Al het verborgen antagonisme van eeuwen werd nu ontbonden in een stroom
van haat, terwijl ieder lid van de tegenover elkander staande legers
met grimmige vastberadenheid vocht, zooals onze voorouders van ouds
deden, hand tegen hand, en van aangezicht tot aangezicht. Met een
hevigen schok, die gehoord werd boven het krijgsrumoer uit dat het
heelal vervulde, kwamen Odin en de Fenriswolf in geweldige aanraking,
terwijl Thor de Midgardslang aanviel, en Tyr handgemeen werd met den
hond Garm. Frey vocht met Surtr, Heimdall met Loki, dien hij vroeger
reeds verslagen had, en de rest van de goden en al de Einheriar vonden
vijanden die hun dapperheid waard waren. Maar trots hun dagelijksche
oefening in de hemelsche stad, was Valhalla's schare veroordeeld
om te komen, en Odin was onder de eersten der blinkenden die vallen
moest. Zelfs de groote moed en de machtige eigenschappen van Alvader
konden het getij van het kwaad dat in den Fenriswolf verpersoonlijkt
was, niet weerstaan. Elk volgend oogenblik van den strijd nam zijn
kolossale gestalte groote afmetingen aan, totdat ten slotte zijn
wijdgeopende kaken de gansche ruimte tusschen hemel en aarde omvatten
en het vreeslijk monster aanstormde op den vader van de goden en hem
in levenden lijve met zijn verschrikkelijken muil verzwolg.
Fenrir zal met fellen tand
Aller eeuwen heer verslaan;
Vithar zal zijn wreker zijn,
En, vechtend met den ruigen wolf,
Klieven zijn bebloeden muil.
Vafthrudni's-mal.
Geen van de goden kon Alvader een helpende hand bieden op het kritieke
oogenblik, want het was voor allen een moeilijke tijd. Frey deed
heldhaftige pogingen, maar Surtr's vlammend zwaard bracht hem een
doodelijken slag toe. In zijn strijd met den aartsvijand Loki ging
het Heimdall beter, maar zijn laatste overwinning werd duur gekocht,
want ook hij viel dood. De strijd tusschen Tyr en Garm had hetzelfde
tragische einde, en Thor, na een allerverschrikkelijkst gevecht
met de Midgardslang, en na hem met een slag van Miölnir te hebben
neergeslagen, deinsde negen stappen terug en verdronk in den stroom
vergif die uit de kaken van het stervende monster kwam.
Odins zoon gaat
Met het monster ten strijde,
Midgard's Veor in toorn
Wil dooden den draak,
Negen voeten treedt
Fiorgyns zoon,
Door de slang gebogen
Die geen vijand vreesde.
Saemunds Edda.
Vidar kwam nu aansnellen van een verwijderd deel der vlakte om den
dood van zijn machtigen heer te wreken, en de voorspelde vloek trof
Fenris, wiens onderkaak nu den slag van dien schoen voelde die voor
dezen dag bewaard was. Op hetzelfde oogenblik greep Vidar de bovenkaak
van het monster met zijn handen, en scheurde hem met een vreeslijken
ruk in tweeën.
Het verslindende vuur.
De andere goden die deelnamen aan het gevecht, en al de Einheriar
waren nu gevallen, en Surtr wierp nu plotseling zijn vurige donders
over hemel, aarde en de negen rijken der Hel. De woedende vlammen
omringden den zwaren stam van den wereldsche Yggdrasil, en bereikten de
gouden paleizen der goden die geheel verteerd werden. De plantengroei
op aarde werd eveneens vernietigd en de brandende hitte deed al de
wateren zieden en koken.
Vuuraâm valt aan
Den alvoedenden boom,
Stijgend vuur speelt
Naar de lucht zelfs toe.
Saemunds Edda.
De groote brand woedde verschrikkelijk totdat alles verteerd was,
toen de aarde, zwart en gewond, onder de kokende golven der zee
wegzonk. Ragnarok was inderdaad gekomen, de tragedie der wereld
was voorbij, de goddelijke spelers waren gedood en de chaos scheen
haar vroegere heerschappij herwonnen te hebben. Maar evenals in een
tooneelstuk, nadat de hoofdpersonen vermoord zijn en het gordijn is
gevallen, de aanwezigen nog verwachten dat de gunstelingen verschijnen
en een buiging maken, zoo meenden de oude Noorsche volken dat als
alles in Surtr's vlammen was omgekomen, uit de algemeene ruïne de
goedheid zou oprijzen, om hare heerschappij over de aarde te hernemen,
en dat sommige goden zouden terugkeeren en voor eeuwig in den hemel
zouden wonen.
Alle kwaad
Sterft een eindloozen dood, en goedheid rijst
Uit dat groot wereldvuur gezuiverd weer
Tot leven hooger, beter, eedler dan weleer.
Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).
Wedergeboorte.
Onze voorouders geloofden ten volle in de wedergeboorte en hielden het
er voor, dat na een zeker tijdsverloop de aarde, gezuiverd door het
vuur, gelouterd door hare indompeling in de zee, weer verrees in al
hare oorspronkelijke schoonheid en verlicht werd door de zon, welker
kar gevoerd werd door een dochter van Sol, geboren eer de wolf haar
moeder had verslonden. De nieuwe dagtoorts was niet onvolmaakt als de
eerste zon was geweest, en hare stralen waren niet langer zóó sterk
dat men een schild moest plaatsen tusschen haar en de aarde. Deze
meer weldadige stralen deden de aarde weldra haren groenen mantel
vernieuwen en haar bloemen en vruchten in overvloed voortbrengen. Twee
menschelijke wezens, een vrouw Lif, en een man Lifthrasir, doken nu op
uit de diepten van Hodmimir's (Mimir's) bosch, waarheen zij gevlucht
waren toen Surtr de wereld in brand stak. Zij waren daar in vredige
sluimering gezonken, onbewust van de verwoesting rondom hen, en waren
er gebleven, gevoed door den morgendauw, totdat zij veilig opnieuw
konden uittrekken, waarop zij bezit namen van de herboren aarde,
die hun afstammelingen moesten bevolken en waarover zij volkomen
heerschappij zouden voeren.
Wij zullen rijzen zien
Uit lichte zee aan onzen voet een aard
Frisscher dan de oude, bloeiender, met vrucht
Van zelf ontloken, en met menschen die
Dan zullen leven in vrede als eens in twist.
Balder Dood (Matthew Arnold).
Een nieuwe hemel.
Al de goden die de ontwikkelingskrachten der natuur voorstelden,
werden op het noodlottige Vigridveld verslagen, maar Vali en Vidar,
de typen van de onvergankelijke krachten der natuur, keerden tot het
Idavold terug, waar zij Modi en Magni, Thors zonen, ontmoetten, de
verpersoonlijkingen van sterkte en energie, die den heiligen hamer van
hun vader uit de algemeene verwoesting redden en hem er heen brachten.
Vithar's dan en Vali's kracht
Erft het ledig goôngebied;
Mothi's spieren, Magni's wil
Zwaaien nu den moker zwaar,
Hun bezit, sinds Donar viel.
Vafthrudni-mal.
Hier ontmoetten zij Hoenir, niet langer een balling onder de Vanas,
die, als ontwikkelingskrachten, ook voor goed verdwenen waren; en
uit de donkere onderwereld, waar hij zoo lang gekwijnd had, rees
de stralende Balder op, samen met zijn Broeder Hodur, met wien hij
verzoend was en met wien hij in volkomen vriendschap en vrede zou
leven. Het verleden was voor goed voorbij en de overlevende goden
konden het zonder bitterheid terugroepen. De herinnering aan hun
vroegere makkers was hun echter dierbaar, en vaak keerden zij naar
hun oude verblijven terug. Zoo wandelden zij eens in het lange gras
op Idavold en vonden weer de gouden schijven waarmede de Aesir altijd
speelden.
Wij zullen gaan weer langs 't bekend terrein
Van Ida, en wij zullen tusschen 't gras
Vinden de gouden schijven, waarmee eens
Wij speelden, dit herinnert ons 't weleer,
Der goden tijdverdrijf, het wijs gesprek
Van Odin, al de vreugde van 't verleên.
Balder Dood (Matthew Arnold).
Toen de kleine stoet der goden zich bedroefd naar de plaats keerde,
waar hun vorstelijke verblijven eenmaal stonden, bespeurden zij,
tot hun blijde verrassing, dat Gimli, het hoogste hemelsche paleis,
niet vernield was, want het rees schitterend voor hen op, terwijl
zijn gouden dak de zon overscheen. Zij haastten zich er naar toe
en ontdekten, tot hun nog veel grooter blijdschap, dat het het
toevluchtsoord was geworden voor alle deugdzamen.
In Gimli het grootsche,
Daar zal de schaar
Der deugdzamen zijn,
En door alle eeuw
Smaken de vreugde.
Letterkunde en Romantiek van Noord-Europa (Howitt).
Een te groot om te noemen.
Daar de Noormannen, die zich op IJsland vestigden, en door wie
de meest volledige expositie van het Odins geloof ons in de Eddas
en Sages heeft bereikt, niet geheel bekeerd werden voor de elfde
eeuw--ofschoon zij in aanraking waren gekomen met Christenen op hun
vikingtochten bijna zes eeuwen vroeger,--is het zeer waarschijnlijk,
dat de Noordelijke scalden eenige denkbeelden van de Christelijke
leerstellingen opdeden, en dat deze kennis in zekere mate invloed
op hen uitoefende, en hun beschrijvingen van het wereldeinde en de
wedergeboorte der aarde kleurde. Misschien was het deze vage kennis
ook, die hen er toe bracht aan de Edda een vers toe te voegen dat
men gewoonlijk voor een interpolatie houdt, waarin gezegd wordt dat
een andere God, te groot om te noemen, zou verrijzen om over Gimli te
heerschen. Van deze hemelsche plaats zou hij de menschheid oordeelen en
de boozen van de goeden scheiden. De eersten zouden worden verbannen
naar de ellendige oorden van Nastrond, terwijl de goeden naar de
zalige hallen van Gimli, het lieflijke, zouden worden overgebracht.
Dan komt een ander,
Nog meer machtig,
Maar Hem te noemen
Durf ik niet wagen.
Meest ziet niet verder
Men dan waar Odin
Den wolf gaat treffen.
Letterkunde en Romantiek van Noord-Europa (Howitt).
Er waren twee andere hemelsche verblijven echter, het eene afgezonderd
voor de dwergen en het andere voor de reuzen; want daar deze schepselen
geen vrijen wil hadden en slechts blindelings de bepalingen van het
lot uitvoerden, achtte men hen niet verantwoordelijk voor eenig kwaad
dat zij hadden gedaan; en dus, meende men, verdienden zij geen straf.
De dwergen, geregeerd door Sindri, bewoonden, meende men, een gebouw in
de Nidabergen, waar zij de vonkelende meê dronken, dewijl de reuzen
zich vermaakten in de hal Crimer, gelegen in de streek Okolnur,
(niet koel), want de macht van de koude was geheel vernietigd, en er
was geen ijs meer.
Verschillende mythologen hebben natuurlijk beproefd deze mythen te
verklaren, en eenigen, zooals wij reeds hebben gezegd, zien in het
verhaal van Ragnarok den invloed van Christelijke onderrichting en
beschouwen het enkel als een barbaarsche vertolking van het wereldeinde
en van de komende oorlogsdag, als een nieuwe hemel en aarde zal rijzen
en alle goeden eeuwige zaligheid zullen genieten.