Het verhaal van de goden.
Een van de kenmerkende trekken van de Noorsche mythologie is dat
het volk steeds geloofde dat hun goden tot een vergankelijk ras
behoorden. De Aesir hadden een begin gehad; dus, redeneerde men, moeten
zij een einde nemen; en daar zij geboren werden uit een mengsel van
goddelijke elementen en van elementen der reuzen, en dus onvolmaakt
waren, droegen zij de kiem des doods in zich en waren als de menschen
veroordeeld den natuurlijken dood te ondergaan, teneinde geestelijke
onsterfelijkheid te verkrijgen.
Het geheele schema van de Noorsche mythologie was dus een drama,
waarvan elke stap gaandeweg leidde tot het toppunt of het tragisch
einde, als, met echt dichterlijke rechtvaardigheid, straf en loon
onpartijdig werden uitgedeeld. In de vorige hoofdstukken zijn de
langzame opkomst en het verval der goden zorgvuldig vermeld. Wij
hebben verhaald, hoe de Aesir de aanwezigheid van het kwaad, in Loki
verpersoonlijkt, in hun midden duldden; hoe zij zwak zijn raad volgden,
toestonden dat hij hen in allerlei soorten van moeilijkheden bracht,
waaruit zij slechts ten koste van hun deugd of vrede konden ontkomen,
en eindelijk hem veroorloofden zulk een macht over hen te krijgen, dat
hij niet schroomde hen van hun liefste bezit, zuiverheid of onschuld,
gepersonifieerd in Balder den goeden, te berooven.
Te laat bemerkten de goden hoe slecht deze geest was die een verblijf
onder hen had gevonden, en te laat verbanden zij Loki naar de aarde,
waar de menschen, volgend het voorbeeld van de goden, naar zijn lessen
luisterden en bedorven werden door zijn noodlottigen invloed.
Broed'ren slaan broed'ren;
Zusterskind'ren
Storten elkaars bloed,
Vleeschlijk kwaad neemt toe,
Het zijn zwaardtijden, akstijden;
Schilden klieft men door,
Stormtijden, moordtijden
Tot de wereld sterft,
En niemand meelij voelt
Meer voor zijn nevenmensch.
Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).
De Fimbul-winter.
Ziende dat de misdaad tierde en al het goede van de aarde verbannen
was, bedachten de goden dat de van oudsher gedane voorspellingen
op het punt waren in vervulling te treden, en dat de schaduw van
Ragnarok, de schemering der goden, reeds over hen was. Sol en Mani
werden bleek van schrik, en stuurden hunne wagens bevend langs de
paden die zij moesten gaan, terwijl zij bevreesd omkeken naar de hen
achtervolgende wolven, die hen spoedig zouden inhalen en verslinden;
en toen hun glimlach verdween, werd de aarde droevig en koud, en
de vreeslijke Fimbul-winter begon. Toen viel er sneeuw uit de vier
windstreken tegelijk, de scherpe winden joegen aan van het noorden
en de geheele aarde was met een dikke laag ijs bedekt.
De strenge Fimbul woedde en bracht
Op aard veel storm en sneeuwjacht,
De zee sloeg schotsen kort en klein
En wierp het ijsschuim, tot waar zijn
De bergen hoog;
Geen zoelte toog,
Geen lichtglans, zij het nog zoo flauw.
Temp'rend den nacht van vorst en kou.
Valhalla (J. C. Jones).
Deze strenge winter duurde drie volle seizoenen zonder tusschenpoozen
en werd gevolgd door drie andere, even streng, waarin alle vreugde
van de wereld wegging en de misdaden der menschen met vreeslijke
snelheid toenamen, terwijl in den algemeenen strijd voor het leven,
de laatste gevoelens van menschelijkheid en mededoogen verdwenen.
De wolven losgelaten.
In de donkere hoeken van het IJzerbosch voedde de reuzin Iarnsaxa of
Angur-boda nauwgezet de wolven Hati, Sköll en Managarm, het kroost van
Fenris, met het merg van moordenaars en de beenderen van echtbrekers;
en zóóveel kwamen deze lage misdaden voor, dat de schier onverzadelijke
monsters nooit gebrek aan voedsel hadden. Zij wonnen dagelijks aan
kracht om Sol en Mani te vervolgen, en haalden hen eindelijk in en
verscheurden hen terwijl zij de aarde overstroomden met bloed uit
hun druipende muilen.
Zij zat in het Oosten, die oude Jarnrid,
En zij voedd' er de kinderen, geboren uit Fenrir;
Hij zal zijn het schrikkelijkst van al, hij,
Die, onder den vorm van een monster, zal verzwelgen de maan.
Voluspa.
Bij dit vreeselijk onheil trilde en schokte de geheele aarde, de
sterren, ontsteld, vielen van hunne plaatsen, en Loki, Fenris en Germ,
hun pogingen vernieuwend, rukten hun keten van elkander en stormden
aan om wraak te nemen. Op hetzelfde oogenblik knaagde de draak Nidhug
den wortel van den esch Yggdrasil door, die tot aan zijn bovensten
top sidderde; de roode haan Fialar, zwevend boven Valhalla, kraaide
luid alarm, wat onmiddellijk beantwoord werd door Gullin-kambi,
den huishaan in Midgard en door Hels donkerrooden vogel in Niflheim.
De haan met gouden kam
Riep luid te wapen allen in 't Valhal;
De haan, bloedrood, roept even fel bijeen
Die zijn op aard en ook er onder.