"Nu goed dan, _niet_ vies, maar--ja kijk nu maar niet zoo woedend--in

ieder geval behooren ze daar niet te liggen, en als je zoo goed wilt

zijn even in de gang te kijken, dan zal je nog een stapeltje boeken op

de trap vinden en een tweede op het zadel van je fiets."

"Nou ja," zegt Eddy, "dat komt, omdat 'k dan hier, dan daar werk. Eerst

he' 'k van middag op de trap gezeten; toe hier, omdat u toch uit was;

toe in de stal, en toe ben 'k uitgegaan, en toe he' 'k vergeten de boel

op te redderen."

"Welke verdediging waarschijnlijk geacht moet worden afdoende te zijn?"

vraag ik.

"Of ie!" beweert Eddy, waarop hij, op zijn eigenaardige manier, begint

te knipoogen en stilletjes voor zich heen te lachen.

"Ik heb hem al zoo dikwijls gezegd, dat hij op die manier nooit goed kan

werken," zegt Cor, "en dat hij veel beter zou doen als hij rustig op

zijn kamertje bleef zitten."

"En daarin hebt ge volkomen gelijk," stem ik toe. "Hoe zoudt ge

't vinden, majoor"--want sedert ik weet, dat hij lid is van de

weerbaarheid, een instelling, die ik, tot zijn ergernis, nog al dikwijls

met de pupillenschool verwar, spreek ik hem gewoonlijk aan door hem een

militairen rang toe te kennen--"hoe zoudt ge 't vinden, als je in 't

vervolg hier bij mij kwam zitten; als je boeken een vaste plaats kregen,

daar op dat tafeltje, en als je iederen avond, iederen Woensdag- en

Zaterdag-middag hier kwam werken?"

Ik zie Cor aan, dat zij dit plan van harte toejuicht, maar zij is

verstandig genoeg niets te zeggen en kijkt naar Eddy, die, met

opgetrokken wenkbrauwen, een poosje naar mijn inktkoker staart, en dan

opeens naar Cor kijkt, en haar met een knipoogje toeknikt, blijkbaar

denkende dat dit plan van haar afkomstig is.

Cor, die hem begrijpt, ontkent er een woord van gezegd te hebben, en

als ik dit heb bevestigd, herhaal ik mijn voorstel, het aannemelijk

makende door de belofte van een sigaar en een glas bier, na den arbeid,

en door hem het vooruitzicht te openen op een rijtoertje, iederen

Woensdag en Zaterdag, als hij ten minste tot vier uur behoorlijk heeft

gewerkt.

Eddy, die zich zijn vrijheid niet zoo spoedig laat ontfutselen, kijkt

nog even voor zich, doet mij dan de zotte vraag: of ik er een eed op wil

doen, dat ik mijn beloften zal nakomen, iets waarvoor ik beleefdelijk

bedank, maar eindelijk zegt hij toch, dat hij het "dan maar doen zal."

En zoo zaten wij den volgenden avond voor het eerst tegenover elkander,

hij bezig een wiskundig vraagstuk op te lossen, en ik mij verdiepende in

de vraag, of aan zeker boertje al dan niet het kiesrecht moest worden

toegekend, iets waaromtrent Eddy beweerde, dat ik er niet over behoefde

te "suffen", omdat het er toch niets toe deed of "die stomme boer" het

kreeg of niet.

Ik moet eerlijk erkennen, dat Eddy zijn belofte behoorlijk is nagekomen,

en dat hij, van dien avond af, geregeld bij mij gezeten en al zijn

huiswerk gemaakt heeft; maar waar is ook, dat hij dit op een zonderlinge

manier deed. Het is niet onmogelijk, dat hij misschien wel eens een

kwartier lang achter elkander gearbeid heeft, maar dat hij dit nooit

een half uur lang heeft volgehouden, daarvan ben ik volkomen zeker. Als

hij zich een poosje heeft ingespannen, dan schijnt het, dat hij eenige

ontspanning absoluut noodig heeft; en zelfs als hij over zijn boeken

gebogen zit en ik zie dat hij met zijn gedachten bij zijn werk is, dan

nog maakt hij allerlei geluiden, sist tusschen de tanden, trommelt met

de vingers op de tafel, of hij neuriet de wijs van een liedje, waarvan

hij dikwijls de laatste regel uitgalmt, of met een hoog stemmetje zingt.

Als hij de wijs neuriet van het lied, waarin sprake is van een kiezer,

die het "ongeluk" heeft geen "klare" te lusten--hetgeen trouwens niet

verhindert, dat de ware "kiezerspit" in zijn _body_ zit--dan weet ik

wel, dat straks de woorden: hij loopt geregeld voor het fijnste lid,

door de kamer zullen daveren; en als ik de wijs herken van het "moppie",

waarin een doodelijk verliefd jongeling de hand vraagt van een

weerbarstige juffer, dan is het tien tegen een, dat Eddy, eenige

oogenblikken later, een mal gezicht zettende, met een miserabel,

sopraanachtig geluid, de voor bedoelden jongeling hartbrekende woorden

zal zingen:

"Neen, waarvoor ik op aard' ook zwicht,

't Zal nimmer zijn voor Amor's schicht."

En ook als hij nadenkt, begaat hij dikwijls allerlei buitensporigheden.

Eerst kijkt hij in de vlam van de lamp, en als hij daardoor geen "licht"

krijgt, gaat hij soms met zijn kin op de tafel liggen en grijnst hij

naar mij, als ik hem even aankijk--iets waarvan ik natuurlijk niet de

minste notitie neem--of hij trekt het tafelkleed over zijn hoofd, en

blijft in deze egyptische duisternis een poosje zitten. En ook gebeurt

het wel, dat hij languit op den vloer gaat liggen: de handen achter het

hoofd, de oogen naar het plafond, nu het eene--dan het andere been, ook

wel beide te gelijk, in de lucht stekende en daarmede gymnastische

toeren makende, totdat hij, niettegenstaande hij op den vloer ligt,

om zoo te zeggen, omvalt. En het schijnt wel, dat deze zonderlinge

gedragingen de werking zijner hersenen inderdaad verscherpt, want het

gebeurt herhaaldelijk, dat hij plotseling overeind komt of opspringt,

uitroepende: "wacht 's effe, da' 's _ablativus absolutus_!" of: "daar

hè' 'k 't! x² + y², dat kan je immers ontbinden? Jawel. Zie je wel,

zoo gaat 't!"

Als de vertaling af- of het algebraïsch voorstel opgelost is, dan begint

hij natuurlijk niet aan iets anders voordat hij zich eenige oogenblikken

heeft verpoosd. De boeken en schriften, die hij gebruikt heeft, met

"bevallige nonchalance," zooals hij zegt, op het tafeltje achter zich

slingerende, heft hij dikwijls een brokstuk van den eenen of anderen

straatdeun aan. En waarom hij nu bijna nooit iets anders zingt dan zulk

een zielloos en gewoonlijk ook onzinnig lied, is een onopgelost raadsel

voor mij. 't Is niet omdat hij geen andere kent. Een enkele maal toch

zingt hij een aardig liedje van een jongen, die buiten loopt te zingen,

maar niet weet waarom hij dat doet, en waarvan ik mij deze regels

herinner:

"Maar 't was zoo heerlijk, buiten!

't Was alles: zonnestraal!

En boven in de takken,

daar zong een nachtegaal;

En alle bloemen bloeiden,

en schitterden in 't rond;

en als een bloem was 't kereltje,

zoo frisch, en zoo gezond.

Zoo liep de jongen lustig,

en zong zijn vroolijk lied.

Maar waarom hij een liedje zong,

dat wist het ventje niet."

En zoo kende hij er wel meer. Maar tegen eenmaal zulk een lied zingt

hij wel twintigmaal:

"Maar dat viel lang niet mee.

Ze zei: "wel jonge, nee,

ik houw niet van tariteraraboumdié.""

En niet minder dikwijls:

"Een jeugdig huw'lijkspaartje,

Pas in den echt getreen,

Gevoelde zich gelukkig,

Nu 't eind'lijk was alleen.

Maar daar komt plots'ling binnen

De schoonmama--o, hé!..."

En dan slaat hij een aantal regels en waarschijnlijk ook wel coupletten

over, om te eindigen met de verrassende woorden:

"Vroolijk sprong hij de lijkkoets na,

Van die lieve schoonmama."

Waarbij hij natuurlijk een plastische voorstelling geeft van het zeer

onbehoorlijk gedrag van bedoelden schoonzoon bij de uitvaart zijner

schoonmoeder.

Is Eddy in een minder luidruchtige stemming, dan vermaakt hij

zich, tusschen de eene en de andere werkzaamheid, door in een

almanakje na te kijken hoeveel weken en dagen hem nog scheiden van de

Paaschvacantie--waarbij hij de meest onwaarschijnlijke mogelijkheden,

waarom die eenige dagen vroeger dan gewoonlijk zal beginnen of een

poosje langer dan anders zal duren, alleszins aannemelijk acht;--of

hij haalt een doosje, waarin een naamstempeltje--een cadeau van

Cor--uit zijn zak, bestempelt daarmede ettelijke malen de kaften of de

schutbladen van zijn boeken, of hij drukt, zonder dat ik het bemerk,

het stempel op zijn voorhoofd af, vraagt mij dan iets, en als ik opkijk,

staart hij mij met een strak gezicht aan en zie ik zijn naam, met dikke

blauwe letters, midden op zijn voorhoofd staan. En als ik zeg: "maar

jongen, in 's hemels naam, hoe verzin je toch al die dwaasheden!" dan

antwoordt hij met de belachelijke leugen: dat hij die van mij heeft

geleerd.

Half tien, kwart voor tienen is gewoonlijk al zijn werk af, en dan

gebeurt het bij hooge uitzondering, dat hij, rookende en bier

drinkende--want als hij het laatst gebruikte boek dicht slaat, dan

vraagt hij al waar zijn glas bier en waar zijn sigaar is--rustig blijft

zitten en mij verhalen doet, die mij innig dankbaar stemmen dat het mij

niet in het hoofd is gekomen leeraar te worden; maar gewoonlijk springt

hij uit den band, waardoor hij het mij volstrekt onmogelijk maakt, na

dien tijd nog iets uit te voeren.

Eens ging hij de kamer uit, zeggende, dat hij zijn handen moest

wasschen, en nadat ik dit voornemen uitbundig had toegejuicht, hem

sarkastisch verzoekende de zeep toch vooral niet te sparen, kwam hij

even later weer binnen, en toen ik, dom genoeg, niet op hem lette, nam

hij, achter mij staande, op eens mijn hoofd tusschen zijn ingezeepte

handen, vragende: of er nu zeep genoeg aan zat, een brutaliteit waarvoor

ik hem natuurlijk behoorlijk afstrafte. Maar toen ik hem eindelijk

losliet, riep hij triomfantelijk uit, dat _ik_ toch in allen gevalle

mijn neus en mond vol zeep had gehad. Een andere maal kwam hij, na de

kamer uitgegaan te zijn, terug met een hoed van Cor op en een mantel van

haar om. En terwijl hij een opgestoken parasol boven het hoofd hield,

liep hij de kamer op en neer, zingende:

"Eens liep een aardig meisje,

al in den maneschijn.

Zij had twee blauwe oogen,

en voetjes--o zoo klein...!"

En in mijn nabijheid komende, nam hij mijn pet, die ik ook wel eens in

huis draag, van mijn hoofd, opdat, zooals hij zei, mijn kale hoofd den

maneschijn zou voorstellen; en bij zijn verdere wandeling door de kamer

hield hij de parasol zorgvuldig in de richting van mijn hoofd, net zoo

lang totdat ik aan de vertooning een eind maakte, door het "aardige

jonge meisje," niettegenstaande haar hevig protest en krachtig verzet,

met parasol en al de voordeur uit te gooien, met verzoek in den

waarachtigen maneschijn te gaan wandelen, waarna ik de voordeur op het

nachtslot deed. Maar een oogenblik later kwam Eddy de kamer weer in;

want al is het huis des avonds, beneden, behoorlijk gesloten--door met

aapachtige vlugheid bovenop de veranda te klimmen en een venster open te

schuiven, is hij in een ommezien weer binnen.

Mijn kale hoofd is natuurlijk een mikpunt van zijn aardigheden. Hij

zegt, dat hij het "onfatsoenlijk" vindt, en biedt mij een dubbeltje aan,

als hij er tien keer met een erwt op mag schieten. "Dat zou zoo lekker

gaan," zegt hij, en met de vuist in de lucht slaande, voegt hij er bij:

"pats...!" En als ik voor dit aanbod beleefdelijk bedank, dan tracht hij

het aannemelijk te maken, door te zeggen: "nou, _vijf_ keer dan maar!"

En als ik ook daarvan niet weten wil, dan vraagt hij, niet zonder moeite

een verbaasd gezicht zettende: "waarom niet?"

Als ik in de kamer mijn pet op heb, een licht plat ding van grijze

zijde, dat ik nogal dikwijls draag, in afwachting van den leeftijd,

waarin ik met fatsoen een kalot zal kunnen aanschaffen, bergt hij

daaronder allerlei voorwerpen weg: een inktlap, een vingerdoekje, een

handschoen of een zakdoek, "tegen de mot", zooals hij zegt, en als

ik hem laat begaan dan maakt hij "een Chineesie" van mij, zooals hij

dat noemt, door de weinige haren boven mijn voorhoofd in een fijn

uitloopende punt bijeen te draaien, waarna hij zijn hond op mij

aanhitst, door naar mij te wijzen en "kiesch! kiesch!" te roepen, net

zoolang totdat het beest begint te blaffen.

En met dien hond, die den buitengewonen naam "Pak 'm" draagt, kan hij

sollen, dat een mensch er zenuwachtig van wordt; en tot in het oneindige

laat hij hem zijn kunstjes vertoonen. Hij heeft, de hemel weet hoe, het

dier leeren "zingen," hierin bestaande, dat het zacht jankende geluiden

maakt, als Eddy, al neuriënd, eenige rhythmische bewegingen maakt met

het hoofd; en als hij zegt: "Pak 'm-snoet-vuil!" dan strijkt het beest

herhaaldelijk, eerst met den eenen- dan met den anderen voorpoot, op

onbeholpen wijze langs zijn bek. Dat Eddy zich op deze en andere wijze

met zijn hond vermaakt, is begrijpelijk; maar ergerlijk is, dat hij

het goede dier rook in de keel blaast als het gaapt, onder het zotte

voorwendsel, dat Pak 'm moet leeren zijn poot voor zijn bek te houden.

En soms ook zet hij het beest tusschen zijn knieën, neemt de voorpooten

in zijn handen, en daarmede gesticuleerende, doet hij den eenen of

anderen leeraar na. En als hij uitroept: "ik zek oe, dat zal _niet_

kebeuren!" slaat hij met den hondenpoot zoo krachtig op de tafel, dat

het beest zich losrukt en al jankende wegrent, waarop Eddy hem achterna

holt, en door allerlei liefkoozingen, waarbij hij uitroept: "hij is

braaf, hoor! hij is zoet. Wat het de leelijke baas gedaan, hè? ja,

hoor! hij is een goeie hond!" zijn wangedrag tracht goed te maken. En

niettegenstaande herhaalde dergelijke mishandelingen, is het dier, dat

hij soms ook met overdreven teederheid behandelt, iets waaraan Pak 'm

nog grooter hekel heeft, geloof ik, niet van den jongen af te slaan, en

zou het stellig bewijzen zijn naam met eere te dragen, als het iemand in

het hoofd mocht komen zijn baas aan te randen.

Nu en dan zit Cor een gedeelte van den avond bij ons, en als het goede

kind, blij om Eddy, dat hij met zijn werk klaar is, zich haast bier voor

ons te halen, dan beloont hij haar daarvoor, door haar aan te pakken

en met haar te ravotten. En als zij met verwarde haren, dikwijls ook

met Eddy's naam op haar beide wangen gestempeld, hem verzoekt haar nu

_asjeblieft_ los te laten, dan heeft hij de grenzenlooze onbeschaamdheid

haar toe te voegen: "geef me dan een kwartje, dan laat ik je los."

Natuurlijk kom ik onmiddellijk tusschen beide en ontzet Cor, waarbij

ik Eddy zijn schandelijke poging tot afzetterij verwijt, hetgeen hij

zich evenwel volstrekt niet aantrekt, zeggende, dat ik afzetterij en

"handelsgeest" met elkander verwar.

Valt het hem moeilijk 's avonds aan het werk te blijven, zwaarder

beproeving is het voor hem Woensdags en Zaterdags eenige uren na den

middag te arbeiden. We gaan nu langzamerhand naar het voorjaar, en we

hebben verrukkelijke dagen, luw en zonnig, vol heerlijke beloften van

zomerweelde: bloemen, warmte, vogelenzang en rijpende vrucht. En die

eerste glimlachjes der naderende lente doen zijn jonge bloed onstuimig

verlangen naar buiten, naar lichaamsbeweging, vrijheid en frissche

lucht. Maar hij moet t'huis blijven en werken. En hij doet dit dan ook

wel, maar met tegenzin, die hem intusschen, dit moet ik tot zijn eer

zeggen, niet doet mokken of mopperen, maar hem allerlei afleiding doet

zoeken, die voor zijn werk nu juist niet bijzonder dienstig is.

Moet hij een aantal regels van de fransche spraakkunst uit het hoofd

leeren, waarvan hij beweert, dat die nog wel te leeren zouden zijn, als

er niet zooveel "verrekte" uitzonderingen waren, dan tracht hij dit te

doen door den inhoud der _grammaire_ als den tekst van een fransche

opera te behandelen; en zoo staat hij midden in de kamer, met allerlei

vreemdsoortige gebaren te zingen: "_emploie--toujours--l'indicatif!_"

op dezelfde wijze, waarop in een balkon-scène, op het tooneel, een

rijk-harig bariton, met smeekend opgeheven armen zou aanheffen: "_pour

toi--pour toi--mon âme aimé!_"

Nu en dan moet hij 's middags een opstel maken, en als dat het geval

is, dan is hij ongelukkig, want fantasie heeft hij weinig, en stellen

vindt hij, om een uitdrukking van hem zelf te gebruiken, "misselijk."

Gewoonlijk mag hij uit een drietal onderwerpen kiezen, en nadat hij

geruimen tijd heeft geweifeld tusschen "de mode," "men moet het ijzer

smeden als het heet is," en "spaarzaamheid is nog geen gierigheid,"

waarbij hij mij raadpleegt en vraagt, wat er van die onderwerpen te

zeggen is, neemt hij eindelijk een besluit en zegt: "nou, de mode dan

maar!" waarna hij een nog onbeschreven cahier naar zich toe trekt en

opent. Maar zoodra hij de pen heeft ingedoopt, strekt hij den rechterarm

ver op de tafel uit, laat het hoofd op zijn linker bovenarm rusten, en

den onderarm om het hoofd buigende, betast hij zijn oor, of hij strijkt

met de vingertoppen langs zijn wang, waarbij hij, als hij na lang zoeken

een enkel haartje gevonden heeft, mij mededeelt, dat hij waarschijnlijk

een kolossaal zwaren baard zal krijgen, en eindelijk roept hij zuchtend

uit: "wat zal 'k nou toch van die ber...oerde mode zeggen?" En als ik

dan een enkele maal, medelijden met hem hebbende, besluit hem te

dicteeren, en zeg: "kom, schrijf dan maar op, sukkel!" dan zit hij

onmiddellijk recht op, antwoordt vriendelijk grijnzend: "asjeblieft,

collega!" en voegt er onmiddellijk bij: "maar nou niet zoo eeuwig lang!"

En als hij op die wijze eerder klaar is dan hij had durven hopen, dan

springt hij op, en een oogenblik later vliegt hij, als een vogel in de

lucht, weg op zijn fiets, met de heerlijke gedachte, dat hij over een

uurtje op de dogcart zal zitten en misschien wel mag mennen.

Op een avond, toen we een uurtje gewerkt hadden, of liever: toen wij

een uur lang samen geweest waren--want Eddy was buitensporig lastig, en

zoo hadden wij eigenlijk niets uitgevoerd--maakte hij een stapeltje van

zijn boeken, stond op en zei, dat hij naar Velthuijzen, een vriend van

hem, ging; er in een adem bijvoegende--wel begrijpende, dat ik met dit

voornemen niet bijzonder ingenomen zou zijn--dat hij toch bijna niets te

doen had en dat beetje morgenochtend wel zou doen. Dan stond hij maar

wat vroeger op, zei hij, en in den trein kon hij ook nog werken.

"Ja," zeg ik, "in gezelschap van tien of twaalf andere jongens zal dat

zeker heel goed gaan. En vroeg opstaan--nu, dat moet je bed maar liever

niet hooren, hè? 't Is veel beter, kerel, dat je t'huis blijft en je

werk maakt. De tijd schiet nu al mooi op; nog enkele maanden en dan ben

je voor goed van "'t hok" af, als je nu nog maar een poosje je best

doet. En dat, jongen, is je plicht; van jou nog meer dan van een ander.

Want die het je mogelijk maakt te studeeren, is niet je vader of je

moeder, maar je zuster. En Cor _hoeft_ dat toch niet te doen, niet

waar?"

"Cor doet dat graag voor me," zegt Eddy, "en later zal ik haar alles

teruggeven."

"In geld...? Nee, kerel, dat is 't niet, wat ze van je verlangt. Wat ze

wenscht, dat is je een positie in de wereld te verschaffen, veel ruimer

en veel beter dan je, zonder haar liefde voor je, zoudt kunnen innemen.

En als je haar daarvoor, op jouw beurt, iets geven wilt, dan kan je haar

gelukkig maken door haar telkens te doen zien, dat je doet wat men in

billijkheid van je kan verlangen om 't mooie doel te bereiken.

"Ik ben nog ieder jaar overgegaan," zegt Eddy.

"Dat is ook zoo, en dat is flink van je. Maar nu staat het eind-examen

voor de deur, hè? En moet je nu niet alles doen wat je kunt om daarvoor

te slagen?"

"Ik zal _toch_ wel door dat examen komen," beweert hij.

"Misschien! Maar hoe minder je jezelf te verwijten zult hebben als 't

_niet_ lukt, des te beter zal het zijn. En geloof je nu niet, kerel,

dat je het niet voor jezelf zoudt kunnen verantwoorden, als je moest

erkennen, dat je je werk nog wel eens in den steek hadt gelaten, om geen

andere reden dan.... dat je er geen zin in hadt? Ja, hè? Want als het

eene vogeltje rondvliegt en zoekt, en takjes en pluizen aandraagt, dan

moet het andere vogeltje zich roeren en weren en bouwen totdat het

nestje is voltooid. Maar zich in het zonnetje koesteren, zijn veertjes

pluizen en.... en 'n beetje piepen, dat mag hij niet. En nu," zei ik

opstaande, om Eddy de gelegenheid te geven buiten mijn tegenwoordigheid

weer aan het werk te gaan, "ga ik even mijn handen wasschen; ik beloof

je, dat ik de zeep niet zal sparen, en ook zal ik niet met ingezeepte

handen terugkomen."

Toen ik in de achterkamer stond, keek ik door een kier van de

schuifdeuren, en zag ik Eddy langzaam heen en weer loopen, het hoofd

voorover, de handen in de zakken, sissende tusschen de tanden,

waarschijnlijk wel een ander deuntje dan ik hem zooeven had

voorgefloten. Na een poosje ging hij bij zijn stoel staan, duwde die,

door er herhaaldelijk met de knie tegen te stooten, op zijde, keek toen

naar het stapeltje boeken, dat op de tafel lag, gaf er een fermen tik

tegen, zoodat er verscheidene op den vloer vielen, schopte een dikken

lexicon op zijde, waarbij hij even lachte, liep toen nog een paar malen

op en neer, maar opeens schudde hij even het hoofd, raapte alles haastig

op, ging zitten en begon weer aan zijn werk------

"En nu moet u eens zien," zei Cor eenigen tijd later, en vertoonde mij,

met een gelukkig gezicht, Eddy's rapport.

't Was goed; _veel_ beter dan het vorige, en de rector had er zelf onder

geschreven, dat hij tevreden was.

"En wat zegt Eddy er wel van?" vroeg ik.

"Dat het hem niet verwondert," antwoordde Cor lachende, "omdat hij,

zooals hij zegt, in de laatste maanden veel beter gewerkt heeft dan

vroeger."

"Jawel," zei ik, "logisch redeneeren--dat kan hij best."

"Ik ben _heel_ blij," zei Cor, en met een dankbaren blik keek het goede

kind mij aan.

"'t Is voor mij een genot den jongen om mij heen te hebben," verzekerde

ik, "en ik verheug mij van harte over dit succes. Maar nu moeten wij hem

ook beloonen, en als ge 't goedvindt, ga ik Zondag eens met hem naar de

duinen en naar de zee."

En zoo gebeurde het. Eddy had een prettigen dag, en toen wij den

volgenden avond weer tegenover elkander zaten, en ik hem vroeg of een

gelukkig gezicht van Cor en een dag aan het strand geen betere dingen

waren dan een miserabel rapport t'huis te brengen, met al de narigheden

daaraan verbonden, knipoogde hij even, glimlachte en zei, dat ik dominé

had moeten worden.

Eenige weken later vertrok ik, met de gelukkige overtuiging twee

vrienden meer in de wereld te hebben, en op een avond, toen ik in den

tuin mijner woning van den heerlijken zomeravond genoot, kreeg ik een

briefje, waarin Eddy mij berichtte, dat hij door zijn examen was.

Spoedig daarop ging ik op reis, en toen ik in het laatst van Augustus

was teruggekeerd, vroeg ik Eddy of hij niet eens bij mij kwam. En aan

die uitnoodiging voldoende, zat hij, op een Zondag, tegenover mij aan

tafel.

Het eerste uur, dat hij bij mij doorbracht, was hij een beetje schuw,

niet erg, maar nu wij elkander eenige maanden lang niet gezien hadden,

en hij daarenboven niet t'huis, maar bij mij was, had hij een poosje

noodig om op zijn gemak te komen. Maar door hem te behandelen juist

zooals vroeger, look hij spoedig weer op, en was de oude vriendschap

weldra volkomen tusschen ons hersteld.

"En wat zijn nu je plannen?" vraag ik hem, als wij na het eten in den

tuin een sigaar rooken; "denk je lid van het corps te worden, of niet?"

Die vraag heeft mij al eenigen tijd op de lippen gezweefd, maar ik

weifelde die te doen, want met het oog op zijn omstandigheden en

karakter geloof ik, dat het beter is als hij het niet doet. Maar ik

begrijp natuurlijk wel, dat hij het graag zou willen, en als hij het

zich in het hoofd heeft gezet, dan is het niet onmogelijk, dat Cor, zij

het dan ook noode, haar toestemming zal geven. Maar Eddy zegt gelukkig,

dat hij het niet zal doen, dat hij er wel over gedacht heeft, maar heeft

ingezien, dat hij het niet doen moest.

Ik zeg hem, dat ik dit met hem eens ben, en dan laat ik hem beloven, dat

hij na ieder welgeslaagd examen bij mij zal komen om.... een glas bier

te drinken en een sigaar te rooken.

En dat heeft hij gedaan. Telkens als de gebruikelijke tijd van

voorbereiding verstreken was, kwam hij mij vertellen, dat hij een sport

hooger was geklommen op de academische ladder, en eenige dagen geleden

kwam hij bij mij in de nette uniform van officier van gezondheid bij het

Indisch leger, bloeiend van jeugd en gezondheid, vol blijden levenslust

en ontwakende mannelijke kracht.

En zoo is dan nu ook Cor's tweede waagstuk heerlijk gelukt.

Haar brood.

Kleurig en donker · 第 2 / 10 段