Balder Dood (Matthew Arnold.)

Al het verborgen antagonisme van eeuwen werd nu ontbonden in een stroom

van haat, terwijl ieder lid van de tegenover elkander staande legers

met grimmige vastberadenheid vocht, zooals onze voorouders van ouds

deden, hand tegen hand, en van aangezicht tot aangezicht. Met een

hevigen schok, die gehoord werd boven het krijgsrumoer uit dat het

heelal vervulde, kwamen Odin en de Fenriswolf in geweldige aanraking,

terwijl Thor de Midgardslang aanviel, en Tyr handgemeen werd met den

hond Garm. Frey vocht met Surtr, Heimdall met Loki, dien hij vroeger

reeds verslagen had, en de rest van de goden en al de Einheriar vonden

vijanden die hun dapperheid waard waren. Maar trots hun dagelijksche

oefening in de hemelsche stad, was Valhalla's schare veroordeeld

om te komen, en Odin was onder de eersten der blinkenden die vallen

moest. Zelfs de groote moed en de machtige eigenschappen van Alvader

konden het getij van het kwaad dat in den Fenriswolf verpersoonlijkt

was, niet weerstaan. Elk volgend oogenblik van den strijd nam zijn

kolossale gestalte groote afmetingen aan, totdat ten slotte zijn

wijdgeopende kaken de gansche ruimte tusschen hemel en aarde omvatten

en het vreeslijk monster aanstormde op den vader van de goden en hem

in levenden lijve met zijn verschrikkelijken muil verzwolg.

Fenrir zal met fellen tand

Aller eeuwen heer verslaan;

Vithar zal zijn wreker zijn,

En, vechtend met den ruigen wolf,

Klieven zijn bebloeden muil.

Vafthrudni's-mal.

Geen van de goden kon Alvader een helpende hand bieden op het kritieke

oogenblik, want het was voor allen een moeilijke tijd. Frey deed

heldhaftige pogingen, maar Surtr's vlammend zwaard bracht hem een

doodelijken slag toe. In zijn strijd met den aartsvijand Loki ging

het Heimdall beter, maar zijn laatste overwinning werd duur gekocht,

want ook hij viel dood. De strijd tusschen Tyr en Garm had hetzelfde

tragische einde, en Thor, na een allerverschrikkelijkst gevecht

met de Midgardslang, en na hem met een slag van Miölnir te hebben

neergeslagen, deinsde negen stappen terug en verdronk in den stroom

vergif die uit de kaken van het stervende monster kwam.

Odins zoon gaat

Met het monster ten strijde,

Midgard's Veor in toorn

Wil dooden den draak,

Negen voeten treedt

Fiorgyns zoon,

Door de slang gebogen

Die geen vijand vreesde.

Saemunds Edda.

Vidar kwam nu aansnellen van een verwijderd deel der vlakte om den

dood van zijn machtigen heer te wreken, en de voorspelde vloek trof

Fenris, wiens onderkaak nu den slag van dien schoen voelde die voor

dezen dag bewaard was. Op hetzelfde oogenblik greep Vidar de bovenkaak

van het monster met zijn handen, en scheurde hem met een vreeslijken

ruk in tweeën.

Het verslindende vuur.

De andere goden die deelnamen aan het gevecht, en al de Einheriar

waren nu gevallen, en Surtr wierp nu plotseling zijn vurige donders

over hemel, aarde en de negen rijken der Hel. De woedende vlammen

omringden den zwaren stam van den wereldsche Yggdrasil, en bereikten de

gouden paleizen der goden die geheel verteerd werden. De plantengroei

op aarde werd eveneens vernietigd en de brandende hitte deed al de

wateren zieden en koken.

Vuuraâm valt aan

Den alvoedenden boom,

Stijgend vuur speelt

Naar de lucht zelfs toe.

Saemunds Edda.

De groote brand woedde verschrikkelijk totdat alles verteerd was,

toen de aarde, zwart en gewond, onder de kokende golven der zee

wegzonk. Ragnarok was inderdaad gekomen, de tragedie der wereld

was voorbij, de goddelijke spelers waren gedood en de chaos scheen

haar vroegere heerschappij herwonnen te hebben. Maar evenals in een

tooneelstuk, nadat de hoofdpersonen vermoord zijn en het gordijn is

gevallen, de aanwezigen nog verwachten dat de gunstelingen verschijnen

en een buiging maken, zoo meenden de oude Noorsche volken dat als

alles in Surtr's vlammen was omgekomen, uit de algemeene ruïne de

goedheid zou oprijzen, om hare heerschappij over de aarde te hernemen,

en dat sommige goden zouden terugkeeren en voor eeuwig in den hemel

zouden wonen.

Alle kwaad

Sterft een eindloozen dood, en goedheid rijst

Uit dat groot wereldvuur gezuiverd weer

Tot leven hooger, beter, eedler dan weleer.

Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

Wedergeboorte.

Onze voorouders geloofden ten volle in de wedergeboorte en hielden het

er voor, dat na een zeker tijdsverloop de aarde, gezuiverd door het

vuur, gelouterd door hare indompeling in de zee, weer verrees in al

hare oorspronkelijke schoonheid en verlicht werd door de zon, welker

kar gevoerd werd door een dochter van Sol, geboren eer de wolf haar

moeder had verslonden. De nieuwe dagtoorts was niet onvolmaakt als de

eerste zon was geweest, en hare stralen waren niet langer zóó sterk

dat men een schild moest plaatsen tusschen haar en de aarde. Deze

meer weldadige stralen deden de aarde weldra haren groenen mantel

vernieuwen en haar bloemen en vruchten in overvloed voortbrengen. Twee

menschelijke wezens, een vrouw Lif, en een man Lifthrasir, doken nu op

uit de diepten van Hodmimir's (Mimir's) bosch, waarheen zij gevlucht

waren toen Surtr de wereld in brand stak. Zij waren daar in vredige

sluimering gezonken, onbewust van de verwoesting rondom hen, en waren

er gebleven, gevoed door den morgendauw, totdat zij veilig opnieuw

konden uittrekken, waarop zij bezit namen van de herboren aarde,

die hun afstammelingen moesten bevolken en waarover zij volkomen

heerschappij zouden voeren.

Wij zullen rijzen zien

Uit lichte zee aan onzen voet een aard

Frisscher dan de oude, bloeiender, met vrucht

Van zelf ontloken, en met menschen die

Dan zullen leven in vrede als eens in twist.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Een nieuwe hemel.

Al de goden die de ontwikkelingskrachten der natuur voorstelden,

werden op het noodlottige Vigridveld verslagen, maar Vali en Vidar,

de typen van de onvergankelijke krachten der natuur, keerden tot het

Idavold terug, waar zij Modi en Magni, Thors zonen, ontmoetten, de

verpersoonlijkingen van sterkte en energie, die den heiligen hamer van

hun vader uit de algemeene verwoesting redden en hem er heen brachten.

Vithar's dan en Vali's kracht

Erft het ledig goôngebied;

Mothi's spieren, Magni's wil

Zwaaien nu den moker zwaar,

Hun bezit, sinds Donar viel.

Vafthrudni-mal.

Hier ontmoetten zij Hoenir, niet langer een balling onder de Vanas,

die, als ontwikkelingskrachten, ook voor goed verdwenen waren; en

uit de donkere onderwereld, waar hij zoo lang gekwijnd had, rees

de stralende Balder op, samen met zijn Broeder Hodur, met wien hij

verzoend was en met wien hij in volkomen vriendschap en vrede zou

leven. Het verleden was voor goed voorbij en de overlevende goden

konden het zonder bitterheid terugroepen. De herinnering aan hun

vroegere makkers was hun echter dierbaar, en vaak keerden zij naar

hun oude verblijven terug. Zoo wandelden zij eens in het lange gras

op Idavold en vonden weer de gouden schijven waarmede de Aesir altijd

speelden.

Wij zullen gaan weer langs 't bekend terrein

Van Ida, en wij zullen tusschen 't gras

Vinden de gouden schijven, waarmee eens

Wij speelden, dit herinnert ons 't weleer,

Der goden tijdverdrijf, het wijs gesprek

Van Odin, al de vreugde van 't verleên.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Toen de kleine stoet der goden zich bedroefd naar de plaats keerde,

waar hun vorstelijke verblijven eenmaal stonden, bespeurden zij,

tot hun blijde verrassing, dat Gimli, het hoogste hemelsche paleis,

niet vernield was, want het rees schitterend voor hen op, terwijl

zijn gouden dak de zon overscheen. Zij haastten zich er naar toe

en ontdekten, tot hun nog veel grooter blijdschap, dat het het

toevluchtsoord was geworden voor alle deugdzamen.

In Gimli het grootsche,

Daar zal de schaar

Der deugdzamen zijn,

En door alle eeuw

Smaken de vreugde.

Letterkunde en Romantiek van Noord-Europa (Howitt).

Een te groot om te noemen.

Daar de Noormannen, die zich op IJsland vestigden, en door wie

de meest volledige expositie van het Odins geloof ons in de Eddas

en Sages heeft bereikt, niet geheel bekeerd werden voor de elfde

eeuw--ofschoon zij in aanraking waren gekomen met Christenen op hun

vikingtochten bijna zes eeuwen vroeger,--is het zeer waarschijnlijk,

dat de Noordelijke scalden eenige denkbeelden van de Christelijke

leerstellingen opdeden, en dat deze kennis in zekere mate invloed

op hen uitoefende, en hun beschrijvingen van het wereldeinde en de

wedergeboorte der aarde kleurde. Misschien was het deze vage kennis

ook, die hen er toe bracht aan de Edda een vers toe te voegen dat

men gewoonlijk voor een interpolatie houdt, waarin gezegd wordt dat

een andere God, te groot om te noemen, zou verrijzen om over Gimli te

heerschen. Van deze hemelsche plaats zou hij de menschheid oordeelen en

de boozen van de goeden scheiden. De eersten zouden worden verbannen

naar de ellendige oorden van Nastrond, terwijl de goeden naar de

zalige hallen van Gimli, het lieflijke, zouden worden overgebracht.

Dan komt een ander,

Nog meer machtig,

Maar Hem te noemen

Durf ik niet wagen.

Meest ziet niet verder

Men dan waar Odin

Den wolf gaat treffen.

Letterkunde en Romantiek van Noord-Europa (Howitt).

Er waren twee andere hemelsche verblijven echter, het eene afgezonderd

voor de dwergen en het andere voor de reuzen; want daar deze schepselen

geen vrijen wil hadden en slechts blindelings de bepalingen van het

lot uitvoerden, achtte men hen niet verantwoordelijk voor eenig kwaad

dat zij hadden gedaan; en dus, meende men, verdienden zij geen straf.

De dwergen, geregeerd door Sindri, bewoonden, meende men, een gebouw in

de Nidabergen, waar zij de vonkelende meê dronken, dewijl de reuzen

zich vermaakten in de hal Crimer, gelegen in de streek Okolnur,

(niet koel), want de macht van de koude was geheel vernietigd, en er

was geen ijs meer.

Verschillende mythologen hebben natuurlijk beproefd deze mythen te

verklaren, en eenigen, zooals wij reeds hebben gezegd, zien in het

verhaal van Ragnarok den invloed van Christelijke onderrichting en

beschouwen het enkel als een barbaarsche vertolking van het wereldeinde

en van de komende oorlogsdag, als een nieuwe hemel en aarde zal rijzen

en alle goeden eeuwige zaligheid zullen genieten.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 44 / 46 题