schelde zij aan en hield het ezeltje, dat het karretje trok, waarop zij
schillen en anderen afval verzamelde, voor onze woning stil. Zij kwam
altijd op precies denzelfden tijd, en zoo hadden de kinderen zich
aangewend niet eerder naar school te gaan, dan nadat Antje, zoo heette
zij, had aangescheld. Als ik vroeg: "Frits, jongen, moet je nog niet
naar school?" of: "Karel, ventje, is het je tijd nog niet?" dan was het
antwoord: "nee, pa, want Ant is er nog niet;" maar zoodra een van de
kinderen haar of haar ezeltje in het oog kreeg, dan riep hij: "daar is
Ant; Ant is er, hoor!" en dan grepen allen naar boeken en tasschen en
stormden de deur uit.
Zij was een klein vrouwtje, oud en arm. Onder een langen, zwarten,
kaal-gedragen mantel droeg zij een japon, die vroeger waarschijnlijk
bruin was geweest, maar die nu, na veeljarig gebruik, die vale kleur had
aangenomen, welke aan de plunje der armoede eigen is. Haar hoofd was
gehuld in een zwart wollen muts, onder de kin vastgestrikt, en hare
handen waren gestoken in grijze wanten, die veel te wijd en daarom met
bandjes om haar polsen bevestigd waren. Haar gestalte was gebogen, haar
gelaat, gebruind door weer en wind, was gerimpeld, en haar tandelooze
mond was ingevallen, maar haar oude en vermoeide oogen hadden een
bijzonder zachte uitdrukking, en als zij, voor de deur staande, op
schillen wachtte, en de kinderen haar met een: "goeje morge, Ant; dag
Ant!" voorbij gingen, dan bewees de vriendelijkheid, waarmede zij hun
groet beantwoordde, en het welgevallen, waarmede zij hen naoogde, dat al
het verdriet en de zorgen, die zij gekend had, haar hart niet hadden
verbitterd.
Ook het langharig, wit-en-grijze ezeltje, dat het karretje trok, was
oud. Reeds menig jaar had hij Antje op haar dagelijksche tochten
vergezeld, maar altijd goed door haar verzorgd, was hij gezond en sterk
gebleven, en zoo zag hij er op zijn ouden dag nog frisch en kranig uit,
voor zoover men dit tenminste van een ezeltje zeggen kan. Antje hield
veel van hem, niet alleen omdat hij grootendeels haar kostwinner was,
maar ook om hemzelf, "want," zei zij, "'t was 'n best ezeltje, nooit
eigenzinnig en altijd gezond."
Hans werd dan ook naar verdienste beloond, en als Antje een broodkorst
in den afval vond, of iets anders, waarvan zij vermoedde dat hij het zou
lusten, dan vergat zij nooit het vóór hem op straat te werpen, waarop
Hans, na eerst eenige oogenblikken daarnaar gekeken te hebben, zijn kop
boog, het van alle kanten besnuffelende, en eindelijk ophapte, als het
tenminste van zijn gading was, wat lang niet altijd gebeurde; want
doorvoed als hij was, had hij natuurlijk geen honger, maar slechts trek
in wat lekkers, en wat Antje dacht dat een delicatesse voor hem zou
zijn, bleek nog wel eens volstrekt niet in zijn "smaak" te vallen.
Als een verstandig ezeltje wist Hans natuurlijk precies den weg,
dien hij dagelijks moest afleggen en de woningen, waarvoor hij moest
stilstaan. En als Antje, die verderop in de straat waarin wij woonden
geen klanten had, bij ons aanschelde, dan liep Hans uit eigen beweging
eenige stappen voort, maakte een wel wat overdreven grooten draai, en
bleef daarna geduldig voor onze woning staan, wachtende totdat de
schillen waren opgeladen, en Antje "vort Hans!" riep, waarop hij
terstond aantrok en het karretje wegrolde.
Gedurende de jaren, die zij samen hadden doorleefd, had Antje haar
ezeltje langzamerhand tot haar stilzwijgenden vertrouwde gemaakt en,
naast zijn kop gaande, had zij, in lange alleenspraken, hem alles
medegedeeld wat er belangrijks in haar leven voorviel, en hem al haar
hopen en vreezen toevertrouwd, waarbij zij hem van tijd tot tijd in den
hals duwde, vooral als zij zijn aandacht op het een of ander meer in het
bijzonder wilde vestigen.
Vroolijk en opwekkend was het gewoonlijk niet wat Hans te hooren kreeg.
Toen de man van Antje ziek en bedlegerig was geworden, had zij haar
ezeltje al haar tobben in het heden en al zorgen voor de toekomst
geopenbaard, en toen de zieke na een lijden van eenige jaren overleden
was, had Hans al spoedig daarop de ongelukkige geschiedenis moeten
aanhooren van de dochter, het eenige kind zijner meesteres, wier man,
een dronkaard, zijn vrouw had mishandeld en eindelijk haar en haar
kind had verlaten, die daarop hun intrek bij Antje genomen hadden: de
moeder ziek en ellendig van het leven, dat zij geleden had, maar haar
jongen--frisch en gezond. "Niet waar, Hans? frisch en gezond, dat is ie,
dat harteboertje!" had Antje haar ezeltje toegeduwd. "Maar z'n vader,
hè! Och Heere, ja! Alweer de drank, hè? Ja, jonge, dat is 't, de drank,
die er al menigeen onder geholpe het, die 'n best leve had kanne hebbe.
En zij ook; "want als werkman is er geen beter," zeit z'n baas. En nou
zwerft ie rond, en motte wij de kost voor ze verdiene. Maar 't gaat,
Goddank, hè! As wij nou maar gezond blijve, ik en jij! maar dat zal wel
schikke, hè! want heelemaal verlate, dat wordt 'n mens, die z'n plicht
doet, nooit..."
Op een kouden wintermorgen, toen de schillen van alle klanten waren
opgehaald, kwamen Antje en Hans, die veel moeite had het karretje door
de hoog liggende sneeuw te trekken, op hun weg naar buiten de stad, waar
de schillen gebracht moesten worden, over den Brink, toen zij door een
agent van politie werden aangehouden, die, Hans bij het hoofdstel
vasthoudende, tot Antje zei: "da' 's nou al de derde maal, da' 'k 't
zie; twee keere hè 'k 't door de vingers gezien, maar nou mot je mee na
't berô."
Antje, die deze woorden met de grootste verbazing had aangehoord, keek
den agent aan, alsof zij dacht, dat hij niet wel bij het hoofd was, en
kwam eerst tot zichzelve toen Hans, niet gewend zich op die plaats op te
houden, en gaarne zijn zaken zoo spoedig mogelijk afdoende, om de rest
van den dag genoegelijk in zijn stalletje te slijten, een zoo krachtige
poging aanwendde om het karretje voort te trekken, dat de man der wet,
zijns ondanks, een eindje werd meegetrokken.
"Ho, Hans, ho!" riep Antje uit, het ezeltje op den hals kloppende; en
zich tot den agent keerende, vroeg zij: "wat zeg je, mot 'k mee na 't
berô?"
"Wel wis," antwoordde de agent met een straffen blik, "ik zeg je ommers,
dat 't nou al de derde keer is, en da's genoeg zou 'k denke!"
"De derde keer, wat derde keer?" vroeg Antje, den man met groote oogen
aanziende.
"Maar mens!--dat je schille ophaalt!" antwoordde de agent, met een
hoofdbeweging naar het karretje.
"Nou ja," zei Antje, "dat doe 'k alle dage, hoor! Wat zou dat?"
"Maar dat mag je niet doen!" riep de agent uit. "Wist je dat dan niet?"
"Wat zeg je nou? Mag 'k geen schilletjes ophale? Menslief, droom je, of
hoe hè' 'k 't nou met je?" vroeg Antje, den agent ongeloovig aanziende.
"Droome," antwoordde de agent, "dat doe 'k in bed, en hoe je 't met me
het, dat weet 'k niet, maar schille vervoere, dat mag je alleen maar
doen vóór 's morgens acht uur."
"Kom", zei Antje, "nou nog mooier! wie zou dat verbieje?"
"Weet ik 't! de burgemeester of 'n ander, die 'r over te zegge het,"
antwoordde de agent, "maar 't _mag_ niet. En ga nou maar mee na 't berô,
dan kan je 't van de commissaris zelfs hoore."
Antje keek even naar den grond, schudde langzaam het hoofd, maar
begrijpende, dat er niets aan te doen was, en wenschende te weten wat er
waar was van hetgeen de agent beweerde, iets waardoor haar broodwinning
ernstig werd bedreigd, nam zij Hans bij den teugel, en riep met een
zucht: "Vort, Hans, vort jonge!"
't Ging lang niet gemakkelijk Hans aan het verstand te brengen, dat hij
dien morgen een anderen weg moest volgen dan anders, en herhaaldelijk
gaf hij, door opeens stil te staan, en door verkeerde straten te willen
ingaan, zijn weinige ingenomenheid te kennen met de buitengewone
verlenging zijner morgenwandeling, maar eindelijk, vooral toen de agent
er zich niet meer mee bemoeide, wiens inmenging Hans volstrekt niet
verdragen wilde, werd hij gewilliger; en toen zij ten slotte voor het
politie-bureau gekomen waren, gingen Antje en de agent naar boven en
kwam er, om op Hans te passen, een andere agent buiten, bij wiens
verschijning het ezeltje terstond een lang aangehouden gebalk aanhief,
tot groote pret van eenige straatjongens, die een aantal geestige
opmerkingen maakten over de krassende geluiden, die Hans maakte, in
verband met de komst van den agent.
"Wel Kloek," vroeg de commissaris, toen Antje en haar geleider voor hem
stonden, "wat is er, wat heeft dat vrouwtje gedaan?"
"Afval van eetware vervoerd nà bezette tijd, U-gestrenge," antwoordde de
agent, de hand aan het hoofd brengende, "al drie dage achter mekaar."
"Maar dat mag je niet doen vrouwtje!" zei de commissaris. "Na 's morgens
acht uur is dat verboden, en mag 't alleen van gemeentewege gebeuren. Je
moet dus maken, dat je in 't vervolg op dat uur met je karretje van de
straat bent."
"Maar me lieve meneer," zei Antje, "as 'k 's morges vóór acht uur me
schilletjes mot hale, dan krijg 'k er geen een. Vóór half acht hoef 'k
bij de rijkdom niet an te schelle, en in 'n half uur kan 'k ommers me
klantjes niet afloope en de schilletjes wegbrenge."
"Ja," antwoordde de Commissaris schouderophalend, "daarmee heb 'k niet
te maken. Ik moet alleen zorgen, dat de verordeningen worden nageleefd;
en als je nu niet doet wat 'k je zeg, dan moeten we je bekeuren. Ik zal
't nu nog _eens_ door de vingers zien, maar Kloek, je hoort 't, als ze
nu weer nà acht uur schillen vervoert, dan moet je proces-verbaal tegen
haar opmaken."
"'t Zal gebeure, U-gestrenge," antwoordde de agent, andermaal de hand
aan het hoofd brengende.
"Maar meneer," zei Antje, "'t is me brood! wat mot 'k beginne, as 'k
geen schilletjes meer mag ophale?"
"Ik heb je al gezegd, vrouwtje, dat 'k er niet mee te maken heb,"
antwoordde de Commissaris. "Wees nu verstandig en zie, dat je wat anders
bij de hand neemt. En nu, goeden dag, hoor!" En terwijl hij zich weer
verdiepte in de papieren, die voor hem op de tafel lagen, ging Antje
heen, mompelend: "zóó verstandig zal 'k nooit worre, da'k zal wete hoe
'k op 'n andere menier an de kost mot komme. Maar"--en langzaam de trap
af gaande, schudde zij zeer beslist het hoofd--"ik laat 't er niet bij,
dat doen 'k niet!"
Op straat gekomen, liep zij langen tijd, in diep gepeins, naast den kop
van Hans, die zich haastte zijn gewonen weg weer op te zoeken, maar toen
zij buiten de stad gekomen waren, gaf zij, opeens haar hoofd opheffende,
Hans een paar krachtige duwen in den hals en riep zij uit: "ik heb 't
Hans, ik heb 't!"
Een uur later, toen Hans in zijn stalletje gebracht en van het noodige
voorzien was, knapte Antje zich wat op en, na een linnen zakje met eenig
geld daarin uit haar chiffonnière genomen en bij zich gestoken te
hebben, ging zij naar het huis van Mr. Verdoorn, een advocaat, bij wien
haar dochter voor haar ongelukkig, huwelijk had gediend.------
Meneer was t'huis, maar had iemand bij zich, zei de huisknecht, maar als
zij wou wachten....
"Wel, menslief, ja, hoor! ik het de tijd," antwoordde Antje. En zoo
stond zij geruimen tijd bescheidenlijk te wachten op de vloermat bij
de voordeur, in de breede, marmeren gang, met haar beelden, vazen en
planten, en verwonderde zij zich hoe rijk iemand wel moest wezen, om
zulk een prachtig huis te bewonen, toen zij eindelijk werd binnen
gelaten in de ruime kamer, waarin de advocaat zich bevond, en zij, het
armoedige vrouwtje, in haar schamele plunje, een droevige tegenstelling
opleverde met de weelderige inrichting van het hooge vertrek,
ouderwetsch en deftig door het geschilderde behangsel en de
gebeeldhouwde meubelen, het dikke tapijt en de zware draperieën.
"Wel, vrouwtje," zei Mr. Verdoorn in volle waardigheid in zijn
hoog-gerugden stoel achterover leunende, de handen over het lijf
gevouwen en het eene been over het andere geslagen, "wat kan ik voor u
doen?"
En Antje, die niet vergat te zeggen, dat zij de moeder was van Jans, die
er vijf jaren eerlijk had gediend, vertelde wat haar overkomen was en
vroeg wat er aan te doen zou zijn.
"'t Is juist wat ik heb voorspeld," zei Mr. Verdoorn, met een
zelfgenoegzaam glimlachje zijn duimen om elkander draaiende, "juist wat
ik heb voorspeld. Toen in den raad werd voorgesteld in het vervolg afval
van gemeentewege op te halen, heb ik er op gewezen, dat men daardoor
een aantal personen broodeloos zou maken. En toen, niettegenstaande dit
bezwaar, dit zeer groote bezwaar," herhaalt Mr. Verdoorn met een ernstig
gezicht, "het voorstel werd gehandhaafd, heb ik in overweging gegeven
hun, die sedert eenige jaren afval ophaalden, te vergunnen daarmede
voort te gaan. Maar ook hiermede kon men zich niet vereenigen. En alles
wat ik gedaan heb kunnen krijgen, bestaat hierin, dat het ophalen van
afval, bij uitzondering, ook aan particulieren kan worden vergund. Die
vergunning voor u aan te vragen, is dus alles wat ik voor u kan doen."
"Ik kan dus een vergunning krijgen?" vroeg Antje, die, van al hetgeen
zij had gehoord, niet veel meer dan het laatste had begrepen.
"Onmogelijk is 't niet," antwoordde Mr. Verdoorn, "maar"--en hij zette
een bedenkelijk gezicht--"zeker is 't evenmin."
"Och meneer, doe uw best voor me," vroeg Antje, "doe uw best, want 't is
me brood!" en een paar dikke tranen kwamen in haar oude oogen te
voorschijn.
"Ik beloof u te zullen doen wat ik kan," antwoordde Mr. Verdoorn, "en
zoodra ik de beslissing heb, zal ik het u doen weten."
"Dank u, dank u!" zei Antje; en het linnen zakje voor den dag halende,
nam zij daaruit een aantal dubbeltjes, die zij op de schrijftafel van
Mr. Verdoorn begon uit te tellen, om hem voor zijn advies te betalen.
Maar de advocaat streek met een glimlach het geld van zich af, zeggende,
dat hij gaarne zou doen, wat hij haar had beloofd, maar dat hij daarvoor
geen geld wilde ontvangen.
Met nog een dankbetuiging borg Antje het geld weer weg, en met een
koddig buiginkje verliet zij de kamer en weldra ook het huis van Mr.
Verdoorn.
Dankbaar gestemd door de aanvankelijke hulp, die zij gevonden had, ging
zij haar klanten rond, vertelde wat er gebeurd was, en vroeg hun, om
niet door anderen "onderkropen" te worden, of zij, gedurende den tijd,
waarin het haar niet mogelijk zou zijn haar broodwinning uit te oefenen,
de schillen slechts aan personen, die van stadswege daarom kwamen,
wilden meegeven; en nadat allen haar dit bereidwillig beloofd hadden,
ging zij naar huis, en afwachtende de dingen, die komen zouden, legde
zij zichzelve en Hans een gedwongen vacantie op, iets waarin het ezeltje
zich bijzonder goed schikte.
Twaalf, veertien dagen gingen voorbij, zonder dat Antje kwam opdagen, en
reeds maakten wij ons ongerust, dat zij de vergunning niet had kunnen
krijgen, toen op een morgen, waarop het zonnetje scheen en de kinderen,
vroolijk en gezond, zich gereed maakten om naar school te gaan, Karel
uitriep: "Kijk's, kijk's, daar is Antje weer! daar staat ze te knikken
en buiginkjes te maken."
En waarlijk, daar stond zij, en knikte ons toe met zulk een gelukkig
gezicht en zooveel zonneschijn in haar oogen, dat wij allen naar de
voordeur gingen, haar gelukwenschten en zeiden hoe blij wij waren, dat
zij haar broodwinning had mogen behouden.
En dankbaar was zij! "Lieve harte," zei ze, "wat in de wereld ha'k toch
motte beginne as 'k geen schilletjes meer had magge ophalen? Dan was
'k natuurlijk an de diakenie vervalle, en as 'k van de arreme niet hoef
te trekke, dan is dat ommers veel beter! En nou ben ik zoo blij as 'n
kind, en kom 'k weer alle dage, net zoo lang as onze Lieve Heer wil." En
zij knikte ons toe, en wij haar, en opgewekt riep zij: "Vort, Hans, vort
jonge!" En het ezeltje, dat er na zijn vacantie bijzonder welgedaan
uitzag, trok aan en weg rolde het karretje.
Haar gewonen weg volgende en, op den Brink gekomen, den agent van
politie ziende, die haar zulke bange dagen had bezorgd, besloot zij
haar rekening met de politie, die toch eens moest weten dat zij een
vergunning gekregen had, terstond te vereffenen, en om de opmerkzaamheid
van den agent te trekken, die met zijn rug naar haar toe stond, riep
zij, iets wat zij anders nooit deed, zoo luid als haar zwakke stem
toeliet: "schille, schille, wie het schille!"
Dit geroep miste zijn uitwerking geenszins. Kloek keerde zich terstond
om, en Antje met haar karretje ziende, ging hij naar haar toe, en zei
knorrig: "ik merk 't al, je bent net as de rest, en je _wil_ 't niet
late."
"Dat kan 'k niet, me goeje man," zei Antje hoofdschuddend; "'t is me
brood, zie je, en daarom mot 'k 't wel doen--vandaag, morge en altijd."
"'t Is goed," antwoordde Kloek, "maar je weet wat de Commissaris het
gezeid, en je mot dus weer mee na 't berô. Maar 't zal er spanne, hoor
je, 't zal spanne, dat zeg ik je!"
"'t Zal zoo'n vaart niet loope," meende Antje, 't zal nog wel schikke."
"Wor nou maar niet bertaal," waarschuwde Kloek, "want dan maak je 't nog
erger!"
"Menslief," zei Antje, "daar denk 'k niet an." En Hans tegen den hals
duwende, riep zij uit: "Vort Hans, vort jonge, we gaan nog _eens_ na de
Commesaris."
Hans, die waarschijnlijk gedurende zijn vacantie zijn gewone _route_
een beetje had vergeten, stribbelde deze maal in het geheel niet tegen,
en weldra stonden Antje en de agent weer voor den Commissaris.
En Kloek had gelijk gehad, want het spande geducht toen Antje in het
verhoor werd genomen. Maar, met gebogen hoofd voor hem staande, liet zij
hem kalm uit...spreken, en toen zij eindelijk haar naam, ouderdom en
woonplaats had opgegeven, vroeg zij: "Meneer, toe u me laast het gezeid,
da' 'k geen schilletjes mocht ophale--dat was toch niet de volle
waarheid, was 't wel?"
"Mensch," stoof de Commissaris op, "wou je me in m'n gezicht zeggen, dat
'k lieg!"
"Maar me lieve meneer," zei Antje, "dat wil 'k in 't geheel niet zegge;
ik meen maar, dat 't niet de _heele_ waarheid was; want 'k mag wel
schilletjes ophale, as 'k maar 'n vergunning heb. Is 't zoo niet?"
"Die vergunning," zei de Commissaris boos, "wordt nooit verleend, en 't
was dus geheel onnoodig daarover te spreken."
"Ja," zei Antje, "zoo heel gemakkelijk kan je 'm niet krijge, maar 'k
het er toch eentje." En nadat zij eenigen tijd, misschien iets langer
dan bepaald noodzakelijk was, in de diepte van haar zak had rondgewoeld,
haalde zij daaruit een papier, dat zij met een buiginkje aan den
Commissaris overhandigde, die nauwelijks zijn oogen kon gelooven, toen
hij het stuk doorgelezen en gezien had, dat het een vergunning in
_optima forma_ was.
Eindelijk gaf hij, schouderophalend, het papier terug, en zei, op een
toon alsof hij verongelijkt was: "'t is in orde, en we zullen er
aanteekening van houden. Maar hoe _jij_ die vergunning gekregen hebt,"
vervolgde hij, het schamel menschje met ongeveinsde verbazing
aanziende, "dat mag de hemel weten!"
"Ik mag dus ongehinderd weer schilletjes ophale?" vroeg Antje, die het
onnoodig vond den Commissaris te vertellen op welke wijze zij de
vergunning gekregen had.
"Ja, mensch, ja!" antwoordde de Commissaris, zich omkeerende, waardoor
het dankbaar buiginkje, dat Antje voor hem maakte, geheel voor hem
verloren ging.
Op straat gekomen, haalde Antje diep adem, en Hans vriendelijk op den
rug kloppende, zei zij: "hè Hans, da' 's achter de rug, hoor! 't Ware
benauwde dage, maar goeje mense hebbe ons geholpe; we benne erdoor en
voor goed ook; vort, jonge, vort."
Kinderleed.
Nadat hij aan tafel had plaats genomen en, zooals hij placht te doen,
eerst zijn mes, lepel en vork, en daarna wijnflesch en glas een weinig
op zijde had geschoven, zei mijn vader: "Meneer Nelissen is zoo even bij
mij geweest, Willem, en heeft mij gezegd, dat hij met de groote vacantie
zijn school opheft. Hij heeft een betrekking in Indië gekregen, en in
het begin van Augustus gaat hij daarheen, zoodat je naar een andere
school moet, ventje."
"Och heden, dat is jammer!" zei mijn moeder; "dat zal je spijten, hè,
Willem?"
"Hè ja!" riep ik uit, "zoo'n prettige school."
"Ja," zei mijn vader, "het spijt mij ook. Meneer Nelissen is een
verstandig man, die veel van kinderen houdt en daarbij een goed
onderwijzer. Maar er is natuurlijk niets aan te doen. Ik zal nu
informeeren of er plaats voor je is bij meneer Kreggers; dat moet
een uitmuntende school zijn, wel wat duur, maar heel goed."--En
hiermede van dit onderwerp afstappende, vroeg hij aan mijn ouderen
broeder, die deelgenoot in zijn zaken was: hoe de Beurs was geweest,
en terwijl Gerard hem mededeelde, dat de Portugeezen "een ietsje
flauwer"--de Metallieken "een tikje beter" waren, en verder verslag
gaf over den stand der fondsen, dacht ik na over het akelige nieuws,
dat ik had gehoord, en was zoo geheel onder den indruk daarvan,
dat ik, om zoo te zeggen, eerst weer tot mijzelf kwam toen ik
mijn jongste zusje met haar ernstig stemmetje hoorde zeggen:
"Heere--zegen--deze--spijs--en--drank--amen," waarna het mijn beurt was,
en ik dan ook hetzelfde gebedje deed, maar omdat ik half boos, half
bedroefd was, waarschijnlijk niet op dien eerbiedigen toon, die mij
paste, want toen ik mijn oogen weer opsloeg, zag ik een glimlach, niet
alleen op de gezichten mijner broeders en zusters, maar zelfs op het
ernstige gelaat van mijn vader.
Ik was dien avond stil en teruggetrokken, en eerst toen ik in bed lag en
mijn moeder, zooals zij altijd deed, boven kwam, om mij toe te dekken en
een nachtkus te brengen, kreeg ik, nadat zij met mij gesproken en mij
opgebeurd had, weer moed, en sliep ik in, droomende van mijn duiven en
konijnen, mijn zeer dierbare lievelingen, zonder dat meneer Kreggers,
van wien ik mij een verschrikkelijke voorstelling maakte, daar tusschen
kwam spoken.
Het was geen wonder, dat ik mij het aanstaand vertrek van meneer
Nelissen aantrok, want niemand kon beter met kinderen omgaan dan hij.
Opgewekt, nooit onbillijk, altijd zichzelf meester en daarenboven een
zeer kundig onderwijzer, verwierf hij zich spoedig het vertrouwen en de
genegenheid van iederen nieuwen leerling; en zoo hielden wij van hem,
als soldaten van een welwillend en kranig officier. Wij moesten leeren,
dat sprak van zelf, maar hij maakte het ons gemakkelijk, en op humane
wijze handhaafde hij orde en tucht.
Ik herinner mij, dat ik, op den eersten dag, waarop ik zijn school
bezocht, en hij, naast mij zittende, mijn schrijfwerk corrigeerde, een
klein spinnetje zag, dat zich van de hanglamp naar beneden liet zakken.
Zoodra het onder mijn bereik was, streek ik den draad, waaraan het hing,
voorzichtig aan mijn vinger, en zonder daartoe vergunning te vragen,
stond ik op, bracht het spinnetje naar een plant, die voor het geopende
venster stond, en ging weer zitten, niet vermoedende mij aan eenige
inbreuk op de schoolwetten te hebben schuldig gemaakt.
"Je mag zoo maar niet opstaan!" zei Henri, die naast mij zat.
"Dat zal hij langzamerhand wel leeren," zei meneer Nelissen, mij op den
schouder kloppende. "Hij is verstandig genoeg om te begrijpen, dat, waar
zooveel jongens bij elkander zijn, niet ieder kan doen wat hij verkiest,
en dat hij dus, als hij wil opstaan, moet vragen of hij dit doen mag. En
wat hij deed," vervolgde meneer Nelissen, mij over het hoofd strijkende,
"is in allen gevalle veel beter dan vliegen met een pennemes te
onthoofden, niet waar Henri?"
"Maar dan doen ze zoo eeuwig mal," mompelde Henri. En toen meneer vroeg
wat hij zei, antwoordde hij: dat hij het niet weer zou doen.
Ik geloof wel, dat ik in dien tijd een wilde jongen was, en dat ik nog
al dikwijls terecht gewezen moest worden, maar nooit bemerkte ik, dat ik
in de oogen van meneer Nelissen onhandelbaarder was dan andere jongens
van mijn leeftijd, en nooit heeft hij mij doen gevoelen, dat mijn
gebreken ernstiger waren dan die van mijn kameraden.------
"En waar gaat hij nu heen?" vroeg meneer Nelissen, toen hij een
afscheidsbezoek aan mijn ouders bracht, en ik binnen was geroepen om hem
vaarwel te zeggen.
Mijn vader antwoordde, dat ik na de vacantie naar de school van meneer
Kreggers zou gaan, en toen meneer Nelissen hierop niets zeide, vroeg
mijn moeder, over dat stilzwijgen een weinig ongerust, of hij die school
kende?
"Zeker mevrouw," antwoordde hij. "Kreggers is een knap man, geloof ik,
een _heel_ knap man.--Hm.!" En dit zeggende stond hij op, nam afscheid
van mijn ouders, en heel hartelijk van mij, en vertrok.
Ik heb hem nooit weergezien. Nauwelijks in Indië aangekomen, bleek hij
niet bestand te zijn tegen het klimaat, en op het schip, waarmede hij
naar het vaderland terugkeerde, overleed hij.--Arme meneer Nelissen! gij
waart een goed en verstandig man, en nog veel goeds hadt gij tot stand
kunnen brengen------