Kleine mannen.
In het eerste hoofdstuk zagen wij hoe de zwarte elven, dwergen, of
Svart-alfar als maden gebroed werden in het vleesch van den vermoorden
reus Ymir. De goden, die deze kleine vormelooze schepselen zagen,
terwijl zij in en uit kropen, gaven hun gestalte en trekken, en zij
werden bekend als donkere elven, vanwege hun donker uitzien. Deze
kleine wezens waren zóó onaanzienlijk met hun donkere huid, groene
oogen, groote hoofden, korte beenen en kraaienvoeten, dat zij
het bevel kregen zich onder den grond te verbergen, en nooit zich
over dag mochten vertoonen, anders zouden zij in steen veranderd
worden. Ofschoon veel minder machtig dan de goden waren zij heel wat
scherpzinniger dan de menschen, en daar hun kennis onbegrensd was
en zich zelfs tot de toekomst uitstrekte, stelden goden en menschen
beiden even gaarne vragen.
De dwergen waren ook bekend als trolls, kobolden, Huldra volk
enz. overeenkomstig het land waar zij woonden.
Gij zijt de grijze Troll,
Met oogen, groen en klaar
Maar 'k min u, grijze Troll
Wijs zijt gij altegaar.
Zeg mij van ochtend ras,
Wat gij begrijpt,
Of ik geboren was
En ben gerijpt?
De legende van de kleine fee (Buchanan).
De Tarnkap.
Deze kleine wezens konden zich met wonderbare snelheid van de
eene plaats naar de andere bewegen, en zij hielden er van zich
achter de rotsen te verbergen, wanneer zij ondeugend de laatste
woorden van gesprekken herhaalden die zij van zulke schuilplaatsen
afluisterden. Wegens deze welbekende streek werden de echo's
dwergengesprekken genoemd, en de menschen meenden dat de reden waarom
zij, die zulke geluiden maakten, nooit gezien werden, deze was, dat
iedere dwerg de trotsche bezitter was van een kleine roode kap, die
den drager onzichtbaar maakte. Deze kap heette Tarnkappe, en zonder
deze durfden de dwergen na zonsondergang niet boven het oppervlak van
de aarde verschijnen uit vrees dat zij zouden versteenen. Als zij ze
droegen, waren zij beveiligd voor dit gevaar.
Weg! laat de zon niet zien me--
Ik moet onmiddellijk heen;
Zij zou als Elf misschien me
Verand'ren in een steen.
La Motte Fouqué.
De legende van Kallundborg.
Helva, de dochter van den heer van Nesvek, werd bemind door Esbern
Snara, wiens huwelijksaanzoek echter door den trotschen vader werd
afgewezen met de hoogmoedige woorden: "Als gij te Kallundborg een
grootsche kerk zult bouwen, dan zal ik u Helva tot vrouw geven".
Nu was Esbern, ofschoon van geringen stand, trotsch van hart, evenals
de heer, en hij besloot, wat er van komen mocht, een weg te vinden om
zijn geliefde te krijgen. Zoo ging hij tot een troll in Ullshoi Hell,
en trof een overeenkomst waarbij de troll een mooie kerk zou bouwen,
maar als zij klaar was moest Esbern den naam van den bouwer zeggen
of zijn oogen en zijn hart verbeuren.
Nacht en dag werkte de troll voort, en toen het gebouw bijna klaar
was, werd Esbern Snara, droeviger. Hij luisterde bij de spleten van
den heuvel in den nacht; hij lette op overdag; hij werd als een schim
door zijn angstige gedachten; hij bezwoer de elven hem te helpen. Maar
het baatte allemaal niets. Geen geluid hoorde hij, niets zag hij dat
den naam van den bouwer verried.
Intusschen werd de zaak bekend, en de schoone Helva, die van de
leelijke overeenkomst hoorde, bad voor de ziel van den ongelukkigen
man.
De tijd ging voorbij, totdat op zekeren dag aan de kerk slechts één
pilaar ontbrak, en verleid door duistere wanhoop, zonk Esbern uitgeput
op een bank, waar hij den dwerg den laatsten steen hoorde hameren
in den harden ondergrond. "Dwaas die ik ben", zeide hij bitter,
"ik heb mijn graf gebouwd".
Juist toen hoorde hij een lichten voetstap, en toen hij opkeek,
zag hij zijn geliefde. "Ik wilde dat ik in uw plaats sterven kon",
zeide zij, door hare tranen heen, en daarop bekende Esbern dat hij
uit liefde voor haar oogen zoowel hart als ziel had gewaagd.
Terwijl de troll onder den grond voorthamerde, bad Helva naast
haren minnaar, en de gebeden van het meisje waren sterker dan de
toovermacht van den troll, want plotseling ving Esbern den klank op
van een troll-vrouw die voor haar kind zong en zeide dat het stil
moest zijn, want dat, den volgenden dag, Vader Fine zou terugkeeren
met de oogen en het hart van een sterveling.
Zeker van zijn slachtoffer ijlde de troll naar Kallundborg met
den laatsten steen. "Te laat, Fine!" zei Esbern, en bij dat woord
verdween de troll met zijn steen en men zegt dat de boeren 's nachts
het gezucht van een vrouw onder den grond hoorden en de stem van den
dwerg, die luid schold.
Van den dwerg van de kerk zij zingen het lied
als de maan op de zee hare stralen giet,
en de visschers van Zeeland zij hooren zijn stem
en bij Ulshoi-heuvel het schelden van hem.
En ginds aan den zeekant waar bloeit de berk,
staat steeds nog de toren van Kallundborg kerk,
Waar d' eerste aan 't outer als huwend paar,
Stonden Helva van Nesvek en Esbern Snare.
J. G. Whittier.
De tooverij van de dwergen.
De dwergen, zoo goed als de elven, werden geregeerd door een koning,
die in verschillende landen van Noord-Europa bekend was als Alberich,
Elbegast, Gondemar, Laurin, of Oberon. Hij woonde in een prachtig
onderaardsch paleis, versierd met de edelsteenen die zijn onderdanen
uit den boezem der aarde gehaald hadden, en behalve onnoemelijke
rijkdommen, en de Tarnkap, bezat hij een tooverring, een onoverwinlijk
zwaard en een krachtgordel. Op zijn bevel vervaardigden de kleine
mannen, die heel handige smeden waren, wonderbare juweelen of wapenen,
die hun gebieder aan geliefde stervelingen schonk.
Wij hebben reeds gezien, hoe de dwergen Sifs gouden haar, het schip
Skidbladnir, de punt van Odin's speer Gungnir, den ring Draupnir, het
zwijn met gouden borstels Gullin-bursti, den hamer Miölnir en Freya's
gouden halsketen Brisingamen maakten. Men zegt ook dat zij hebben
vervaardigd den toovergordel, dien Spenser beschrijft in zijn gedicht
"Faerie Queene"--een gordel, die, zooals men beweerde, de kracht had
om te openbaren of hij, die hem droeg, deugdzaam was of een huichelaar.
Die gordel gaf de deugd van kuische min
En trouw aan wie haar omhad, iedereen,
Maar elk die sloeg verboden wegen in
Kon hem niet dragen om het middel heen,
Dan ging hij los of scheurd' ook wel van een.
Faerie Queene (Spenser).
De dwergen maakten ook het mythische zwaard Tyrfing, dat ijzer en
steen kon doorsnijden en dat zij aan Angantyr gaven. Dit zwaard,
evenals dat van Frey, vocht uit zich zelf en kon niet in de scheede
gestoken worden, nadat het eens was getrokken, voordat het bloed
had geproefd. Angantyr was zóó trotsch op dit wapen, dat het met hem
begraven werd; maar zijn dochter Hervor bezocht zijn grafmonument te
middernacht, sprak tooverformulieren uit en noodzaakte hem uit zijn
graf op te staan en haar het kostbare zwaard te geven. Zij voerde het
dapper en het werd later het eigendom van een anderen der Noorsche
helden.
Een ander beroemd wapen, dat volgens de overlevering door de dwergen in
Oostelijke landen gesmeed werd, was het zwaard Angurvadel, dat Frithiof
kreeg als een deel der erfenis van zijn vaderen. Zijn gevest was van
geslagen goud, en op het staal waren runen gegrift die onzichtbaar
waren, totdat het in den oorlog gezwaaid werd, wanneer zij rood
vlamden als de kam van den vechtenden haan.
De held was verloren
Die vond in een nachtelijk gevecht dit zwaard met z'n vurige runen,
Wijd in het rond beroemd, het kostlijkst der zwaarden van
't Noorden.
Tegnér's Frithiof.
Het weggaan van de dwergen.
De dwergen waren over het algemeen vriendelijk en hulpvaardig, soms
kneedden zij brood, maalden meel, brouwden bier, verrichtten tallooze
huiselijke werkzaamheden en dorschten het koren voor de boeren. Als zij
echter slecht behandeld werden of belachelijk gemaakt, verlieten deze
kleine wezens het huis en kwamen nooit weerom. Toen de oude goden niet
meer aangebeden werden in de noordelijke landen, trokken de dwergen
zich geheel uit de streek terug, en een veerman vertelt hoe hij gehuurd
was door een geheimzinnig persoon om zijn boot op zekeren nacht heen
en weer over de rivier te sturen, en bij iederen tocht was zijn schip
zóó vol geladen met onzichtbare passagiers dat het bijna zonk. Toen
zijn nachtelijke arbeid gedaan was, kreeg hij een rijke belooning, en
zijn klant zeide hem dat hij de dwergen over de rivier had gebracht,
daar zij het land voor goed verlieten wegens het ongeloof van het volk.
Ondergeschoven kinderen.
Volgens het populair bijgeloof trachtten de dwergen, die ijverzuchtig
waren op de forschere gestalte van den mensch, dikwijls hun geslacht te
verheffen door menschelijke vrouwen te veroveren of door ongedoopte
kinderen te stelen, en hun eigen kroost in plaats er van aan de
menschelijke moeder ter zooging te geven. Deze dwergkinderen waren
kenbaar aan hun kleine en schamele gestalte. Om haar eigen kind terug
te krijgen en zich van het ondergeschovene te ontdoen, moest een vrouw
bier in eierschalen brouwen of de zolen van de voeten van het kind met
vet insmeren en ze zóó dicht bij de vlammen houden dat de dwergouders,
aangetrokken door de wanhopige kreten van hun kroost, zich haastten
hun eigen kind op te eischen en het gestolene weerom te geven.
Men zeide, dat de troll-vrouwen de macht hadden zich te veranderen in
Mara's of nachtmerries en te kwellen ieder dien zij wilden; maar als
het slachtoffer er in slaagde het gat te stoppen, waardoor een Mara
zijn kamer binnendrong, was zij geheel aan zijn genade overgeleverd en
hij kon haar zelfs noodzaken hem te trouwen als hij dit verkoos. Een
vrouw, die dus verkregen was, moest blijven zoolang de opening,
waardoor zij in het huis gekomen was, was gesloten, maar als de prop
was verwijderd hetzij bij toeval of met opzet, vluchtte zij dadelijk
en kwam nooit weerom.
De Troll-pieken.
Natuurlijk zijn de overleveringen aangaande het kleine volkje overal
in het Noorden veelvuldig, en vele plaatsen zijn verbonden met hun
herinnering. De welbekende Troll-pieken (Trold-Tindterne) in Noorwegen
zijn, zegt men, het tooneel van een strijd tusschen twee troepen
dwergen, die in de hevigheid van het gevecht er niet op letten dat
de zon opging, met het gevolg, dat zij in kleine rotspunten veranderd
werden, die op de kammen van den berg duidelijk zichtbaar zijn.
Een gissing.
Sommige schrijvers hebben de gissing gewaagd, dat de dwergen, die
zoo dikwijls in de oude sagen en feeënvertellingen genoemd worden,
misschien de Phoenicische mijnwerkers waren, die, in de kool-,
ijzer-, koper-, goud- en tinmijnen van Engeland, Noorwegen, Zweden
enz. werkend, gebruik maakten van den eenvoud en de lichtgeloovigheid
der oorspronkelijke bewoners en hen wijs maakten dat zij behoorden
tot een bovennatuurlijk ras en altijd onder den grond woonden, in een
gebied dat Svart-alfa-heim, of de woonplaats der zwarte elven heette.