Meneer Kreggers--groot, sterk-gebouwd, met een bleek, rond en baardeloos

gezicht, volstrekt kleurlooze oogen en een zachte stem, die bijzonder

zalvend is als hij het morgengebed doet, waarbij hij zijn witte, dikke

handen ter hoogte van het gezicht houdt--meneer Kreggers zegt: dat ik

brutaal, ergerlijk brutaal ben, en onophoudelijk voegt hij mij toe, dat

ik mijn onbeschaamde oogen voor mij moet houden. Ik doe het zoo goed ik

kan. Ik dwing mij op de liniaal, de pennehouder, het boek, of wat ook

voor mij ligt, te kijken, maar een enkele maal sla ik mijn oogen wel

eens op en dan bemerkt hij het, helaas, altijd. Waarom kan hij toch

niet velen dat men hem aankijkt? Ik weet het niet, maar zeker is, dat

hij het niet hebben wil, zoodat alle jongens voor zich zien, als hij

voor de klas staat en les geeft.

Ook heeft hij zich in het hoofd gezet, dat ik trotsch ben. Ik weet

volstrekt niet waarom hij dit denkt, maar hij doet het en herhaaldelijk

waarschuwt hij mij, dat hij mijn trotschen kop wel buigen zal. En

eindelijk beweert hij nog, dat ik onwillig ben. "Je verstand is goed,"

zegt hij, "maar je _wilt_ niet opletten, je _wilt_ niet begrijpen;" en

mij met den vinger dreigende, roept hij mij toe, dat hij het er wel uit

zal krijgen. Misschien zijn er nog andere redenen waarom hij op mij

gebeten is, ik ken die niet, maar zeker is, dat hij een hekel aan mij

heeft. Ik voel het, het maakt mij zenuwachtig en ik lijd er onder van

het oogenblik af, dat hij 's morgens haastig binnen komt, met een

liniaal eenige vinnige slagen op de voorste bank geeft en ons toeroept:

"_Messieurs, la prière!_" totdat het vier uur is en wij naar huis kunnen

gaan.

Op dat uur staat hij, hoog opgericht, bij zijn lessenaar, en gaan alle

jongens langs hem heen om hem een hand te geven, maar zij, op wie hij

ontevreden is, blijven van die eer verstoken, en zonder dat ik ook maar

in de verte de reden kan gissen, heft hij, dagen achtereen, zijn hand

op, als ik beschroomd de mijne uitsteek, en als hij mij een enkele maal

de zijne toesteekt, dan is die hand zóó slap, dat ik het niet waag die

te drukken, maar haar slechts even met mijn vingers omvat, waardoor ik

hem, geheel onwillekeurig, misschien in zijn overtuiging omtrent mijn

eigenzinnigheid versterk.

Hij heeft een verschrikkelijke straf voor mij uitgevonden, als ik

brutaal, trotsch of onwillig ben. Ik moet dan op de bank gaan staan, met

den rug naar hem toe, en doordat ik mijn plaats op de voorste bank heb,

zien alle jongens mij in het gezicht. Daar sta ik, hoog verheven, maar

o! zoo diep vernederd, tot spot van mijn kameraden, op wie de wijze,

waarop meneer Kreggers mij behandelt al spoedig invloed uitoefent,

zoodat zij mij al meer en meer als een paria onder hen beschouwen, en

die, van mijn tepronkstelling genietende, leelijke gezichten tegen mij

trekken, de tong tegen mij uitsteken, en mij, zoodra meneer Kreggers

zich omkeert, met proppen gooien of papieren pijlen naar mij werpen.

En terwijl ik daar sta, pijnig ik mij af met de gedachte, waarom hij

toch vindt, dat ik brutaal, trotsch en onwillig ben. Maar ik begrijp het

niet en geloof ook niet, dat ik "zoo'n akelige jonge" ben. Ik weet, dat

men mij dit alles vroeger nooit verweten heeft, en als ik zoo "slecht"

was, waarom zou meneer Nelissen mij dit dan nooit gezegd hebben, en

waarom zou men mij thuis daarover nooit eens onderhouden hebben? En dan

denk ik aan mijn vorige school, hoe tevreden en gelukkig ik daar was,

terwijl ik hier... hier...! Maar dan treft mij een prop of raakt mij een

pijl, en dan komen ze, mijn lang ingehouden tranen, en als ik die met de

mouw van mijn wit en blauw gestreepte kiel afwisch, dan fluisteren de

jongens, die het dichtst bij mij zitten, mij de woorden: huilebalk,

lammert, en zoo vele andere toe, en--ben ik rampzalig.

Ik heb veel moeite met de uitspraak van het Fransch en ofschoon ik niet

geloof, dat de jongens, met wie ik in dezelfde klas zit, mij daarin

zooveel vooruit zijn--Meneer Kreggers heeft zich in het hoofd gezet,

dat mijn onwil zich vooral bij het lezen in die taal openbaart. Zoodra

hij dan ook zegt: "_et maintenant, Messieurs, la lecture française_,"

word ik zenuwachtig en gejaagd, waardoor ik de geringe kans, die ik heb

om mij er door te slaan, natuurlijk grootelijks verminder. Soms laat hij

iederen jongen eenige volzinnen voorlezen, maar mij slaat hij over; een

andere maal verbetert hij het eerste verkeerd door mij uitgesproken

woord, en laat mij dit tot in het oneindige herhalen; maar ook gebeurt

het, dat hij mij laat beginnen en, zonder een enkele aanmerking te

maken, mij eenige bladzijden laat voorlezen. En dit is het pijnlijkste.

Zelf weet ik natuurlijk wel, dat mijn uitspraak nog zeer gebrekkig is,

en als ik, al hakkelend, voortlees, stapelen de fouten zich op. Wel

tracht ik die telkens te verbeteren, en in het begin gelukt mij dat ook

wel, geloof ik, maar al spoedig lees ik voort zonder te letten op

hetgeen ik zeg, want mijn gedachten dwalen af. Ik hoop toch, aan het

einde van iederen zin, dat meneer Kreggers een anderen jongen een beurt

zal geven; ik hoor het onderdrukt gelach der jongens om mij heen en ik

vrees, dat hij mij weer op de bank zal laten staan. En zoo haspel ik

voort, met een prop in mijn keel, terwijl de letters, door mijn tranen

heen, voor mijn oogen dansen, totdat meneer Kreggers, in het midden van

een zin, met de liniaal op de bank slaat en met verbeten woede uitroept:

"_Assez, maintenant l'arithmétique_," een werkzaamheid waaraan ik

evenwel geen deel mag nemen, want ik moet van mijn plaats opstaan, op

een ledige bank, aan het eind van het schoollokaal gaan zitten, en

gedurende de overige uren van den middag eenige honderde malen op de lei

schrijven: _je suis un enfant revêche, hautain et indocile_.

Eens, toen wij met onze leesboeken voor ons zaten, en het mijn beurt was

eenige volzinnen voor te lezen, zei meneer Kreggers, dat ik even moest

wachten, en, naar het bord gaande, schreef hij daarop met sierlijke

letters de woorden: _les yeux, les jeux, les cieux; les gens, les

chants, les champs; la nation, l'effusion, la religion_. "Lees dat nu

eens hardop voor," zei hij, en zijn rechterhand opheffende, voegde hij

er bij: "en nu niet geagiteerd, asjeblieft!"

Niet geagiteerd....! En dat terwijl ik de jongens reeds hoor giggelen

van plezier over hetgeen er zal volgen, en ik de schande van een nieuwe

tepronkstelling niet kan ontgaan. Ik lees, maar voor de oogen, de spelen

en de hemelen vind ik slechts een klank: _les sjeux_; voor de lieden, de

zangen en de velden slechts een woord: _les sjans_, en waar ik den

uitgang "ion" moet verbinden met de "g", of de "s" of een andere

medeklinker, daar is mijn weerbarstige mond niet in staat iets anders

uit te brengen dan een afschuwelijk: _sjion_.

Zoodra ik het laatste woord heb uitgesproken, geeft de jongen, die naast

mij zit, mij den welgemeenden raad: uit eigen beweging op de bank te

gaan staan, en hoor ik achter mij fluisteren: _je suis un enfant revêche

et un imbécile_.

Meneer Kreggers zwijgt, zwijgt geruimen tijd, en als ik eindelijk, half

wanhopig, waag mijn oogen even naar hem op te slaan, dan ontmoet ik

zijn kouden, glansloozen blik, waarmede hij, met een uitdrukking van

minachting op zijn gezicht, naar mij kijkt. Eindelijk zegt hij, met

ijzige bedaardheid, dat ik die woorden op mijn lei moet schrijven, en

nadat hij de jongens aan eenig schrijfwerk heeft gezet, moet ik bij hem

komen aan zijn lessenaar. Hij is bezig een brief te schrijven, en laat

mij een poos wachten, maar eindelijk keert hij zich naar mij toe en

zegt, schijnbaar kalm: "we zullen het nu nog eens probeeren, maar

nu"--en hij spreekt zacht, maar op dreigenden toon--"nu pas je op,

versta je? Zeg me nu na: _des...i...eux_."

In mijn angst, dat ik het weer verkeerd zal doen, zeg ik hem de beide

woorden zoo precies na, met zoo volkomen dezelfde intonatie, dat hij

zich driftig naar mij toe keert en mij vraagt: of ik denk hem voor den

gek te houden?

Hoe kan hij in 's hemels naam zoo iets denken, maar ik weet niet wat ik

zal zeggen, en zwijg, terwijl ik voor mij kijk.

"Krijg ik ook antwoord?" vraagt hij.

"Maar ik houd u niet voor den gek, ik denk er niet aan!" roep ik uit.

Meneer Kreggers wuift even met de hand, ten teeken, dat hij daarover

verder niet wil spreken en herhaalt: "_des ... i ... eux_."

Ik vrees nu natuurlijk nog meer, dat hij mij zal verdenken hem na te

doen, dan dat ik het moeilijke woord niet goed zal uitspreken, en het

gevolg is, dat ik stotterend uitbreng: "_des sjeux_."

Meneer Kreggers richt het bovenlijf hoog op en haalt zwaar adem; het is

duidelijk, dat mijn onwil zijn geduld op de zwaarste proef stelt, maar

hij bedwingt zich en na eenige oogenblikken zegt hij, bijna fluisterend:

"nu nog eens, maar nu ook voor het laatst: _des...i...eux_."

Maar mijn lijdzaamheid bezwijkt. Ik weet, dat ik onder deze

omstandigheden niet _kan_ doen wat hij van mij vordert, en zwijgend,

terwijl de tranen langs mijn wangen loopen, schud ik even het hoofd.

Het gezicht van meneer Kreggers wordt bloedrood. Hij staat haastig op,

en mij een duw tegen den schouder gevende, zegt hij: "marsch, in den

hoek..!"

Er komt nu opeens een gevoel van volstrekte onverschilligheid over mij.

Ik weet, dat ik _niet_ onwillig ben en dit _nooit_ ben geweest, maar dat

hij dit niet gelooft en nooit gelooven zal. Ik begrijp, dat ik geen

schuld heb, maar schandelijk word mishandeld, en in die overtuiging hef

ik het hoofd op, ga met een flinken stap naar den mij aangewezen hoek,

maar op eenigen afstand daarvan blijf ik staan, steek mijn handen in de

zakken en kijk rechts en links naar het plafond.

Als het vier uur geslagen heeft en de jongens vertrokken zijn, zegt

meneer Kreggers, dat ik mij moet aankleeden, dat hij zelf mij t'huis

brengen--en met mijn vader spreken zal. Ik ben zoo door alles heen, dat

zelfs het vooruitzicht: aan mijn vader rekenschap van mijn daden te

moeten geven, niet in staat is mij mijn trotschen kop te doen buigen, en

met mijn pet op één oor, mijn overjas wijd open hangende en mijn handen

in de zakken, loop ik, een paar passen achter meneer Kreggers blijvende,

naar huis.

Zoodra wij tegenover mijn vader staan, vraagt meneer Kreggers, met een

allervriendelijksten glimlach: of het misschien niet beter zal wezen

als hij mijn vader eerst even alleen spreekt, maar na diens antwoord:

dat hij waarschijnlijk de eene of andere beschuldiging tegen mij zal

inbrengen, en het dus billijk is, dat ik die zal aanhooren, ziet hij

zich genoodzaakt zijn grieven tegen mij in mijn tegenwoordigheid te

openbaren. Hij doet het. Op welsprekende wijze vertelt hij, dat hij,

reeds op den eersten dag waarop ik zijn school bezocht, heeft ingezien,

dat hij met een stuggen, onhandelbaren jongen te doen had, dat hij in

die overtuiging voortdurend werd versterkt, en eerlijk kan verklaren

nog nooit, niettegenstaande hij reeds meer dan vijf-en-twintig jaren

_instituteur_ is, een kind te hebben gezien, zóó brutaal, trotsch en

onwillig, als ik ben. Hij deelt mijn vader mede hoe ergerlijk ik mij

dien middag heb gedragen, ook toen hij mij, om mij te straffen, in den

hoek had laten staan, en eindigt met te zeggen, dat hij mij eigenlijk

van zijn school moest verbannen, maar nog eenmaal, als mijn vader dit

wenscht, consideratie met mij zal gebruiken, op voorwaarde evenwel, dat

ik den volgenden morgen openlijk, ten aanhoore van alle jongens, mijn

onwil zal erkennen en hem excuus zal vragen, welken eisch hij ter wille

van zijn prestige stellen moet.

Terwijl hij sprak, had ik het gelaat van mijn vader meer en meer zien

betrekken, en reeds vreesde ik, dat hij ernstig boos op mij was, toen

hij zich op eens, met iets heel vriendelijks in zijn oogen, tot mij

keerde en, mij naar zich toe trekkende, zeide: "en wat zegt m'n jongen

nu?"

O, die weldadige gewaarwording dat hij mij liefhad en beschermde! Ik

wierp mij snikkend in zijn armen en zei, dat ik niet zoo slecht was

als meneer Kreggers beweerde, maar dat hij een hekel aan mij had en

altijd had gehad; dat ik waarlijk mijn best deed, maar dat hij dit niet

geloofde en nooit zou gelooven, en dat ik ongelukkig was geweest van het

eerste oogenblik af, waarop ik op zijn school was gekomen.

"Maar 't kind is zenuwachtig," zei meneer Kreggers glimlachend.

"Ik geloof het ook," antwoordde mijn vader, en zachter voegde hij er

bij: "misschien wel meer dan ik verantwoorden kan. Intusschen"--en nu

klonk zijn stem weer krachtig--"zal mijn zoon uw school niet langer

bezoeken. Over een jaar gaat hij naar den cursus van dr. Van Eeken, en

tot dien tijd zal ik hem privaat-onderwijs laten geven. Voor de _goede_

zorgen, die u voor mijn kind hebt gehad," vervolgde mijn vader, meneer

Kreggers vast aanziende, "betuig ik u mijn dank."

Meneer Kreggers stond op, boog en vertrok; en bevrijd van een last,

waarvan ik nu eerst recht begreep hoe zwaar die mij had gedrukt, sloeg

ik de armen om den hals van mijn vader, die mij op zijn knie trok, mij

streelde en troostte, en zei: dat ik zijn beste jongen was------

Dit alles is meer dan dertig jaren geleden, maar hoe levendig herinner

ik het mij nog! En hoe kan het anders! Want wie het heeft ondervonden,

die zal het toestemmen: kinderleed is _groot_ verdriet.

Karel Jan Vonk.

"K..arel, J..an Vonk," zegt op lijzigen toon de burgemeester, die met

den rug naar het venster mijner griffie staat "zoo spreekt hij precies,

en zoo _is_ hij ook, saai en droog als een stokvisch. En dom en

onnadenkend, daar is geen voorbeeld van! Laatst moest hij een brief voor

mij schrijven aan de oude mevrouw Winter. "Neem het copyboek," zeg ik

tegen hem, "zoek daarin den brief, dien je verleden week aan dominee

Hulst hebt geschreven, en schrijf hem letterlijk over; alleen moet je

natuurlijk het woord "heer" in "mevrouw" veranderen." En Vonk deed

precies wat ik hem gezegd had; want toen hij mij den brief bracht, stond

er boven: "WelEerwaarde Mevrouw." WelEerwaarde Mevrouw, herhaalt de

burgemeester met een schamper lachje, zoo'n eend! En zoo zou ik je

honderd stupiditeiten van hem kunnen vertellen. Daarbij komt, dat hij

zich telkens vergist; geen brief, waarin hij niet knoeit, geen register

waarin hij niet krabt, in één woord: beroerd werk. Ik zeg je dit alles

maar, zie je, opdat, als je hem toch neemt, je later niet zult kunnen

zeggen, dat ik je daartoe heb geanimeerd."

"Mijn waarde," zeg ik, "daarover behoef je je niet ongerust te maken.

Zoo noodig, ben ik bereid onder eede te verklaren, dat je dat niet

gedaan hebt. Maar heb je me niet verteld, dat hij voor het onderwijs zou

worden opgeleid?"

"Zoo is 't. En hoe ze ooit op _die_ belachelijke gedachte zijn gekomen,

dat is meer dan een mensch begrijpen kan. Verbeel je, _die_ jongen moest

eerst zijn akte lager onderwijs halen, en dan nog die voor Engelsch

en Fransch. En dat _nota bene_, in een tijd, waarin je, om zoo te

zeggen, een dansmeester in het rekenen moet wezen; dat je, om maar een

kleinigheid te noemen, moet weten hoe zij het Engelsch uitspraken in

den tijd van de _prehistoric peeps_ uit _Punch_, en dat je zakt als een

baksteen als je, in het Fransch, niet alle onderdeelen van een kerk of

van een schip kunt noemen, dingen, die een verstandig mensch natuurlijk

niet eens in het Hollandsch weet. Twee jaren is hij op de normaalschool

te Diepenburg geweest."

"Waar hij zeker in de eerste klasse is blijven zitten?" vraag ik.

"Als een rots," bevestigt de burgemeester met een krachtigen hoofdknik,

"en toen ze dan eindelijk begrepen, dat hij weinig aanleg had om

schoolmeester te worden, hebben ze, omdat hij voor een ambacht te zwak

was, een kantoor voor hem gezocht en kwam hij, nu ongeveer een jaar

geleden, bij den notaris. Daar is hij drie maanden geweest, maar toen

hij in een paar dagen zes zegels, en dus voor een waarde van vier

gulden vijftig verknoeid had, heeft van Sevenum, die niet bepaald een

gemakkelijk heer--en nogal op nummer één gesteld is, hem bij zijn kraag

genomen en de deur uitgezet. Toen kwam hij bij den ontvanger, waar hij

zulk een vuurwerk van cijfers moet hebben afgestoken, dat Venninga nog

met de oogen knipt als je daarover begint, en die, toen hij het geheele

onheil had overzien, den jongen onder handen genomen--en zulke venijnige

dingen gezegd heeft--want Venninga is nog al scherp, zooals je weet--dat

Vonk letterlijk versuft is t'huis gekomen."

"Maar had hij den jongen dan niet wat meer op de vingers kunnen zien?"

vraag ik.

"Dat weet ik niet," antwoordt de burgemeester. "Venninga is natuurlijk

dikwijls uit, want dan heeft hij hier, dan daar zitting, en daarbij

komt, dat Vonk, zooals menschen die de dingen niet begrijpen dikwijls

doen, liever knoeide dan te zeggen, dat de boel in de war was, dat hij,

om maar geen standje te krijgen, de cijfers _liet_ kloppen, totdat hij

zelf er niet meer wijs uit kon worden en de bom barstte.

"Eindelijk kwam hij bij mij. Ik _moest_ een jongen hebben, en omdat het

op een klein plaatsje als dit moeilijk is er, voor een kleinigheid, een

te krijgen, heb ik hem genomen; maar 't gaat niet, het kan niet langer.

Van alles wat uit zijn handen komt, is het eene nog ellendiger dan het

andere. Ik heb gedaan wat ik kon; eerst heb ik hem, zoo vriendelijk

mogelijk, onder het oog gebracht, dat zulk gemeen geknoei op mijn

kantoor niet geduld kon worden, en toen dat niet hielp, heb ik hem

standjes gegeven, standjes..."

"Ja," zeg ik, "dat zal wel."

"Hè!" roept de burgemeester uit, mij eenigszins verbaasd aanziende,

"waarom denk je dat?"

"Omdat ik geloof," antwoord ik, "dat je wel een beetje heftig bent, weet

je."

"Ik geloof 't ook," erkent de burgemeester, "maar 't schijnt geen

slechte eigenschap te wezen. Mijn vader, ten minste, zei altijd: "dat

mag ik wel in een jongen, want 't bewijst, dat er wat inzit;" 't geen

hem trouwens nooit verhinderde me een pak ransel te geven, als ik nog

al dacht hem een plezier te doen met mijn hoofd door zijn ruiten te

steken. Maar om op Vonk terug te komen: toen niets baatte, heb ik hem

weggestuurd. Als _jij_ hem nu neemt, dan doe je een weldaad aan hem en

aan zijn ouders, want het is een fatsoenlijk gezin, dat hard moet tobben

om rond te komen; maar je weet nu wat je van hem te wachten staat."

"Is hij gewillig?" vraag ik.

"Zeer gewillig."

"En ijverig?"

"Zeker. Naar ik hoor, moet hij op de normaalschool geblokt hebben

als--als een heimachine," zegt de burgemeester, die met deze even

krachtige als kenschetsende uitdrukking kennelijk is ingenomen.

"Nu," zeg ik, "dan wil ik 't ook nog wel eens met hem probeeren, en kan

hij Maandagmorgen om tien uur hier komen. Wil je hem dat laten weten?"

"Graag," antwoordt de burgemeester. "Ik ben blij om hem en om zijn

ouders, maar.... _enfin, tu m'en diras des nouvelles_."

En zoo werd er den volgenden Maandag, precies tien uur, aan de deur der

griffie geklopt, en binnen kwam Karel Jan Vonk, een jongen van achttien

jaren, met een bleek en smal gezicht en eenigszins droomerige oogen,

gekleed in een fatsoenlijk, grijs pak, dat zeker niet meer nieuw, maar

netjes onderhouden was, en met een helder wit boordje om zijn hals,

waarvan de rafeltjes zorgvuldig afgeknipt waren.

Ik laat hem tegenover mij zitten, geef hem een _imprimé_ in blanco

van een vonnis, om dat in te vullen, zooals ik dat heb gedaan in het

_imprimé_, dat ik hem daarbij geef, en als hij daarmede een half uurtje

bezig is geweest, dan zegt hij: dat hij het af heeft.

En dat eerste werk is niet best. Zooals het afschrift nu luidt, is de

beklaagde niet ter terechtzitting verschenen, maar heeft hij toch aldaar

stokstijf ontkend zich aan het hem ten laste gelegde te hebben schuldig

gemaakt; getuigen heeten niet gehoord te zijn, maar verklaren toch er

alles van gezien te hebben, en doordat hij heeft vergeten de straf in

te vullen--wat bij een veroordeeling wel eenigszins _des Pudels Kern_

is--heeft hij van het vonnis een verkapte vrijspraak gemaakt, die voor

den veroordeelde geen onaangename verrassing zou zijn, maar waarmede ik

mij volstrekt niet vereenigen kan.

Ik breng Karel Jan het een en ander onder het oog, en voor zich

kijkende, hoort hij mij aan, met een rimpeltje tusschen de oogen,

terwijl hij met de rechterhand de vingers zijner linkerhand bijeendrukt,

en dan zet hij zich weer aan het werk om de fouten te verbeteren.

En zooals het dien eersten dag ging, zoo gaat het nog vele dagen, en

telkens erkent hij, met een bedrukt gezicht, dat het veel beter kon.

En onderwijl doe ik de ervaring op, dat ik als leermeester mijn sporen

nog verdienen moet. Heeft Karel Jan zich in een afschrift vergist, dan

zeg ik, dat wij moeten denken bij hetgeen wij doen, en den volgenden dag

beweer ik, dat wij bij _zulk_ werk eigenlijk in het geheel niet denken

moeten, omdat wij daardoor maar in de war geraken. Ik deel hem mede, dat

alle vonnissen de woorden: "in naam der Koningin," aan het hoofd moeten

voeren, en even later leg ik, zonder daarbij te denken, hem een oud

imprimé voor, waarboven met vette letters staat gedrukt: "in naam des

Konings." En als hij mij van het een of ander een verklaring vraagt, dan

geef ik hem die, maar doe dat zóó omslachtig, en verdiep mij in zooveel

uitzonderingen, dat het mij zelf begint te duizelen, wat Karel Jan

trouwens niet verhindert toestemmend te antwoorden, als ik hem vraag: of

hij het begrepen heeft.

En zoo trekken wij te zamen, met horten en stooten, den wagen een

eindje, een heel klein eindje, de helling van den weg op. Dikwijls

betwijfel ik of wij ooit zullen komen waar wij wezen moeten, maar

telkens, als de moed mij bijna ontzinkt, neem ik mij weer voor geduld te

hebben tot het uiterste, want onder het weinige, dat Karel Jan, die

langzamerhand iets spraakzamer wordt, mij vertelt van zijn leven en

omstandigheden, is veel wat mij toefluistert, dat ik zachtkens met hem

handelen moet.

Tien jaren geleden kreeg zijn vader in de fabriek dat ongeluk, waardoor

hij op krukken loopt; hij werkt daar nog, maar verdient veel minder dan

vroeger, omdat hij zoo weinig meer kan doen. Kort daarna begon zijn

moeder te sukkelen, die nu altijd bedlegerig is. Zij heeft dikwijls

pijn, spreekt heel weinig en heeft graag, dat het stil om haar heen is.

Maar die wensch is niet altijd gemakkelijk te vervullen, want hun huisje

is klein en de kinderen zijn druk. Ze zijn met hun zessen; eerst zijn

oudere zuster, die t'huis moet blijven om het huishouden te doen en

moeder op te passen, dan hij, en dan nog drie broertjes en een zusje,

die allen nog klein zijn en op school gaan.

Als Karel Jan sterker was geweest, zou hij een ambacht geleerd hebben,

wat hij altijd had gewild, en dan zou hij nu zeker al zooveel verdiend

hebben, dat zij zich t'huis minder behoefden te bekrimpen, maar voor

handenarbeid was hij te zwak. Ziek was hij wel nooit, maar dikwijls

gevoelde hij zich moe en lusteloos. Misschien was _dat_ wel de reden,

waarom zijn werk minder goed was dan dat van anderen, want hij geloofde

toch, dat hij waarlijk zijn best deed. Dat had hij ook gedaan op de

normaalschool te Diepenburg, waar hij, op kosten van mevrouw Winter,

twee jaren lang, driemalen in de week heen gegaan was. Maar hij was niet

geschikt voor studie; dat had hij na het eerste jaar reeds begrepen, en

graag had hij het toen al opgegeven, maar mevrouw Winter had gewild, dat

hij het nog één jaar lang zou volhouden, en dat had hij ook gedaan. Maar

op het laatst had hij de plagerijen zijner kameraden en den spot van

zijn leermeesters niet langer kunnen verdragen en was hij, een maand

voor de vacantie, weggebleven. Mevrouw Winter had dat niet goedgevonden,

maar als zij eens wist wat hij had uitgestaan! En toch had hij altijd

gewerkt, dikwijls tot laat, laat in den nacht, altijd, behalve Zondags,

omdat vader dat verboden had.

Ik vroeg hem, of hij iederen Zondag naar de kerk ging.

"Ja, gewoonlijk tweemalen; daarop was vader gesteld."

Hoe bracht hij den Zondag verder door?

"Als het goed weer was, liep hij met de kinderen langs den dijk tot

Stormwijk, of den anderen kant uit tot Lingedam, en als het regende, dan

las vader voor uit den Bijbel of uit een stichtelijk boek."

Ging hij Zondags nooit uit met jongens van zijn leeftijd?

"Weinig; hij zou dat wel willen, maar zij waren niet toeschietelijk voor

hem, en ook zaten zij dikwijls in de herberg, wat vader niet goedvond."

Las hij veel?

"Neen. Wel hield hij veel van lezen, maar boeken waren duur, en er was

hier geen bibliotheek."

Had hij geen konijnen, geen duiven?

Kleurig en donker · 第 4 / 10 段