HOOFDSTUK XXIX: GRIEKSCHE EN NOORSCHE MYTHOLOGIE.

Vergelijkende Mythologie.

Gedurende de laatste vijftig jaren hebben geleerden van allerlei

landen zóó grondig de philologie en vergelijkende mythologie

beoefend, dat zij boven allen twijfel hebben gesteld "dat het

Engelsch, met alle Teutonische dialekten van het vasteland, tot de

groote taalfamilie behoort, die, behalve de Teutonische, Latijnsche,

Grieksche, Slavische en Celtische, de Oostersche talen van Indië en

Perzië omvat." "Ook is het bewezen dat de verschillende stammen, die

van hun gemeenschappelijk gebied uitgingen om Europa in het Noorden

en Indië in het Zuiden te ontdekken, met zich namen niet alleen een

gemeenschappelijke taal maar ook een gemeenschappelijk geloof en een

gemeenschappelijke mythologie. Dit zijn feiten waarmede men onbekend

kan zijn, maar waarover men niet kan twisten, en de twee wetenschappen

van vergelijkende spraakleer en vergelijkende mythologie, schoon

slechts van jongen datum, berusten op een grondslag zóó degelijk en

vast als welke inductieve wetenschap ook." "Want meer dan duizend

jaar zijn de Skandinavische bewoners van Noorwegen in de taal van hun

Teutonische broederen op het Vasteland gescheiden geweest, en toch

hebben beiden niet alleen eenzelfde bezit van volksoverleveringen

bewaard, maar zij vertelden ze, bij verschillende gelegenheden,

in schier dezelfde woorden."

Deze gelijkenis, die zoo sterk is in de vroege literatuur van

volken, die landen bewonen welke in vele opzichten hetzelfde physiek

karakter vertoonden en bijna hetzelfde klimaat hebben, is niet zoo

sprekend als wij de Noorsche mythen vergelijken met die van het

geniale Zuiden. Toch, in weerwil van het contrast tusschen Noord- en

Zuid-Europa, waar deze mythen geleidelijk rijpten en haar vollen wasdom

erlangden, is er analogie tusschen de beide mythologiën, die toont dat

de kiemen, waaruit beide voortkwamen, oorspronkelijk dezelfde waren.

In de voorafgaande hoofdstukken is het stelsel van Noorsche mythologie

zoo duidelijk mogelijk geschetst, en de natuurbeteekenis van de mythen

is er verklaard. Nu zullen wij trachten de overeenkomst tusschen de

Noorsche mythologie en die van de andere Aziatische volken te laten

zien door ze te stellen naast de Grieksche, waarop zij echter niet

zooveel gelijkt als de Oostersche.

Natuurlijk is het in een werk als dit onmogelijk meer te doen dan

aan te geven de hoofdpunten van overeenkomst in de verhalen, die

den grondslag van deze godsdiensten vormen; maar dit zal ook voor

den grootsten scepticus voldoende zijn om aan te toonen, dat zij

identiek moeten zijn geweest in een tijd, die te veraf ligt om dien

nu met eenige zekerheid aan te wijzen.

Het begin van de dingen.

De Noorsche volken, evenals de Grieken, dachten dat de wereld uit

een chaos voortkwam, en terwijl de laatsten dien beschreven als een

nevelige, vormelooze massa, schetsten de eersten, onder den invloed

van hun onmiddellijke omgeving, hem als een chaos van vuur en ijs--een

combinatie die maar al te begrijpelijk is voor iemand die IJsland

heeft bezocht en het wilde, bijzondere contrast heeft gezien tusschen

zijn vulcanischen bodem en spuitende geysers, en de groote ijsbergen

die het rondom omheinen gedurende het lange, donkere winterseizoen.

Uit deze tegengestelde elementen, vuur en ijs, werden de eerste goden

geboren, die, evenals de eerste goden van de Grieken, reusachtig waren

in gestalte en ruw in uiterlijk. Ymir, de groote ijsreus, en zijn

afstammelingen, kan men vergelijken met de Titanen, die ook elementaire

natuurkrachten waren, verpersoonlijkingen van het onderaardsche vuur,

en beiden moesten, nadat zij een tijd onbeperkt geheerscht hadden,

wijken voor grooter volmaaktheid. Na een geweldige worsteling om de

opperheerschappij werden zij allen verslagen, en verbannen naar de

verschillende afgelegen gebieden van den Tartarus en van Jötun-heim.

De triade, Odin, Vili en Ve, van de Noorsche mythen, is het volledige

pendant van Jupiter, Neptunus en Pluto, die, de Titanische machten

overwinnend, op hun beurt over de wereld heerschappij voeren. In

de Grieksche mythologie nemen de goden, die ook allen verwant aan

elkander zijn, hun toevlucht tot den Olympus, waar zij gouden paleizen

tot hun gebruik bouwen; in de Noorsche mythologie gaan de goddelijke

overwinnaars naar Asgard en bouwen gelijke woningen.

Kosmogonie.

De Noorsche kosmogonie deed wel denken aan de Grieksche, want het

volk meende dat de aarde, Mana-heim, geheel door de zee omringd was,

op welker bodem de groote Midgardslang lag, die beet in haar eigen

staart; en het was volkomen natuurlijk dat zij, ziende de door den

storm gezweepte winden, die tegen de rotsen sloegen, moesten denken,

dat deze door haar krampachtig gekronkel werden veroorzaakt. De

Grieken, die ook meenden dat de aarde rond was en door een groote

rivier, Oceanus genoemd, werd omgeven, beschreven haar als vloeiend

met "een gelijkmatigen stroom", want zij keken doorgaans op kalme en

zonnige zeeën. Niflheim, het Noorsche gebied van voortdurende koude en

nevel, had zijn pendant in het land ten Noorden van de Hyperboreërs,

waar veêren (sneeuw) voortdurend in de lucht dwarrelden, en waar

Hercules het Cerynaeïsche hert in een sneeuwstorm najoeg eer hij het

kon grijpen en vastbinden.

De luchtverschijnselen.

Evenals de Grieken geloofden de Noorsche volken dat de aarde het eerst

was geschapen, en dat de gewelfde hemelen naderhand waren gemaakt om

haar geheel te overkappen. Zij meenden ook, dat de zon en de maan

dagelijks door de lucht reden, in wagens, getrokken door vurige

rossen. Sol, de zonnemaagd, kwam dus overeen met Helios, Hyperion,

Phoebus of Apollo, terwijl Mani, de Maan, (in overeenstemming met een

eigenaardigheid van de Noorsche spraakkunst, die de Zon vrouwelijk

maakt en de Maan mannelijk), het pendant was Phoebe, Diana of Cynthia.

De Noorsche dichters, die dachten dat zij de steigerende gestalten van

witgemaande paarden in de vliegende wolken zagen, en het schitteren

van speren in het stralende licht van den noordelijken morgen,

zeiden, dat de Valkyren of slagmaagden door de lucht galoppeerden,

terwijl de Grieken in hetzelfde natuurverschijnsel de witte kudden

van Apollo zagen die door Phaetusa en Lampetia werden gehoed.

Als de dauw uit de wolken viel, zeiden de Noorsche dichters dat hij

van de manen der Valkyren druppelde, terwijl de Grieken, die opmerkten

dat hij doorgaans het langst blonk in de kreupelboschjes, hem met

Daphne en Procris vereenzelvigden, wier namen zijn afgeleid van het

Sanskrit woord dat "sprenkelen" beteekent, en die door hunne minnaars,

Apollo en Cephalus, verpersoonlijkingen van de zon, worden vermoord.

De aarde werd in het Noorden zoo goed als in het Zuiden beschouwd

als een vrouwelijke godheid, de voedstermoeder aller dingen; en het

lag aan klimaatverschillen alleen, dat de mythologie van het Noorden,

waar de menschen dagelijks het recht moesten veroveren om met de Natuur

op voet van oorlog te leven, haar als hard en bevroren voorstelden

zooals Rinda, terwijl de Grieken haar verpersoonlijkten in de blijde

Ceres. De Grieken geloofden, dat de koude winterwinden van het Noorden

neerzweepten, en de Noorsche volken voegden er bij, dat zij veroorzaakt

werden door het klapwieken van den grooten adelaar Hrae-svelgr.

De dwergen of donkere elfen, gebroed in Ymirs vleesch, kwam hierin

met Pluto's dienstknechten overeen, dat zij nooit hun onderaardsch

gebied verlieten, waar zij ook de kostbare metalen zochten, die zij

tot prachtige versierselen vormden, zooals Vulcanus die aan de goden

gaf, en tot wapenen die niemand kon deuken of bederven. Wat de lichte

elfen betreft die boven den grond leefden en voor planten, boomen en

rivieren zorgden, deze waren blijkbaar bij de Noren dezelfde als de

nimfen, dryaden, oreaden en hamadryaden, die de bosschen, dalen en

fonteinen van oud-Griekenland bevolkten.

Jupiter en Odin.

Jupiter was, evenals Odin, de vader der goden, de god der overwinning

en een verpersoonlijking van het Al. Hlidskialf, Alvaders verheven

troon, was niet minder hoog dan Olympus of Ida, van waar de Donderaar

alles wat plaats greep kon waarnemen; en Odins onoverwinlijke speer

Gungnir was even schrikwekkend als de bliksems die zijn Grieksch

prototype zwaaide. De Noorsche goden hielden steeds hunne feesten met

meê en zwijnenvleesch, den drank en het vleesch dat het best paste

bij de bewoners van een noordelijk klimaat, terwijl de goden van

den Olympus den nectar en de ambrosia verkozen, die hun uitsluitend

levensonderhoud uitmaakten.

Twaalf Aesir zaten in Odins raad om te beraadslagen over de beste

maatregelen tot bestuur van wereld en menschen, en een even groot

aantal goden verzamelde zich op de bewolkte spits van den Berg Olympus

tot een zelfde doel. De Gouden Eeuw in Griekenland was een periode

van idyllisch geluk, te midden van altijd bloeiende velden en onder

balsemrijke luchten, terwijl de Noorsche gelukseeuw ook een tijd was

waarin vrede en onschuld op aarde bloeiden, en het kwaad nog zoo goed

als geheel onbekend was.

De schepping van den mensch.

Gebruik makend van de materialen, die bij de hand waren modelleerden de

Grieken hun eerste beelden uit klei; daarom dachten zij natuurlijk, dat

Prometheus de menschen uit die stof had gemaakt, toen hij geroepen

werd een schepsel te vormen, dat slechts de mindere was van de

goden. Daar de Noorsche beelden uit hout waren gehouwen, vertelden

de Noorsche volken, als iets dat van zelf sprak, dat Odin, Vile en

Ve (die hier overeenkomen met Prometheus, Epimetheus en Minerva,

de drie Grieksche scheppers van den mensch) het eerste menschenpaar,

Ask en Embla, uit houtblokken maakten.

De geit Heidrun, die de hemelsche meede verschafte, is gelijk aan

Amalthea, Jupiters eerste voedster, en de drukke, praatgrage Ratatosk

is gelijkwaardig met de sneeuwwitte kraai in de geschiedenis van

Coronis, die zwart werd tot straf van haar gesnoep. Jupiters adelaar

heeft zijn pendant in de raven Hugin en Munin, of in de wolven Geri

en Freki, die steeds aan Odins voeten liggen.

Nornen en Schikgodinnen.

De groote overeenkomst tusschen den Noorschen Orlog en het Grieksche

Noodlot, godinnen wier besluiten de goden zelven moesten eerbiedigen,

en de even machtige Nornen en Moerae, is te duidelijk om te behoeven

vermeld te worden, terwijl de Vanas pendanten zijn van Neptunus en de

overige zeegoden. De groote strijd tusschen de Vanas en de Aesir is

slechts een andere overlevering van het geschil tusschen Jupiter en

Neptunus over de oppermacht in de wereld. Evenals Jupiter zijn broeder

noodzaakt zich voor zijn macht te bukken, zoo blijven de Aesir meester

van alles, maar willen wel voortgaan met hun macht te deelen met hun

overwonnen vijanden, die dus hun bondgenooten en vrienden werden.

Evenals Jupiter wordt Odin altijd beschreven als majestueus en

van middelbaren leeftijd, en beide goden gelden als de goddelijke

stamvaderen van koninklijk geslacht, want terwijl de Heracliden

Jupiter als hun vader opeischten, dachten de Inglingen, Skioldings

enz. dat Odin de stichter hunner familiën was. De plechtigste eeden

werden gezworen bij Odins speer zoo goed als bij Odins voetschabel,

en beide goden hebben een groot aantal namen, die alle de verschillende

phasen van hun aard en eeredienst beschrijven.

Odin, evenals Jupiter, bezocht dikwijls de aarde vermomd, om de

gastvrijheid der menschen op de proef te stellen, zooals in de

geschiedenis van Geirrod en Agna, die aan die van Philemon en Baucis

doet denken. De bedoeling was: gastvrijheid aan te bevelen; daarom

worden in beide geschiedenissen zij, die zich humaan betoonden,

rijkelijk beloond, en in de Noorsche mythen wordt de les versterkt

door de bestraffing die Geirrod ontvangt, daar de skalden in poëtische

gerechtigheid geloofden en zagen dat deze zorgvuldig werd uitgemeten.

De wedstrijd in scherpzinnigheid tusschen Odin en Vafthrudnir heeft

zijn parallel in den muzikalen wedstrijd van Apollo en Marsyas,

of in den strijd tusschen Minerva en Arachne, die moest toonen,

wie het knapst was. Odin leek verder hierin op Apollo, dat hij ook

de god was der welsprekendheid en poëzie en dat hij alle harten kon

winnen door zijn goddelijke stem; hij geleek op Mercurius hierin,

dat hij de stervelingen het gebruik van de runen leerde, terwijl de

Grieksche god het alphabet invoerde.

Mythen, die betrekking hebben op de jaargetijden.

Het verdwijnen van Odin, de zon of den zomer, en de daaruit volgende

verlatenheid van Frigga, de aarde, is slechts een andere overlevering

van de mythen van Proserpina en Adonis. Als Proserpina en Adonis weg

zijn, betreurt de aarde (Ceres of Venus) bitter hun afwezigheid en

weigert alle vertroosting. Slechts wanneer zij terugkomen uit hun

ballingschap, werpt zij haar rouwkleederen en somberheid af, en

dost zich weer in al hare juweelen. Zoo beschreien Frigga en Freya

de afwezigheid van hunne echtgenooten Odin en Odur, en blijven hard

en koud totdat zij terugkeeren. Odin's vrouw, Saga, de godin der

geschiedenis, die toefde bij Sokvabek "den stroom van den tijd en het

gebeuren", terwijl zij alles wat zij zagen bewaren, is gelijk aan Clio,

de muze der geschiedenis, die Apollo zocht bij de inspireerende bron

van den Helicon.

Evenals er volgens Euhemerus een historische Zeus was, in Creta

begraven, waar men zijn graf nog kan zien, zoo was er een historische

Odin, wiens grafheuvel bij Upsala verrijst, waar de grootste Noorsche

tempel eens stond, en waar een machtige eik was, die den beroemden

boom van Dodona evenaarde.

Frigga en Juno.

Frigga was, evenals Juno, een verpersoonlijking van den dampkring,

de beschermvrouw van het huwelijk, van de echtelijke en moederlijke

liefde, en de godin der geboorte. Zij ook was voorgesteld als een

schoone, statige vrouw, die genoegen schept in hare sieraden, en haar

bijzondere dienstmaagd, Gna, evenaart Iris in de snelheid waarmede zij

de bevelen harer meesteres uitvoert. Juno heeft volkomen heerschappij

over de wolken, die zij met een beweging van haar hand kon wegvagen,

en men gelooft dat Frigga ze weeft uit de draden die zij gesponnen

heeft op haar met juweelen bezet spinnewiel.

In de Grieksche mythologie vinden wij vele voorbeelden van de

wijzen waarop Juno Jupiter zoekt te bedriegen. Dergelijke verhalen

ontbreken in de Noorsche mythen niet. Juno krijgt Io in bezit,

trots den tegenstand van haar man, die niet van haar wil scheiden, en

Frigga bezorgt slim de overwinning aan de Winilers in de Langobarden

Saga. Odin's toorn over Frigga's diefstal van het goud van zijn

standbeeld komt overeen met Jupiters mishagen over Juno's jaloezie en

haar tusschenbeide komen in den Trojaanschen oorlog. In de geschiedenis

van Gefjon en de slimme manier waarop zij land van Gylfi kreeg,

om haar koninkrijk Zeeland te vormen, hebben wij een herhaling van

de geschiedenis van Dido, die door krijgslist het land machtig werd

waarop zij haar stad Carthago bouwde. In beide verhalen komen ossen in

het spel, want terwijl in de Noorsche mythen deze sterke beesten het

stuk land ver naar zee uitleggen, dient in het andere een ossenhuid,

in reepen gesneden, om de schenking der koningin te omsluiten.

Muzikale mythen.

De Rattenvanger van Hamelin, die alle levende wezens door zijn muziek

kon aantrekken, komt overeen met Orpheus of Amphion, wier lieren

dezelfde kracht hadden; en Odin, als de aanvoerder van de schimmen,

is het pendant van Mercurius Psychopompus; beiden verbeelden den wind,

op welks vleugelen van het lichaam beroofde zielen, zooals men meende,

uit deze sterfelijke sfeer werden weggedreven.

De trouwe Eckhardt, die Tannhäuser gaarne wilde redden en zijn

terugkeer wilde voorkomen om zich zelf aan de betoovering der tooveres

bloot te stellen, in den Hörselberg, komt overeen met den Griekschen

Mentor, die niet alleen Telemachus vergezelde, maar hem ook goeden

raad gaf en wijze instructies, en Ulysses uit de handen van Calypso

wilde hebben verlost.

Thor en de Grieksche goden.

Thor en de Noorsche dondergod heeft ook vele punten van overeenkomst

met Jupiter. Hij voert den hamer Miölnir, het Noorsche symbool van

den doodelijken bliksem; en, evenals Jupiter, gebruikt hij hem nog als

hij oorlog voert tegen de reuzen. In zijn snellen groei gelijkt Thor

op Mercurius, want terwijl de eerste spelenderwijs verscheidene balen

ossenhuiden rondwerpt een paar uur na zijn geboorte, steelt de tweede

Apollo's ossen, voordat hij één dag oud is. In lichaamskracht gelijkt

Thor op Hercules, die ook proeven gaf van ongewone sterkte door de

slangen te worgen die gestuurd waren om hem in zijn wieg te vermoorden,

en die er later genoegen in had reuzen en monsters aan te vallen en

te overwinnen. Hercules werd een vrouw en ging spinnen om Omphale,

de Lydische koningin, ter wille te zijn, en Thor deed de kleeren van

een vrouw aan om Trym te bezoeken en zijn hamer weerom te halen, die

negen roeden onder den grond verborgen was. De hamer, zijn voornaamste

attribuut, werd tot vele gewijde doeleinden gebruikt. Hij heiligde

den brandstapel der dooden en de huwelijksgebruiken, en grenspalen,

die met een hamer waren ingedreven, werden als heilig beschouwd onder

de Noorsche volken, evenals de Hermae of standbeelden van Mercurius,

op welker verwijdering de doodstraf was gesteld.

Thors vrouw, Sif, met haar weelderig gouden haar, is, zooals wij reeds

gezegd hebben, een zinnebeeld van de aarde, en heur haar was haar

rijke plantengroei. Loki's diefstal van deze lokken is gelijk aan

Pluto's roof van Proserpina. Om de gouden lokken weerom te krijgen,

moet Loki de dwergen (Pluto's knechten) bezoeken, terwijl hij kruipt

in de lage doorgangen van de onderwereld; zoo moet Mercurius Proserpina

zoeken in den Hades.

De paardenvlieg, die Jupiter belet Io weer in bezit te krijgen, nadat

Mercurius Argus heeft vermoord, verschijnt weer in de Noorsche mythen

om Brock te steken, en tracht te voorkomen dat de tooverring Draupnir

gemaakt wordt, die geheel en al een pendant is van Sifs lokken, zooals

hij ook de vruchten van de aarde voorstelt. De vlieg gaat voort met

den dwerg te kwellen gedurende het maken van Frey's wild zwijn met de

gouden borstels, een prototype van Apollo's gouden zonnekar, en zij

zorgt er voor, dat het handvat van Thors hamer niet geheel klaar komt.

Het tooverschip Skidbladnir, ook door dwergen gemaakt, komt overeen

met den snelzeilenden Argo, die de wolken, boven onze hoofden zeilend,

voorstelde, en evenals het van het eerste heette dat het groot genoeg

was om alle goden te bevatten, zoo droeg de tweede alle Grieksche

helden naar het verre land Colchis.

De Germanen, die de dagen der week naar hunne goden wilden noemen,

zooals de Romeinen hadden gedaan, gaven den naam van Thor aan Jupiters

dag, en maakten hem zoo tot den tegenwoordigen Donderdag.

Thors strijd tegen Hrungnir is een pendant van het gevecht tusschen

Herkules en Cacus of Antaeus; terwijl Groa blijkbaar Ceres is,

want ook zij treurt over haar afwezig kind Orvandil (Proserpina),

en breekt los in een vreugdezang als zij hoort dat het zal terugkeeren.

Magni, Thors zoon, die, als hij slechts drie uur oud is, zijn

wonderbare kracht ten toon spreidt terwijl hij Hrungnirs been optilt

van zijn vader die nederligt, herinnert ook aan het kind Hercules;

en Thors verslindende eetlust bij Thryms bruiloft heeft zijn parallel

in Mercurius' eersten maaltijd, die uit twee heele ossen bestond.

Het doorschrijden van het gewassen tij van Veimer door Thor doet

denken aan Jasons daad, toen hij door den stroom waadde, terwijl hij

op weg was om den tiran Pelias te bezoeken en zijns vaders troon terug

te krijgen. De wonderbare halsband, door Frigga en Freya gedragen om

hare bekoring te verhoogen, komt overeen met den cestus of gordel van

Venus, die Juno leende om haar heer te onderwerpen, en is, evenals

de lokken van Sif en de ring Draupnir, een beeld van rijken groei of

een symbool van de sterren die aan den hemel schijnen.

De Noorsche zwaardgod Tyr is natuurlijk de Grieksche krijgsgod Ares,

op wien hij zóó volkomen gelijkt, dat zijn naam werd gegeven aan

den dag die aan Ares was gewijd, en die nu bekend is als Dinsdag of

Tui's dag. Evenals Ares was Tyr druk en moedig; hij had behagen in

het krijgsrumoer, en was steeds zonder vrees. Hij alleen durfde den

Fenriswolf te trotseeren; en het zuidelijke spreekwoord van Scylla

en Charybdis heeft zijn pendant in het Noorsche gezegde "loskomen

van Laeding en schipbreuk lijden in Droma". De Fenris-wolf, ook een

verpersoonlijking van het onderaardsche vuur, wordt, evenals zijn

prototypen, de Titanen, vastgebonden in den Tartarus.

De gelijkenis tusschen den lieflijken, muziekminnenden Bragi met

zijn harp, en Apollo of Orpheus, is zeer groot; zoo is er gelijkenis

tusschen den magischen drank Odhroerir en de wateren van den Helicon,

die beide, meende men, als inspiratie dienden zoowel voor sterflijke

als voor onsterflijke dichters. Odin doet arendsveeren aan om zijn

kostelijke meê weg te dragen, en Jupiter neemt een gelijke vermomming

aan om zich zijn bekerdrager Ganymedes te verschaffen.

Idoen is, evenals Adonis en Proserpina, of meer nog als Eurydice,

een schoone personificatie van de lente. Zij wordt weggevoerd door

den wreeden ijsreus Thiassi, die het wilde zwijn voorstelt dat Adonis

vermoordde, de kinderdief van Proserpina, of de vergiftige slang die

Eurydice beet. Idoen wordt gedurende langen tijd in Jötun-heim (Hades)

opgehouden waar ze al haar vroolijke, speelsche manieren vergeet en

treurig en bleek wordt. Zij kan niet alleen naar Asgard terugkeeren

en zij kan pas haar ontvluchting ten uitvoer brengen, wanneer Loki

(nu een zinnebeeld van den zuidenwind) haar komt wegdragen in de

gedaante van een noot of een zwaluw. Zij herinnert ons aan Proserpina

en Adonis die door Mercurius (den god van den wind) naar de aarde

worden teruggebracht, of aan Eurydice, uit Hades gelokt door de zoete

klanken van Orpheus' harp, die ook symbolisch het zuchten van den

wind voorstelden.

Idoen en Eurydice.

De mythe van Idoens val van den Yggdrasil in de donkerste diepten van

Niflheim is, hoewel onderworpen aan dezelfde uitlegging en vergelijking

als het bovengenoemde verhaal, toch nog nauwer verwant aan het verhaal

van Orpheus en Eurydice, want de eerste, zoo goed als Bragi, kan niet

zonder de laatste bestaan, die hij volgt zelfs tot in het donkere rijk

des doods; zonder haar zwijgen zijn zangen geheel en al. De wolfshuid

waarin Idoen gewikkeld is, is typisch voor de zware sneeuwstormen in

de Noordelijke streken, die de teere worteltjes beschermen voor den

verderfelijken invloed van de strenge winterkoude.

Skadi en Diana.

De Van Niörd die de god is van de zonnige zomerzeeën, heeft zijn

tegenhanger in Neptunus en meer in het bijzonder in Nereus, de

personificatie van den kalmen en vriendelijken aanblik van de machtige

diepten. Niörds vrouw, Skadi, is de Noorsche vrouwelijke jager; daarom

gelijkt zij op Diana. Evenals deze draagt zij een pijlkoker vol pijlen

en een boog, dien zij met de uiterste handigheid hanteert. Haar kort

gewaad laat haar de meeste vrijheid van beweging, ook is zij meestal

vergezeld van een hond.

Het verhaal van het overbrengen van Thiassi's oogen naar het firmament,

waar zij gloeien als schitterende sterren, herinnert ons aan veel

Grieksche sterren-mythen en vooral aan Argus' altijd-wakende oogen,

aan Orion en zijn bejuweelden gordel en aan zijn hond Sirius,

die allen in sterren zijn veranderd door de goden, om vertoornde

godinnen te verzoenen. Loki's grollen om een glimlach te krijgen

van de vertoornde Skadi worden beschouwd verwant te zijn aan de

trillende bliksem-schichten, die hij in het noorden personifieerde,

terwijl Steropes en de Cyclopen hetzelfde bij de Grieken uitdrukken.

Frey en Apollo.

De noordelijke god van zonneschijn en zomerregens de vriendelijke

Frey, heeft vele trekken gemeen met Apollo; want evenals deze, is hij

schoon en jong, berijdt het wilde zwijn met gouden stekels, wat de

noordelijke opvatting was van de zonnestralen, of rijdt door de lucht

in een gouden wagen, die ons herinnert aan Apollo's schitterende kar.

Bovendien bezit Frey nog enkele van de eigenschappen van den

vriendelijken Zephyrus, want ook hij strooit bloemen langs zijn

weg. Zijn paard Blodug-hofi is niet ongelijk aan Pegasus, Apollo's

lievelingspaard, want het kan met even groot gemak en vlugheid door

vuur en water heengaan.

Fro, evenals Odin en Jupiter, wordt ook vergeleken bij een

menschelijken koning, en zijn berg ligt naast dien van Odin dicht

bij Upsala. Zijn regeering was zóó gelukkig, dat zij de Gouden Eeuw

werd genoemd en daarom herinnert hij ons aan Saturnus, die, naar de

aarde verbannen, over het Italiaansche volk regeerde en hun gelijken

voorspoed schonk.

Freya en Venus.

Gerda, de schoone maagd, is, als Venus en ook als Atalanta; zij is

moeilijk te winnen en moeilijk te vrijen, evenals de snelvoetige maagd,

maar, evenals deze, geeft zij ten slotte toe en wordt een gelukkige

vrouw. De gouden appelen waarmede Skinir haar tracht om te koopen,

herinneren ons aan de gouden vruchten welke Hippomenes op Atalanta's

weg wierp, en die haar de wedloop deden verliezen.

Freya, de godin van jeugd, liefde en schoonheid, is, evenals

Venus, uit de zee geboren, want zij is een dochter van den zee-god

Niörd. Venus schonk haar warmste gevoelens aan den oorlogsgod en aan

den krijgshaftigen Anchises, terwijl Freya dikwijls het gewaad van

een Valkyr aanneemt en snel over de aarde rijdt om deel te nemen aan

den doodelijken strijd en om de heldhaftig verslagenen weg te dragen

opdat zij zullen feestvieren in hare zalen. Evenals Venus geniet zij

van geschenken van vruchten en bloemen en verleent zij een goedgunstig

oor aan de smeekingen van geliefden. Freya herinnert ook aan Minerva,

want, evenals deze, draagt zij een helm en een borstplaat en, evenals

als deze, is ook zij beroemd om haar prachtig blauwe oogen.

Odur en Adonis.

Odur, Freya's echtgenoot, is gelijk aan Adonis en als hij haar verlaat

stort ook zij tallooze tranen, die, in dit geval, in goud worden

veranderd, terwijl Venus' tranen in anemonen zijn verkeerd, en die

van de Heliaden, die Phaeton beweenden, tot barnsteen verharden dat op

goud lijkt in kleur en vastheid. Evenals Venus verheugd is over Adonis'

terugkeer en de geheele natuur in bloei staat als teeken van sympathie

in haar vreugde, zoo wordt ook Freya nogmaals opgewekt van hart, als

zij haar echtgenoot heeft gevonden onder de bloesemde mirten van het

Zuiden. Venus' wagen wordt getrokken door fladderende duiven, en die

van Freya wordt snel voortgedragen door katten, die het symbool zijn

van de zinnelijke liefde, evenals de duiven werden beschouwd als het

beeld van de teederste liefde. Freya heeft een oog voor schoonheid

en weigert toornig om Thrym te huwen, terwijl Venus Vulcanus haat

met wien zij is gedwongen te trouwen, en dien zij ten slotte verlaat.

De Grieken stelden de gerechtigheid voor als een geblinddoekte godin

met een weegschaal in de ééne hand en een zwaard in de andere, om

de onpartijdigheid en vastheid van haar bevelen aan te toonen. De

aan haar beantwoordende godheid van het Noorden was Forseti, die

geduldig luisterde naar beide zijden van een kwestie voordat ook hij

zijn onpartijdig en onherroepelijk vonnis afkondigde.

Uller, de winter-god, gelijkt alleen op Apollo en Orion in zijn

liefde voor de jacht, welke hij onder alle omstandigheden met ijver

voortzet. Hij is de Noordelijke boogschutter, en zijn handigheid is

even feilloos als de hunne.

Heimdall was, evenals Argus, begiftigd met buitengewone helderheid van

gezicht, hetgeen hem in staat stelde op een afstand van honderd mijlen

even helder te zien bij dag zoowel als bij nacht. Zijn Giallar-hoorn

die de geheele wereld door kon worden gehoord, en die den overtocht van

de goden heen en terug over de trillende brug Bifröst bekend maakte,

was als de trompet van de godin Roem. Daar hij van moeders zijde

verwant was aan het water, kon hij evenals Proteus naar believen elke

gedaante aannemen, en hij maakte een goed gebruik van die macht bij

gelegenheid dat hij Loki's poging om het halssnoer van Brisingamen

te stelen, verhinderde.

Hermod, de vlugge of vlotte, gelijkt op Mercurius en niet alleen

in zijn wonderbaarlijke snelheid van beweging. Ook hij was de bode

der goden en evenals de Grieksche godheid, schoot hij hierheen en

daarheen, niet geholpen door den gevleugelden helm en de sandalen,

maar door Odins ros Sleipnir, dat hij alleen mocht berijden. In plaats

van den Caduceus droeg hij den staf Gambantein. Hij ondervroeg de

Nornen en den magiër Rossthiof, van wien hij vernam dat Vali zou

komen om zijn broeder Balder te wreken en zijn vader den voet te

lichten. Voorbeelden van soortgelijke vragen worden in de Grieksche

mythologie gevonden, waar Jupiter gaarne Thetis zou hebben gehuwd en

toch daarvan afzag toen de Schikgodinnen voorspelden, dat, als hij

zoo deed, zij de moeder zou worden van een zoon, die zijn vader in

macht en beroemdheid zou overtreffen.

De noordelijke God der stilte, Vidar, heeft eenige gelijkenis met

Hercules, want, terwijl de laatste niets dan een stok heeft om

zichzelf daarmede te verdedigen tegen den Nemeïschen leeuw, dien

hij verscheurt, wordt de eerste in staat gesteld den wolf Fenris te

Ragnarok te verscheuren, doordat hij in het bezit is van een enkelen

grooten schoen.

Rinda en Danae.

Odins vrijage met Rinda herinnert ons aan Jupiters hof maken van Danae,

die ook een symbool van de aarde is; en terwijl de overvloed van goud

in de Grieksche sage bedoelt voor te stellen de vruchtbaarmakende

zonnestralen, stelt het voetbad in het noordelijke verhaal den

lentedooi voor, die invalt wanneer de zon den weerstand van de bevroren

aarde heeft overwonnen. Perseus, het kind van deze vereeniging, heeft

veel punten van overeenkomst met Vali, want ook hij is een wreker en

verslaat zijns moeders vijanden, even zeker als Vali Hodur vermoordt,

den moordenaar van Balder.

Het wordt voorgesteld alsof de Noodlotsgodinnen tegenwoordig waren bij

de geboorte van een kind in Griekenland en de toekomst van een kind

voorspelden, zooals de Nornen deden; en het verhaal van Meleager

heeft zijn onmiskenbare parallel in dat van Nornagesta. Althea

bewaart de half-verteerde fakkel in een kist, Nornagesta verbergt het

kaarseneindje in zijn harp; en terwijl de Grieksche moeder den dood

van haar zoon teweeg brengt door de fakkel in het vuur te werpen,

sterft Nornagesta, die gedwongen is dit eindje kaars aan te steken

op Olafs bevel, als het flikkert en uitbrandt.

Hebe en de Valkyren waren de schenksters van den Olympus en Asgard. Zij

waren allen de gepersonifieerde jeugd; en terwijl Hebe den grooten held

en halfgod Hercules huwde toen zij ophield haar ambt te vervullen,

werd den Valkyren haar ambt ontnomen, toen zij vereenigd werden met

helden als Helgi, Hakon, Völund en Sigurd.

Het Cretenser labyrint heeft zijn tegenhanger in het IJslandsche

Völundarhuis, en Völund en Daedalus beiden brengen hun ontvluchting

uit een doolhof ten uitvoer door middel van een handig uitgevonden

paar vleugels, die hen in staat stellen in veiligheid over land en

zee te vliegen en te ontkomen aan de tyrannie van hun respectieve

meesters, Nidud en Minos. Völund gelijkt ook hierin Vulcanus, dat hij

een knappe smid is en van zijn talenten gebruik maakt om zijn wraak

te koelen. Vulcanus, kreupel geworden door een val van den Olympus

en door Juno verwaarloosd, met wie hij had getracht goede vrienden

te worden, zendt haar een gouden troon, die voorzien is van kunstig

aangebrachte veeren om haar te grijpen en vast te houden. Völund,

machteloos door de suggestie van Nidud's koningin, vermoordt heimelijk

hare zonen en maakt van hun oogen wonderbare juweelen, die zij zonder

wantrouwen op haar borst draagt, totdat hij haar hun afkomst verraadt.

Zee-Mythen.

Juist zooals de Grieken zich voorstelden dat de stormen het gevolg

waren van Neptunus' woede, zoo schreven de Noordelijke volken hen

toe of aan de stuiptrekkingen van Iörmungandr de Midgardslang of

aan den toorn van Aegir, die, juist zooals Neptunus, met zeewier

gekroond, dikwijls zijn kinderen, de golven-maagden (de tegenhangers

van de Nereïden en Oceaniden) wegzond om op de woelende golven te

spelen. Neptunus woonde in koraalholen dicht bij het eiland Euboea,

terwijl Aegir in een dergelijk paleis dicht bij het Kattegat gevestigd

was. Hier was hij omringd door de nixen, undinen en meerminnen, de

tegenhangers van de Grieksche waternimfen en door de riviergoden van

den Rijn, de Elbe en den Neckar, die ons doen denken aan Alpheus en

Peneus, de riviergoden van de Grieken.

Het veelvuldig voorkomen van schipbreuken op de Noordelijke kusten

heeft er toe bijgedragen om de menschen zich Ran (plaatsvervanger van

de Grieksche zeegodin Amphitrite) voor te stellen als gulzig en gierig,

en zij beschreven haar als gewapend met een sterk net waarmede zij

alle dingen neertrok in de diepte. De Grieksche Sirenen hebben hare

parallellen in de Noordelijke Lorelei die dezelfde gave van zingen

bezat en ook zeelieden in den dood lokte; terwijl Prinses Ilse,

die in een bron werd veranderd, ons herinnert aan de nimf Arethusa,

die een dergelijke gedaanteverwisseling onderging.

In de Noordelijke opvatting van Niflheim hebben wij een bijna

nauwkeurigen tegenhanger van den Griekschen Hades. Mödgud, de bewaker

van de Giallar-brug (de doodenbrug) waarover alle geesten van de dooden

moeten gaan, eischt een schatting van bloed even gestreng als Charon

een obool vraagt van elke ziel die hij den Acheron, de doodsrivier,

overzet. De geweldige hond Garm, die ineengekrompen zit in het Gnipahol

en de wacht houdt aan de Hellepoort, is als het driehoofdig monster

Cerberus; en de negen werelden van Niflheim zijn niet ongelijk aan

de verdeeling van Hades, terwijl Nastrond geheel analoog is aan den

Tartarus, waar de boozen werden gestraft met een gelijke gestrengheid.

De gewoonte om de doode helden te verbranden met hunne wapenen, en

om offers, zooals paarden en honden, op hun brandstapel te slachten,

was even sterk in het Noorden als in het Zuiden; en terwijl Mors

of Thanatos, de Grieksche dood, voorgesteld werd met een scherpe

zeis, werd Hel voorgesteld met een bezem of een hark, dien zij even

meedoogenloos gebruikte en waarmede zij evenveel strafoefende.

Balder en Apollo.

Balder, de stralende god van den zonneschijn, herinnert ons niet

alleen aan Apollo en Orpheus, maar aan al de andere helden van

zonnemythen. Zijn vrouw Nanna gelijkt op Flora en nog meer op

Proserpina, want ook zij daalt neer in de onderwereld waar zij voor

een wijl vertoeft. Balders gouden hal van Breidablik gelijkt op

Apollo's paleis in 't Oosten; ook hij houdt van bloemen; alle dingen

glimlachen wanneer hij komt, en doen gewillig den eed hem nooit te

zullen beleedigen. Zooals Achilles alleen kwetsbaar was aan den hiel,

zoo kon Balder alleen worden getroffen door den onschuldigen maretak,

en zijn dood wordt veroorzaakt door Loki's jaloezie, juist zooals

Hercules werd verslagen door die van Deianeira. Balders brandstapel

op Ringhorn herinnert ons aan Hercules' dood op den berg Etna: de

vlammen en de roode gloed van beide vuren dienen om de ondergaande

zon te typeeren. De Noordelijke god van zon en zomer kon alleen

worden verlost van Niflheim, wanneer alle levende en doode dingen

tranen zouden storten; en zoo kon Proserpina alleen uit den Hades

ontsnappen op voorwaarde dat zij geen voedsel had gebruikt. De weinig

beteekenende weigering van Thok om een enkelen traan te storten,

doet denken aan de zaden van den granaatappel dien Proserpina at, en

het gevolg is in beide gevallen even afgrijselijk, daar het Balder en

Proserpina onder den grond terughoudt en de aarde (Frigga of Ceres)

moet voortgaan hun afwezigheid te beweenen.

Door Loki kwam het kwaad in de Noorsche wereld; Prometheus' gift

van het vuur bracht denzelfden vloek over de Grieken. De straf

aan de schuldigen toebedeeld door de goeden is niet ongelijk,

want, terwijl Loki met diamanten ketenen onder den grond wordt

vastgebonden en geteisterd door het aanhoudend druppelen van vergif

uit de slagtanden van een slang die boven zijn hoofd is vastgemaakt,

wordt Prometheus op een dergelijke wijze aan den Caucasus geketend,

terwijl een vraatzuchtige gier aanhoudend aan zijn lever knaagt. Loki's

straf heeft een anderen tegenhanger in die van Tityus, in den Hades

gebonden, en in die van Enceladus, geketend onder den Etna waar

zijn bezweringen aardbevingen veroorzaakten en zijn verwenschingen

plotselinge uitbarstingen van den vulkaan ten gevolge hadden. Loki

herinnert verder aan Neptunus, daar ook hij een paardengedaante aannam

en de stamvader werd van een wonderbaar ros, want Sleipnir wedijvert

met Arion zoowel in vlugheid als in uithoudingsvermogen.

De Fimbul-winter is vergeleken geworden bij het lange voorafgaande

gevecht onder de muren van Troje, en Ragnarok, het grootsche einddrama

van de Noorsche mythologie bij het branden van die beroemde stad. "Thor

is Hector; de wolf Fenris, Pyrrhus, zoon van Achilles die Priamus

versloeg (Odin); en Vidar die in Ragnarok herleeft, is Aeneas." De

verwoesting van Priamus' paleis is het type van de verwoesting van

de gouden hallen der goden; en de verslindende wolven Hati, Sköll en

Managarm, de vijanden der duisternis, zijn het prototype van Paris en

al de andere demonen der duisternis die de zonnemaagd Helena wegdragen

of haar verslinden.

Ragnarok en de Zondvloed.

Volgens een andere uitlegging evenwel is de Ragnarok en de daaruit

volgende overstrooming van de wereld slechts een Noorsche overlevering

van den zondvloed. De overlevenden, Lif en Lifthrasir, waren

evenals Deucalion en Pyrrha bestemd om de wereld weer te bevolken;

en zooals het altaar van Delphi alleen de vernielende macht van de

groote overstrooming weerstond, zoo stond ook Gimli stralend om de

overlevende goden te ontvangen.

Reuzen en Titanen.

Wij hebben al gezien, hoe nauw de Noordelijke reuzen verwant zijn aan

de Titanen. Nu valt alleen nog te vertellen dat, terwijl de Grieken

zich voorstelden dat Atlas in een berg was veranderd, de Noormannen

geloofden dat het Reuzengebergte in Duitschland was gevormd uit reuzen,

en dat de lawines die van hun steile hoogten af naar beneden kwamen,

de sneeuwhoopen waren die deze reuzen ongeduldig van hunne kruinen

afschudden, wanneer zij hun verwrongen houdingen veranderden. De

verschijning in den vorm van een stier van een der waterreuzen die

kwam om de koningin der Franken te vrijen, heeft zijn parallel in het

verhaal van Jupiters vrijage om Europa, en Meroveus is klaarblijkelijk

geheel de tegenhanger van Sarpedon. Een vage gelijkenis kan men vinden

tusschen het reuzenschip Mannigfual en de Argo, want terwijl de eene

wordt voorondersteld door de Aegeïsche en de Zwarte Zee te hebben

gekruist, en vele plaatsen gedenkwaardig te hebben gemaakt door de

gevaren die het daar ontmoette, zeilt het Noorsche schip door de Noord-

en de Oost-Zee en wordt het genoemd in verband met het eiland Bornholm

en de klippen van Dover.

Terwijl de Grieken zich voorstelden, dat nachtmerries de booze droomen

waren die ontsnapt waren uit het hol van Somnus, dacht het Noorsche

ras zich deze als vrouwelijke dwergen of trollen, die uit de donkere

schuilhoeken van de aarde kropen om hen te kwellen. Alle tooverwapenen

in het Noorden heetten het werk der dwergen, de smeden onder den grond,

terwijl die van de Grieken gemaakt waren door Vulcanus en de Cyclopen

onder den Etna of op het eiland Lemnos.

De Volsunga Saga.

In de mythe van Sigurd vinden wij Odin één-oogig als de Cyclopen,

die, evenals hij, persoonsverbeeldingen van de zon zijn. Sigurd

wordt onderwezen door Gripir den paardendresseerder, die aan Chiron,

den Centaur herinnert. Hij is niet alleen in staat een jongen held te

leeren alles wat hij moet weten en hem goeden raad te geven aangaande

zijn toekomstig gedrag, maar hij bezit ook de gave van de profetie.

Het wonderbare zwaard dat het eigendom wordt van Sigmund en van Sigurd,

zoo spoedig als zij zich waardig genoeg zullen betoonen om dit te

hanteeren, en het zwaard Angurvadel dat Frithiof van zijn vader erft,

herinneren ons aan het wapen dat Aegeus had verborgen onder de rots

en dat Theseus in veiligheid bracht zoo spoedig hij een man geworden

was. Sigurd tracht evenals Theseus, Perseus en Jason, de misdaden van

zijn vader te wreken vóórdat hij uitgaat om te zoeken den gouden schat,

volkomen hetzelfde als het gouden vlies, dat ook door een draak wordt

bewaard en moeilijk in veiligheid te brengen is. Evenals alle Grieksche

zonnegoden en helden, heeft Sigurd gouden haar en helder blauwe oogen;

zijn gevecht met Fafnir herinnert ons aan Apollo's strijd met den

Python, terwijl de ring Andvaranaut vergeleken kan worden bij Venus'

gordel en de vloek dien hij brengt aan den drager, herinnert aan de

tragedie van Helena die een eindeloos bloedbad veroorzaakte aan allen

die met haar verbonden waren.

Sigurd kon Fafnir niet hebben overwonnen zonder het tooverzwaard, juist

zooals het den Grieken niet gelukte Troje te krijgen zonder de pijlen

van Philoctetes die ook het symbool zijn van de alles-overwinnende

stralen der zon. Het terugvinden van den gestolen schat gelijkt op

Menelaus' terugvinden van Helena, en klaarblijkelijk brengt hij al

even weinig geluk aan Sigurd als zijn lafhartige vrouw bracht aan

den Spartaanschen koning.

Brunhild.

Brunhild gelijkt op Minerva in haar krijgshaftigen zin, lichamelijk

voorkomen en wijsheid; maar haar toorn en verachting wanneer Sigurd

haar vergeet voor Goedroen, is als de toorn van Oenone, die Paris

verlaat om Helena te vrijen. Brunhilds toorn blijft Sigurd levenslang

vervolgen, en zelfs tracht zij zijn dood te beramen, terwijl Oenone,

geroepen om haar gewonden minnaar te genezen, dit weigert en hem laat

sterven. Oenone en Brunhild zijn beiden overstelpt door dezelfde

berouwvolle gevoelens, als hare minnaren hun laatsten adem hebben

uitgeblazen, en zij beiden dringen er op aan, hun brandstapels te

deelen en haar leven te eindigen aan de zijde van hen die zij hadden

bemind.

Zonnemythen.

De Volsunga Saga, zóóals zij is, bevattende een geheele serie

van zonnemythen, herhaalt zich zelf in elke phase; en juist zooals

Ariadne, verlaten door den zonneheld Theseus, ten slotte Bacchus huwt,

zoo doet ook Goedroen wanneer Sigurd vertrokken is en zij Atli huwt,

den Hunnenkoning. Ook hij eindigt zijn leven te midden van de vlammen

van zijn brandend paleis of schip. Gunnar, speelt evenals Orpheus

of Amphion zulke wondervolle melodieën op zijn harp, dat zelfs de

slangen in slaap gezongen werden. Volgens sommige overleveringen

herinnert Atli aan Fafnir en begeert het bezit van goud. Daarom zijn

beide verpersoonlijkingen van de winterwolk, die over de stervelingen

hangt en van hen weghoudt het goud van het zonnelicht en de warmte,

totdat in de lente de blinkende bol de machten van duisternis en

stormen overwint en zijn goud over het aangezicht der aarde strooit.

Swanhild, Sigurds dochter, is een andere verpersoonlijking van de zon,

zooals zij gezien wordt met haar blauwe oogen en gouden haar; en haar

dood onder de hoeven van zwarte paarden stelt voor het uitgewischt

worden van de zon door wolken van storm of van duisternis.

Zooals Castor en Pollux zich haasten om hun zuster Helena te bevrijden

als ze wordt weggevoerd door Theseus, zoo haasten ook Swanhilds

broeders, Erp, Hamdir en Sörli, zich, om haar dood te wreken.

Dit zijn de hoofdpunten van overeenkomst tusschen de Mythologieën

van het Noorden en het Zuiden, en de overeenkomst gaat zóó ver, dat

zij oorspronkelijk zijn gevormd uit dezelfde stof, en de voornaamste

verschillen zijn te verklaren uit de locale kleur, onbewust er aan

toegebracht door de verschillende rassen.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 45 / 46 题