Mijn vader Amos was, en koning Azarias

Mijn broeder. Ik bestond, in 't afscheid van Ozias,

In 't ampt te treên, daartoe[211] den Hemel mij voorzag

Eer ik noch zuigeling in 's moeders voorschoot lag:

In 't ampt te treên, zoo haast mij God beriep van boven,

Als ik zijn glorie zag, en 't heerschaar hoorde loven

Zijn groote majesteit, wiens glansen, veels[212] te sterk,

De posten sidd'ren deên van ons gewijde kerk:

Als d' Engel, licht van pluim[213], mijn lippen snel genaakte,

En zuiverde met vlam, die op 't hoog altaar blaakte.

Ik waakte in mijnen plicht, mijn mond was een trompet,

Waardoor de geest uitblies luidruchtig Mozes' wet.

Nu zocht ik Jacobs heil met dreigen, nu met smeeken:

Als zij, van 't heilig spoor verdwaald en afgeweken,

Met d' onbesneden' haar afgoden volgden naar:

Dies aarde en Hemel wij aanriepen over haar,

En wekten ze, wanneer van verre wij genaken

De legers zagen, die God wapende ter wraken.

Wat drukte ons, dat men vond gerechtigheid zoo schaars!

Wat walgde ons 't offren van een hoopen huichelaars!

Doch mijn vrijmoedigheid, die koningen en vorsten

Trad onder oogen, en 't geen zij verbreuken[214] dorsten

Afeischte, en voorhiel, waar zij waren toe verplicht:

Manasse niet ontzag, wiens grimmig aangezicht

Riep 't vonnis over haar, en nam zijn welbehagen,

Met een getande balk mijn lenden te zien zagen,

En 't rinklende gebeent', dat viermaal zestien jaar

't Profetische ampt bekleedde, en spijsde in 't openbaar

D' hongrige zielen, die, deemoedig en verslagen,

Verschrikt van Sinaï, vol onweers, ijvrig zagen

Op den Messias, op den Reus, den Raad, den Held,

En 't Offerlam, dal, ik zoo duidlijk had gemeld,

En afgeschilderd, hoe zijn bloed wiesch 's werelds vlekken,

Dat eer Evangelist ik, als profeet, mag strekken.

JEREMIAS,

DE VROEGPREDIKER.

_Eccles._ 49.

Jeremias was in 's moeders lijf uitverkoren tot een profeet,

dat hij uitroeyen, breken, en verstoren, en wederom ook

bouwen en planten zoude.

Vraagt iemand mij, van waar, van wie kwam Jeremia?

Mijn wieg was Anatoth; mijn vader was Hilkia,

D' aartspriester, die, o heil! het wetboek wel te pas

Vond, dat zoo lang gewenscht te[215] wijd om zoeken was.

Jehova, die mij, vóór mijn tijd, hadde uitgezonderd,

Mij zalfde tot zijn knecht, zoo vroeg, dat elk verwonderd

Mijn jongelingschap met de ontzichlijkheid[216] bekleed

Zag van een predikant[217] en Goddelijk profeet.

't Lijk van Jozias ik bedauwde met mijn tranen.

Het twalefstammig volk, met dagelijks vermanen

En dreigementen, ik te weren zocht van 't kwaad:

Helaas! maar al vergeefs: zij hielden 't al voor praat.

Met scherpe diamant en ijzren griffe, o smerte!

De zond' geprent was in de tafel van haar herte.

D' aanstaanden ondergang des stads, die te gemoet

Ik in 's geests spiegel zag, bekeering wrocht noch boet

In iemands ziel, maar elk voor ander bleef halssterker[218]:

De waarheid vond geen heul: zij smeten ze in de kerker,

Schoon Babel driemaal met haar sabel, hecht van sneê,

Jeruzalem beangst haar vlaggen strijken deê:

Mijn woord en gold er niet, voor dat de stad gewonnen,

Den koning wierd ontroofd 't schoon aangezicht der zonnen;

Nadat zijn afkomst, die gehoopt hadde op zijn leen,

Vóór hem gesneuveld, viel in 't ijzer der Chaldeên,

En hij geketend aan d' Eufraat zat op het oever,

En hoorde 't guichelspel zijns vijands langs hoe droever.

Genaken ik van verr' zag, over dal en berg,

Als Isrels heiland en verlosser, den monarch[219],

Die Perzen hiel te leen van God: dies ik voor henen

Het volk vertroostte, dat de boei droeg voor de schenen:

Doch niet zoo zeer met hem, als met die Siloa,

Die held, die geestelijk zou volgen David na,

En 't hoofd vermalen[220] van d' erfvijand, die de zielen

Der menschen boeide, die in 's Hemels ban vervielen.

EZECHIEL,

DE GROOTE ZIENDER.

_Eccles._ 49.

Hezekiël zag de heerlijkheid des Heeren in een gezichte, dat

hij hem wees uit den wagen Cherubim. Hij heeft geprofeteerd

tegen de vijanden, en troost verkondigd dien, die daar recht

doen.

Nebucadnezar had zijn tenten naauw gespannen

Rondom Jeruzalem, om Juda te vermannen,

En uit zijn elpenstoel te worpen Jojakim,

Die, met zijn leenheer tol te weigren, zijnen grim

Hadde over hem[221] gewekt: of onze vorst verslagen

Mij kwam 't geheimenis van Gods geheim afvragen:

En als hij merkt', hoe 's volks godloosheid overlang

Den Hemel afgetergd had Sions ondergang,

Die, eenmaal vast gestemd[222], in 's Heeren toorn verbolgen,

Onwederroepelijk geschapen was te volgen:

Hij fluks, behoudens goed en leven, overgaf

De stad; maar d' onbesneên hem sloeg in 't ijzer straf[223],

En sleept' hem, neffens mij, daar Chebar steeds de muren

Van Nimroth gaat met zand en keizelsteenen schuren.

Hier hadde ik op den hals geladen ieders smaad,

Omdat ze den tyran, op mijn bevel en raad,

De poorte ooit open deên, en leenden zin noch ooren,

Wat ik haar toeriep van Jeruzalems verstoren:

Dies mij Jehova van zijn glorierijken troon

Kwam om zijn majesteit t' aanschouwen vrundlijk noôn[224].

Mijn ziel in 't aanschijn kreeg twee recht doorgaande lichten,

En met verwondren zag veel hemelsche gezichten,

Die ik het volk tot troost, en tot vermaning meê,

Ging openen, opdat mijn profecye steê

Mocht grijpen in 't gemoed der gener, die, als slaven,

Den heidenschen monarch haar zweet ten offer gaven.

't Verstrooyende[225] geslacht, dat droevig en ontsteld

Ging dwalen heen en weêr, als schapen over 't veld,

En gras noch loof afschoer op Babels magre heiden,

Met dezen[226] herder ik vertroostte, die zou weiden

De stammen in het groen der beemden, die voortaan,

Door zijn barmhartigheid, zoo heerlijk zouden staan

In groei en bloei, zoo haast als Israël te stade

Kwam een slagregen van Gods goedheid en genade.

DANIEL,

DE GODGELEERDE.

1 _Mach._ 2.

Daniël wierd om zijn onschuld van de leeuwen verlost.

Doen 's konings oogen drok en bezig weiden gingen

In 't koninklijk geslacht en 't puik der jongelingen,

Zij staren bleven bot op mij, die, als een starr',

Mijn blonde kuif opstak, als 't hof te Sinear

Behagen in mij schiep, en liet mijn brein opkweeken,

't Welk wijd leerde over 't hoofd in driemaal vijftig weken

Mijn meesters, en hoewel ik sober, als Gods knecht,

Voor 's konings lekkernij verkoos het moesgerecht,

Mijn aanschijn, wel gevleescht, gezonder men zag blozen

Als andre, dien 't banket walgt en steeds bastert[227] kozen.

Maar als 's monarchen droom ik nu t' ontdekken kom,

Daar al de Magi[228] der Chaldeên voor bleven stom,

Nebucadnezar mij verhoogt, en doet de zielen

Van 't pratte koninkrijk voor mij ter aarden knielen.

Na zag ik Babels hoofd, verbannen van Gods geest,

Bedauwd in 't veld, het gras afsnoeyen als een beest.

Belsazer namaals (zoo hij, godloos en verwaten,

Ontwijdde, in 't slempen, 't goud van d' heilge tempelvaten,

Terwijl de boelen met 't albaster van haar borst

't Wellustig lodderoog verletten[229] van de vorst)

Ik meldde zijnen val: als hij, vol schriks en beven,

Zijn vonnis op de wand zag onverhoeds geschreven,

En korts hadde uitgediend, als diadem, en staf,

En 't purper van zijn leên hij Meden overgaf:

Daar ik, te zeer ontzien om mijn droomkundig' hersen,

Den Nijd wierd tot een buit, vermits ik 't hoofd van Perzen

Ontzeî met Godlijke eer t' ontmoeten, dies zij dol

Mij gaf tot eenen roof den leeuwen in het hol:

Maar de Englen, door haar kracht, het woên der dieren temmen,

De leeuw het brullen staakt, en laat zijn lokken kemmen,

En vast, ter tijd toe ik ontkerkerd, hij verblijd

Mijn vijand met zijn kies en klaauwen motst[230] en rijt:

Dies orgelt ieders tong van zelve en ongeboden,

Dat Daniël alleen den God dient aller Goden.

DE TWAALF PROFETEN,

OF REI DER ZIENDERS.

_Eccles._ 49.

En der twaalf profeten gebeenten groenen nog daar zij liggen:

want zij hebben Jacob getroost, en verlossinge toegezeid, die

zij gewisselijk hopen zouden.

Hozeas! zijt gegroet, die, met uw profecye

't Huis Jacobs zuivren wilt van zijn afgoderye:

Met Joël, die van verre afdalen zag den Geest,

Als een slagregen, neêr op Sions Pinxterfeest.

Leeft lange, ô Amos! die vloodt uw gewolde vliezen.

En weidde zielen, als u d' Hemel kwam verkiezen.

Obadja, zijt geloofd! die Edom, al voorlang,

De roed' hebt laten zien van zijnen ondergang.

Gij, Jonas! uwen lof steeds bruisen moet en vlieten,

Vermits gij hebt bekeerd tot God de Ninivieten.

Micheas, u zij heil! die Bethlems boerewal[231]

Doet juichen, om dat God zich legert in de stal.

Gij, Nahum! prijs behaalt, die Ninive bewaakte,

En waarschouwde, eer haar val rechtveerdelijk genaakte.

O Habakuk! dat doch uw lofkrans eeuwig bloei,

Omdat gij los zaagt gaan de stammen zonder boei.

Zefanja, uwen roem werde altijd weêr geboren,

Vermits gij naken zaagt Jeruzalems verstoren[232].

Haggaï niemand wijk', die 't Joodsch gebouw versmaadt,

Om Kristus' kerk, die in zijn geest getimmerd[233] staat.

Maar Zacharias! o, wat zullen wij u wijden?

Die aller vorsten Vorst zaagt op een ezel rijden?

Met Malachias, die, naar zijn verschulde[234] plicht,

Een Engel henen zond voor 's Heeren aangezicht.

O heilge Zienders rei! vermits gij boos noch nijdig

Te zamen komt, heel goed van inborst, onpartijdig,

Onnoozel, ongeveinsd, en niemands aanzien smeekt[235],

Maar, wat u d' heilge Geest inluistert, tot ons spreekt,

Met lippen zonder smet: ik op uw woord wil bouwen,

En in dees duistre nacht die valsche leeraars schouwen,

Wiens pad ter Hellen leidt, en Kristus, mijnen Heer

En Heiland, zoeken bij de klaarheid van uw leer,

Het rechtsnoer des geloofs, het heldre licht der blinden,

De leidstarr', die ooit[236] blonk voor alle Gods beminden.

ESDRAS,

DE WETGELEERDE.

_Esra_ 7.

Esra was een geschikt Schriftgeleerde in Mozes wet, die de

Heere de God Israëls gegeven heeft: en de koning gaf hem

alles wat hij begeerde, naar de hand des Heeren zijnes Gods

over hem.

Als Xerxes zwanger ging met ijver boven maten,

En Sion gunst toedroeg niet min als zijn voorzaten:

Hij Esdras oorlof gaf, om, vuriglijk en kuisch,

De dorpels te betreên van 's Heeren heilig huis.

Elk reê was, zoo[237] ik sprak; 's volks vreugd men hoorde schatren,

Daar zijnen tol de Eufraat ontleent van mindre watren.

De aanstaande reize onveil, die ons te dreigen scheen

Met nood en lijfsgevaar, door vasten en gebeên,

Verzekerden wij ons bij God, die 't vrij geleide

Zijns Engels aan zijn kudd' gaf over berg en heide,

Tot dat te Salem wij der priestren overhoofd

Toewoegen[238] 't heilig goud, dat Assur had geroofd,

En deên op 't altaar 't smeer[239] en 't ongel van de rammen

En bokken golven naar 't gesternte, met roô vlammen,

Tot dankbaarheid, dat, wijd van 't slaafsche Babylon,

Zoo heuglijk over ons blonk 's ouden vrijheids zon.

Maar och! mijn hert bezweek, mijn ziel weemoedig treurde,

Mijn lokken trok ik uit, mijn kleederen ik scheurde,

Als mij ter ooren kwam, hoe, tegen Mozes' wet,

Het heilig zaad alom zijn kuischheid had besmet

Met 't goddeloos geslacht, dat heimlijk 't hert der Joden

Te neigen scheen tot haar belachelijke Goden:

Waarom de stammen ik verzamelde algemeen:

Die, voelende 't vergrijp, terstond met heilige eên

Den Hemel zwoeren dier, de uitheemsche bedgenooten

Te vliên, en van haar gunst en vrundschap te verstooten.

Het lovertenten[240]-feest genakende, ieder doen

Op mijn bestel 't gebergt' ging plonderen van 't groen.

Men vlocht alom d' olijf, de myrt, en frissche palmen:

De weêrklank op 's volks vreugd antwoordde met zijn galmen

's Wets heilge blaân ik las voor 't opgesteken oor

Van d' aangedrongen schaar, die bezig in 't gehoor

Zich zelf vergat, en naar geen huis heeft omgekeken

Voor 't statig loverfeest gevierd was en verstreken.

NEHEMIAS,

DE HEILIGE BOUWMEESTER.

_Eccles._ 49.

Nehemias is altijd te loven, die ons de verdorven muren weder

opgericht, en de poorten gezet heeft met sloten, en onze

huizen weder gebouwd.

Zoo haast sprak Perzen niet: "Nehemia! trekt henen,

En bouwt de stad, daar 't graf bewaart uws vaders beenen",

Of ik versmaadde 't hof, en vond[241] der priestren erf:

Daar over Salems val, en jammerlijk verderf,

Lang 't gras gewassen was; denkt, hoe mij was te moede,

Als ik mijn vaderland zag treuren in den bloede,

En van Jeruzalem de poorten en de muur

Geblaakt, gescheurd, geschend, met ijzer en met vuur.

Mijn oogen uitgeschreid, en weder tot mij zelven

Bedaard, ik 't volk opwek in d' heilige gewelven.

Elk tot der muren bouw wilveerdig in 't gemeen

Beament[242] mijnen eisch; ik leg den eersten steen,

Wien fluks een tweede perst; het was, om verjolijzen[243],

Te zien, hoe d' ernst[244] der Joôn het steenwerk dede rijzen.

De faam van 't stout bestaan fluks strekte een nieuwsgier tolk

Aan Moab, Ammon, en het nageburig volk:

Die, al van ouds jeloers, om Sion, zijn verdragen[245]

Ons 't metslen te verbiên met heimelijke lagen;

En snakten naar mijn ziel, daar 't al, naast God, aan hing;

Dies met een stoet hartsiers[246] ik 't lijf verzekren ging,

En gaf den bouwliên, zoo ik 's vijands list doorsnuffel,

Den degen in d' een vuist, in de ander hand den truffel,

Den beuklaar bij de werk[247], om schutten[248] slag op slag

Van 't heer, dat zwert van nijd steeds op zijn luimen lag.

Mijn tafel ik vergat, de vaak week uit mijn oogen,

Tot dat de heuvel Gods omgord was met een hoogen,

Onwinbren wal, en 't oog des schildwachts, voort en voort,

Bewaakte, nacht en dag, de valbrugge en de poort:

Doen klom ons juichen naar 't gesternte, klaar van schimmer[249],

Omdat van derwaarts was gezegend ons getimmer;

De stad bevolkerd[250] weêr van 't priesterlijk geslacht,

Zijn tiende Levi[251] wierd geheiligd en gebracht,

De godsdienst raakte in zwang; waarom mijn naam zal duren,

Zoo lang Jeruzalem derf[252] roemen op zijn muren.

JOB,

DE LIJDZAAMHEID.

_Hiob_, 6.

Wanneer men mijn jammer woege, en mijn lijden te zamen in een

schale leide, zoo zoude het zwaarder zijn dan het zand aan de

zee.

Gij, die u maakt voor God door 't murmureeren schuldig,

Komt herwaarts, ziet, hoe Hiob[253] zoo lijdzaam en geduldig

De lijdzaamheid uitbeeldt, en, voor elks aangezicht,

Zijn gouden zetelstoel van eenen misthoop sticht,

En zit behangen noch met zij noch purpren kleêren,

Maar met een mantel, rijk van rooven en van zeeren

En puisten geborduurd, gemyterd met een hoed

Van schurft, wiens lamper[254] is slechts etter en vuil bloed.

De potscherf hem een staf en schepter wil verstrekken:

Waarmeed' hij open klouwt de zweeren, die hij lekken

Laat van zijns huishonds tong, die, op haar voordeel uit,

Snakt naar de lekkernij van Hiobs[253] bedragen[255] huid.

Zoo pronkend'[256] hij van verr' gesneuveld ziet zijn knapen

In 't ijzer der Chaldeên, en zijn gewolde schapen

Van 's Hemels vlam geroosd, zijn kemelen geroofd,

Het dak zijn vrolijk zaad gevallen op het hoofd,

In 't midden van haar feest, en als hij straf bejegend,

Met een slagregen van veel rampspoên is beregend,

In plaats van troost, daar als amechtig hij naar gaapt,

Ontmoet hem dus zijn helft, die in zijn ermen slaapt:

"Is 't nu niet wel gesteld? waar is nu Hiobs[253] betrouwen?

Wat heil brengt het nu toe, op 's Heeren naam te bouwen?

Gij noemd' hem uwen schild en schutsheer onversaagd:

Hij helpe u nu, indien hem vromigheid behaagt."

"Ay! (zegt de martelaar) gij ratelt als d' onvroede[257]:

Wij dulden 't kwaad van hem, die zegende ons in 't goede:

Naakt rezen wij in 't licht: naakt varen wij in 't stof:

Die 't leende, nam ons 't zijn: den Heer zij dank en lof!"

Zijn maagschap ook, tot troost vast neffens hem gezeten,

Een pijnbank strekte schier 's mans ongekreukt geweten,

Dat, rijk in God getroost door 't veel gepleegde goed,

Een blijde schare kwam van deugden te gemoet:

Tot dat, doorlouterd hij, in 't aanschijn Gods verkoren,

Hem 's Hemels goedheid gaf meer als hij had verloren.

TOBIAS,

DE GODVREEZENDE.

_Tob._ 2.

Tobias vreesde God meer als den koning, en droeg de

verslagenen heimelijk te zamen, en behield ze heimelijk in

zijn huis, en des nachts begroef hij ze.

Het herte Napthali zal trotscher als voorhenen

Zijn hoornen steken op, en met zijn ranke beenen

Opsteigeren 't gebergte, omdat zijn doode faam

Is opgewekt door mij, die vroeg den grooten naam

Des grooten Gods aanriep, en die om niemands halven

Bevlekte mijn gemoed, doen elk de gulde kalven

Jeroboams aanbad, maar, naar des hoogsten stem,

Mijn eerstelingen steeds bracht te Jeruzalem,

Tot dat, met Isrel ik vervoerd de boei most slepen,

Daar Ninive gevrijd wordt van d' uitheemsche schepen,

En daar, als andre, nooit mijn lippen zijn besmet

Met 't voedsel, ons zoo streng verboôn van Mozes' wet:

Dies God mijn vromigheid mij komen liet te stade,

Als 't hert des Assyriêrs hij roerde met genade.

Mijn vrijheid nu erlangd[258], ik evenwel verplicht

Mij hiel te dwaden[259] der bedroefden aangezicht,

Tot dat Senacherib ontzeî al wie mij hoofde[260]:

Wiens gramschap ik ontsloop, als hij mijn have roofde,

Doen ik mijn broedren (die hij, in zijn grimmigheid,

Versloeg) gekist hadde en in 't heimelijk graf geleid.

Der dooden uitvaart was mij liever als mijn eten,

Zoo fluks de bleeke dood het leven had verbeten.

Doch mijn godvruchtigheid leed wederom aanstoot,

Doen eenen zwaluwdrek mijns lichaams vensters sloot,

Daar 't morgenlicht door scheen: en of wel[261] mijnen rouwe

Met schimp ophoopten nog mijn magen en mijn vrouwe,

Nog hiel mijn vroomheid aan: mijn ijver nog bekleef,

Als ik in 't hert mijns zoons die gulde lessen schreef.

Geprangd van armoede, ik mijns oudheids kruk[262] in Meden

Naar Gabel zond om 't geld: maar d' Engel Gods met vreden

Hem weêr betreden deê den dorpel van mijn huis,

Met zijnen bruidschat en zijn Sara, hupsch en kuisch.

Mijn lichten zagen 't licht, dat zoo lang was gedoken,

Tot dat, ik levens zat, mijn kindren d' oogen loken[263].

MATATHIAS,

DE PRIESTERLIJKE KAMPIOEN.

1 _Mach._ 2.

Wij en willen niet bewilligen in 't gebod van Antiochus, ende

en willen niet offeren, en van onze wet afvallen, en andre

wijze aannemen.

Dat ging mij veel te na, dat ik van verr' de wallen

Van d' heilige stad met haar wachttoornen hoorde vallen.

Dat ik vernam, hoe die aartsvijand van Gods wet

Zijn schelmsche voetzool hadde in 't heiligdom gezet:

Dat ook Antiochus dorst, godloos en verwaten,

Tot roof verklaren 't goud van ons gewijde vaten:

Dat hij zijn schouwspel zag aan menschen en aan vee,

En 't volk voor 't aanzicht van zijn afgoôn knielen deê.

Waarom, zoo fluks[264] ons kwam, op Modins hooge rotsen,

De veldheer des tyrans, in naam zijns meesters, trotsen,

Ik, met een hellebaard, die zwaar van koper woeg,

Hem en die valsche Jood den kop in flarden sloeg,

En, om de wet jeloers, als dol en uitgelaten,

Het volk op 't marktveld ik bazuinde uit alle straten,

En wekt' haar ijver op aldus: "wat! is 't niet schand,

Dat hij, die onlangs zat gegijzeld en verpand,

Ons wetten stellen zal, en onzen Godsdienst schenden,

En maken van ons kerk een grouwel der ellenden?

Wat, mannen! duldet[265] niet, dat u die dwingland kruist,

Zoo lang gij houden kunt het lemmer in de vuist:

Wie ijvert, volgt mij na!" 't Woord droop naauw van de lippen,

Een werld van menschen zich, in holen en in klippen,

Met mij verstak voor 't heer van die vermeten zot,

Die kwam te spa zijn hiel opheffen tegen God.

Wij streên in 't steengebergte, en zoo wij daag'lijks wiessen,

Wij vaken[266] d' onbesneên deên dansen door de spiesen.

Geen Sabbath onzen erm noch zeenwen hiel verlet,

Als ons d' erfvijand zocht; de nood wist van geen wet.

Met wijf en kindren dus in ballingschap gevloden,

Wij stelden de eere Gods voor 's dwingelands geboden,

Tot dat onze ouderdom zijn zonen alle vijf,

Vóór zijn verscheiden blies een krijgsmans hert in 't lijf,

En Macchabeus, die ons kwam in vroomheid nader,

't Zweerd ophief, en het ampt vervulde van zijn vader.

JUDAS MACHABÆUS,

DE VOORVECHTER.

1 _Mach._ 3.

Judas verkreeg den volke groote eer; hij toog in zijn harnas

als een held, en beschermde zijn heer met zijnen zweerde; hij

was vrijmoedig als een leeuw.

Als Apollonius te trotsch mijn heerkracht porde,

Hij vond dien, die hij zocht, en hem het mes afgordde.

Den batschen[267] Seron, die dacht dat ik van 't gerucht

Verveerd was, kwamen wij vernestlen[268] op de vlucht.

Na[269], Gorgias ontvlood, als in zijn pauweljoenen[270]

Ik 't vuur stak: duizendwerf vijf dappre kampioenen

Het overrompeld heer van Lyzias op 't veld

Vermiste, als namaals wierd het overschot geteld.

Jeruzalem ik bouw tot troost der Isralieten,

En open 't hooge koor voor priestren en Levieten.

Den Ammoniet ik sla, met Beon, d' Idumeen.

Datheman ik verkwik, en bliksem steên aan steên.

Timotheus ontwijkt mijn benden, die hem naken:

Dies Efron Carnaïm wij met ons tortsen blaken,

En vlammen naar den roof, en slaan, eer 't woeden slist[271],

Al wat er wapens draagt, en aan de muren pist:

En vinden zegenrijk den priesterlijken heuvel:

Daar wij hem roemen, die nam wraak van 's vijands euvel.

Maar als in 't Zuiden ons grijnst Edom aan zoo stuur,

Wij Hebron breken af tot molm[272], met staal, en vuur.

In 't land van Asdod, daar de blinde de afgoôn eerden,

Wij steên en vlekken gants het onderst' boven keerden.

Doen d' elefant ten toon den Antiochus[273] droeg,

Ik 't onbesneden zaad zes honderd man afsloeg.

Als nu Nicanor komt, dat hij mijn glorie schake,

Ik hem zijn rechterhand en hoofd afsnij tot wrake.

Zoo haast de faam ons doet den roem van Rome kond,

Wij met 't Romeinsche volk ons houwen[274] door verbond:

En als Bacchides trok, den smaad op 't strengst' te wreken

Demetrio gedaan, ik in 't gevaar bleef steken,

Als mij mijn volk bezweek, daar 't leger ik ophiel,

En in 't gevecht opgaf mijn ridderlijke ziel;

Die, heemlende[275] naar 't koor der heiden van der eerden,

Het heldisch lichaam liet doorregen van de zweerden.

[1] Gelijk reeds vroeger voor _het altaar doen rooken_.

[2] Voor _deel_.

[3] Gelijk reeds vroeger, voor _zedeloos_.

[4] _bij voortduring_.

[5] Voor _uitmuntend_.

[6] _verdichte_.

[7] _te berde brengen_.

[8] Thans _vatten_.

[9] D. i. die om hun naam benijd, uit zich zelf, meer dan de stralen

der middagzon, vonken en schitteren.

[10] _bron_.

[11] _van gelijken aard is met_.

[12] Godfried van Bouillons wondheeler; zie in Ten Kate's _Tasso_ II,

bl. 24.

[13] Voor _verheven_; verg. vroeger.

[14] _van_.

[15] Fontein.

[16] Amstel.

[17] Voor _Sprokkele_, d. i. _Sprokkelmaand_.

[18] Voor 't gewone _staroogen_; gelijk _herp_ voor _harp_, _tesch_

voor _tasch_, enz.

[19] _verkeerde_.

[20] Thans verkeerdelijk _wenkbraauwen_;'t best schreve men

_wimbrauwen_.

[21] _even_, _juist_.

[22] Germ. voor _tegenwerpen_.

[23] Germ. voor _iemand_.

[24] _gelet_.

[25] _gunt_, _veroorlooft voor_.

[26] _oogpunt_.

[27] Thans _eer_.

[28] Hier, tegen de gewoonte, in goeden zin.

[29] Nam. _heiland_. Gelijk Van Lennep te recht opmerkt, wordt door

't onzijdige voorn. w. (in tegenoverstelling van 't mann.) meer de

_eigenschap_ dan de persoon aangeduid.

[30] Thans _verwellekomd_.

[31] Thans _ziel_.

[32] Anders _verpersoonlijking_.

[33] _aanleiding vinden_.

[34] Den Bijbel natuurlijk.

[35] Germ. voor _hartsgeliefde_ of derg.

[36] Nam. door den Booze.

[37] Thans _beschaduwen_.

[38] Rijmshalve voor _Cherubijnen_.

[39] _Groot-vader_, _eerste voor-vader_.

[40] _schapen_.

[41] Germ. voor _eensgezind_.

[42] Germ. voor _beloofden_.

[43] Gall. voor _weêrzin_.

[44] _somberst_.

[45] _spieren_.

[46] Min gelukkig, rijmshalve voor _zwaard_.

[47] _bespeurde_.

[48] Germ. voor _om niet_.

[49] _zegt het_.

[50] Germ. voor _instelling_, _wet_.

[51] _vrijwillige_, _ongevergde_.

[52] Voor _verhindert_, _belet_.

[53] _manna_.

[54] Hier waarschijnlijk welluidendheidshalve voor _haar_.

[55] _bouwden_, _takelden op_.

[56] Voor _kraag-stijvende ijzerdraden_.

[57] Germ. voor _staart_.

[58] Anders _armbanden_.

[59] _snoeven_.

[60] Thans _kurk_.

[61] Versta: _tot dat_, en verg. reeds vroeger.

[62] _allen te zamen_.

[63] De ark.

[64] Anders _verknocht_, waarmeê het slechts in scherpte van uitspraak

(_verknoft_ voor _verknopt_) verschilt.

[65] Gallicisme voor: _nadat gekoeld was_.

[66] Verg. boven, bl. 79b, aant. 68.

[67] _sieren_ (verg. _boetseeren_).

[68] Thans _veilig_.

[69] _zonder_, zie vroeger.

[70] _het vuur ontstoken_.

[71] D. i. _verdonkert_.

[72] _voorzag in_, _vergoedde_.

[73] Germ. voor _met_.

[74] Anders _op 't nipje_.

[75] Voor _te vlieden_.

[76] Gall. voor _na 't ombrengen_, enz.; verg. boven.

[77] _verpleegden_; verg. 't Hoogd. _aufwarten_.

[78] Voor _regel_, _orde_.

[79] _merk_, _teeken_ (door de besnijdenis).

[80] Thans _ééne_.

[81] Rijmshalve voor _dooden_.

[82] _wrocht_, _werktet gij_.

[83] _onderhoorig_.

[84] _vaardige_, _vlugge_.

[85] Voor _de leep-oogige Lea_.

[86] Gelijk nog in de spreektaal voor _ophield_.

[87] _tot_.

[88] _speurden_, _bespeurden_.

[89] _hals_ (naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord).

[90] Germ. voor _kan_.

[91] Voor _bedacht_, _beraden_.

[92] Nam. _Potifar_.

[93] Voor _sponde_.

[94] _alles_.

[95] Zoo lees ik voor _van_, dat geen zin geeft.

[96] Voor _den troosteloozen oude_.

[97] _veilig_.

De complete werken van Joost van Vondel. Op de Aankomste van de Koninginne van 't Zuiden te Hierusalem, [etc.] · 第 4 / 5 段