De goden wisten zeker dat hun einde nu nabij was en dat hun zwakheid
en gebrek aan voorzorg hen in een zeer nadeeligen toestand hadden
gebracht, want Odin had slechts één oog, Tyr slechts één hand, en
Frey enkel één hertshoorn om zich daarmede te verdedigen, in plaats
van zijn onverwinlijk zwaard. Niettemin lieten de Aesir geen wanhoop
blijken, maar, als echte slaggoden van het Noorden, trokken zij hun
rijkste kleeding aan, en reden vroolijk naar het slagveld, besloten
hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
Terwijl zij dus hunne krachten monsterden, reed Odin nog eens naar
de Urdarfontein, waar, onder den nedervallenden Yggdrasil, de Nornen
zaten met gesluierde aangezichten en hardnekkig zwijgend, terwijl haar
weefsels verscheurd aan hare voeten lagen. Nog eenmaal fluisterde de
vader der goden een geheimzinnige mededeeling aan Minir toe, waarop
hij Sleipnir besteeg en met den wachtenden troep meeging.
Het groote gevecht.
De strijders waren nu samen op Vigrids breede vlakte. Aan den eenen
kant waren de fiere, kalme gezichten der Aesir, Vanas en Einheriar
gerangschikt; terwijl aan den anderen kant vereenigd waren de bonte
troep van Surtr, de grimmige vorstreuzen, het bleeke leger van Hel,
en Loki en zijn verschrikkelijk gevolg, Garm, Fenris en Iörmungandr,
terwijl de beide laatsten vuur en rook braakten en wolken uitademden
van schadelijke, doodelijke dampen, die den geheelen hemel en de
geheele aarde met hun giftigen adem vervulden.
De jaren gaan,
Geslachten vlieden, eeuwen worden oud,
't Brengt als ons nader tot den lesten dag,
Als uit het Zuid de vurige stoet marcheert
En overschrijdt de brug, Loki als gids,
En Fenris volgend met gebroken boei,
Terwijl van 't oost de groote Rymer komt
En stuurt zijn schip en landen doet de slang;
En allen worden op het hemelveld
Gevoerd tegen de goden in carré.