Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
+----------------------------------------------------------------+
KLEURIG EN DONKER.
KLEURIG EN DONKER
DOOR
W. VAN AMSTERDAM,
_Schrijver van "Marionetten."_
HAARLEM
H. D. TJEENK WILLINK & ZOON
INHOUD.
Blz.
AAN DE VOORDEUR 1
HET STRAATORGEL 12
EDDY 25
HAAR BROOD 48
KINDERLEED 61
KAREL JAN VONK 73
DE OUDSTE 84
HET KLOOSTER DER WITTE VROUWE 94
HAAR KEUZE 103
BLOK'S VROUW 113
GEEN "VERRAJER" 127
DE AANSPREKER 141
DERDE KLASSE 155
Aan de voordeur.
"Zoo, dikke zus!" zegt Evert--een jonge slagersknecht, een pracht
van een kerel, zooals de meeste van zijn soort, groot en breed in de
schouders, met gespierde armen en een paar handen, die iemand niet kan
aanzien zonder het een geruststelling te vinden dat zijn rond en blozend
gezicht een zeer goedige uitdrukking heeft--"zoo, dikke zus! hoe gaat 't
met mijn?" En dit zeggende, neemt hij, met een rappe beweging, de mand
van zijn schouder en zet die op de stoep van een mooi en groot huis aan
de Heerengracht.
"Hoe 't met je gaat," antwoordt Grietje, de aan de voordeur staande
keukenmeid, een dikke, frissche schommel, met een opgeruimd gezicht,
"hoe 't met je gaat, dat weet 'k niet, maar an je vollemaans-gezicht te
zien, dan gaat 't nogal met je."
"Ja, 'k zie bleek, hè?" zegt Evert, "dat komt omdat me maag niet in orde
is, weet je!"
"Niet?" vraagt Grietje, "lust je geen ete meer?"
"Jawel," antwoordt Evert, "maar 'k lust te veel."
"En krijg je niet genoeg?" vraagt Grietje.
"Of 'k 't krijg," zegt Evert, "dat zou me niet kanne schele, as 'k maar
zooveel kon neme as 'k lust.--En daar hei je haar ook," roept hij uit,
als Keetje, de werkmeid, een net, jong dienstmeisje, met een proper
katoentje aan en een koket mutsje op het hoofd, met een lachend gezicht
mede aan de voordeur verschijnt.
"Zoo, malle! bè je weer an de gang?" vraagt zij.
"Mal-le?" vraagt Evert, "as 'k na 't stadhuis ga, om 'n trouwbriefie te
hale, hoor!--Wat zie je 'r weer goed uit!" roept hij uit, een poging
doende om Keetje in de wangen te knijpen, wat zij met een: "laat je
staan!" en een tik op zijn arm, verhindert.
"Ga je van aved 's met me uit?" vraagt Evert haar.
"Ikke niet," antwoordt Keetje, "want me parresol is in de maak, hoor!"
"Ja," zegt Evert, "nou je 't zeit, bedenk 'k me, dat mijn hooge hoed ook
nog niet t'huis is.--Maar 'n Zondag dan?"
"Jonge nee," antwoordt Keetje,--"'n Zondag dan ga 'k na 't bessieshuis."
"'t Bessieshuis!--daar heb ik ook nog 'n oome," beweert Evert.--"Zà je
'm van me groete?"
"Dat zal 'k," belooft Keetje. "As 'k 'm zie, dan zal 'k 'm om ze hals
valle."
"Zeg eris!" roept de keukenmeid uit,--"da 's waar ook!--'k docht dat jij
'n eerlijke jonge was, hè?"
"Ikke niet eerlijk," zegt Evert, "nou nog mooier! Geef me maar 's 'n
zoen van je, dan krijg je 'm daalijk weerom."
"Nee," zegt Grietje, "dat hoeft niet. As je 'r een van me krijgt, dan
mag je 'm wel houwe ook.--Maar 'n Maandag hei je beloofd, dat je 'n
beetje gehakt zou meebrengen voor mijn en Kee, omdat we dat zoo graag
luste, en dat hei je niet gedaan."
"Mijn schuld is 't niet," verzekert Evert. "De baas zei, da' 'k 't maar
vergete most, en toe, dat begrijp je, is 't in eene--rits...! door me
hoofd gegaan."
"Zei-ie-dat?" vraagt Grietje. "Zei ie, dat je 't maar vergete
most?--Hoor je dat, Kee?"
"Zoo'n akelige, schriele kerel," roept Keetje uit.
"Hoort eris," zegt Grietje, "zeg _jij_ an je baas, da' 'k haast wel zou
denke, dat me volk binne kort ze vleesch niet meer zal luste, as er af
en toe niet 'n kleinigheid voor de keuke kan overschiete. Daar he' 'k
zoo'n ideetje van," verzekert zij, en knikt dan, met stijf gesloten
mond, verscheidene malen met het hoofd.
"En dan zou ik er wel 'n eed op wille doen," verklaart Evert.--"Alla,
zegge zal 'k 't. En wat ete we nou vandaag? 'n Kalfstongetje, 'n
zweezerikkie of kalfsoesters,--wat mot 'k brenge?"
"'k Mot niks van je hebbe," antwoordt Grietje. "We ete vandaag 'n
stukkie koud vleesch, 'n kippetje en 'n gebakke tong."
"Verdikke, mens, houw op!" roept Evert uit, "daar zou je 't water van
over je tanden loope. 'k Geloof, dat die meneer van je nog al lekker is,
hè?"
"Of ie lekker is!" zegt Grietje, "nee"--en met de vingertoppen tegen de
wang wiegt zij het hoofd--"dat geloof je niet. 'k Zeg laatst nog tege
Kee--is 't niet waar meid--"Kee," zeg 'k, "'k heb me eigen verhuurd voor
de fijne pot, en die kan 'k dan ook klaar make, maar hier mot je toch
ook kokkerelle kanne of je ziel en zaligheid van 'n sausie afhangt."
Want aldoor het ie wat. Dán binne de kwartels wel goed geweest, zeit
ie, maar 't geroosterde brood kon nog wel 'n siertje brosser; of, as
ie tarrebot gegete het, dan zal ie van de visch niks zegge, zeit ie,
maar de saus,--die kon nog wel 'n tik-kie meer gebonde. En zoo gaat 't
aldoor. Dan mot 'k _hier_ nog 's 'n eitje meer in perbeere, of _daar_
kan wel 'n grimmeltje gries in, zeit ie, dat je, om zoo te zegge,
je boezelaar of--en 't hem om ze dikke lijf zou doen.--En as 't
niet percies zóó is, as ie 't graag lust, dan het mevrouw ook al de
bokkepruik op, want die mot er van hoore, dat begrijp je!--'t Is dat 'k
hier zoo'n hoog loon verdien, maar anders...."
"Dan ha' je 'm al gesmeerd?" vraagt Evert.
"Al lang," verklaart Grietje, "want an al dat putlut daar he' 'k 'n
hekel an. Nee, dan ha' 'k in me vorige dienst 'n boel meer schik, en as
ze niet buite ware gaan wone, dan diende 'k er nog. Daar kreeg je nog 's
'n goed woord, en altoos 'n vrindelijk gezicht, en ha' je nog 's eer van
je werk ook. "Griet," zei meneer dikkels, "je mot niet zoo lekker koke,
mens; 'k kan 's middags niet uitscheije." En as mevrouw, die er zoo'n
hekel an had d'r eige met de pot te bemoeie--omdat ze nooit niks kon
bedenke, zei ze--'t ete an mijn had overgelate, en 'k had 's ies nieuws
verzonne: 'n schoteltje vooraf of 'n toe-tje d'rna, van dit of van dat
wat de vorige dag was overgebleve, dan zei ze: "Kijk, dat hei je goed
geprakkeseerd! zoo'n keukenmeid mot 'k nou juist hebben." Och ja," zegt
Grietje met een zucht, "'t was er effetief prettig diene; en 'n mens is
zóó zeg 'k altijd, dat hoe meer ie 't na ze zin het, hoe meer dat ie ze
best nog 's doet ook. Nee"--en ze schudt het hoofd tegen een koopman in
bloemen, die met de hand naar de waar op zijn kar wijst--"niet noodig."
"Mot je geen bwommetje?" vraagt hij.
"Nee," antwoordt Grietje, "ik mot geen blommetje hebbe."
"Koop 's 'n mooi ghoozie van me?" vraagt de koopman, "of 'n potje met
ghesida."
"Ga nou maar gerust deur," zegt Grietje, "want 'k koop toch niks van
je."
"'n Aa-digheidje voo' je moede', of 'n pgezentje voo' je zussie," zegt
de koopman, met een paar potten in de handen de stoep op komende.
"Och, ga nou weg, hè!" roept Evert uit.
"Nà," zegt de koopman, "la me dan 's wat verdiene. Koop 's 'n paag
potjes voo' de meissies: tien cente 'n pot."
"Ja," zegt Evert, "'t zit er bij mijn nogal an, hè! Zoodra 'k geen
slagersknecht meer ben, maar me koetjes op 't droge heb, dan krijg je de
klandisie, hoor."
"Wat zou 't," roept de koopman uit, "as datte gebeugd, dan rentenieg 'k
à tien jaag! En jij, juff," vraagt hij aan Keetje, "mo' je niet 's 'n
potje in 't keukeghaam zette, of op 't kassie in je kametje?"
"Nee," antwoordt Keetje, "ik heb zoo'n rare neus! ik kan de lucht niet
verdrage, hoor! net zoo min as van uie. Ik ruik liever," en zij
ginnegapt achter haar hand, "ik ruik liever gebraje spek."
"Ja," zegt Grietje, gemoedelijk voor zich uit lachende, "nou je 't zeit,
ruik ik ook liever 'n bankethammetje."
"Of 'n varkensrib," zegt Evert, "dat mot je ook niet uitvlakke, dat
ruikt heerlijk, hoor!"
En terwijl zij dat zeggen, knipoogen zij tegen elkander, en zien af en
toe den koopman aan, die van den een naar den ander kijkt, en eindelijk
uitroept: "toe maag, hoo' ze nou's an gaan! Net as de kindetjes, asse
ze stout binne.--Mà voo' mijn pagt za je 't niet ghuike, of je za 't
magge ete ook. En ga nou 's vóó' me vwage of je mevwouw geen bwommetje
mot hebbe, hè?"
"Nee," zegt Grietje, "dat kan 'k niet doen, da' 's mijn werk niet; ik
ben alleenig voor de pot."
"Nà," zegt de koopman, den rozenstruik voor zich uithoudende, "da's
ommes ook 'n pot.--Doe je 't niet? Jij dan?" vraagt hij aan Keetje,--"'k
het 'n ghoot huishouwe, denk 'e om."
"Dat zou 'k nou wel voor je wille doen," zegt Keetje, "maar daar hoef 'k
niet mee an te komme, want an de deur koopt ze nooit. Nee, as je zoo
graag wat verkoope wil, geef mijn dat roosie dan maar, dan neemt me
kameraad dat andere potje wel. Doe je 't Griet?"
"Alla!" zegt Grietje, met de hand in den zak naar haar knip zoekende,
"'n mens mot ook 's wat voor 'n ander doen. Ziedaar," en zij reikt den
koopman twee dubbeltjes over--want een keukenmeid heeft altijd en een
werkmeid nooit geld bij zich, en daarom schiet zij haar kameraad de twee
stuivers voor, "daar is je geld. Maar nou niet terugkomme hoor,--'n
Zaterdag of zoo."
"Nee," zegt Keetje, "want dan houwe we groote verschoondag, hoor!"
"Schoon za' je bwijve kind," zegt de koopman, de stoep af gaande, "'t
zou jamme' weze as je 'n vwakkie kreeg."
"Ze-eg!" roept Evert uit, "jij hoeft hier niet de blikke dominé uit te
bange, hoor je!"
"Laat 'm maar gaan," zegt Keetje, "want gelijk het ie.--Wil jij nou ook
liever dat roosie hebbe?" vraagt zij aan haar kameraad, "dan geef mijn
dat andere dingie maar."
"Wel nee meid," antwoordt Grietje, "dit ruikt immers ook goed!"
"Dat doet 't," bevestigt Evert. "Hoe zei ie ook weer, dat 't hiet?"
"Weet je dat niet?" vraagt Grietje, "en 'k dacht nog al, dat jij uit
Blomstraat kwam? Da' 's nou 'n potje met "ghesida"" zegt zij, den
koopman nadoende. "Wou je 't graag meeneme voor je meissie, of hei je 'r
nog geen?"
"Ikke geen meissie!" roept Evert uit; "alle Zondagge 'n ander, hoor!"
"Dat binne d'r een en vijftig te veel," beweert Grietje.--"Maar jij bent
er ook net zoo een, om 'n echte vrouwegek te weze, hè?"
"Nou," zegt Evert, "'t zou ook al heel beroerd met me zijn, as 'k niet
van 'n aardig snoetje hieuw. Wat zeg jij nou, zus?" vraagt hij aan
Keetje.
"Ikke zeg niks," antwoordt zij. ""As jij je mond houwt," zeit me moeder,
"dan kan 'n ander de zijne niet over je ope doen." En daar gedraag 'k me
eige na; is 't niet waar, Griet?"
"Ja," antwoordt Grietje, "van 's aves ellefe tot 'smorreges zevene, hè?"
"Nou, maar dan kan ik is ook effe, hoor!" verzekert Evert.--""Nee," zeit
me moeder, "zoo as jij toch ook slape kan--da's gerust 'n mirakel; daar
slijt om zoo te zegge 't beddegoed van.""
"Dus ze hoeve jou geen wel-te-ruste te wensche, hé?" vraagt Keetje.
"As 'n stelletje van 'n stuk of tien dat ooit te gelijk doet, dan wor
'k nooit meer wakker," beweert Evert. "Zeg eris," roept hij uit, in de
gang kijkende, "juilie gaan hier toch geen kaarsewinkel opzette, of
zoo?--daar legge wel 'n pak of tien op de bank."
"Da's voor 'n Zaterdag," zegt Grietje, "dan hebbe we hier diné."
"Diné?" vraagt Evert. "Ete jullie dan alle dage nog niet lekker genoeg?"
"Alle dage lekker," zegt Grietje, "maar as we diné hebbe, dan ete we
fijn."
"Hoort eris," zegt Evert, "as 'k ooit 'n kosthuis zoek, dan zal 'k om
juilie denke, hoor. 'k Geloof, dat 't me hier best zou bevalle. 't Lijkt
hier de restoratie van Van Laar wel."
"Van Laar," zegt Grietje, "die mag de oestertjes levere, want daar
beginne we mee: 'n oestertje met 'n glaasie sampagne. "Dat zet de maag
in ze fatsoen, daar wort ie graag van," zeit meneer."
"Nou," zegt Evert, "dan is 't maar goed, dat ik 't alle dage niet krijg,
want mijn maag het toch al zoo'n fatsoen, asof ie 'n keer of zes op de
leest geslagen is."
"Dan zou 't je hier 'n Zaterdag best bevalle," verzekert Grietje, "want
er valt heel wat te smikkele. Eerst de oestertjes, zooas 'k zei, en dan
krijgen we twee soepies."
"Och ga weg!" roept Evert uit. "Twee keer soep!..."
"Daar mag je uit kieze," zegt Keetje. "Ik kom achter je, en vraag wat
uwes hebbe wil: 'n bordje schildpadsoep of 'n bordje witte ragoe."
"En onderwijl," zegt Grietje, "schenkt de knecht je 'n glaasie serry
in."
"Die kon wel achter me blijve staan," meent Evert.
"Wel nee," zegt Keetje, "da' 's nerges voor noodig, want iedere keer
krijg je weer 'n andere soort wijn; en bovendien staat er naast je bord
nog 'n kraf vol."
"Dat zou niet lang dure," verzekert Evert.
"Dat denk ik ook niet," zegt Grietje, "en daar mag je dan 'n glaasie uit
neme, as je na de soep 'n pasteitje krijgt, want daarna krijg je 'n
stukkie versche zalm, met kappertjes-saus en 'n aardappeltje, en daar
schenkt de knecht je 'n glaasie witte wijn bij in."
"En als je dat lekkertjes het opgepeuzeld," zegt Keetje, "dan begin je
om zoo te zegge pas."
"Ja!" roept Evert uit, "'k docht, dat we al aardig an de gang ware, hè!"
"Jawel," zegt Keetje, "maar dan komt eigelijk pas wat ze
"sta-in-de-maag" noeme: ossehaas met groente d'r om heen, kalfsvleesch
met sper..."
"Nee hoor, nou is 't genoeg!" roept Evert uit, naar zijn mand grijpende,
"da 'k 't niet krijg, da's tot daar an toe, maar om er nou alleenig van
te motte hoore, da's al te arremoeïig."
"En wil je wel geloove, da' 'k dat lekkere ete niet eens lust?" vraagt
Grietje.
"Niet?" vraagt Evert. "Hei jij dan zoo'n beroerde maag?"
"Gelukkig niet," antwoordt Grietje, "maar 'k ben er vies van."
"Kom", zegt Evert,--"vies...!"
"Dat ben 'k," bevestigt Grietje, "en Kee ook. Is 't niet waar, meid?"
"Ba," roept Keetje uit, haar oogen dicht knijpende en haar hoofd
afkeerende, "dat vieze gedoe!"
"Daar wor je ziek van," beweert Grietje. "We zegge zoo dikkels tege
mekaar,--is 't niet Kee--as de kok in de keuke bezig is: "dat moste ze
binne nou 's zien, hoe 't hier wordt klaar gemaakt, dan zette ze 'r geen
mond an."--Want niet alleenig, dat er niks op tafel komt of ie is 'r met
ze hande an geweest, maar met 't eigeste lepeltje proeft ie van alles;
en as ie zoo gauw niks bij de hand het, om 'n sausie om te roere, dan
kan ie 't met ze vinger ook wel."
"En as je dan binne bent om te diene," zegt Keetje, "dan hoor je meneer
tegen mevrouw van hier naast zegge: "wel mevrouw, is dat nou geen lekker
sausie?" En dan zeit zij,--met 'n pracht van 'n diamante koljee om d'r
magere, bloote hals: "ja""--en Keetje trekt een allerliefst mondje--""dat
mo' 'k zegge, da' 's heusch delicieus!""
"Nee hoor," zegt Evert, "as 't zóó is, dan lust ik toch ook liever me
moeders pot."
"En daar doe je wijs an," verzekert Grietje. "Lekker ete is goed, maar
zindelijk ete is lekkerder. Afijn, voor dit jaar is 't alweer 't laatste
diné, het mevrouw gezeid; want 't wordt zaggies an weer tijd, dat we na
buite gaan."
"Mooi zoo!" roept Evert uit, "dan zà je me baas weer effe hoore
moppere.--Gaan jelui al gauw?"
"Dat zal geen zes weke meer dure," antwoordt Grietje.
"Maar ik ga al gauwer," zegt Keetje.
"Zoo! wanneer ga jij dan?" vraagt Evert.
"Van aved, hoor!--as 'k de voordeur achter me toe trek. En wanneer ga
jij?"
"Ik ga van 't jaar maar 's in 't geheel niet," antwoordt Evert; "me
moeder wil de Blomstraat niet uit, en ik zie hier in Amsterdam"--en hij
knipoogt tegen Keetje--"blommetjes genog."
"As dat dan waar is," zegt Keetje, "dan ga ik met me blommetje maar gauw
weg. 'k Sta hier maar te prate, asof 't vandaag geen kamerdag is."
"En ik dan!" roept Evert uit, de mand op zijn schouder zettende. "Ik mot
al de klanten nog of.--Maar 't is juilie schuld; je hadt toch ommers wel
daalijk kanne zegge, dat er niks te zegge was!"
"Zie je Kee, zoo gaat 't nou altijd, kind," zegt Grietje. "En daarom
zegge ze dan ook:
As Adam in 'n appel bijt,
Ofschoon door Eva _niet_ verleid,
Dan weet ie 't toch zóó an te legge,
Dat _zij_ er 't loodje bij mot legge.
En nou atjuus hoor," zegt zij, met een hoofdknik naar Evert. "En droom
van nacht 's van me. Zal je?"
"'k Hoop er om te denke," antwoordt Evert. "Maar 'k zal in alle geval an
me moeder zegge, dat ze me mot wakker make as 'k 't vergeet.--Adie...!"
Het straatorgel.
"'Morges vroeg porre en overdag orgel-draaie--zoo kom 'k an de kost,
sedert me man van de steiger is gevalle en 'n stijve arm en 'n stijf
been het," zegt Bet Bos, bij de buren bekend als "orgel-Bet". "En à
je me nou vraagt, of 'k dat in me jonge jare heb gedocht, da' 'k op
die manier door de tijd zou komme, dan is 't nee; want toe 'k me
man trouwde--dat was toe 'k keukemeid was bij mevrouw Govers, op de
Keizersgracht over de Westermart--'n goed mens daarvan niet, maar zij
en d'r man konne niet overweg, en zoo was er dikkels ruzie, da' 'k wel
gezien heb, dat de bure d'r hoofd over de schutting stakke; en ze wou-e
dan ook wel van mekaar of, maar dat wou zij niet, om 't schandaal en
de kindere, zei ze--toe _ik_ me man trouwde," herhaalt Bet, diep adem
halende, want de lange tusschenzin heeft het laatste zuchtje lucht uit
haar longen gedreven, "toe was ie 'n boom van 'n kerel, en verdiende ie
twaalf tot veertien gulde in de week.--Ja mens, zoo benne we begonne,
knappies in de meubeltjes, want _hij_ had 'n paar cente overgehouwe en
_ik_ had 'n spaarpotje gemaakt, en knappies in de verdienste, want met
musse-make verdiende 'k er nog wat bij. En zoo docht 'k niet anders of
't zou wel schikke in me trouwe. Maar op 'n goeje dag... daar brochte ze
'm t'huis! Heere! heere!"--en Bet slaat haar handen in elkander--"zoo
goed als in stukke en brokke! En daar ha' je 't gedoe an de gang!--'k
Zou wijs doen, as 'k 'm na 't gasthuis liet brenge, zei de dokter; 't
zou lang dure, en as 'k dat allemaal most betale...! Maar 'k wou er niet
van hoore. "Nee," zeg 'k, "daarvoor is niet getrouwd!" En zoo hieuw
'k 'm in huis. Maar toe ie weer overeind sting en over de kamer kon
scharrele, hè' 'k menig stukkie motte wegbrenge om de dokter en de
aptheker te betale, en begreep 'k wel, dat _ik_ in 't vervolg de kost
zou motte verdiene in plaas van me man; want daartoe was ie niet meer
in staat. Och ja,"--en met beide handen strijkt Bet het haar aan haar
voorhoofd glad--"zoo is 't gegaan; en zoo is 't gekomme, da' 'k met 'n
orgel loop. Maar 't het zoo motte weze, zalle we maar denke; en as je
tegeswoordig op de een of andere manier an de kost komt, dan mag 'n mens
al blij weze, zeg 'k."
En als Bet, die praatgraag is als een fonograaf, deze wederwaardigheden
heeft medegedeeld aan een jufvrouw, in een achterbuurt wonende, en naar
voren gekomen om, onder het voorwendsel van een cent voor de muziek te
offeren, een praatje te maken, dan klotst zij het houten trapje van de
voordeur naar de straat af, en als zij zich met haar orgel verwijdert,
laat bedoelde jufvrouw een punt van haar boezelaar, die zij onder het
praten tusschen den band om haar lijf heeft gestoken, weer vallen,
stroopt langzaam haar mouwen weer op, waarbij zij nu rechts dan links de
straat op kijkt, en gaat eindelijk op een drafje haar woning in, om tot
haar ergernis te ontdekken, dat het zeepzop koud is geworden, en zij
haar tijd derhalve verpraat heeft.
En onderwijl loopt Bet de straat uit en de Palmgracht op, waar een
aantal van haar vaste klantjes wonen.
Zij is een klein, maar stevig gebouwd vrouwtje, goed berekend voor haar
beroep, dat een sterk gestel en meer spierkracht eischt, dan men,
oppervlakkig beschouwd, zou denken. Om al haar kracht tot het draaien
van het orgel te kunnen aanwenden, want "draaie en cente ophale, dat
doen 'k zellevers," zegt ze, "draaie om de haverderij, weet je, en
cente ophale,--nou, dat begrijp je wel," heeft zij een zeventien- of
achttienjarigen jongen in haar dienst, wiens bijzonder groot hoofd, met
uitzondering van enkele lange, witblonde haren aan het achterhoofd,
zoo kaal is als een spoelkom, en die, diep over de kruk gebogen, en
voortdurend, om het orgel heen, voor zich uit ziende, het gevaarte
voortduwt. Maar niettegenstaande deze stuwende kracht, kost het ten
gehoore brengen der verschillende nummers van het _répertoire_ Bet nog
heel wat inspanning; en met recht noemt zij dan ook het draaien van tien
of twaalf "moppies," als er een ziek kind opgevroolijkt--of de pret in
een bruiloft gehouden moet worden, "'n heele karrewei." Want zoodra
zij de kruk heeft gegrepen, bevestigd aan het wiel, waardoor aan dit
prachtstuk van een instrument de lieflijke tonen ontlokt worden, geraakt
haar geheele lichaam in beweging, en slingeren haar korte rokken,
waarvan lange rafels afhangen, om haar beenen, "zoo asse de gowwevies,"
zou Mozes zeggen, "zoo asse de gowwevies kabbewe om 'n schip." Eerst
draait zij een poos met haar rechterhand, en dan grijpt zij, al
draaiende, de kruk met haar andere hand, welk links draaien de actie van
haar bovenlijf,--door de ongemakkelijke houding die zij daarbij moet
aannemen, eenigszins van het orgel af, en door het voortdurend heen
en weer slingeren van haar rechterarm,--niet weinig verhoogt. Door
haar kleine gestalte moet zij bovendien, om het wiel geheel te kunnen
ronddraaien, zich onophoudelijk op haar teenen verheffen, waardoor
telkens zichtbaar wordt, dat haar roode kousen aan de hielen _à jour_
zijn gewerkt, en zoo is het geen wonder, dat een zucht haar ontsnapt,
als de laatste tonen van het lieflijke: "Daisy, Daisy!" zijn
weggestorven, en dat zij eerst haar zwart wollen muts, tengevolge van
al die bewegingen op haar achterhoofd gezakt, naar voren moet trekken,
voordat zij de koperen lip, aan den zijkant van het orgel aangebracht,
verschuift en vastzet, en van haar programma, dat bijzonder rijk aan
afwisseling is, het tweede nummer: _la dernière pensée_ van Weber, doet
hooren.
Bet kijkt, dit spreekt van zelf, goed uit "'r doppe," en een haar
toegedacht centje ontgaat haar nooit. Zoodra zij dan ook bemerkt, dat
er een venster wordt opengeschoven, laat zij haar orgel in den steek,
waardoor de aandoenlijke melodie plotseling door een afschuwelijk
gehuil--veroorzaakt door het nog even en langzaam doorloopen van
het wiel,--wordt onderbroken, en terwijl zij, om de een of andere
geheimzinnige reden, haar rokken niet van voren maar van achteren
ophoudt, draaft zij naar een woning, waar een juffrouw, met het
bovenlijf uit het raam eener tweede verdieping hangende, haar een
cent, in een papiertje gewikkeld, toewerpt, die door Bet in haar wijd
uitgehouden boezelaar wordt opgevangen, waarna zij naar haar orgel
terugkeert, en het meesterstukje, op zoo ergerlijke wijze onderbroken,
"ofdraait".
Haar orgel, waarop in goud het woord: "orchestrion" prijkt, is zeker een
van de mooiste, die in Amsterdam worden aangetroffen, wat niet weinig
zegt, als men het groot aantal dier instrumenten, in onze goede stad
aanwezig, in aanmerking neemt. Aan de voorzijde ervan zijn drie poppen
aangebracht: een in het midden en een aan iederen kant. Die aan
weerszijden zijn gekleed als pages, de eene in het rood en de andere in
het groen, terwijl hun kleeren overvloedig zijn afgezet met goud. Op het
hoofd dragen beiden een baret, versierd met groene en gele veeren, en
ieder houdt in de linkerhand een triangel, waarop zij, met een ijzeren
staafje in de andere hand, die zij, met inbegrip van den arm, bijzonder
los en natuurlijk bewegen kunnen, slaan, wat natuurlijk, vooral als zij
het te gelijk doen, een verrassend effect maakt, en zijn uitwerking op
de omstanders dan ook nooit mist, getuige de glimlach waarmede de mannen
elkander aanzien, en het "gut!" waarmede de vrouwen haar bewondering
te kennen geven. De pop in het midden, blootshoofds, met een hooge
pikzwarte kuif, een vervaarlijke snor en een ijzeren glimlach om den
mond, is deftig uitgedost in een zwarte rok, wit vest, witte das en
_gris-perle_ handschoenen, en slaat, een dirigeerstok in de hand
houdende, en zijn beide armen bevallig op en neer bewegende, de maat.
Bovendien bezit hij het voor een pop zeldzaam vermogen, zijn hoofd naar
rechts en naar links te kunnen bewegen, en als hij, dit doende, een der
beide andere poppen aankijkt, dan zou men zweren een orchest-dirigent te
zien, die zich naar een deel der executanten richt, op het oogenblik dat
hunne instrumenten moeten invallen. Eigenaardig is, dat 's mans hoofd,
als hij zich, met een alleszins krachtigen, maar ietwat houterigen
ruk, naar rechts of naar links heeft gekeerd, eenige oogenblikken,
met ongelooflijke snelheid, blijft schudden, waardoor het den schijn
heeft alsof hij, ook weer als een orchest-dirigent op een repetitie,
ontevreden is, in dit geval over de wijze, waarop de pages hun partij
uitvoeren. Maar met het oog op den van groote voldoening getuigenden
glimlach op 's mans gelaat, en de zeldzame nauwkeurigheid waarmede de
triangels op het juiste oogenblik invallen, acht ik het waarschijnlijk,
dat bedoeld hoofdschudden niet is een door den maker der mechaniek
gewilde beweging, maar dat de dirigent lijdende is aan een inwendige
kwaal, waarvan een straatjongen, na hem geruimen tijd met open mond te
hebben aangestaard, de diagnose ten beste gaf, toen hij, heengaande,
uitriep: "je bent slap in je kop, knul, slap in je kop!"
De concurrentie is op ieder gebied groot, en zelfs orgeldraaiers hebben
er onder te lijden, maar waar is, dat Bet, hoe gaarne zij ook een goed
daggeldje t'huis brengt, zich nooit tot minder eerlijke handelingen
tegenover haar collega's laat verleiden.
"A's 'k weet," zegt ze, "dat Manus van Zeggere, Woensdag en Zaterdag, om
tien uur, op de Lauriergracht komt draaie, dan maak _ik_ niet, da' 'k er
kwart voor tiene bin, om ze klantjes af te loopen, zooas Piet Dons mijn
laast op de Vijzelgracht het gelapt; en te doen, zooas Dirk Muis laast
deej, me zegge, toe 'k de Berestraat wou ingaan, waar dik zand leej, da'
'k daar die dag niet mocht draaie, omdat 'r 'n zieke was; en 'n poosie
later d'r zelvers gaan draaie, omdat ie wist, dat 't zand 'r niet lag om
'n zieke, maar omdat de straat pas gemaakt was--zoo'n stiekemert! dat
doen _ik_ niet. 'k Zal niet zegge, da' 'k alles over me kant laat gaan,
maar dat hoeft ook niet. As 'n ander staat te draaie in 'n straat, waar
ik ook mot weze, dan laat 'k 'm stil ze gang gaan, maar as ie twee
moppies het gedraaid en, as ie ze cent het, nog eentje toe, dan mot
ie opkrasse, want da' 's me recht. En as ie 't niet doet, dan draai
'k tege 'm in, en dan wil 'k wel ereisies zien, dat ie zóó hard tege
me op draait, dat er nog wat van 'm te hoore is." Door haar kolossaal
instrument behaalt Bet in verreweg de meeste gevallen inderdaad de
overwinning, maar als de strijd eenmaal aan den gang is, geven haar
collega's het gewoonlijk niet zoo spoedig op, en zoo valt wel eens een
pianissimo van het orgel van Bet samen met een fortissimo van het
vijandige orgel, waardoor een zoo oorverscheurende potpourri ontstaat,
dat Bet, als zij ook maar eenigszins muzikaal ontwikkeld was, de vlag
zou strijken, en aan haar beleedigd gehoor de zegepraal zou ten offer
brengen. Maar daaraan denkt zij geen oogenblik, en geen zenuwtje in haar
gezicht vertrekt, als haar orgel den doodenmarsch uit Saul en het andere
orgel het lied van den toreador uit Carmen doet hooren.
Op haar dagelijksche tochten door de stad voert Bet een onafgebroken
strijd tegen de honden, niet omdat deze dieren het om de een of andere
reden op haar persoonlijk voorzien hebben, maar om het afschuwelijk
gehuil, waarmede zij de welluidende klanken van haar orgel begeleiden.
"As 'k effe kan, dan geef 'k zoo'n lamme hond, die bij me orgel staat te
sjanke, 'n doodschop," verzekert Bet, en meer dan een Bijou of Chéri
heeft dan ook aan de punt van haar slof zijn leven lang een miserabele
herinnering bewaard. En dat nog wel terwijl een hond een door en door
muzikaal dier is. Want wel beweert men, dat hij geen muziek kan hooren,
zooals dat heet, en dat zijn zenuwen gefolterd worden door de klanken,
die onze ooren streelen, maar deze meening is volstrekt onjuist, om de
eenvoudige reden, dat men nooit een hond ziet wegloopen, als de tonen
van het een of ander muziek-instrument tot hem doordringen. Als hij geen
muziek kon hooren zonder "akelig" te worden, dan zou hij natuurlijk
onmiddellijk de plaat poetsen, iets waartoe hij bij uitnemendheid in
staat is. Maar dit doet hij nooit.--Integendeel! zoodra hij op zijn
levenspad een muziek-instrument, bijvoorbeeld een orgel ontmoet, dan
blijft hij, zoodra de eerste accoorden zich doen hooren, daar omheen
draaien, en daar hij zich daarvan niet dan op geringen afstand
verwijdert, is het alleszins aannemelijk, dat de geluiden, die hij
aanheft, en die wij, de taal der honden niet kennende, huilen of janken
noemen, moeten worden verklaard als een soort poging om mee te zingen
of mee te neuriën, althans als een openbaring van het genot, dat hij
smaakt. Dat Bet ooit over het huilen der honden heeft nagedacht, is
onwaarschijnlijk. "As ie sjankt, dan mot ie weg," zegt ze, en nooit
verzuimt zij een gelegenheid dit den onnoozelen dieren aan het verstand
te brengen, waartoe zij hun allerlei lagen legt en listen verzint. Is er
een onbezonnen genoeg even vóór haar orgel te gaan zitten, dan schopt
zij, tot ontsteltenis van het dier, onder het orgel door, haar slof naar
zijn kop. En heeft er een de onvoorzichtigheid zich een oogenblik naast
haar orgel neer te zetten, dan laat zij hem stil begaan, maar zij houdt
hem in het oog, en als hij, al mee-neuriënd, zijn kop een weinig van
haar af keert, dan schiet zij opeens uit, en tracht hem haar doodschop
toe te brengen. Een enkele maal raakt zij hem, en dan vliegt het dier
met een gil op, neemt zijn staart, waarschijnlijk om dit ornament
tegen eventueele averij te beveiligen, tusschen de beenen, en
rent, nu inderdaad huilende, weg. Mist zij haar doel, dan heeft haar
onverhoedsche uitval toch altijd dit resultaat, dat het beest zich half
dood schrikt en het hazenpad kiest. Maar gewoonlijk wordt hij, nog
voordat Bet het gunstig oogenblik voor haar doodschop gekomen acht,
door een natuurgenoot in zijn muzikale genoegens gestoord, en de
wederzijdsche plichtplegingen vervullende, die deze dieren der schepping
elkander bij het ontmoeten bewijzen, dwalen zij ver genoeg af om buiten
het bereik der orgeltonen en van de harde slof van Bet te komen.
Bet is een ordentelijke vrouw, die nog nooit met de politie in aanraking
is geweest, zooals dat heet, wat inderdaad lofwaardig is, als men
bedenkt hoe gemakkelijk zij in haar beroep het een of andere voorschrift
der politie-verordening kan overtreden, bijvoorbeeld het verbod van op
de kleine steentjes te rijden, een bepaling, die telkens aanleiding
geeft tot onaangenaamheden tusschen haar en haar kogel-kalen assistent,
met wiens verklaarbare voorliefde voor geëffende wegen Bet, die bij
eventueele bekeuring de boete zou moeten betalen, zich volstrekt niet
kan vereenigen. "Smerisse," zegt ze, "daar mot 'k niks van hebbe, en met
'n bout an me arm, op klaarlichte dag, over de straat te loope, asof 'k
de la gelicht of me buurvrouw 'n blauw oog geslage had--en dat zou zoo'n
wonder niet weze--zoo'n doerak!... daar he' 'k 'n hekel an. Want ze neme
je mee!" roept ze uit. "As je, zonder erg, de een of andere straat van
de verkeerde kant bent ingereje, en je het 't ongeluk 'n paar woorde
tege te pruttele, as ze je bekeure, en dat doet 'n mens al gauw, dan
schrijve ze je niet op, maar je mot mee na 't bero. En as je _erg_
bertaal bent, zooas ze dat noeme, dan loope ze nog 'n graggie met je om.
Sekuur!" roept zij uit, als haar toehoorder haar ongeloovig aankijkt,
"want toe Da Punt...." en dan volgt het waarachtige verhaal van een van
haar vriendinnen, die het om een kleinigheid met de politie aan den stok
had gekregen, en in plaats van naar den politie-post aan de Raambarrière
gebracht te worden, zooals volgens recht en billijkheid had moeten
geschieden, naar het bureau aan het Jonas-Daniël-Meijerplein was
gebracht. "Nee, nee," zegt Bet, "met de pelisie affetuur 'k niks, want
_dat_ wil 'k wel wete: ik het me tong _ook_ tot me dienst." En zoo komt
zij getrouw de bepalingen na, die op het stuk van straatmuziek in de
hoofdstad verordend zijn, van welke voor haar zeker de meest bezwarende
is, dat zij geen muziek mag maken voordat de zon een half uur lang aan
den hemel heeft gestaan, en niet _meer_, als het een half uur is geleden
dat hoogstdezelve zich verwijderd heeft, want daardoor heeft zij in de
hondsdagen, in plaats van vacantie te hebben, juist haar drukken tijd.
Overdag bezoekt Bet met haar orgel de meer deftige wijken, en tegen het
vallen van den avond treft men haar aan in de achterbuurten, waar de
meesterstukken, die zij ten gehoore brengt, ten hoogste worden
gewaardeerd.
Als het mooi weer is, en de menschen buiten hun woningen van den
heerlijken zomeravond en van de orgeltonen genieten, dan gebeurt
het nog wel eens dat Euterpe en Terpsichore elkander ontmoeten, met
andere woorden, dat er in een ommezientje een straatbal wordt
geimproviseerd. Deze gebeurtenis moet gewoonlijk worden toegeschreven
aan een halfbeschonken kerel, die in zijn eentje, de armen wijd van het
lijf, het hoofd zoo ver mogelijk voorover gebogen, van het eene been op
het andere springt, en al springende ronddraait. En na deze miserabele
_entrechat_ begint het bal. Eigenaardig genoeg wordt daaraan alleen door
dames deelgenomen en, mits er slechts muziek zij, is het volstrekt
geen vereischte, dat bepaaldelijk dansmuziek worde uitgevoerd. Een
_marche-funèbre_ van Beethoven of Chopin kan even goed dienst doen
als een wals van Strausz, en zelfs de eerste de beste straatdeun
is voldoende begeleiding van de lichaamsbewegingen, die men in
achterbuurten dansen noemt, en die bestaan in het uitvoeren van
eenige passen, nu eens wat sneller dan weer wat langzamer, al naar
de maat der muziek, en waarbij nooit een deftige bedaardheid en gepaste
bezadigdheid, die bij andere amusementen van het volk nooit zoo treffend
op den voorgrond treden, uit het oog worden verloren. Kijk maar! Zoodra
de danslustige dames, elkander stevig vasthoudende, in letterlijken zin
_nez à nez_ staan--liefst op de kleine steentjes, maar op de keien gaat
het ook wel--maken zij, onder het voortdurend op en neer bewegen van de
uitgestoken armen (de rechter van eene danseuse tegen de linker van de
andere) eenige afgemeten, schuivende voetbewegingen, eerst op de plaats
waar zij beginnen, dan een beetje naar rechts, daarna een siertje naar
links, eindelijk vooruit en achteruit, en ten slotte draaien zij,
plechtig en triomfantelijk, alsof al het voorafgaande heeft moeten
dienen om dit doel te bereiken, eenige malen om elkander heen, waarna
zij onmiddellijk weer van voren af beginnen en volhouden, totdat een der
dames zich genoodzaakt ziet haar losgeraakte haren weer op te steken, of
een van haar schoenen, die wat wijd en daardoor half van den voet
gegleden is, weer aan te trekken.
Bij dezen dans zijn niet, zooals bij mazurka of polonaise, de
verschillende bewegingen voorgeschreven, maar alles is overgelaten aan
eigen fantasie, en zoo gebeurt het nog wel eens, dat zich langzamerhand
een wijde kring vormt van moeders, tantes, nichten en vriendinnen om een
paar danseressen, die door verrassende wendingen en bijzonder sierlijke
bewegingen de aandacht op zich gevestigd hebben, en onder den prikkel
der bewondering zich zoozeer overtreffen, dat bedoelde familieleden,
door met de hand aan de wang langzaam het hoofd te wiegen, of door korte
uitroepen, haar verrukking te kennen geven over de ten toon gespreide
bevalligheid.
Voor Bet is zulk een straatbal--want de bewoners van achterbuurten zijn
goedhartig en dus, zoo mogelijk, gul--een aardig buitenkansje, maar
natuurlijk ook een vermoeiend half uurtje. In haar hart is zij dan ook
dankbaar als het laatste paartje er genoeg van heeft en zij naar huis
kan gaan. Maar als zij zulk een goeden dag gehad heeft, vergeet zij
nooit, voordat zij haar woning binnen gaat, bij den drogist op den hoek
een pijp drop of een paar stukken zoethout te koopen, waarmede zij, bij
haar t'huiskomst, haar vijf-jarigen jongen gelukkig maakt. Ze heeft er
maar één, maar "wat 'n hartepitje is ie, hè?" En als zij hem van den
vloer opneemt en hem zoent dat het klapt, dan is alle vermoeienis
vergeten en er in heel Amsterdam geen gelukkiger moeder te vinden.
Eddy.
Ik wou, dat ik een portretje van hem had zóó als ik hem nu, in gedachte,
voor mij zie: een jongen van zestien jaren, gekleed in een licht-grijs
pak, met een viooltje in het knoopsgat, een donkergroene das met een
fijn wit streepje om, en op het zachte, golvende, kastanjebruine haar
een veld-mutsje of zoo iets--donkerblauw, afgezet met wit--want hij
is het een of ander bij de weerbaarheid, en omdat hij niet altijd de
geheele uniform kan aan hebben, draagt hij ten minste het hoofddeksel
daarvan. Hij heeft een open, prettig gezicht, met groote donkere oogen,
een scherphoekigen neus, die hem in het geheel niet misstaat, maar
wel een beetje een uitdrukking van "ik-mag-er-ook-wel-wezen" aan zijn
gezicht geeft, en de volle lippen sluiten zich over regelmatige, kleine
tanden, die hij mij dikwijls laat zien, want het gebeurt herhaaldelijk,
dat hij naar mij grijnst, vooral als inleiding om te stoeien, iets
waartoe ik mij slechts zelden laat verleiden, omdat het hem maar ophoudt
en opwindt, waardoor hij minder geschikt wordt voor zijn werk.
Zóó als ik hem nu voor mij zie, heeft hij ettelijke malen tegenover
mij gezeten, thans een zevental jaren geleden, en als ik dan naar het
portret kijk, dat op mijn schrijftafel staat en mij weinige dagen
geleden door hem werd gebracht, dan kan ik moeilijk begrijpen, dat de
tengere jongen van vroeger zich heeft ontwikkeld tot de krachtige,
mannelijke gestalte, waarvan dat portret een afbeeldsel is, en waarnaar
ik kijk, niet zonder de weemoedige gedachte, of ik hem wel ooit weer zal
zien en zijn hand nog eens drukken zal.
Maar laat ik niet vooruitloopen op hetgeen ik vertellen wil, en dus
eerst mededeelen hoe ik Eddy leerde kennen en hoe het kwam, dat wij
elkander op onzen levensweg eenigen tijd geregeld gezelschap gehouden
hebben.
Ik was overgeplaatst; maar aan het huis, dat ik in mijn nieuwe
woonplaats zou betrekken--want ofschoon ik ongetrouwd ben, vind ik
het kamerleven op den duur te "onhuiselijk"--moest zooveel hersteld
en veranderd worden, dat daarmede eenige maanden gemoeid zouden zijn;
en daar ik slechts eens, nu en dan tweemaal in de week in mijn
nieuwe standplaats _moest_ wezen, besloot ik kamers te huren in een
nabijgelegen dorp, bekend om zijn vriendelijke omstreken en daar te
vertoeven totdat mijn woning in orde zou zijn. 't Was winter, en zoo
had ik de keus tusschen een aantal pensions, maar toen ik de gezellige
benedensuite had gezien, die de zuster van Eddy, een veertiental jaren
ouder dan hij, mij liet zien, en ik een poosje met haar had gesproken,
kwam het mij voor, dat ik niet gemakkelijk beter zou vinden, waarom ik
de kamers huurde, voorloopig voor een maand. En zoo nam ik op een
Zondag-avond mijn intrek in Dennenheuvel, waar ik toen de eenige gast
was.
De eerste tijd ging voorbij zonder dat ik veel notitie nam van de
personen bij wie ik inwoonde, noch zij van mij. Nu en dan bemerkte ik,
dat Cor--zoo heette de zuster van Eddy--als zij binnen kwam, om het
een of ander te doen, te halen of te brengen, tersluiks naar mij keek,
alsof zij zich wilde overtuigen met welk mensch zij nu eigenlijk te
doen had, maar toen zij bemerkte, dat ik mij gedroeg zóó als dit aan
een fatsoenlijk man betaamt, en geregeld betaalde, wat niet minder
fatsoenlijk is, won ik al spoedig haar vertrouwen, en vroeg zij mij op
een morgen--waarschijnlijk omdat zij mij nu wel wenschte te houden
totdat ik naar mijn nieuwe woonplaats zou vertrekken--of ik tevreden
was, of dat ik in het vervolg het een of ander veranderd wilde hebben.
Ik antwoordde, dat ik het zeer naar mijn zin had, en niets liever
wenschte dan rustig te blijven waar ik was; en met haar pratende, vroeg
ik wie die jongen was, die nu en dan op een fiets kwam aanrennen, of op
zijn beenen weg holde, de voordeur achter zich dicht slaande zóó, dat
het huis er van dreunde en, met de klep van zijn pet op het achterhoofd,
al dravende, zijn overjas aantrekkende.
Dat was Eddy, haar broer, antwoordde zij. En dit zeggende, lichtte er
iets in haar oogen, en kwam er een uitdrukking op haar gezicht, die dat
van schoonheid misdeelde gelaat aantrekkelijk maakte. Want Cor is niet
mooi: haar gelaatskleur is onfrisch, de groote donkere oogen staan te
veel naar voren, en het zwarte, kroezende haar is grof en zonder glans;
maar nu zij over haar broer spreekt, straalt haar gezicht in het
zonnetje van haar liefde, en zij houdt heel veel van hem.
Zij zegt te hopen, dat ik geen last van hem heb.
"Welzeker niet," antwoord ik. "'t Is, helaas! al heel lang geleden, maar
ik herinner mij nog best, dat ik op zijn leeftijd even "stormachtig" was
als hij. Gaat hij nog op school, of...?"
"Ja, op 't Gymnasium; iederen dag gaat hij heen en weer naar stad."
"En leert hij goed?"
"Jawel. Zijn hoofd is best, en daardoor is hij dan ook ieder jaar
gelukkig nog over gegaan, maar hij is speelziek en loopt nog al dikwijls
van zijn werk af. Hij zit nu in de laatste klasse, en met het oog op het
eind-examen moest hij nu vooral zijn best doen, maar zijn rapporten zijn
dit jaar niet mooi, en het laatste was slecht."
"En wat moet hij worden?"
"Ik hoop," antwoordt Cor, met een blosje, dat van haar bescheidenheid
getuigt, "dat hij dokter zal worden, dokter bij de marine." En
aangemoedigd door mijn belangstelling vertelt zij nu: "Eenige jaren
geleden stierven onze ouders kort na elkander. Van de zes kinderen, die
zij gehad hadden, waren Eddy, de jongste en ik, de oudste, alleen in
leven gebleven; en toen we nu samen in de wereld stonden, zonder iemand
te hebben, die zich inderdaad om ons bekommerde, besloot ik dit huis te
huren, en er een pension in te openen. 't Was een waagstuk, want ik was
toen nog wel wat jong, maar ik had goeden moed, en 't ging gelukkig,
't ging dadelijk. De menschen vonden 't hier gezellig, en zoo had ik
iederen zomer het huis vol logé's. Intusschen, had Eddy de lagere school
doorloopen, en moesten we beslissen wat hij verder zou gaan doen. 't
Ontbrak me natuurlijk niet aan raadgevingen, en men hield mij voor dat
het beste zou zijn, hem zoo spoedig mogelijk geld te laten verdienen. We
hadden geen fortuin, zei men, er kwamen hier telkens meer pensions bij,
en als ik eens ziek werd.... Dat alles was wel waar, maar Eddy wou
studeeren; en als hij dat deed, dan beloofde zijn toekomst natuurlijk
veel meer dan wanneer hij voor de eene of andere mindere betrekking werd
opgeleid, of op een kantoor werd geplaatst. Wat het geld betrof, kon ik
hem zonder eenig bezwaar op het Gymnasium laten gaan; en als hij dan
later spoorstudent werd en zuinig wou zijn, dan kon ik hem, als het mij
niet erg tegenliep, de middelen verschaffen om dokter te worden, wat
hij wenschte. Zoo kon het; en toen ik Eddy ernstig onder het oog had
gebracht, dat ik hem wel zou kunnen laten studeeren, maar hem niet de
middelen kon verschaffen om pret te maken, zooals andere studenten dat
doen, en hij gezegd had dat ook niet te verlangen, toen vond ik het
beter te vertrouwen op zijn goed hoofd en eerlijk hart, dan zijn
toekomst te verstikken onder een berg van mogelijkheden, waarvan
misschien niet een zou gebeuren. En zoo," zegt Cor, met een glimlachje,
"ben ik overgegaan tot mijn tweede waagstuk, waarvan ik zeker niet
minder hartelijk hoop dat het mij zal gelukken."
Ik zei, dat ik haar besluit toejuichte, maar dat zij daarbij toch iets
over het hoofd had gezien.
"En dat is?" vroeg zij, een beetje ongerust.
"Dat ge in 't geheel niet om Eddy zijn zuster hebt gedacht," antwoordde
ik.
"Niet om mezelf?" vroeg zij verbaasd.
"Nee, want als hij dokter moet worden, dan moet hij zeker nog zes of
zeven jaren studeeren, en moet ge dus ook al dien tijd voor hem zorgen."
"O," zei zij met een glimlach, "dat is geen bezwaar! Ik wil natuurlijk
niets liever dan zijn toekomst verzekeren. Beter doel kan ik aan mijn
leven niet geven."
Ik vroeg haar, of zij dan niets voor zichzelf van het leven verlangde,
en of zij nog niet wat jong was om dat geheel aan haar broer te wijden,
maar zij antwoordde lachend en blozend, dat zij volkomen tevreden was
met voor Eddy te zorgen en haar dagelijksche bezigheden te doen.
"En dat ge tot dit tweede waagstuk bent overgegaan, daarvan hebt ge nog
geen berouw?" vroeg ik.
"Neen," antwoordde zij beslist. "Tot nog toe is hij ieder jaar
overgegaan, en meer kan ik niet verlangen. Wel vind ik, dat hij, vooral
in den laatsten tijd, erg onstuimig is en te veel pret maakt, maar
hij is ook nog heel jong, en ik hoop, dat zijn verlangen om van 't
Gymnasium, of "'t hok," zooals hij zegt, af te komen, hem zal aansporen
om deze laatste maanden nog eens flink te werken. En gelukkig was hij
over zijn laatste rapport dan ook zelf erg verslagen; al heeft het dan
ook niet heel lang geduurd," voegde zij er met een glimlach bij.
Ik zei, dat ik nog geen kennis met haar broer had gemaakt, maar dat ik
dit eens zou doen, en dat ik, als het een beetje tusschen ons wou
opschieten, wel eens gelegenheid zou vinden om met hem te praten en hem
aan te moedigen zijn best te doen.
Dat vond Cor best, daarmede zou ik haar veel plezier doen, zei ze; en
met een vriendelijk knikje ging zij de kamer uit.
Een paar dagen later, op een Woensdag-middag, terwijl ik achter in den
tuin was, stormde Eddy, gevolgd door zijn hond, de keukendeur uit, rende
ettelijke malen met het dier een grasveld rond, en toen hij zich
eindelijk hijgend op een tuinbank liet vallen, de armen langs de
leuning, het hoofd achterover, en de zijkant van zijn linkervoet op zijn
rechter knie, ging ik, eenige oogenblikken later, naar hem toe en sprak
hem aan.
't Was volkomen duidelijk, dat hij er volstrekt niet op gesteld was
kennis met mij te maken, maar toen ik een paar vriendelijke dingen had
gezegd over zijn hond en het beest had gestreeld, toen even later bleek,
dat wij vrijwel eenstemmig dachten over de verdiensten van Homerus,
Virgilius, Terentius en Livius, uitsluitend beschouwd van het standpunt
van iemand, die hunne onvergankelijke geschriften in behoorlijk
Nederlandsch moet vertalen, en ik het volkomen met hem eens was, dat zes
jaren lang op een Gymnasium te gaan "heel taai," en derhalve lang genoeg
is; toen hij bemerkte, dat ik hem volkomen als mijn gelijke behandelde,
ontdooide hij al spoedig, en nam hij mijn uitnoodiging, over een uurtje
met mij te gaan rijden, gereedelijk aan, iets wat hij waarschijnlijk
niet gedaan zou hebben, geloof ik, als ik niet, rekening houdende met
zijn jongens-schuwheid, hem eerst een beetje voor mij gewonnen had. Want
uit rijden gaan, is natuurlijk wel prettig, maar met een vervelenden
kerel--"ajasses nee!"
Een poos later zaten we samen op de dogcart, en wegrijdende, keek ik
glimlachend nog even om naar Cor, die voor het raam van mijn zitkamer
stond, en die mij, met een opgewekt gezicht, vriendelijk toeknikte.
"Ik geloof," zei ik tegen Eddy, "dat je 'n beste zus hebt, hè?"
"Ja, hoor!" antwoordde hij, met de oogen naar het paard, en voegde er
zoo onmiddellijk bij: "wat 'n mooi tuigie het ie op!" dat hij het
blijkbaar even natuurlijk vond een beste zus te hebben, als dat water
koud en vuur heet is.
Wie het hart van een jongen veroveren wil, moet dit stormenderhand doen,
of het zal hem nooit gelukken; en door met Eddy om te gaan alsof ik hem
al jaren had gekend, en te doen alsof het van zelf sprak, dat ik belang
stelde in zijn zuster en in hem, sloten wij al heel spoedig vriendschap,
en liep hij weldra even vrijmoedig bij mij uit en in, alsof ik niet een
logé van zijn zuster maar een oudere broeder van hem was.
"Ik vind, Eddy," zei ik op een avond, toen hij binnen kwam terwijl ik
bezig was mijn wekelijksche rekening met zijn zuster te vereffenen, "ik
vind, dat het zijn nut kan hebben muizentarwe hier en daar en overal
te strooien, maar ik geloof niet, dat het ergens toe dient datzelfde
met boeken en schriften te doen. Deze twee--en ik wijs naar een paar
op tafel liggende, zeer beduimelde cahiers--heb ik hier een poosje
geleden op de canapé gevonden; dien Franschen lexicon en die Latijnsche
grammatica heeft Arie uit de dogcart gehaald en een half uurtje geleden
binnen gebracht, denkende dat die vieze dingen van mij waren, en...."
"Vieze dingen!" roept Eddy uit, onmiddellijk een krijgshaftige houding
aannemende.