HOOFDSTUK XXVII: DE GESCHIEDENIS VAN FRITHIOF.

Bisschop Tegnér.

Misschien heeft geen schrijver van de negentiende eeuw zooveel

gedaan om belangstelling te wekken voor de letterkundige schatten

van Scandinavië als Bisschop Esaias Tegnér, dien een Zweedsch auteur

karakteriseerde als "dat machtig Genie dat zelfs wanorde organiseert."

Tegnérs "Frithiofsage" is ten minste éénmaal in iedere Europeesche taal

vertaald, en een twintig keer in het Engelsch en het Duitsch. Goethe

sprak van het werk met het grootste enthousiasme, en het verhaal,

dat een ongeëvenaard beeld geeft van onze heidensche voorouders in

het noorden, oogstte evenveel lof van Longfellow, die het beschouwde

als een van de merkwaardigste producten zijner eeuw.

Ofschoon Tegnér enkel de Frithiofsage tot zijn onderwerp heeft gekozen,

zien wij dat dat verhaal het vervolg is op de oudere maar minder

belangwekkende Thorstensage waarvan wij hier een zeer kort overzicht

geven, enkel om den lezer in staat te stellen elke toespeling in het

nieuwere gedicht goed te begrijpen.

Evenals zoo dikwijls het geval is bij deze oude verhalen, begint de

geschiedenis met Haloge (Loki), die naar het noorden kwam met Odin en

over noordelijk Noorwegen begon te regeeren, dat naar hem Halogaland

werd genoemd. Volgens de Noorsche mythologie had deze god twee

lieflijke dochters. Zij werden geschaakt door stoutmoedige vrijers,

die, door Haloge's vervloekingen en tooverkunsten van het hoofdland

verbannen, met hun pas verkregen vrouwen op naburige eilanden hun

toevlucht namen.

Geboorte van Viking.

Zoo geschiedde het dat Haloge's kleinzoon, Viking, geboren werd op het

eiland Bornholm in de Oostzee, waar hij woonde totdat hij vijftien

jaar was, en waar hij de grootste en sterkste man van zijn tijd

werd. Geruchten aangaande zijn kracht bereikten ten slotte Hunvor,

een Zweedsche prinses, die gekweld werd door de attenties van een

reusachtigen vrijer dien niemand durfde wegjagen, en zij zond om

Viking om haar te verlossen.

Zoo geroepen vertrok de jongeling nadat hij van zijn vader een

tooverzwaard, Angurvadel geheeten, gekregen had, welks slagen

noodlottig zouden blijken zelfs voor een reus als de vrijer van

Hunvor. Een "holmgang" zooals een tweegevecht in het Noorsch heette,

volgde, zoodra de held op het tooneel verscheen, en Viking, na zijn

tegenstander verslagen te hebben, zou de prinses hebben kunnen huwen,

ware het niet als ongepast voor een Noorman beschouwd als hij,

voordat hij twintig was, huwde.

Om den tijd dien hij op de hem beloofde bruid wachten moest, te korten,

trok Viking op een goedbemand drakenschip uit; en kruisend tusschen de

Noordelijke en Zuidelijke zeeën had hij tallooze avonturen. Gedurende

dezen tijd werd hij in het bijzonder vervolgd door de familieleden

van den reus dien hij had verslagen, en die in de tooverij bedreven

waren, en zij brachten tallooze gevaren over hem te land en ter zee.

Geholpen en ondersteund door zijn boezemvriend Halfdan, ontsnapte

Viking aan elk gevaar, versloeg vele zijner vijanden, en na Hunvor,

die intusschen de vijand naar Indië had gevoerd, teruggehaald te

hebben, zette hij zich neer in Zweden. Zijn vriend, trouw zoowel in

vrede als in oorlogstijd, zette zich naast hem neer en huwde ook,

terwijl hij zich tot vrouw koos Ingeborg, Hunvor's kamermaagd.

De sage beschrijft nu de lange, vreedzame winters, als de helden feest

vierden en luisterden naar de verhalen der skalden, terwijl zij zich

enkel opmaakten tot krachtige daden als de terugkeerende lente hen

weer toestond hun drakenschepen van stapel te laten loopen en opnieuw

hun zeerooverstochten te beginnen.

Toen de Skald nam zijn harp en zong

En breed door het spel der tonen gong

't Geluid, aan het lied gepaard,

Van de harpesnaren stroomd' een klank

Of men ze sloeg met het ijzer blank

Van een zwaard.

En de Berserks altemaal

Barstten los in een roep, die de zaal

Deed daav'ren, uit volle borst:

Ze sloegen de tafel bij hun zang

En riepen: "leve het Strijdzwaard lang

En de Vorst!"

Longfellow's Saga van koning Olaf.

In de oude sage vertellen de skalden met groot genoegen elke phase van

aanval en verweer gedurende het gevecht, en beschrijven elken slag die

gegeven en ontvangen wordt, terwijl zij met voldoening stilstaan bij

het bloedbad en de donkere vlammen, die beide vijanden en schepen in

gemeenschappelijken ondergang omhullen. Een dapper gevecht is echter

dikwijls een belofte van toekomstige vriendschap, en wij vernemen

dat Halfdan en Viking nadat zij er niet in waren geslaagd Njorfe,

een vijand van grooten moed, meester te worden, hun zwaarden na een

hevigen strijd in de scheede staken en hun vijand als derden in hun

innig vriendschapsverbond opnamen. Op weg huiswaarts van een dezer

gewone tochten, verloor Viking zijn beminde vrouw; en haar kind, Ring,

toevertrouwend aan de zorg van een pleegvader, trouwde de dappere held,

na een korten tijd van rouw, opnieuw. Deze keer was zijn huwelijkszegen

grooter, want de sage vertelt dat zijn tweede vrouw hem negen flinke

zonen schonk.

Njorfe, koning van Uplands, in Noorwegen, verheugde zich ook in

een gezin van negen dappere zonen. Maar, ofschoon hun vaders door

banden van de hechtste vriendschap waren verbonden, daar zij elkander

bloedbroederschap hadden gezworen volgens de echte Noorsche zeden,

waren de jonge mannen naijverig op elkander en zeer tot vechten

geneigd.

Het Balspel.

Niettegenstaande deze smeulende geprikkeldheid ontmoetten de jongelui

elkander dikwijls; en de sage vertelt dat zij gewoon waren samen

met den bal te spelen, en geeft een beschrijving van het vroegste

balspel dat in de Noorsche jaarboeken vermeld wordt. Viking's zonen,

even forsch en sterk als hij, waren geneigd zich weinig erom te

bekommeren hoe het hun tegenpartij ging, en te oordeelen naar het

volgend verslag, dat uit de oude sage is vertaald, waren de spelers

dikwijls in een even droevigen toestand als na een modern spel.

"Den volgenden morgen gingen de broeders aan het spelen, en hadden

bijna steeds den bal dien dag in handen; zij troffen menschen en

lieten hen ruw vallen en sloegen anderen. 's Avonds hadden drie mannen

gebroken armen en velen waren gekneusd of verminkt."

Het spel tusschen Njorfes en Vikings zonen liep op een twist uit,

en een van Njorfes zonen bracht een zijner tegenpartijders een

gevaarlijken en verraderlijken slag toe. Verhinderd op dat oogenblik

en op die plaats wraak te nemen, daar de toeschouwers tusschen beiden

kwamen, maakte de beleedigde man een nietszeggende verontschuldiging

om alleen naar het strijdperk terug te keeren; en toen hij daar zijn

aanvaller ontmoette, doodde hij hem.

De bloedveete.

Toen Viking hoorde dat een zijner zonen een van de kinderen van zijn

vriend had vermoord was hij zeer verontwaardigd, en gedachtig aan zijn

eed dat hij alle onrecht, Njorfe aangedaan, zou wreken, verbande hij

den jongen moordenaar. Toen de andere broeders deze uitspraak hoorden,

deden zij de gelofte dat zij den balling zouden vergezellen, en zoo nam

Viking bedroefd afscheid van hen, terwijl hij zijn zwaard Angurvadel

aan Thorsten den oudsten gaf, en hen aanried rustig te blijven op een

eiland in het Wener meer, totdat alle gevaar voor vergelding van de

zijde van Njorfes overgebleven zonen voorbij zou zijn.

De jonge mannen gehoorzaamden; maar Njorfes zonen hadden besloten hun

broeder te wreken, en, ofschoon zij geen booten hadden om hen over het

meer te zetten, maakten zij gebruik van de hulp van een toovenaar om

een sterke vorst te verwekken. Vergezeld van vele gewapenden slopen

zij toen, zonder leven te maken, over het ijs om Thorsten en zijn

broeders aan te vallen, en een vreeslijk bloedbad volgde. Slechts

twee van de aanvallers slaagden er in te ontvluchten, maar zij lieten,

zooals zij meenden, al hunne vijanden onder de dooden.

Toen kwam Viking zijn zonen begraven, en hij bevond dat twee van hen,

Thorsten en Thorer, nog leefden; waarop hij hen heimelijk in een

kelder onder zijn woning bracht, en na verloop van tijd herstelden

zij van hun wonden.

Njorfe's twee overlevende zonen ontdekten weldra door tooverkunsten,

dat hun tegenstanders niet dood waren, en zij deden een tweede

vergeefsche poging om hen te vermoorden. Viking zag dat de twist

voortdurend hernieuwd zou worden als zijn zonen thuis bleven; daarom

zond hij hen nu tot Halfdan, wiens hof zij bereikten na een reeks

van avonturen die in vele opzichten doen denken aan die van Theseus

op weg naar Athene.

Toen de lente aanbrak, ging Thorsten op een zeerooverstocht

en ontmoette toen Johul, Njorfes oudsten zoon, die, intusschen,

met geweld had bezit genomen van het koninkrijk Sogn, nadat hij den

koning had vermoord, zijn erfopvolger Belé had verbannen, en zijn

schoone dochter, Ingeborg, veranderd had in een oude heks.

In het verloop der geschiedenis wordt Johul voorgesteld als een soort

lafaard, want hij nam bij voorkeur zijn toevlucht tot tooverij als

hij Vikings zonen kwaad wilde doen. Zoo verwekte hij hevige stormen,

en Thorsten, na tweemaal schipbreuk geleden te hebben, werd slechts uit

de golven gered door de gewaande heks, die hij beloofde te huwen uit

dankbaarheid voor hare goede diensten. Thorsten, geraden door Ingeborg,

ging nu Belé zoeken, dien hij vond en weer op zijn erfelijken troon

plaatste, nadat hij hem erfelijke vriendschap gezworen had. Hierop

werd de ellendige betoovering gebroken, en Ingeborg, die nu in de

haar aangeboren schoonheid werd gezien, werd met Thorsten verbonden

en woonde met hem te Framnäs.

Thorsten en Belé.

Elke lente trokken Thorsten en Belé er samen op uit in hunne schepen;

en op een van deze tochten verbonden zij zich met Angantyr, een vijand

wiens moed zij behoorlijk hadden leeren kennen, en kregen weer een niet

te schatten goed in bezit, een magisch drakenschip, Ellida geheeten,

dat Aegir, god van de zee, eens aan Viking had gegeven als loon voor

een gastvrije behandeling, en dat hem ontstolen was.

Een vorstlijke gift om te zien, want d' opgaande planken van

't schipraam

Waren met spijkers niet vast, zooals pleegt, maar gegroeid in

elkander.

Zijn gestalte was die van een draak als hij zwemt, maar verder

naar voren

Rees zijn kop met veel fierheid omhoog, zijn hals daarbij straalde

van veel goud;

Zijn buik was gevlekt met rood en met geel, maar achter bij

't roer lag

Rond gevouwen zijn staart in cirkels, gansch schubbig van zilver;

Vleug'len zwart met punten van rood; als ieder gespreid was

Vloog Ellida vooruit met den storm, nog sneller dan d' arend,

Ging zij volledig bemand haar weg over golvende zeeën,

O, dan hieldt gij het wis voor een drijvend kasteel of een slotburg,

't Schip was beroemd waar men kwam, en het eerste der schepen in

't Noorden.

Tegnér, Frithiof-sage.

In het volgende seizoen veroverden Thorsten, Belé en Agantyr de

Orkney-eilanden, die als koninkrijk aan den laatsten gegeven werden,

terwijl hij vrijwillig beloofde een jaarlijksche belasting te zullen

betalen aan Belé. Daarop gingen Thorsten en Belé een tooverring zoeken,

of een armband, die eens door Völund, den smid, gesmeed was en door

Soté, een beroemd roover, was gestolen.

Deze stoute roover was zóó bang dat iemand den tooverring in bezit zou

krijgen, dat hij zich zelf er mee levend begraven had in een aardhoop

in Bretland. Hier, zoo zeide men, hield zijn geest er steeds de wacht

over, en toen Thorsten in zijn graf kwam, hoorde Belé, die buiten

wachtte, het geluid van geweldige slagen die gegeven en teruggegeven

werden, en zag hij donkere vlammen van bovennatuurlijk vuur.

Toen Thorsten eindelijk uit den aardhoop, bleek en bebloed, maar

triumfeerend kwam aan wankelen, weigerde hij te spreken van den schrik

dien hij doorstaan had om den begeerden schat te winnen, maar vaak

placht hij te zeggen, als hij dien liet zien: "Ik beefde eens slechts

in mijn leven, en dat was toen ik hem wegnam".

Geboorte van Frithiof en Ingeborg.

Zoo, eigenaar van de drie grootste schatten van het Noorden, keerde

Thorsten huiswaarts naar Framnäs, waar Ingeborg hem een schoonen

jongen, Frithiof, schonk, terwijl twee zonen, Halfda en Helge, aan

Belé geboren werden. De knapen speelden samen en waren reeds vrij

groot, toen Ingeborg, Belé's dochtertje, geboren werd, en eenigen tijd

later werd het kind toevertrouwd aan de zorg van Hilding, die reeds

Frithiofs pleegvader was, daar Thorstens veelvuldige afwezigheid het

hem moeilijk maakte de opvoeding van zijn jongen te behartigen.

Zij groeiden op in zuiv're vreugd;

Een jonge boom was Frithiofs jeugd;

En nevens hem in bloesemschoon

Zoet' Ingeborg, der tuinen kroon.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiof werd spoedig gehard en dapper onder de leiding van zijn

pleegvader, en Ingeborg ontwikkelde snel de lieflijkste trekken van

karakter en aanvalligheid. Beiden waren het gelukkigst als zij samen

waren; en toen zij ouder werden, werd hun kinderlijke genegenheid

dagelijks dieper en inniger, totdat Hilding, dezen staat van zaken

ziende, den jongen man beval te bedenken dat hij een onderdaan van

den koning was, en dus geen partij voor zijn eenige dochter.

Tot Odin, in zijn sterrenpracht,

Klimt op haar roemrijk voorgeslacht;

Maar Thorstens zoon zijt gij: dit weet!

Want "soort past best bij soort" zoo 't heet.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiofs liefde voor Ingeborg.

Deze wijze raadgevingen kwamen echter te laat, en Frithiof verklaarde

met nadruk dat hij de schoone Ingeborg als bruid wilde winnen, trots

alle belemmeringen en zijn nederige afkomst.

Kort hierop ontmoetten Belé en Thorsten elkander voor het laatst, bij

het prachtige heiligdom van Balder, waar de koning, voelend dat zijn

einde nabij was, een plechtige vergadering, of Thing, had belegd van al

zijn voornaamste onderdanen, om zijn zonen Helge en Halfdan aan zijn

volk als zijn verkoren opvolgers voor te stellen. De jonge erfgenamen

werden bij deze gelegenheid zeer koel ontvangen, want Helge was somber

en stil van aard en tot een priesterlijk leven geneigd, en Halfdan

was van een zwakke, verwijfde natuur en bekend meer om zijn liefde tot

vermaken dan tot oorlog en jacht. Frithiof, die aanwezig was en naast

hen stond was het voorwerp van vele bewonderende blikken der menigte.

Maar op hen volgde Frithiof dan,

Gehuld in blauw gewaad

Een hoofd wel grooter, teeken van

Zijn heldelijken staat.

Hij stond nabij de broeders daar

Als rijpe dag, geschouwd

Tusschen den morgen rozig klaar

En nacht in donker woud.

Tegnér, Frithiof-sage.

Nadat hij zijn laatste instructies en raad aan zijn zonen had

gegeven en vriendelijk tot Frithiof had gesproken, voor wien hij

een hartelijke genegenheid koesterde, wendde de oude koning zich

tot zijn trouwen makker Thorsten, om afscheid van hem te nemen,

maar de oude krijgsman zeide dat zij niet lang gescheiden zouden

zijn. Belé sprak toen weder tot zijn zonen en beval hen dat zij zijn

grafheuvel in het gezicht van dien van Thorsten zouden oprichten,

opdat hun geesten met elkander omgang zouden hebben over de wateren

van de nauwe kreek die tusschen hen zou vloeien, opdat zij zoo zelfs

niet in den dood gescheiden zouden worden.

Helge en Halfdan.

Deze bevelen werden met piëteit uitgevoerd, toen, kort daarop, de oude

makkers hun laatsten adem uitbliezen; en toen de groote grafheuvels

waren opgericht, begonnen Helge en Halfdan hun koninkrijk te regeeren,

terwijl Frithiof, hun vroegere speelmakker, zich naar zijn eigen plaats

te Framnäs begaf, een vruchtbaar verblijf, liggend in een mooi dal,

dat omgeven was door de hooge bergen en de wateren van de altijd

veranderende kreek.

Drie mijl strekten zich uit de velden in 't rond; aan drie kanten

Dalen en bergen en heuv'len, waar aan den vierden de zee lag,

Berken kroonden de toppen, maar over de hellende heuvels

Glansde het goudene koren, en manshoog wuifde de rogge.

Tegnér, Frithiof-sage.

Maar ofschoon omringd door trouwe vrienden en gezegend met veel rijkdom

en het bezit van de beroemde schatten van zijn voorvader, het zwaard

Angurvadel, de Völundring, en het ongeëvenaarde drakenschip Ellida,

was Frithiof ongelukkig, omdat hij de schoone Ingeborg niet langer

elken dag kon zien. Al zijn vroegere geestkracht herleefde echter toen,

in de lente, op zijn uitnoodiging beide koningen hem kwamen bezoeken,

samen met hun schoone zuster, en opnieuw brachten zij lange uren door

in vroolijkheid en gezelligheid. Daar zij dus telkens samen waren, vond

Frithiof gelegenheid om aan Ingeborg zijn diepe genegenheid kenbaar

te maken, en hij ontving als antwoord de betuiging van hare liefde.

Hij zat aan haar zijde en drukte haar hand

En hij voelde den druk dien zij gaf van haar kant;

Toen zijn blik zag haar aan

Dien zij weergaf als 't zonlicht de teedere maan.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiofs vrijage.

Toen het bezoek voorbij was en de gasten vertrokken waren, deelde

Frithiof zijn vertrouweling en aanzienlijksten metgezel, Björn,

zijn besluit mee om hen te volgen en openlijk Ingeborgs hand te

vragen. Zijn schip werd van zijn kettingen losgemaakt en het schoot

als een adelaar over naar de kust bij Balders heiligdom, waar de

vorstelijke broeders gezeten waren in statie op Belé's graf om te

luisteren naar de smeekingen hunner onderdanen. Zonder omwegen ging

Frithiof vóór hen staan en deed moedig zijn verzoek, er bij voegend

dat de oude koning hem altijd had lief gehad en zeker zijn bede zou

toegestaan hebben.

Geen vorst was mijn vader, noch eêl van geslacht:

Toch zingen de skalden van wat hij volbracht,

De Rune noemt 't werk

Volvoerd door mijn stam op bebeitelde zerk.

Heel licht kon ik winnen mij aanzien en land

Maar liever vertoef ik op 't welbekend strand,

Als 'k waap'nen hanteer

Bescherm ik den arme, mijn koning zijn eer.

Op heuvel van Belé hier staan wij, elk woord

In donkere diepten wordt door hem gehoord;

Met Frithiof pleit mede

De vorst in zijn graf: denk dus na, is mijn bede.

Tegnér, Frithiof-sage.

Toen beloofde hij verder levenslange trouw en den dienst van zijn

sterken rechterarm tot loon van het geschenk dat hij begeerde.

Toen Frithiof ophield, rees Helgé op, en den jongen man boos aanziende,

zeide hij "Onze zuster is niet voor een boerenzoon; trotsche heeren

van het Noorden mogen om haar hand dingen, niet gij. Wat uw aanmatigend

aanbod betreft, weet dat ik mijn koninkrijk kan verdedigen. Maar indien

gij mijn dienaar wilt zijn, een plaats in mijn huis kunt gij krijgen".

Woedend over de beleediging hem dus openlijk aangedaan, trok Frithiof

zijn onoverwinnelijk zwaard; maar, bedenkend dat hij op een gewijde

plek stond, sloeg hij enkel op 's konings schild, dat in twee stukken

kletterend op den grond viel. Toen terugkeerend naar zijn schip in

somber zwijgen, scheepte hij zich in en voer weg.

In tweeën gekloofd door een slag viel toen daar

Het schild van den vorst van zijn eiken pilaar;

De slag heeft ontzet

Die leven op aard, die in groef zijn gebed.

Tegnér, Frithiof-sage.

Sigurd Ring als vrijer.

Na zijn vertrek kwamen boden van Sigurd Ring, den onderkoning van

Ringric, in Noorwegen, die, na zijn vrouw verloren te hebben, naar

Helgé en Halfdan zond om Ingeborgs hand te vragen. Voordat hij dezen

koninklijken pretendent antwoord gaf, raadpleegde Helgé de Vala,

of profetes, en de priesters, die allen zeiden dat de voorteekenen

het huwelijk niet gunstig waren. Hierop riep Helgé zijn volk bijeen

om het woord te hooren dat de boden hun meesters moesten brengen,

maar koning Halfdan gaf, jammer genoeg, toe aan zijn schalkschen zin,

en maakte spottend een toespeling op den gevorderden leeftijd van den

koninklijken pretendent. Deze onhoffelijke woorden werden koning Ring

overgebracht en beleedigde hem zóó, dat hij onmiddellijk een leger

verzamelde en zich gereed maakte om tegen de koningen van Sogn op te

trekken ten einde de beleediging met zijn zwaard te wreken. Toen het

gerucht van zijn nadering de laffe broeders bereikte, werden zij bang

en, vreezende den vijand zonder bijstand van anderen te ontmoeten,

zonden zij Hilding tot Frithiof om zijn hulp te vragen.

Hilding vond Frithiof aan het schaakspelen met Björn en bracht dadelijk

zijn boodschap over.

Van Belé's erven spoed 'k me voort

Tot u met vragend, hoflijk woord,

Zij zijn door dreigend nieuws ontsteld;

Op u de hoop van gansch een volk.

In Balders tempel, prooi van zorg,

Treurt dag op dag zoet' Ingeborg:

Zeg, mag zij weenen ongetroost

Terwijl haar ridder hoort noch komt?

Tegnér, Frithiof-sage.

Toen de oude man aan het spreken was, ging Frithiof door met spelen,

terwijl hij er telkens een raadselachtige toespeling op het spel

tusschen wierp, totdat hij, aan dit punt gekomen, zeide:

Björn wil vergeefs mijn koningin

Die 'k sinds mijn kindsheid 't meest bemin!

Z' is in mijn spel mijn liefste stuk,

Kome wat wil--haar houd ik toch!

Tegnér, Frithiof-sage.

Hilding verstond zulk een wijze van antwoorden niet, en berispte

Frithiof ten slotte wegens zijn onverschilligheid. Toen stond Frithiof

op en, vriendelijk de hand van den ouden man drukkend, zeide hij hem,

dat hij den koning moest mededeelen dat hij te diep beleedigd was om

aan hun roep gehoor te geven.

Helgé en Halfdan, dus genoodzaakt te vechten zonder hun dappersten

leider, sloten liever een verdrag met Sigurd Ring, en zij kwamen

overeen dat zij hem niet alleen hun zuster Ingeborg zouden geven,

maar ook een jaarlijksche belasting.

Bij Balders Heiligdom.

Terwijl zij dus bezig waren op Soyn Sound, haastte Frithiof zich

naar Balders tempel waarheen Ingeborg veiligheidshalve gezonden

was, en waar, zooals Hilding had gezegd, hij haar ten prooi vond

aan het verdriet. Ofschoon het nu als een ontheiliging van den

tempel werd beschouwd als een man en vrouw een woord in het heiligdom

wisselden, kon Frithiof niet nalaten haar te troosten; en al het andere

vergetende, sprak hij tot haar en kalmeerde haar, terwijl hij al hare

gedachten dat de goden toornig zouden zijn tot rust bracht door haar

te verzekeren dat Balder, de goede, hun ontschuldigen hartstocht met

goedkeurende blikken moest aanzien, want een zoo zuivere liefde als

de hunne kon geen tempel ontheiligen; en zij eindigden met hun trouw

te bezweren op de meest gewijde plek.

Gij fluistert: "Balder"--vreest zijn woede,

Die eed'le god kent toorn noch haat,

Wij eeren hier een minnaar, goede,

Zijn dienst in onzer harten staat.

De god wiens glans 't van zon moet winnen,

Wiens trouw houdt eeuwigheden stand,

Was niet voor Nanna door zijn minnen,

Zoo zuiver, zoo tot gloed ontbrand?

Zie hier zijn beeld, vol groot gelijken,

Hoe mild, hoe zacht straalt zijn gezicht,

Een offer kon ik hier hem reiken,

Een hart, waar warme liefd' in licht,

Kom, kniel met mij, geen altaargave,

Is Balders ziel meer wellekom,

Dan twee die met haar woorden staven

Weerkeerige trouw in 't heiligdom.

Tegnér, Frithiof-sage.

Gerustgesteld door deze redeneering, die versterkt werd door de stem,

welke luide uit haar eigen hart sprak, kon Ingeborg niet weigeren

Frithiof te zien en met hem te spreken. Tijdens de afwezigheid

der koningen spraken de jonge minnenden elkander dagelijks, en zij

wisselden teekenen van liefde, terwijl Frithiof aan Ingeborg Völunds

armring gaf, dien zij--zoo beloofde zij plechtig--aan haar minnaar

zou terugsturen als zij gedwongen zou worden haar belofte om voor

hem alleen te leven, zou breken. Frithiof toefde te Framnäs totdat de

koningen terugkwamen, toen hij toegevend aan de zachte overredingen van

Ingeborg de Schoone weer voor haar verscheen en beloofde hen van haar

afhankelijkheid van Sigurd Ring te zullen bevrijden, als zij slechts

op hun besluit wilden terugkomen en hem de hand hunner zuster beloven.

Strijd wacht en slaat

Zijn schittrend schild nu in uw rijksgebied;

Uw land, vorst Helgé, is in slavernij

Maar geef m' uw zuster, en ik leen mijn arm

Tot uwe hulp. Zij komt u goed te pas.

Kom, laat de twist van ons nu zijn vergeten,

'k Voed die ongaarne tegen Ingborgs broeder,

Laat raden u, wees wijs, en red meteen

Uw gouden kroon en 't lieve zusterhart

Hier is mijn hand, ik zweer bij Asa-Thor,

Dat nooit ik weer ze tot verzoening strek.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiof verbannen.

Maar ofschoon dit aanbod onder toejuiching van de verzamelde krijgers

werd ontvangen, vroeg Helgé boos aan Frithiof of hij met Ingeborg

had gesproken en zoo Balders tempel had ontheiligd.

Een geroep van "Zeg neen, Frithiof! zeg neen!" brak los uit den kring

van helden, maar hij antwoordde fier: "Ik zou niet liegen als ik

Valhalla er mede beërven kon. Ik heb gesproken tot uw zuster, Helgé,

toch heb ik Balder's vrede niet verstoord."

Een gemompel van afgrijzen doorliep de rijen bij deze bekentenis,

en toen de ruwe stem van Helgé zich tot het vonnis verhief, was er

niemand die de rechtvaardigheid van de uitspraak loochende.

Deze was schijnbaar niet hard, maar Helgé wist zeer goed dat zij den

dood beteekende en dit was zijn bedoeling.

Ver westelijk lagen de Orkney-eilanden, geregeerd door Jarl Angantyr,

wiens jaarlijksche belasting aan Belé niet inkwam nu de oude koning

in zijn graf lag. Men zeide dat hij een harde vuist had en zwaar van

hand was, en aan Frithiof werd de taak opgedragen in persoon van hem

de schatting te eischen.

Voordat hij uittoog op den tocht waartoe hij veroordeeld was, zocht hij

echter nog eens Ingeborg op, en smeekte haar met hem te ontvluchten

naar het zonnige Zuiden, waar haar geluk ook het zijne zoude zijn

en waar zij zou regeeren over zijn onderdanen als zijn geëerbiedigde

vrouw. Maar Ingeborg weigerde bedroefd met hem mee te gaan, zeggende,

dat sedert haar vader er niet meer was, zij onvoorwaardelijk aan hare

broeders moest gehoorzamen en niet kon huwen zonder hun toestemming.

De vurige geest van Frithiof was eerst ongeduldig omdat zijn hoop

was teleurgesteld, maar ten slotte zegevierde zijn edele natuur, en

na een hartverscheurend afscheidstooneel scheepte hij zich in op de

Ellida en zeilde bedroefd de haven uit, terwijl Ingeborg, door een

nevel van tranen, het zeil nastaarde toen het flauwer werd en in de

verte verdween.

Het schip was geheel uit het gezicht, toen Helgé om twee heksen,

Heid en Ham, zond, die hij beval door tooverbezweringen een storm

op zee te verwekken, waarin zelfs het goddelijke schip Ellida het

niet zou kunnen uithouden, zoodat allen aan boord zouden omkomen. De

heksen gehoorzaamden onmiddellijk; en met behulp van Helgé verwekten

zij weldra een storm welks woede ongeëvenaard is in de geschiedenis.

Helgé op 't strand

Doet zijn tooverspel,

Heeft hen in zijn hand,

Duiv'len van de hel.

Duisternis omwolkt de lucht,

Hoor, de donder rolt verwoed,

Bleeke bliksem waar hij vlucht

Tint de grauwe zee met bloed.

De oceaan die kookt en ziedt,

Spreidt z'n schuim in wild gebruis,

Gillend of met snelheid vliedt

Vooglen vlucht naar veilig thuis.

Tegnér, Frithiof-sage.

Dan de storm schiet aan, gevleugeld,

Wilder, wilder, drukt hen neer,

Nu in diep, dan, onbeteugeld,

Heft hen tot der goden sfeer;

Elke schrikgeest vaart nu dreigend

Op de torenhooge zee

Uit de golven, wentlend, stijgend

Bodemloos, een graf van wee.

Tegnér, Frithiof-sage.

De Storm.

Onbeangst door de kokende golven en gierende winden zong Frithiof een

vroolijk lied om zijn verschrikt scheepsvolk te kalmeeren; maar toen

het gevaar zóó groot werd dat zijn uitgeputte makkers zich verloren

waanden, dacht hij aan de schatting van de godin Ran, die altijd goud

vraagt van hen, die in vrede onder de zeegolven zullen rusten. Hij

nam zijn armband en hieuw hem met zijn zwaard doormidden en verdeelde

hem in gelijke stukken onder zijn mannen.

Wie met leege handen

Gaat tot blauwe Ran?

Kil zijn hare kussen,

Vloeiend haar omarming.

Tegnér, Frithiof-sage.

Hij beval Björn toen het roer te houden, en zelf klom hij boven in

den mast om den horizon te zien. Toen hij daar zat onderscheidde hij

een walvisch waarop de twee heksen den storm beheerschten. Sprekend

tot zijn goed schip, dat begaafd was met verstand en zijn bevelen

kon gehoorzamen, overviel hij nu beiden, walvisch en heksen, en de

zee werd rood gekleurd met hun bloed. Op hetzelfde oogenblik ging

de wind liggen, de golven hielden op te dreigen, en mooi weer lachte

weder over het water.

Uitgeput door hun voorafgaande bovenmenschelijke pogingen en door de

inspanning die het uitscheppen van hun met water vol geloopen vaartuig

hun kostte, waren de mannen te zwak om te landen, toen zij ten slotte

de Orkney-eilanden bereikten, en moesten aan de kust worden gebracht

door Björn en Frithiof, die hen zacht op het zand legden en zeiden

dat zij moesten uitrusten en zich verfrisschen na al den nood dien

zij hadden doorstaan.

Toch nog moeier dan hun Draakschip

Wank'len Frithiofs mannen aan,

Steunt ook ieder op zijn wapen

Nauwlijks kan hij rechtop staan.

Björn op sterke schouders waagt het

Vier te beuren op het strand.

Frithiof neemt er acht en draagt ze

Waar het vuur reeds lustig brandt.

Neen, schaamt u niet, gij bleeken!

Want golven zijn als Vikings,

Zwaar is d' oneven strijd,

Zeedochters haten ons.

Zie, daar komt de drinkhoorn,

Gaand' op gouden voet,

Verwarmt u, koude zeelui,

Ik drink op Ingeborg.

Tegnér, Frithiof-sage.

De komst van Frithiof en zijn mannen, en hun manier van landen,

werd opgemerkt door den wachter van Angantyr, die dadelijk zijn

meester meedeelde alles wat hij gezien had. De vorst riep dat het

schip, hetwelk zulk een storm doorstaan had, enkel Ellida kon zijn

en dat zijn kapitein zonder twijfel Frithiof was, de dappere zoon

van Thorsten. Toen hij dit hoorde nam een van zijn Berserkers, Atlé,

zijn wapens en schreed uit de hal, zeggende dat hij Frithiof wilde

uitdagen, en dus zich zelf voldoening wilde verschaffen in zake de

waarheid van de verhalen, die hij aangaande den moed van den jongen

held had gehoord.

Atlé's uitdaging.

Ofschoon nog zeer uitgeput nam Frithiof onmiddellijk Atlé's uitdaging

aan, en na een hevig zwaar gevecht, waarin Angurvadel overwon,

vochten de twee kampioenen in doodelijke omarming. Wijd en zijd is

die worsteling in het Noorden beroemd, en de helden waren beide goede

partijen, maar ten slotte wierp Frithiof zijn tegenstander neer, dien

hij toen en daar ter plaatste zou gedood hebben als zijn zwaard binnen

zijn bereik was geweest. Atlé zag zijn bedoeling en verzocht hem het

wapen te gaan halen, terwijl hij beloofde dat hij onbewegelijk zou

blijven gedurende zijn afwezigheid. Daar Frithiof wist dat zulk een

belofte van een held onschendbaar was, gehoorzaamde hij onmiddellijk;

maar toen hij met zijn zwaard terugkwam en zijn tegenpartij rustig

den dood vond afwachten, werd hij getroffen en verzocht Atlé op te

staan en te leven.

"Nu stormen zonder beven

"Als baren held op held

"En slaan met staal omgeven

"Hun borsten met geweld."

"Zij vechten als hun beren

"Op sneeuwland, fel verwoed,

"En als twee aad'laars weren

"Zich boven wilden vloed.

"Zelfs hechte rotsen zouden

"Hen nauwelijks weerstaan,

"De sterkste eik der wouden

"Viel vast voor minder slaan

"Hun zweet vloeit neer in stroomen,

"Hun borsten zwoegen wild;

"Ook krijgen steenen, boomen

"Den slag van speer die trilt."

Tegnér, Frithiof-sage.

Samen gingen nu de gekalmeerde helden naar Angantyr's hal, die,

zooals Frithiof zag, zeer verschilde van de ruwe woningen van zijn

geboorteland. De muren waren met leder bedekt dat rijk versierd was

met vergulde teekeningen. Het schoorsteenstuk was van marmer, en

glasruiten waren in de vensterramen. Een zacht licht werd verspreid

door vele kaarsen die in zilveren armen brandden, en de tafels bogen

onder de meest weelderige spijs.

Hoog in een zilveren stoel zat de vorst, gekleed in een gouden

maliënkolder, waarover een rijke mantel was heengeworpen, die met

hermelijn was omzoomd; maar toen Frithiof binnentrad schreed hij van

zijn zetel en strekte vriendelijk de hand uit. "Menigen horen heb ik

met mijn ouden vriend Thorsten geledigd," zeide hij, "en zijn dappere

zoon is eveneens welkom aan mijn disch."

Rustig ging Frithiof naast zijn gastheer zitten, en nadat hij had

gegeten en gedronken, vertelde hij zijn avonturen te land en ter zee.

Ten slotte echter deelde Frithiof zijn boodschap mede, waarop Angantyr

zeide dat hij geen schatting verschuldigd was aan Helgé, en hem geen

wilde betalen; maar dat hij de verschuldigde som als een vrije gift

aan den zoon van zijn ouden vriend zou geven, terwijl hij hem de

vrijheid liet er over te beschikken zooals hij wilde. Intusschen,

daar het jaargetijde ongeschikt was tot de terugreis en stormen

voortdurend de zee zweepten, noodigde de koning Frithiof uit met

hem den winter over te blijven; en het was eerst toen de lieflijke

lentekoelten weer bliezen, dat hij hem ten slotte toestond weg te gaan.

Frithiofs thuiskomst.

Afscheid nemende van zijn gastheer stak Frithiof in zee en, gestuurd

door gunstige winden, kwam de held, na zes dagen in het gezicht van

Framnäs, en bevond dat zijn huis in een vormlooze aschhoop was verkeerd

op bevel van Helgé. Bedroefd schreed Frithiof over de verwoeste

plek waar het huis zijner kindsheid had gestaan, en, toen hij de

troostelooze plaats overzag, brandde zijn hart in hem. De ruïnen

waren echter niet geheel verlaten, en plotseling voelde Frithiof

den kouden snuit van zijn hond in zijn hand. Eenige oogenblikken

daarna sprong zijn geliefkoosd ros aan zijns meesters zijde en de

trouwe schepselen waren bijna wild van vreugde. Toen kwam Hilding

hem bezoeken met de mededeeling dat Ingeborg nu de vrouw van Sigurd

Ring was. Toen Frithiof dit hoorde, beving hem een Berserker woede en

hij beval zijn mannen de schepen in de haven in den grond te boren,

terwijl hij naar den tempel ging om Helgé te zoeken.

De koning stond gekroond in het midden van een kring van priesters,

van welke eenigen brandende pijntakken zwaaiden, terwijl allen een

offermes van steen vasthielden. Plotseling was er een gekletter van

wapenen en Frithiof stortte naar binnen, zijn voorhoofd donker als

herfststormen. Helgé's gelaat werd bleek toen hij den toornigen held

aanzag, want hij wist wat zijn komst beteekende. "Neem uw schatting,

Koning," zei Frithiof, en met deze woorden nam hij de beurs uit den

gordel en wierp ze in Helgé's gezicht met zulk een kracht, dat het

bloed uit zijn mond stroomde en hij aan Balder's voeten in zwijm viel.

De zilvergebaarde priesters naderden de plaats waar de gewelddaad

was geschied, maar Frithiof wenkte hen terug, en zijn blikken waren

zóó dreigend, dat zij niet ongehoorzaam durfden wezen.

Toen viel zijn oog op den armring dien hij aan Ingeborg had gegeven

en dien Helgé aan den arm van Balder had gedaan, en, toeschrijdend op

het houten beeld zeide hij: "Vergiffenis, groote Balder, niet voor

u werd de ring gehaald uit Völunds graf!" Toen greep hij den ring,

maar hoe hard hij ook trok, hij wilde er niet af. Eindelijk spande

hij al zijn krachten in, en met een plotselingen ruk kreeg hij den

ring en op hetzelfde oogenblik viel het beeld van den god voorover op

het altaarvuur. Onmiddellijk werd het in vlammen gehuld, en voordat

iets kon gedaan worden stond de geheele tempel in vuur en rook.

't Is al voorbij! Nu heft omhoog

De roode haan zijn vleug'len!

Zit op het dak, schreeuwt waar hij vloog

Met wieken, niet te teug'len.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiof, hevig verschrikt bij de ontwijding die hij zonder het

te willen op zijn geweten had, trachtte te vergeefs de vlammen te

blusschen en het kostbare heiligdom te redden, maar, bespeurend dat

zijn pogingen niets gaven, ontvlood hij naar zijn schip en besloot

tot het moeizame leven van een verworpene en een banneling.

Gij moogt niet rusten

Weg van de kusten

Ellida!--voort

Van oord tot oord,

Steeds verder spoeden

Door zoute vloeden

Mijn dierb're Draak!

Gij golven stout

Helpt me! wij beiden

Gaan nooit weer scheiden!

Mijns vaders groef

Ligt ginder droef,

De waat'ren neuren

In eindloos treuren,

Toch blauwt mijn boot

Door zeeën groot,

Door buien zwoegend,

De golven ploegend

Zal verder gaan,

Op, af en aan;

Wees mij voor 't leven

Tot woon gegeven,

Wees graf voor mij

O zee, zoo vrij.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiof als balling.

Helgé vervolgde hem met tien groote drakenschepen, maar deze waren

nauwelijks onder weg of zij begonnen te zinken, en Björn zeide

lachend: "Wat Ran toevouwt zal zij dunkt mij houden". Met moeite kwam

koning Helgé aan land, en de overlevenden moesten hulpeloos blijven

toekijken terwijl Ellida's groote zeilen langzaam wegzonken achter den

horizon. Zoo zag Frithiof bedroefd zijn geboorteland uit het gezicht

verdwijnen; en toen hij verdween riep hij een teeder vaarwel toe aan

het geliefde land, dat hij nooit weer dacht terug te zien.

Na zoo zijn geboorteland verlaten te hebben, zwierf Frithiof over zee

als een roover of viking. Zijn wet was: nooit ergens aan wal te gaan,

op zijn schild te slapen, te vechten en noch kwartier te geven noch

te nemen, de schepen te beschermen die hem schatting opbrachten en

de andere te plunderen, en den geheelen buit onder zijn manschappen

te verdeelen, terwijl hij voor zich zelf niets anders behield dan

den roem van de onderneming. Zoo varend en vechtend bezocht Frithiof

vele landen en kwam ten slotte aan de zonnige Grieksche eilanden waar

hij gaarne Ingeborg als bruid had heengebracht; en het gezicht riep

zoovele droeve herinneringen bij hem wakker, dat hij bijna overweldigd

was door het verlangen naar zijn geliefde en naar zijn geboorteland.

Aan het hof van Sigurd Ring.

Drie jaren waren voorbijgegaan en Frithiof besloot noordwaarts

terug te keeren en het hof van Sigurd Ring te bezoeken. Toen hij

zijn plan aan Björn mededeelde, verweet hem zijn trouwe makker

dat hij zoo onbezonnen was er over te denken om alleen te reizen,

maar Frithiof wilde niet worden afgebracht van zijn plan en zeide:

"Ik ben nooit alleen terwijl Angurvadel aan mijn zijde hangt". Hij

stuurde Ellida de Vik (het opperste gedeelte van de Christiania Fiörd)

op, vertrouwde haar toe aan de zorg van Björn, en, gewikkeld in een

berenhuid, die hij als vermomming droeg, vertrok hij alleen te voet

naar het hof van Sigurd, waar hij aankwam toen de Yulefeesten aan

den gang waren. Alsof hij niet meer was dan een oude bedelaar ging

Frithiof op de bank bij de deur zitten, waar hij weldra het voorwerp

van de ruwe grappen der hovelingen werd. Toen echter een van zijn

plagers te dicht bij hem kwam, greep hem de zoogenaamde bedelaar met

sterke vuist en zwaaide hem hoog boven zijn hoofd.

Verschrikt door deze openbaring van bovenmenschelijke kracht trokken

de hovelingen zich fluks terug van zijn gevaarlijke nabijheid,

terwijl Sigurd Ring, wiens aandacht door de drukte getrokken werd,

den vreemden gast met strengheid beval nabij te komen en te vertellen

wie dus den vrede durfde verstoren in zijn koninklijke hal.

Frithiof antwoordde ontwijkend dat hij in boetedoening was groot

gebracht, dat hij armoede had geërfd en dat hij honger had; wat zijn

naam betrof, deze kwam er niet op aan. De koning, zooals hoffelijke

gewoonte was, drong niet verder bij hem aan, maar noodigde hem uit een

zetel te nemen naast hem en de koningin, en met hen te eten. "Maar

eerst", zei hij "laat de gehavende kleedij vallen, die, als ik mij

niet vergis, een flinke gestalte verbergt".

Frithiof nam gaarne de dus hartelijk tot hem gerichte uitnoodiging aan,

en toen de harige bedekking van zijn hoofd en zijn schouders viel,

stond hij bloeiend in de fierheid van de jeugd, zeer tot verbazing

der verzamelde krijgers.

Maar ofschoon zijn verschijning hem deed kennen als iemand van ongewoon

ras, herkende hem geen der hovelingen. Het was echter iets anders met

Ingeborg. Als een nieuwsgierig oog in dat oogenblik op haar gericht

geweest ware, zou haar verschietende kleur en de snelle beweging van

haar borst haar diepe ontroering hebben geopenbaard.

Hoe kleurt nu een tint van rood haar het vorst'lijke, bleeke

gezicht,

Zoo purper op velden in sneeuw het huiverende wonderlicht,

Als twee witte waterlelies die dobbren op stroom, ongestild,

Maar aldoor rijzend en dalend, dus zwoegt haar het harte wild.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiof had nauwelijks plaats genomen aan tafel, toen met

trompetgeschal een groot wild zwijn werd binnengebracht en voor den

koning geplaatst. Overeenkomstig de Yule-gewoonte dier dagen stond

de oude vorst op, en, aanrakend den kop van het dier, uitte hij een

gelofte dat hij met hulp van Frey, Odin en Thor den stoutmoedigen

kampioen Frithiof zou overwinnen. Het volgende oogenblik stond ook

Frithiof overeind, en met zijn zwaard slaande op de groote houten

bank, verklaarde hij dat Frithiof zijn bloedverwant was en hij ook de

gelofte wilde doen, dat, ofschoon de heele wereld er tegen op kwam,

den held geen leed zou geschieden, zoolang hij de macht had zijn

zwaard te voeren.

Op deze onverwachte interruptie waren de mannen snel van de eikenhouten

banken opgestaan. Maar Sigurd Ring glimlachte toegeeflijk over de

heftigheid van den jongen man, en zeide: "Vriend, uwe woorden zijn

overmoedig, maar nooit werd hier een gast ontzegd zijn gedachten te

uiten in deze koninklijke hal". Toen keerde hij zich tot Ingeborg en

beval haar een grooten, rijkversierden horen, die voor haar stond,

tot den rand met haar beste meede te vullen en haar den gast aan te

bieden. De koningin gehoorzaamde met ter neder geslagen oogen en het

beven van haar hand maakte dat het vocht overliep. Twee gewone mannen

konden nauwelijks de groote hoeveelheid opgedronken hebben, maar

Frithiof hief ze naar zijn lippen, en, toen hij den horen terugtrok,

was er geen druppel van de meede meer in.

Eer de maaltijd geëindigd was noodigde Sigurd Ring den jongen

vreemdeling uit om aan zijn hof te blijven totdat het weer lente

was, en Frithiof, de aangeboden gastvrijheid aannemend, werd de

trouwe makker van het vorstelijk paar, dat hij bij alle gelegenheden

vergezelde.

Op zekeren dag ging Sigurd Ring met Ingeborg naar een feestmaal. Zij

reisden in een slee, terwijl Frithiof op schaatsen, bevallig naast

hen ging en vele geheimzinnige teekenen in het ijs kraste. Hun

weg voerde hen over een gevaarlijk stuk van de bevroren vlakte, en

Frithiof waarschuwde den koning dat het verstandig zou zijn dit te

vermijden. Hij wilde echter naar den raad niet hooren, en plotseling

zonk de slee in een diepe spleet, die ze met den koning en de koningin

dreigde te verzwelgen. Maar als een valk zoo snel was Frithiof in

een oogenblik bij hen en trok zonder moeite het paard en zijn last

op het harde ijs. "Inderdaad," zeide Ring, "Frithiof zelf kon het

niet beter gedaan hebben."

De lange winter liep ten einde, en in de vroege lente richtten de

koning en de koningin een jachtpartij aan, waaraan het geheele hof

deelnam. Toen de jacht plaats had, maakten zijn vergevorderde jaren

het Sigurd Ring onmogelijk door te zetten, en zoo geschiedde het dat

hij achter bleef, tot dat hij ten slotte met Frithiof alleen was. Zij

reden samen langzaam voort, totdat zij een lieflijk dal bereikten

dat den vermoeiden koning tot rusten uitnoodigde, en hij zeide dat

hij een oogenblik wilde liggen slapen.

Toen wierp Frithiof af zijn mantel, legde hem op 't gras en zie!

Vol vertrouwen lei de koning, nu zijn hoofd op Frithiofs knie

Sliep zoo rustig als de held slaapt, is het strijdrumoer geschorst,

Op zijn schild, of als het kind slaapt aan de zachte moederborst.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiofs trouw.

Toen de oude koning dus sliep, zong een vogel voor Frithiof van een

boom in de nabijheid en zeide hem dat hij gebruik moest maken van

de onmacht van zijn gastheer, om hem te dooden, en de bruid terug

te winnen van wie hij zoo schandelijk beroofd was. Maar ofschoon

Frithiofs warm jong hart naar zijn verloofde snakte, wierp hij toch

de lafhartige gedachte van zich af, maar, bang dat hem de verzoeking

te sterk zou worden, trots zijn afschuw van het denkbeeld, gooide hij

in een opwelling zijn zwaard ver van zich in een naburig kreupelbosch.

Eenige oogenblikken later opende Sigurd Ring zijn oogen en zeide

Frithiof dat hij zich slechts had gehouden alsof hij sliep; hij

vertelde hem ook dat hij hem van het eerste oogenblik af had herkend

en hem op allerlei wijze op de proef gesteld had en bevonden had dat

zijn eer gelijk was aan zijn moed. De ouderdom was hem nu te machtig

geworden en hij voelde dat de dood naderde. Frithiof zou dus mogen

hopen dat zijn liefste verwachting binnenkort zou verwezenlijkt

worden, en Sigurd Ring zeide hem dat hij gelukkig zou sterven als

hij tot het einde toe bij hem bleef.

Maar een ander gevoel had Frithiof overmeesterd, en hij vertelde

den ouden koning dat hij overtuigd was dat Ingeborg nooit de zijne

kon zijn wegens den toorn van Balder. Te lang was hij gebleven; hij

wilde opnieuw op zee gaan en den dood in den strijd zoeken om zoo de

vertoornde goden te verzoenen. Vol van dit plan maakte hij spoedig

toebereidselen om te vertrekken, maar toen hij naar het hof terugkeerde

om zijn vorstelijken gastheer en zijn gastvrouw vaarwel te zeggen vond

hij Sigurd Ring stervende. De oude krijgsman herinnerde zich dat een

"strooien dood" Odin niet gunstig zou stemmen, en in tegenwoordigheid

van Frithiof en zijn hof sneed hij moedig de doodsrunen op zijn

arm en zijn borst. Toen greep hij Ingeborg met de ééne hand vast

en hief de andere op om Frithiof en zijn jeugdigen zoon te zegenen,

en verscheidde in vrede, naar de hallen der gezaligden.

Goden, ik groet u!

Zonen van Valhalla!

D'aarde verdwijnt; tot der Asenen feest

Roept mij de Giallar-hoorn;

Zaligheid, als een

Helm van goud, omringt den gast die kome!

Tegnér, Frithiof-sage.

Verloving van Frithiof en Ingeborg.

De krijgslieden van de natie vergaderden nu in een plechtig Thing om

een troonopvolger te kiezen. Frithiof had de geestdriftige bewondering

van het volk gewonnen, en zij zouden hem gaarne tot koning hebben

gekozen; maar hij hief Sigurd Rings zoontje hoog op zijn schild toen

hij het geschreeuw hoorde dat zijn naam riep, en stelde het kind aan

de vergadering voor als hun aanstaanden koning, openlijk zwerend dat

hij hem zou ondersteunen totdat hij oud genoeg was om het gebied te

verdedigen. De knaap, moe van zijn lastige positie, sprong stoutmoedig

op den grond toen Frithiof zijn rede had geëindigd en kwam op zijn

voeten te land. Deze daad van behendigheid en durf in een zóó jong

persoon trof de ruwe Noren, en een luid geroep ging omhoog. "Wij

kiezen u, op het schild gedragen kind!"

Maar zie, gebeurd op schild zat daar

Het knaapje trotsch,

Zoo tuurt in zon een adelaar

Uit wolk om rots.

Maar dan zijn rust'loos bloed bevond

't Hier zijn te lang,

En met één sprong zocht hij den grond,

Vlug en niet bang.

Tegnér, Frithiof-sage.

Volgens sommige berichten oorloogde Frithiof nu met de broeders

van Ingeborg, en, na hen overwonnen te hebben, stond hij hen

toe hun rijk te behouden mits zij hem een jaarlijksche schatting

betaalden. Vervolgens bleven hij en Ingeborg in Ringric totdat de

jonge koning in staat was de regeering te aanvaarden, waarop zij naar

Hordaland vertrokken, een rijk dat Frithiof eens door verovering had

verkregen, en dat hij aan zijn zonen Gungthiof en Hunthiof overliet.

De afloop van Bisschop Tegnérs verhaal is echter heel anders,

en, indien het minder schijnt te passen bij den ruwen aard van

de onbeschaafde zeerooverstijden, maken zijn hoogere geestelijke

eigenschappen het meer aanlokkelijk. Volgens Tegnérs gedicht werd

Frithiof door het volk van Sigurd Ring aangevuurd om Ingeborg te huwen

en onder hen als bewaker van het land te blijven. Maar hij antwoordde

dat dit niet kon, daar de toorn van Balder nog tegen hem gloeide,

en niemand hem zijn geliefde bruid kon geven. Hij zeide het volk,

dat hij over de zeeën wilde varen en wilde zoeken om vergiffenis van

den god te krijgen, en kort daarop nam hij afscheid en dreef de wind

opnieuw zijn schip voort. Frithiofs eerste bezoek werd gebracht aan

den grafheuvel van zijn vader, waar hij, gedompeld in zwaarmoedigheid

door de verlatenheid rondom, zijn ziel uitstortte voor den beleedigden

god. Hij herinnerde zich dat het de gewoonte was van de Noormannen

geld te eischen voor gedoode verwanten, en zeker zouden de zalige goden

niet minder vergevend zijn dan de op aarde geborenen. Hartstochtelijk

bezwoer hij Balder hem te toonen hoe hij zijn niet bedoelde vergrijp

zou kunnen goedmaken, en plotseling werd hem een antwoord vergund en

Frithiof zag in de wolken een visioen van een nieuwen tempel.

Daar plotseling, op het westelijk water zwevend

Komt aan een Beeld, in goud en vlammen levend,

Het zweeft op Balders bosch, nachtwolken onder,

Als gouden kroon rust op een bed van groen.

Straks staat het vast, met boog en muur en drempel,

Waar Balder stond is nu een nieuwe tempel.

Tegnér, Frithiof-sage.

De held begreep onmiddellijk, dat de goden dus een middel tot

verzoening hadden aangegeven, en hij zag op tegen kosten noch moeite,

totdat een prachtige tempel en bosch, die verre de pracht van het

oude heiligdom te boven gingen, uit de bouwvallen oprees.

Voltooid was Balders heiligdom,

Geen palissade stond rondom

Nu meer van hout,

Een ijzeren hekwerk, punten goud,

Schooner en sterker dan voorheen

In evenwicht verscheen

Om Balders heilig huis. Een lange stoet

Geharnasten die speren schitt'ren doet.

En helmen 't zonlicht--dus in pracht

Blonk in het heilig woud de fiere wacht.

En van graniet, met groote zorg bedocht

Een stoute kunst, was 't machtig werk gewrocht,

En zooals reuzenhallen,

Die tijden niet doen vallen,

Rees 't op--lijk Upsals tempel, waar het Noord

Valhall verbeeld zag in dit wereldsch oord.

Trotsch stond het dan op bergkant, zijn profiel

Werd kalm gespiegeld in de klare zee,

Rondom--gelijk een bloemengordel schoon,

Ging Balders Dal, met boschjes vol muziek

En teere vogelzangen, Vreeverblijf.

Tegnér, Frithiof-sage.

Ondertusschen was, toen het hout gehakt werd, koning Helgé afwezig

op een tocht door het Finsche gebergte. Op zekeren dag gebeurde het,

dat zijn troep een rots passeerde, waar het eenzame heiligdom stond

van een vergeten god, en koning Helgé bestormde de rotsspits met het

doel om den bouwvalligen muur om te halen. Het slot bood weerstand,

en toen Helgé sterk trok aan de vermolmde poort, viel plotseling een

gehouwen beeld van den god, die ruw uit zijn langen slaap gewekt was,

van zijn nis naar beneden.

Zwaar kwam hij op het hoofd van den indringer neer, en Helgé viel

lang uit op den rotsgrond en lag bewegingloos.

Toen de tempel naar behooren aan Balders dienst werd gewijd, stond

Frithiof bij het altaar om de komst van zijn bruid af te wachten. Maar

Halfdan kwam eerst over den drempel, terwijl zijn wankelende tred

duidelijk toonde, dat hij een onvriendelijke ontvangst verwachtte. Toen

Frithiof dit zag, gespte hij zijn zwaard los en stapte vrijmoedig op

Halfdan toe met uitgestrekte hand, waarop de koning, met hoogen blos,

de toegestoken hand hartelijk aannam, en van dat oogenblik af waren

alle geschillen vergeten. Het volgende oogenblik kwam Ingeborg,

en de hernieuwde vriendschap van de langgescheiden vrienden werd

bekrachtigd door de hand van de bruid, die Halfdan in die van zijn

nieuwen broeder legde.

Over den koop'ren drempel nu

Halfdan schuw

Kwam met angstigen blik en bleek,

Schuin naar zijn machtigen vijand keek,

En zwijgend op eenigen afstand stond

Toen Frithiof, en zijn hand ontbond

Angurvadel, den sterke, van zijn dij,

Zijn gouden schild wierp hij ter zij;

Op zijn vijand, bang,

Trekt hij los met woord en waardigen gang,

"Het edelst in 't gevecht is hij

Die 't eerst zijn rechter biedt

En versmaadt de trouwe verbroed'ring niet".

Dan Halfdan, blozend, doet heel haastig uit

Zijn ijz'ren handschoen, en zijn hand omsluit

Die van den vriend, te lang gescheiden,

Nu staan als bergen vast zij beiden.

En eindlijk woorden diep

Weerklinken er van zegen en van roem,

Zie! Ingeborg treedt binnen, rijk gesierd

Met bruidstooi en het slanke lijf gehuld

In kostlijk hermelijn, haar volgen stil

Meisjes met klaar gelaat, zooals den maanvorst

Verzellen sterrenstoeten aan de lucht!

Doch d' oogen van de bruid,

Twee heem'len blauw,

Met tranen zijn gevuld,

En aan haars broeders hart zinkt neer zij bevend;

Hij, door zijn zusters rouw

Ontroerd, haar hand aan die van Frithiof gevend.

Legt aan zijn heldenborst den lieven last,

Beproefde trouw is dat wat Ingeborg past.

Tegnér, Frithiof-sage.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 40 / 46 题