De zwalpende Jordaan, die, als twee glazen muren,
Haar golven metselde op en bouwde een wandelpand[126],
Voor Isrel ruim genoeg, die wederzijds den wand
Met peerlen brommen zag, met schelpen, en met hoornen,
Welk orgelden in 't oor van 's Hemels uitverkoornen,
En zongen enkel lof, terwijlen Levi sterk
Met zijne schoudren stutte en ophiel 's Heeren ark,
Tot dat de stammen met haar drooge zolen rustten
Op 't[127] oever lang gewenscht, dat zij van blijschap kusten.
Ik zag de reuzen ons haar hielen laten zien,
En 't hert ontvallen, en het stellen op een vliên,
En dekken gaan, zoo fluks zij 't leger krielen zagen,
Dat over 't water nog geen schipbrugg' had geslagen:
Daarop ik Jericho terstond den vrede ontzeî,
En met der priestren hoorne, en Izaks veldgeschrei,
De muren omtrok, die geweldiglijken vielen,
En kwetsten met haar val zoo menig duizend zielen,
Doen 't hongerige staal nooit spieren zoeter vond,
En 't onuitleschlijk vuur in alle daken stond.
Wat mochter[128] voor ons staan? de Zon vergat te dalen,
Als zij de zon zag van onze overwinning stralen,
Bleekverwig en verbaasd[129]; en bleek de bleeke Maan
Zag den eclipses vast der Cananieten aan,
Der koningen, die, lang van veel triumfen dronken,
In 't ijzer sneuvelden en kropen in spelonken.
Wat groeide mij mijn hert, wat laadden ik een spek,
Als ik er driemaal tien en één hadde op den nek
En op de borst getreên, zoo lange tot ze borsten,
En omgedeeld het leen van zoo veel rijke vorsten!
Mijn eer' had mij verrukt, hadde ik van verr' niet na
Mij volgen zien dien Held, dien grooten Jozua[130],
Die, met een stijver erm, 's erfvijands brein zou scherven,
En voor zijn heilig volk een beter rijk verwerven.
GEDEON,
DE HELD.
_Judic._ 6.
Hem verscheen den Engel des Heeren, ende sprak tot hem: de
Heere met u, gij strijdbaar held!
_Vers._ 14.
Gaat henen in deze uwe kracht: gij zult Israël verlossen uit
der Midianieten handen: ziet, ik hebbe u gezonden.
De smaad, waarmeê tot nog Manasse was bejegend,
Omdat zijn broeder rijk was boven hem gezegend,
Ik Efraïm toeschoof: doen elk, van angst en schrik,
Voor 't zweerd van Midian vlood in 't gebergte, en ik
Den degen gordde op zij, nadat wij, aangesproken
Van d' Engel, hadden 's nachts 't hoog altaar afgebroken,
Dat Baäl 't hoofd ophiel: en nadat ons zijn trouw
Den Hemel zwoer op 't vlies, nu nat, nu zonder douw:
Die (om betoonen, dat den palm in 't bloedig vechten
Alleen niet wordt gehaald met menigte van knechten,
Noch met een heerkracht, dat[131], braveerende te stout,
Met koper en met staal, met zilver en met goud
Zijn vijand d' oogen kwetst, als of des oorloogs zegen
Alleen in 't harnas ware en niet in 't hert gelegen,
En d' onverschrokken moed, die heimelijk gezield
Van God, niet aarslen kan, maar voorvoets 't al vernielt
Wat opstaat tegen hem) geeft[132] oorlof te vertrekken,
Die 't water met haar tong niet als een hond oplekken.
Nog troostte mij 't geloove, al was 't schoon, dat ik van
't Gansch leger maar behiel tien malen dertig man:
Al was 't schoon, dat ik zag, dat 't heerkracht der vijanden
Lag voor mij, als het zand aan d' aangevochten stranden:
Nog kwamen wij bij nacht recht op haar aangezet.
De kruiken scherfden wij, en staken de trompet,
En blaakten met de toorts: dies der Midianieten
Zweerd op haar eigen borst van leêr[133] ging, door 't verschieten.
Zij stelden 't op een vliên, verbaasd door 't veldgeschrei,
En lieten, afgejaagd, haar vorsten alle beî
Gevangen zonder ziel: en, zoo zij weêr haar krachten
En 't overrompeld volk te zamelen bedachten,
Ik optoog Oostwaarts aan; daar vloden zij te spâ,
Als Sebah bleef gevaân, en koning Zalmuna.
Dies Jacob dankbaar mij aanbood 's lands heerschappije,
Doch ik behiel den roof, en liet God de voogdije.
SAMSON,
DE STERKE.
_Jud._ 14.
Doen kwam hem een jonge brullende leeuw tegen, ende de geest
des Heeren werd veerdig over hem, en hij verscheurde hem
gelijk als men een boksken van malkanderen scheurt, ende en
hadde doch gansch niet in zijner hand.
Ik was een Nazir[134] Gods, mijn lokken waren te edel
Om scheren; dies nooit scheer[135] barbierde mijnen schedel;
Mijn kracht, die sidd'ren deê een heerkracht wonderbaar,
Tot haren broeinest had geheiligd mijn dik haar;
Met dees twee ermen ik, als leeuw, den leeuw deê trillen,
En splitst' hem zijnen muil tot aan zijn achterbillen.
Waar was de sterkheid van de sterke, die men zag
Zoo onlangs, als het beest dus in twee riemen lag?
Als op mijn feest ik van mijn troetel[136] was verraden,
Ik boette mijn verlies met driemaal tien gewaden,
Die ik den Filistijn geplonderd had van 't lijf,
Als ik 'er op haar rug ter neêr leî zesmaal vijf.
't Boeleeren van mijn helft stond dier[137], in Samsons toren[138],
Den vijand, als hij joeg de vossen in het koren,
Met vuurwerk in de swans[139], gekoppeld vast en stijf:
Wat rees de merkt in tarwe, in wijndruif, in olijf!
Doch Lechi, uit om wraak, vergeefs kwam tot mij juichen,
Als hij met kennep mijn vermogen dacht te buigen:
Als veerdig mijnen geest die vlassen strikken brak,
En groett' er duizend met eens ezels kinnebak:
Die mij een bornsprong[140] strekte, als, om wat te verfresschen,
Ik mijn versmachten dorst met 't versche nat ging lesschen.
Zoo op mijn boelschap ik te Gaza was versnot[141],
Men het klinket vergeefs sloot met het grendel-slot:
Wij rezen 's middernachts, op dat wij ons verlosten,
En kruiden in 't gebergt de poorte en d' ijzren posten.
Maar namaals stond mij dier[142] mijn nieuw getrouwde bruid,
Die, tot mijn scha, zoo lang was op haar lagen uit,
Tot dat, mijn pan[143] ontbloot[144], ik bloot stond van vermogen
Als d' onbesneên[145] vergramd 't licht uitbluschte in mijn oogen,
En boeide mij, tot dat, mijn kuif volgroeid bijkans[146],
Hij vierde Dagons feeste, en pakte trans aan trans
Met menschen, die, in plaats van Samsons kunst t' ervaren,
Met hem versmachtten door 't verwrikken der pilaren.
Een ander Samson kwam verlossen, sterk en fel,
Het menschelijk geslacht van Duivel, Dood, en Hel.
SAMUEL,
DE PROFETISCHE RECHTER.
_Eccles._ 46.
Samuël, de profeet des Heeren, van zijnen God geliefd,
richtede een koninkrijk aan, en zalfde vorsten over zijn volk.
Als Hanna leven droeg, en ik allengs, bij drupplen,
Gezield wierd in haar ziel, en korts bestond te hupplen
In 's moeders lieven buik en 't zwangere ingewand,
Daar ik gebeeldet was van Gods almogend' hand:
"O!" riep ze, "die mij heeft gezwangerd met verblijden,
Dien wil ik 's lichaams vrucht met lijf en ziel toewijden,
En zal die zoetebol 't vergulsel van zijn haar
Verzweren eeuwiglijk het vlijm-mes en de schaar;"
Gelijk ze namaals dede, als ik, zoo mild in 't bloeyen,
Aanving in vreeze Gods meer als in 't vleesch te groeyen;
Met een profetisch vuur mijn brein Jehova stooft,
En toont mij, wat een roê staat Ely boven 't hoofd.
De stammen driemaal vier, op mijn verbod, haar schamen
Den dienst van Astaroth en Baälim te zamen.
Mijn offren en gebeên Abraham zeegnen, dat
De Filistijn hem viert van Ebron aan tot Gath.
Maar wee mijn ouderdom! doen beî mijn zonen bogen[147]
Des vromen pleit, om 't goud, dat flonkerde in haar oogen:
Een oorzaak, dat eerlang 't geslacht van Israël
Om eenen koning woedde, en muitte zoo rebel:
Tot dat ik 't zaad van Kis, onwillig harenthalven,
Zijn nedrig brein ter nood ging heiligen en zalven.
Onzichtbaar ieder een toeblonk zijn majesteit,
Ter tijd hem d' Hemel wraakte, om de ongehoorzaamheid
Betoond, doen na 't gerecht hij 't vee en Agag spaarde,
Wiens kruin te Gilgal ik ontzeî met mijnen zwaarde.
O, Saül! 't was om sunst[148], dat gij, gemattet af
Door wanhoop, namaals mij gingt wekken uit het graf:
Als gij 't gespook mijns geests koost tot uw onderwijzer,
En 's and'ren daags uw borst de proef nam van uw ijzer,
Wierdt beudel[149] uwes zelfs, na zoo veel hoons en smaads,
En ruimde David op de koninklijke plaats:
Nadat ik hem voorlangs zijn haren had bedropen,
Doen God u sloot zijn gunste, en 't rijk stond voor hem open.
DAVID,
DE KONINKLIJKE PROFEET.
_Eccles._ 47.
David was onder den kinderen Israëls uitverkoren, gelijk als
het vette aan den offer Gode toegeëigend was.
Ik was nog herder, als, beweegd van 's Drieheids[150] vinger,
Mijn kogel was een steen, en mijn pistool een slinger,
Waarmede ik Goliath, die 't dwergjen hiel voor nar,
Smeet plompverloren neêr, doen 't bloed sprong uit zijn star[151]:
Dies ik gewilkomd wierd met pijpen en schalmeyen
Van Saül, die mij kwam toejuichen met zijn reyen,
Zoo ik het potshoofd[152] droeg versteken van de romp,
Die spertelde al om sunst als hem zijn hovaard kromp.
Maar och! wat holp 't mij, als de koning, in der hitten[153]
Zijns toorns, in plaats van dank, mij aan 't tapijt woû spitten.
Mijn vroomheid evenwel zoo lang deed haar beklag,
Tot dat ik, bruidegom, in Michals ermen lag.
Nog dreef mij zijnen wrok, dat ik, met zure stappen,
Ontweek mijn schoonvaâr in benaauwde ballingschappen.
Koud[154] was hij, wie mij hoofde[155]: ik doch ontzeî 't geweer
Den wraak, als ik greep 't kleed, den kroes, en 's vijands speer,
En liet mijn goede zaak bevolen 's Hemels troone,
Tot dat de lijfknecht mij bood 's doôn vervolgers kroone:
Dies Juda mij bedroop met 's balsems heilig vet,
En Isrel andermaal, zoo fluks als Isbozeth
Zijn leste doodstuip kreeg. Na[156] ging zich David kwijten
Aan 's Heeren ark, die hij beschaauwde met tapijten:
Maar 's konings ijver wierd te schendig uitgebluscht,
Als hij 't koraal[157] had van Urias' bruid gekust.
Mijn boet die vlekke afwiesch. Mijn daden zal ik zwijgen,
Vermids 's Geests heil'ge blaân[158] bebloed zijn van mijn krijgen:
Daar 't vuur stuift van mijn staal in 't slaan van d' onbesneên,
En smoelen[159] in haar assche en bloed de doode steên:
Daar Absalon te droef gaat sluiten zijn history[160],
Als hem mist ondersteek te doen[161] zijns vaders glory:
Daar van drie roeden ik, gedrukt, één kiezen ga,
Omdat ik wik mijn kracht van Dan tot Berseba.
Wie meer begeert van hem, wiens graf nog groent van palmen,
Die luister, hoe zijn herp wekt d' echo van zijn psalmen,
Daar David offren gaat zijn rijke diadem
Den Koning van het oude en nieuw' Jeruzalem.
SALOMON,
DE WIJSHEID.
_Eccles._ 47.
O, hoe wel leerdet gij in uwer jeugd, en waart vol verstands,
gelijk als het water het land bedekt, en hebt het alom met
uwe spreuken en leeringen vervuld!
Mijn haar-gesternt' met goud, en puik van diamanten,
Bekoorde Adonia, die tegen mij ging kanten
Zijn overschaauwd[162] bedrog, en naar mijn kroone stak,
Nu een, nu anderwerf; maar laas! hij viel te zwak,
Al waar zijn hals van goud; ik, zonder om te kijken,
Mijn leen verzekren ging mijn zaad met houwelijken,
En plukte uit Faro's hof die overkijkerblom[163],
Die in mijn armen viel te Sion willekom.
De feest gevierd, ik God te Gibeon ging offren,
Daar hij mij bood den keur van vier voltooide[164] joff'ren.
De wijsheid kipte ik uit: hij schonk me ook d' ander drie:
Dus bleef mij wijsheid, eer, gezondheid, rijkdom by[165].
Mijn wijsheid blonk in 't pleit, als 't kind, nog niet in stukken,
De ware moeder 't hert kwam uit haar boezem rukken:
In d' heilge tempelbouw: in 't brommen[166] van mijn hof:
In 't wijen van Gods kerk: in d' uitgeborsten lof,
Die voor mijn aangezicht, oon Salomon te smeken[167],
De schrandre koningin kwam honigzoet uitspreken:
In 't blad vol majesteit, dat ik mijn nazaat lang[168],
Daar ik een lager speel, een hooge, een englenzang.
De glorie wierd benijd mijns Godheids ongeschonnen,
Die mijn paleizen propte, als Hemelen, vol zonnen.
Gezondheid voedde mij met een zoo sterke reuk,
Dat aan mijn voorhoofd nooit zag d' ouderdom een kreuk.
Mijns rijkdoms alchimie deê[169], dat gansch Palestijnen
Blonk, als een Hemelrijk, vol bliksems en robijnen.
Het zilver was als lood, 't Ofirisch goud als tin,
De peerle als keizelsteen; maar och! de valsche min,
Die troetel Venus met haar lodderketelingen[170],
Was oorzaak, dat wij ons en God vergeten gingen,
En bogen onzen nek voor 't juk van haar geboôn,
Die vleyende ons betrok te dienen vremde Goôn,
Zoo lang tot d' Hemel zag, met 't aanzicht vol misnoegen,
't Beeld in ons uitgewischt, dat wij van Kristus droegen.
ELIAS,
D' OPGENOMENE.
_Eccles._ 48.
De profeet Elias brak voort gelijk als een vier, en zijn
woord brandde als een fakkel.
Den Hemel, als ik sprak, ontzeîde 't aardrijk regen:
Dies aan de beke Crith ik wachtte 's Heeren zegen:
Daar 't zilver van de vliet mij strekte lafenis,
En van twee raven steeds verzorgd wierd mijnen disch.
Als 't vocht was opgedroogd, mijn spoor naar Zarpath strekte,
Alwaar een heil'ge weeuw haar jongste tafel dekte:
Doch haar barmhertigheid, die mij geherbergd had,
Nooit meel noch olie faalde, in kruike noch in kad[171];
En als zijn doodsnak[172] gaf de zoon van mijn weerdinne,
Op mijn verzoek hem God van nieuws blies 't leven inne.
De priestren Baäls ik verwon met d' hulpe Gods,
Doen 't vuur om 't altaar spookte op Carmels hooge rots,
Daar mijn gebed opsteeg, en der Samaritanen
Amechtigheid versloeg met lang gewenschte tranen.
Nog wreek ik Jezabel, als mij, in hongersnood,
Bracht d' Engel Gods een flessche en Hemels wittebrood,
Waarmeê mijn hert vertroost een dagvaart[173] kost verdragen
Van nachten viermaal tien, en effen[174] zoo veel dagen,
Tot dat ik d' heuvel Gods genaakte, en zag een vonk
Van 's Heeren heerlijkheid op 't ruim voor mijn spelonk.
Daar mij Jehova streng te last legt zijnenthalven,
Hazaël en Jehu tot koningen te zalven,
Eliza tot profeet. Na[175] zag ik Naboths druk,
Den vloek van Jezabel, en Achabs ongeluk.
Ahazia vernam van mij, door zijne boden,
Dat hij Baälsebub vergeefs smeekte in 's doods nooden:
Zijn hoofdliê, die hij zond om mij te grijpen stuur[176],
Ik blaakte tot tweemaal met eislijk Hemels vuur,
De derde ik in genade ontving, en zag verbolgen,
Hoe 't hof eerlange in rouw 't gebalsemd lijk zou volgen.
Niet lang na dezen God mij in een koetse opnam,
Wiens peerden schuimden vuur, wiens wielen waren vlam:
En zag van boven af den anderen Elias,
En namaals op 't gebergt de klaarheid van Messias.
ELIZEUS,
ELIAS' NAVOLGER.
_Eccles._ 48.
Doen Elias in het onweder weg was, doen kwam zijnen geest
rijkelijk op Elizeum: te zijner tijd verschrak hij voor geen
vorsten, en niemand kost hem overwinnen.
Nadat mijn meester, die beschaduwd had mijn haren,
Was met zijn zegekoets ten Hemel ingevaren,
Zijn geest rustte op mijn brein tweevoudig; met zijn kleed,
Dat hem ontviel, 's Jordaans kwikzilver ik doorsneed.
't Nat wij te Jericho met heilzaam kracht vervulden.
Twee beeren ongetemd, die dol van honger brulden,
Wraak namen van den smaad, die mij was aangedaan
Voor Bethel, eer ik kwam ter poorten ingegaan.
Edom, met Jozafat, en 't hoofd der Isralieten
Verkondige ik 't verderf, en val der Moabieten.
De weduwe ik ontzet, die zat verschuld te zwaar:
En zie, dat mijn weerdin haar zoon kust binnen 't jaar,
Dien namaals ik verwekte[177], als, zijn gezicht gebroken,
De dood zijn lichten met zijn schelen[178] had geloken.
De bittre kompost[179] ik verzoette, als 't jonge rot
Roept: "help! o help, man Gods! de dood is in de pot!"
De gerst ik zegen, die de struismage in gaat slokken,
Verzadig tienmaal tien, die walgen van de brokken.
De veldheer, die melaatsch mijn onderwijs nam aan,
Ging krank, en liet[180] gezond de zwalpende Jordaan.
Gehazi gierigheid erft Namans kwale ellendig.
't Gezonken ijzer ik maak driftig[181] te[182] behendig.
De lagen der Syriêrs ondekke ik, die daar na
Geblindhokt[183] zijn verdoold mids[184] in Samaria.
Samariën, omringd met wagenen en rossen,
Vertroostte ik eer haar d' erm des Heeren kwam verlossen.
Ik wake om mijn weerdin, die 's hongers knaagworm vlood:
En boodschap Benhadad zijn leven en zijn dood.
Mijn knaap den Jehu zalft tot hoofd van Jacobs stammen,
Die Achabs huis uitveegt door 't Goddelijk vergrammen.
Op stervens oever nu, van krankheid mat en traag,
Ik Joas 't hert verblij met de aanstaande onderlaag[186]
Van Assur: en verscheên[185] ik nog verwek den genen,
Die in mijn grafsteê, dood, slechts roert mijn doode beenen.
MICHAEAS,
DE VERTOONDER.
3 _Reg._ 22.
Zoo warachtig als de Heere leeft, ik wil spreken wat mij de
Heere zeggen zal.
Als 't heer van Jozafat, en Achab met zijn knechten,
In 't harnas blonken nu, om Ramoth te bevechten,
Riep 't rot van Jezabels profeten: "'t zal wel gaan,
O helden! trekt vrij op, Jehova zal ze slaan!"
Mijn raad hier toe gebeên, ik riep: "leg af uw wapen,
't Heer Israëls ik zie, als herderlooze schapen,
Verstrooyen op 't gebergte, en overrompeld vliên:
Gij, koningen! ontwaakt; uw zienders niet en zien:
Een schalke leugengeest juicht op haar bedeltongen,
En smeekt uw onderlaag[186] en broeit zijn leugenjongen!"
Ik eindig naauwlijks, of de koning, vol van spijt,
Mij volslags met zijn vuist op 't kinnebakken smijt[187].
"Hoe!" roept hij, "heeft met ons niet 's Drieheids geest gesproken?
Hebt gij 't geheim alleen des Heeren dan geroken?"
Mijn onschuld grijpt geen plaats. Zij scheuren mijnen rok,
En kluisteren verwoed mijn schenen in den stok.
De legers gaan te velde, en vinden op de beenen
Den vijand toegerust, veel vroeger als zij meenen.
Hij wijkt hun niet een voet: zoo wrokken zij te gaâr:
De Filistijn geherd neemt kloek zijn voordeel waar,
Rent op haar vleugels aan, en ketelt zich in 't moorden,
En breekt van wederzijds de kracht van haar slagoorden.
Een ruiter lost zijn peze, en, eer men toeziet schier,
Hij, tusschen 't hangsel en het koninklijk pantsier,
Den koning Achab groet[188]: die voelende 's doods vlagen
Den aftocht blaast te spade, en opgeeft in de wagen
Zijn ziele, met het bloed dat 't gulden harnas smet,
En 't zammet[189] van de koets, die wierd eerlang genet[190]
Van troeteljuffren, van jachthonden, en van brakken,
Die d' edelheid versmaân, en 't bloed gestolkt[191] insnakken[192],
Daar 't Jezabel betreurt, die in haar tralie[193] ligt,
En met rouwsluyers bergt haar rouwig aangezicht.
Beklaagt haar bedgenoot, en Micha voor een vrije
Kent[194], nu de fakkel klaar licht van zijn profecije.
JONAS,
DE BOETPREDIKER.
_Matth._ 12.
Gelijk Jonas was in de buik des walvisch drie dagen en drie
nachten, alzoo zal de Zone des menschen wezen in het herte
der aarden, drie dagen en drie nachten.
Zoo ik de Alomheid vlood, die alzins uitgegoten,
Als in zijn ingewand de wereld draagt besloten,
En Jafo[195] 't ooge ontschool, en viel als in een flaauwt',
Nadat het lang in zee hadde in 't verschiet geblaauwd:
De brand van 's Hemels toorn de pekel fluks deê zwillen,
Dat zelf den stuurman 't herte in 't lijf bestond te schrillen[196],
En angst zijn haren rechtte[197], al eer men toezag voort,
Lag zeil, en treil, en mast, en boegspriet over boord.
't Gebulder steurt mijn ruste: elk jammert ongeduldig:
Men loot naar d' oorzaak: 't lot op mij valt, die ben schuldig
Aan 't algemeen gevaar. Nog roeit men, maar o wee!
Vergeefs; dus wordt elks vloek een offer in de zee,
En 't aas eens walvisch haast, die, zonder zich te belgen,
Mij levend' gorglen[198] kan, verdouwen, en verzwelgen
Huisvesting gunnen meê, drie dagen al geheel,
En braken weêr aan strand met opgespalkte keel.
Verrezen zijnde, 't lof wij brengen, die wij zochten
In 's afgronds afgrond diep, in 't monster vol gedrochten,
En gingen Ninive d' aanstaanden ondergang
Verkondigen, die God zoude eindigen eerlang.
Het volk beroerd[199] (zoo fluks het merkt, dat God haarlieden
Kwijtschelding van 't vergrijp en 't leven aan kwam bieden,
En datter[200] hoop was, om door boete zich t' ontslaan
Die dreigementen, en den Hemel t' ondergaan[201])
Hun smette in tranen van bekeering af ging wasschen:
Zijn marmor de monarch zelf vloeren ging met asschen:
Blootshoofds hij assche in plaats droeg van een diadem:
Zijn hand was schepterloos: erbarmelijk zijn stem:
Een harenkleed zijn zijde en purper: zijn hoveeren
Hij schorste, en vastte, en riep de goedheid aan des Heeren,
En zijn barmhartigheid, die, als zij zag beschreid
Het aangezicht des volks, van Gods gerechtigheid
Het uitgetogen staal stak weder in de schede,
En hun trompetten liet den aangenamen vrede.
EZECHIAS,
DE GODSDIENSTIGE.
_Eccles._ 48.
Ezechias dede wat den Heere wel behaagde, en bleef
standvastig op den weg Davids, zijnes vaders, als hem Ezaias
leerde.
't Zaad Izaks, dat misleid was d' afgoôn nageloopen,
Ik toomde, en sloot 't portaal des heilgen tempels open,
In d' intreê van mijn rijk: en ijverde zoo lang,
Dat de oude godsdienst weêr herbloeide in volle zwang.
De kopren slang, die aangebeên was van 's volks zotheid,
Ik brijzelde, en beloeg haar snoô metalen godheid.
Den Assyriêr zijn tol te brengen was ik moê,
En overtrok gebergte en steên, tot Gaza toe.
Maar Salmanasser, om zijns rents verloop t' onvreden,
Samariën gewon en voerde 't volk in Meden[202].
Het heer van Sanherib hem volgde, en, op de been
Geraakt, in Juda ging vermeestren al de steên.
Mijn hert bestorf: dies, om zijn wrake te verzachten,
Wij 't goud van 't heiligdom en 't zilver hem toebrachten
Te Lachis, maar vergeefs, als hij het hadde ontvaân,
En voor Jeruzalem kwam zijnen leger slaan:
Schoon of ik vroeg den muur verzorgde, en alzins dempte
De bornen rijk van nat, de sterren hij beschempte.
Mijn kleed ik scheur: mijn stut in rouwe is Amos' zoon,
En d' Engel, die versmaadt Gods glorierijken troon,
Die met den stalen boog zijns gramschaps eens t' ontspannen,
Kwetst tweemaal honderd duist min vijftien duizend mannen:
Dies 't overblijfsel vlugt met Assur: maar mijn feest
Gesteurd wordt, als het lijf der zielen afscheid vreest.
Gods gunste aan 's levens web knoopt acht en zeven jaren,
En, tot waarteeken, doet de zon teruggevaren
Tien schreden met zijn koetse: en frisch, van nieuws gezond,
Ik God love in zijn kerk, de derde morgenstond.
Dan ach! wat was 't ons nut, doen blijde aan alle kanten,
Wij openden ons praal voor Babylons gezanten,
En Ezaïas ons boodschapte, met wat smaad
't Huis Jacobs zuchten zoude op de oevren van d' Eufraat:
't Huis Isrels einden zou zijn hemelsche gezangen,
En aan de wilgen droef zijn herpen laten hangen.
JOZIAS,
DE GODZALIGE.
_Eccles._ 49.
Jozias name is gelijk als een edel reukwerk uit der apoteken;
hij is zoet gelijk als honig in de mond, en als snarenspel
bij den wijn.
Ik was noch kindsch en teêr, als Juda ging mijn hersen
Met 't vaderlijk cieraad en goud van Amon persen.
Den Hemel op mij loeg, en offerde zijn gunst
Mijn jeugd, in 't[203] oefenschool van welgebiedens kunst:
Waarom, als nu mijn ernst de wulpschheid had verslonden,
Ik, wat aan 't heilig koor bouwvallig wierd bevonden,
Herplaasterde; en zoo haast als Safan voor ons las
Het wetboek, dat zoo lang vervreemd te zoeken was,
En wij begrepen, hoe de Vaderen besmeurden[204]
Den godsdienst, wij bedroefd 't geplooide purper scheurden,
En gingen Gods geheim ontvouwen door zijn tolk,
Die ons de aanstaande straf aanduidde van het volk,
En troostte met de zoen, verworven voor ons zelven.
Ik vurig, d' heilge blaân in d' heilige gewelven
Liet opslaan, en elks oor Gods wet bazuinen blij,
Waar aan fluks Juda zich verplichten ging met mij,
De rei der Priestren Gods den tempel raagde t' zamen[205],
En veegde de afgoôn uit, met Baâls poppekramen:
Broêr Moloch, Asthoreth, en Camos, Milkom ook,
Den geest opgaven met onmenschelijk gesmook.
Haar Priestren, die tot asch vermaalden[206] 's volks gebeente
Ik roostte levendig op 't bloedige gesteente.
De wichlaars roeide ik uit, die logentaal bediên[207].
In 't gansche Juda beeld noch grouwel wierd gezien.
't Vergeten Paaschfeest, 't welk de jaren overtraden[208],
Wij statig vierden, en erkenden Gods weldaden
Den vaderen betoond. Maar als ik, na een wijl,
Ontmoette met mijn heer het heerkracht van de Nijl,
Rampzalig eenen schicht mij kwetste, en thuis gezonden
De koninklijke ziel van 't lichaam wierd ontbonden,
't Welk, in 't gewijde graf der koningen geleid,
Van Jeremias wierd en Israël beschreid,
Vermits geen koning ooit gezalfd en[209] was voorhenen,
Die in godsdienstigheid, als ik, hadde uitgeschenen[210].
EZAIAS,
DE EVANGELISCHE PROFEET.
_Eccles._ 48.
Ezaias was een groot en warachtig profeet in zijn profeciën.