zoelen lentedag, en weer
zit hij tegenover mij zooals vroeger. 't Zou nu wel weer gaan, zei hij;
hij was veel beter en de zomer kwam aan. Maar o, wat is hij droevig
veranderd en verouderd, met die ingevallen slapen en die diepe groeven
om neus en mond! En zwak is hij..! Telkens legt zijn bevende hand de pen
neer, omdat hij even moet rusten, en dan veegt hij tersluiks het zweet
van de palmen zijner handen, terwijl hij steelsgewijze naar mij kijkt.
Maar ik doe of ik niets bemerk, en bedenk hoe ik hem zal verlossen van
dat schrijfwerk, dat zijn krachten verre te boven gaat.
Eindelijk heb ik het gevonden. Ik kan hem laten nazien of een aantal
stukken allen voorkomen op een daarvan opgemaakte lijst, en als ik hem
dat werk heb voorgelegd, zet hij, kennelijk verlicht, zich daaraan.
Langzaam neemt hij elk geschrift op, ziet het in en legt het op zijde.
En terwijl hij daarmede bezig is, is het alsof hij, één voor één, de
bladen omslaat van zijn eigen levensboek, waarvan de inhoud, helaas,
even dor is en koud als die van die schrifturen. Gaandeweg vermindert
het stapeltje: nog maar weinige, nog slechts enkele, en dan is zijn taak
voltooid, maar dan zal het ook twaalf uur zijn, de tijd waarop hij naar
huis gaat. En die laatste minuten met hem doorbrengende, valt mij een
rijmpje in, dat ik lang geleden heb gehoord, en dat luidt:
Eens zei een teer bloempje, op een donkere plek:
"Schijn, zonnetje, ook op mij!"
Maar 't zonnetje hoorde 't zwak stemmetje niet,
Haar stralen gingen voorbij.
Toen hoopte ons bloempje op den volgenden dag,
En tuurde naar 't morgenrood,
Maar toen 't zonnetje weer het bloempje vergat,
Toen treurde 't, kwijnde en ging dood.
En hoeveel bloemen verwelken er zoo...!----
Den volgenden dag kwam Karel Jan niet, maar de krukken stommelden weer
op de trap en zijn vader kwam binnen.
"Hoe is 't?" vraag ik.
Maar de oude man zwijgt en schudt het hoofd.
"Geen hoop meer?"
"Nee;... hij is dood."
* * * * *
Drie dagen later hebben wij hem uitgedragen en hem neergelegd waar hij
gewenscht had te rusten: onder het groen der sparreboomen op het
kerkhof. Een steen dekt zijn graf en daarop staat: K. J. Vonk. En die
naam zegt den voorbijganger niets.... niets. Maar voor hem, die het
weet, gewaagt hij van een korte maar sombere geschiedenis, van een jong
leven, licht- en vreugdeloos voorbijgegaan als een late herfstdag:
kleurloos, mistig en koud.
O, 't is beter... zóó! Want wat zou hij uit den moeielijken strijd des
levens meer nog hebben weggedragen dan het bestaan, en wie weet hoeveel
onuitsprekelijk heerlijke dingen er zijn weggelegd voor zijn ziel.
De oudste.
Wij hebben, te midden onzer kinderen, ons feest gevierd, het feest van
ons vijf-en-twintigjarig huwelijk. Het hart vervuld van dankbaarheid
voor de zegeningen die wij ontvingen, wijdden wij, het verleden
herdenkend, een dronk aan de toekomst, en zoo hebben wij een
gedenkteeken opgericht, waarop wij _Eben Haëzer_ schreven, een teeken,
dat zichtbaar blijven en ons bemoedigen zal, als wij, bij het vervolgen
van onzen levensweg, den blik terug wenden.
Thans is alles tot zijn vroegere rust teruggekeerd. Onze gasten zijn
vertrokken; de kleine zilveren botter ons geschonken door mijn goede
visschers, wier burgervader ik nu reeds vijf-en-twintig jaren ben,
prijkt op een tafeltje tusschen de ramen, en op mijn kamer gezeten,
herdenk ik wat achter mij ligt.
Van zelf, het eerst, het liefst gaan mijn oogen naar het geschilderd
portret van Agnes, mijn vrouw, dat sedert onzen feestdag boven mijn
schrijftafel hangt. Toen ik het van haar ontving, en zij den doek
wegnam, die het bedekte, zeide zij te weten, dat er niets was, waarmede
zij mij meer genoegen kon doen, en met een gelukkigen glimlach voegde
zij er bij, God te danken dat het zoo was.
Ja, mijn beste, zoo is 't. En wie zou ik zijn, als gij mij niet dierbaar
waart boven alles! Nu vijf-en-twintig jaren geleden, op den dag waarop
wij voor het eerst als man en vrouw deze woning binnengetreden waren,
genoten wij den heerlijken voorjaarsavond op het duin. Millioenen
sterren vonkelden aan den hemel, en zachtkens ruischte de stille zee.
Daar stonden wij, hand in hand, met onze bloeiende liefde in het hart,
bereid tot ons werk, bereid ook tot den strijd. En toen ik zeide te
hopen, dat onze toekomst mocht zijn vredig, als de natuur om ons heen,
toen hebt gij uw armen om mij heen geslagen en mijn hand gedrukt, en heb
ik begrepen, dat gij bovenal voor mij zoudt zijn een levenshulpe, mij
altijd nabij, mij altijd steunende en bemoedigende, ook in den nood.
Arme lieve, de tijd is niet over u heengegaan zonder u te deren. Uw
haren zijn vergrijsd, en de lijnen om neus en mond bewijzen, dat gij
de zorgen des levens geleden hebt; maar wat uw gelaat heeft behouden,
dat is het beste en kan geen ouderdom u ontrooven, want het is die
blijmoedige en liefdevolle uitdrukking, de openbaring van dat reine,
onbaatzuchtige hart, zich zelf gelijk gebleven al die jaren lang,
altijd. O, als jongeling had ik u lief, maar hoe dierbaar, hoe onmisbaar
zijt ge mij thans! En wanneer ik gevoel een beter mensch te zijn dan ik
was, toen gij uw leven aan het mijne verbondt, dan is het omdat mijn
ziel zich meer en meer naar de uwe stemt.
En nu rust mijn blik op die andere beeltenis, op dat blonde, blozende
kindergezichtje, met die groote, bruine, onschuldige oogen en dien
lieven mond; en in gedachte jaren en jaren teruggaande, zie ik Agnes
weer voor me, zooals zij daar lag tusschen de witte kussens, het bleeke
gezichtje rustende op de los gevouwen handen, met een uitdrukking
van innig geluk starende naar het wiegje, waarin ons kind lag, onze
eersteling, teeder als een rozeblad en rein als de morgen.
"Ons kind, onze zoon!" Met hoeveel trots sprak ik die woorden uit, en
hoeveel weelde lag er in de stem waarmede Agnes, naar mij opziende,
herhaalde: "onze zoon."
"Dien wij willen liefhebben," zei ik, "_ook_ met geheel ons verstand,
tot zijn eigen geluk en tot het onze."----
Eenige jaren gingen voorbij; en nu zie ik hem weer, als hij, heerlijk
opgroeiende en een toonbeeld van levenslust en gezondheid, zijn eerste
broek draagt, waarop hij verbazend trotsch is. Met zijn blonde haren,
donkere oogen, blozende wangen en het--aan de mondhoeken naar beneden
getrokken bovenlipje, dat zijn gezichtje zoo aantrekkelijk maakt, ziet
hij er allerliefst uit, en op zijn korte beentjes, met die plooi in zijn
mollige kuitjes, juist boven zijn rijgschoenen, dribbelt hij over het
strand, vriendschap sluitende met de visschers, die hem "de jonker"
noemen, en wier verweerde gezichten vriendelijk op hem neerzien, als hij
vrijmoedig zijn klein, zacht knuistje in hun groote, vereelte handen
legt.
Hij is nu in den leeftijd, waarin zijn weetlust ontwaakt, en op de lange
wandelingen, die wij te zamen maken, staat zijn mond niet stil, vragende
het hoe en waarom van alles wat indruk maakt op zijn jongen geest. En
daardoor brengt hij mij dikwijls in verlegenheid, want het is moeielijk
een voor hem begrijpelijke verklaring te geven van hetgeen hij weten
wil.
Als ik 's avonds met hem buiten ben, en hem wijs op het vonkelen der
sterren, dan vraagt hij, met dat zilveren stemmetje, dat zoo helder te
midden der stilte klinkt: "hoe kom dat?" en als de opkomende maan zijn
aandacht trekt, dan blijft hij stilstaan, kijkt naar boven en vraagt:
"het de maan ook beene?"
Een enkele maal loop ik 's avonds, voordat hij naar zijn bedje gaat, met
hem langs het strand, wat voor hem de bekoring heeft van iets dat "goote
mense doen." Maar de breede, eenzame en donkere vlakte voor hem uit,
het ruischen der zee, het rijzen en dalen der golven, en het stille
uitvloeien van het schuim over het strand, te midden der duisternis om
ons heen, dat alles heeft iets geheimzinnigs, dat zijn invloed op hem
uitoefent, en hem zijn kleine vingers vaster om de mijne sluiten doet.
Eens, toen op eenigen afstand een gedaante van achter een der vaartuigen
te voorschijn kwam en ons naderde, zei hij:
"Daar kom 'n man an, hè?"
"Ja jongen, 't is 'n visscher, die van zijn pink komt."
"Goeje man, hè?"
"Zeker wel, vent."
"Niks bang, hoor?"
"Wel nee. Waarom zou je bang zijn? Niemand doet zoo'n klein kereltje als
jij bent kwaad, en Pa is immers bij je?"
"Pa zou mijn wel hejjepe, hè?"
"Nou hoor, ik zou ze wel vinden! Maar kijk 's, 'k geloof, dat 't
Teunissen is, die daar aankomt; je weet wel, die zoo'n aardig klein
meisje heeft."
Maar de groote, krachtige gestalte, die sterk en hoog afstekende tegen
het vlakke strand naar ons toe komt, en de reusachtige afmetingen van
haar schaduw, boezemen hem toch eenig ontzag in, en dichter dringt hij
zich tegen mij aan.
Zoodra de visscher bij ons gekomen is, spreek ik hem even aan, om mijn
ventje te doen zien hoe weinig verschrikkelijk die geduchte verschijning
is, en na eenige oogenblikken steekt hij dan ook uit eigen beweging,
Teunissen zijn handje toe; maar als de visscher zich verwijdert, kijkt
hij nog een paar malen om naar de verdwijnende gestalte, en zegt hij,
met iets in zijn stem, dat van verlichting getuigt: "goeje man, hoor!"
Het liefst bereikt hij onze woning, niet langs den gebaanden weg, maar
door over het duin te klimmen, en als wij dit dien avond doen, dan ziet
hij, dat men in den kleinen, op een hoog duin geplaatsten lichttoren,
een nieuwe en grootere lamp heeft geplaatst, dan daarin vroeger heeft
gestaan. Hij weet, door den storm, dien hij eens heeft bijgewoond, en
door hetgeen wij hem hebben verteld van het wrak, dat eenige jaren
geleden, een half uur gaans van onze woning op het strand werd gezet,
dat de zee "o, zoo gevaajik is voo' die ajjeme visserjes." En sedert ik
hem heb verteld, dat zij, bij donker op zee zijnde, dat licht van ver,
van heel ver kunnen zien en daardoor hun weg vinden naar huis, stelt hij
in het ouden baken het grootste belang. En als hij nu die nieuwe lamp
ziet branden en bemerkt hoeveel sterker dat licht is dan het vroegere,
dan roept hij uit: "o, jiggie bjandt mooi, hoor! nou kanne de visserjes
goed zien, hè? die goe...je visserjes!" En die gedachte laat hij niet
weer los. Hij zegt dat het heel goed is, dat zij nu zoo'n mooi "jiggie"
hebben, dat zij nu zeker wel "bjij" zijn, en als wij t'huis zijn gekomen
en hij, nadat hij is uitgekleed, in zijn helder wit nachtjaponnetje
binnen komt, om ons een nachtkus te brengen, dan zegt hij nog eens,
terwijl hij op mijn knie staat en mijn hoofd tusschen zijn warme handjes
houdt: "nou kanne de visserjes mooi zien, hè?"
"Zeker, mijn schat! het licht brandt helder en de visschertjes kunnen
zien."
Ja, hij heeft een warm-gevoelend, klein hart. O, zoo teeder streelt
hij onzen grooten hond, die oud en blind is, en als hij zijn frisch
gezichtje tegen den ruigen kop van het dier drukt en zegt: "o jou goeje,
ouwe bj...inde Pjins!" dan spreekt het grootste medelijden uit zijn
stem. En 's winters, als hij naast mij staat, terwijl ik, op den grond
gehurkt, mijn arm om hem geslagen houd, en zijn kleine vuist, in een
bord vol kruimels grabbelend, daarvan telkens een handjevol in de sneeuw
werpt, "voo' die ajjeme vogejes, die zoo'n honner hebben," en die dan
ook, tot zijn blijdschap, spoedig komen aanvliegen en zich gulzig
verzadigen, dan zegt hij: "dat vinne ze jekker, hè? nou smujje ze hoor!"
en dan kijkt hij mij aan met zulke vriendelijk toegeknepen oogjes, dat
'k niet kan laten hem tegen mij aan te drukken en te kussen.
Trouwens, zijn levendig gezichtje is altijd vol uitdrukking, en in hooge
mate bezit hij de gave der mimiek. Hij houdt veel van versjes opzeggen,
waarbij hij aan moeders schoot staat, zijn armen op haar knieën geleund.
Agnes zegt dan den eenen en hij den volgenden regel, en dan is het
alleraardigst onzen kleinen acteur te bespieden. Als, door de stem van
Agnes, de verkleede prins uit het sprookje tot den ouden houthakker
zegt, dat de takkebossen, die hij draagt, toch zoo zwaar niet kunnen
zijn, dan antwoordt ons ventje:
"Nou zie je, meneerje, da vaj je nie meê!"
En dan schudt hij zijn hoofdje, rimpelt zijn voorhoofdje en zet een
hoogst bedenkelijk gezichtje. En als hij van het versje, waarin wordt
verhaald van een schaapje, dat ongehoorzaam is en niet bij zijn moeder
wil blijven, waarom het dan ook in het water valt en verdrinkt, den
laatsten regel zegt:
"O, 't sjaapie is vedjonke,
Och, 't ajme dier is dood!"
dan laat hij zijn kopje hangen, slaat de oogen naar boven, en kijkt
o, zoo bedroefd!
Maar nooit is de uitdrukking van zijn gezichtje welsprekender, dan
wanneer Agnes op haar orgel eenige eenvoudige melodieën speelt. Dan
staat hij dicht tegen haar aan, en ziet met zijn groote oogen naar haar
op, zoo ernstig, onschuldig en aandachtig als door Raphaël in zijn
engelenkopjes, die naar gewijde muziek luisteren, is afgebeeld.
Ja, het waren heerlijke, gezegende jaren, en schaduwloos was ons geluk,
tot die avond kwam--en nu ik daaraan denk, gevoel ik weer dezelfde
gewaarwording, die ik toen ondervond, dat voorgevoel van een naderend
onheil, dat als een zwaard gaat door de ziel--toen Agnes, met een
benepen gezichtje, beneden kwam en zei, dat ik eens naar Frits moest
gaan zien, omdat hij zoo onrustig was en zij vreesde, dat hij onwel zou
zijn. Helaas, dat was het begin van de ramp die ons beschoren was!
Binnen weinige uren was de blos van zijn wangen verdwenen, de glans
zijner oogen verdoofd, en na enkele dagen was hij zóó zwak, dat hij onze
fluisterende stemmen bijna niet meer kon verdragen en het daglicht, hoe
ook getemperd, nauwlijks meer aan zijn oogen velen kon. Daar ligt hij,
klein en teer in zijn bedje, en strijdt den zwaren strijd: den strijd om
het leven. Wij verlaten hem niet, geen uur, geen oogenblik, en omringen
hem met alles wat onze liefde kan uitdenken. O, het is wreed hem te zien
worstelen, en van tijd tot tijd dien blik op te vangen, die ons schijnt
te vragen, of wij hem niet helpen kunnen, en niets te vermogen, niets,
dan hem te liefkoozen en met teedere namen te noemen, met de folterende
overtuiging, dat onze teedere bloem--ach, met hoeveel zorg
gekweekt!--onder de zeis des grooten maaiers vallen zal.
Hij is nu het best in de armen zijner moeder, die hem zachtjes wiegt en
af en toe haar diep bedroefd gezicht, o, zoo innig tegen zijn hoofdje
drukt. En als hij daar zoo ligt en ik neerzie op zijn arm, bleek,
vervallen gezichtje, met die blauwe kringen onder de oogen en die lange
wimpers, die hij nu bijna in het geheel niet meer opslaat, op die
vermagerde handjes en die langzame bewegingen--o, wat zou ik dan niet
willen geven, om dat oog weer te zien schitteren, dien vroolijken lach
te hooren en dien frisschen blos weer op zijn wangen te zien! Maar wat
baat het! Ik weet het, ik zie het immers: zijn jong leven spoedt heen
als het beekje, dat zich rept naar de rivier.
Op een avond, nadat wij ons hadden verheugd in hetgeen wij hielden
voor een vleugje van herstel, maar dat onzen dokter, toen wij er
hem op wezen, geen bemoedigend woord ontlokte, had ik hem van Agnes
overgenomen, en lag hij stil, doodzwak en uitgeput in mijn armen. Wij
hoopten, dat hij in slaap zou vallen, maar de uren verstreken en
brachten geen rust voor ons afgetobd kind. Agnes wil hem nog eens zijn
drankje ingeven, maar hij keert zijn hoofdje af, hij kan niet meer.
"Och Agnes, laat maar; het baat niet meer!"
Neen, het kan niet meer baten, want hij is nu buiten bereik van alle
aardsche hulp, en ragfijn is de draad die zijn jonge ziel nog aan het
leven bindt.
Als de maan is opgekomen, en haar stralen door de toegeschoven gordijnen
naar binnen dringen, dan is zijn tijd vervuld. Nog eenmaal richt hij
zich op, nog even ziet hij, zonder besef, om zich heen, en dan buigt hij
zijn hoofdje aan mijn borst en, met een zachten zucht, is alles
voorbij...
"Voorbij...!" Met die gedachte buig ik mij over hem heen en tracht haar
beteekenis te beseffen, maar ik kan die niet omvatten, en weet alleen,
dat zij een gevoel van nameloos jammer in mijn hart stort. Dan sta ik
met hem op, en leg hem in zijn bedje. Arme lieveling, hoe rustig, hoe
vredig ligt hij daar! En terwijl Agnes met haar hoofd op mijn schouder
leunt, nemen wij afscheid van ons kind, zooals hij daar ligt, klein
heiligje, in het zilver-glanzend maanlicht, schuldeloos als dat reine
licht. En in dien aanblik is iets zóó plechtigs, iets zóó verhevens, dat
het onze lippen verzegelt en onze tranen weerhoudt. Eindelijk laat ik de
witte gordijnen om zijn bedje vallen, en leid Agnes naar buiten.
Zacht ruischt de zee, en langzaam stuwt zij haar golfjes naar het
strand. O, nog dikwijls zal zij ebben, en nog menigmaal zal de vloed
opkomen, voordat de wonde, ons hart geslagen, zal ophouden te bloeden,
maar zelfs op dat oogenblik, toen wij daar naast elkander zaten,
sprakeloos, maar hand in hand, toen was er in de diepte van ons hart
toch iets, ons toefluisterend, dat wij onze groote smart zouden leeren
dragen, omdat wij te zamen leden, en dat, waar de zon van ons geluk was
schuilgegaan, onze nacht niet gekomen was, omdat wij elkander omvat
hielden.
En terwijl ik dit alles herdenk, wordt mijn ziel ontroerd. Het is,
als ging ik onder kerkbogen, in het stille hooglicht, dat door de
geschilderde vensters, in breede kleurbanen, naar binnen valt.
Harpakkoorden en zachte orgeltonen ruischen om mij heen, en terwijl
mijn oog is gericht op de eeuwige lamp, die voor het hoog-heilige op het
altaar brandt, heffen engelenstemmen een lied der hope aan!------------
Men heeft mij dikwijls gevraagd waarom ik op den duur met mijn
bescheiden betrekking tevreden was, en nooit naar iets beters vroeg.
Maar de eerzucht, die, den mensch geen rust latende, hem voortdrijft van
de eene plaats naar de andere, om daardoor een sport hooger te stijgen
op de maatschappelijke ladder, is ons vreemd. Hier hebben wij lief en
worden wij bemind, en genieten een vreedzaam leven, een stil geluk. Maar
wat hier bovenal ons bindt en houden zal, totdat ook onze hulk op de zee
des levens aan den gezichteinder verdwijnt, dat is, al hebben wij het
zelfs elkander nooit bekend, de kleine grafzerk op het kerkhof in de
duinen, waar hij rust, onze oudste, onze lieveling, ons dierbaar kind,
dat wij met duizend hoopvolle verwachtingen hebben verbeid, met duizend
zegeningen ontvingen, maar o, met hoeveel meer tranen hebben beweend!
Het klooster der Witte Vrouwe.
(Een indruk.)
Omlaag, in de diepte, kronkelend in talrijke bochten tusschen de bergen,
voortspoedend in wilde haast over de steenen der ondiepe bedding, alles
meevoerend wat hij op zijn weg ontmoet en geen weerstand bieden kan,
bruist de machtige bergstroom naar beneden; en daar, waar hij in zijn
vaart wordt gestuit door een vooruitspringenden rotswand, waartegen
hij hoog opstuift, zoodat de spattende droppels, opgevangen door de
zonnestralen, tot regenboogjes gekleurd worden, daar ligt, op den top
van den berg, boven het donkergroen der wuivende denneboomen, wit en
rechtlijnig, het klooster der Witte Vrouwe, en onder den diepblauwen
hemel, waaraan lichte wolkjes langzaam wegdrijven, baadt het in
zonneschijn en rust.
Meer dan twee eeuwen zijn voorbijgegaan en nog is het, zooals het was
toen het, na jaren van arbeid en eindelooze inspanning, was verrezen op
deze plaats, waar het ligt, te midden der talrijke bergtoppen, als een
baken in zee. Wat door den tijd werd gesloopt, door weer en wind
vernield en door het vuur verwoest, dat alles is hersteld, maar niet
veranderd, en zoo is het nog zooals het was, en zal het blijven zooals
het is, zoolang het zal bestaan, tusschen de hooge en statige dennen,
die het als wachters omringen.
En evenals het klooster zelf geen verandering onderging, zoo is ook het
leven van haar, die er wonen, hetzelfde als van die allen--en velen zijn
het--die er waren, en die zijn ingegaan tot de eeuwige rust. Want zij,
die een toevlucht vonden in het huis der Witte Vrouwe--wier in steen
gehouwen beeld, dragende het Kindeke, dat de armpjes uitstrekt, in een
nis boven den ingang staat--haar leven gaat voorbij, nu evenals vroeger,
in aanbidding en boete. In de afzondering der cel glijden de kralen van
den rozenkrans tusschen de vingers; onder de spitsbogen der kapel rijzen
des morgens en des avonds het gemeenschappelijk gebed en de lofzang
naar omhoog; door vasten en waken kruisigen zij het vleesch, en door
het versieren van het altaar, het vervaardigen van autaarkleeden en
misgewaden trachten zij Gode welgevallig te zijn. Dat deden zij, die
er waren, dat doen zij, die er zijn, al de dagen, al de jaren, die zij
er doorbrengen, onafgebroken, zonder verdere afwisseling. Want met de
wereld hebben zij voor altijd gebroken. Van have en goed hebben zij
afstand gedaan, om armer te zijn dan de armste; de banden van liefde
en vriendschap hebben zij ontknoopt, ter wille van haar hemelschen
Bruidegom, en zelfs haar naam hebben zij afgelegd, toen zij den drempel
overschreden van dit gebouw, om een ander, een nieuw leven te beginnen.
Niets wat van de wereld is heeft voor haar meer belang, niets van buiten
stoort den vrede daarbinnen. En wanneer dan ook de zware poort zich
gemakkelijk opent voor den reiziger, die vermoeid is en rust noodig
heeft, en voor den arme, wiens weg hem over dezen berg voert, en die om
lafenis vraagt, dan is het alleen om goed te doen en barmhartigheid te
oefenen. Hier kan hij rusten, hier zich verkwikken, totdat hij den staf
weer opneemt en verder trekt. Maar naar zijn naam vraagt men hem niet,
noch van waar hij komt of waar hij heen gaat, en naar de wereld evenmin.
Want de ziel heeft dit alles niet van noode, en ijdel is immers alles
wat de ziel niet behoeft.
Hoor! Daar luidt de klok in den toren. Eerst driemaal drie slagen: aan
den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, en dan galmt zij eenigen tijd
voort, vol en diep, de kloosterlingen roepende tot het gemeenschappelijk
gebed in de kapel.