Jötun-heim.
Zooals wij reeds gezien hebben, meenden de Noorsche volken, dat de
reuzen de eerste schepselen waren die het licht zagen tusschen de
ijsbergen welke den grooten afgrond van Ginnunga-gap vulden. Deze
reuzen waren van den beginne af de tegenstanders en mededingers der
goden, en evenals de laatsten de verpersoonlijking waren van alles
wat goed en liefelijk was, zoo stelden de eersten alles voor wat
leelijk was en boos.
Hij komt--hij komt--de Vorstgeest komt! op den âam van noordenwind,
En het donkre noorsche pijnbosch boog, als 't langs hij ging
ontzind,
Met wilden vleugelslag kwam hij, waar 't vuur op Hekla gloeit,
Op donkre lucht die boven is, en 't ijs met glans besproeit.
J. G. Whittier.
Toen Ymir, de eerste reus, levenloos op het ijs viel, door de goden
verslagen, verdronk zijn kroost in zijn bloed. Eén paar slechts,
Bergelmir en zijn vrouw, ontvluchtten naar Jötun-heim, waar zij gingen
wonen en de voorouders werden van het gansche reuzengeslacht. In het
Noorden werden de reuzen met verschillende namen genoemd, waarvan elk
een bijzondere beteekenis had. Jötun b.v. beteekent "de groote eter",
want de reuzen stonden bekend zoowel om hun ontzaglijken eetlust
als om hun ongewone grootte. Zij waren verzot op drinken zoowel als
op eten, en daarom heetten zij ook Thurses, een woord dat volgens
sommige schrijvers hetzelfde beteekent als dorst; maar anderen denken
dat zij dezen naam te danken hadden aan de hooge torens ("turseis")
die zij, zooals men veronderstelde, gebouwd hadden. Daar de reuzen
tegenover de goden stonden, deden de laatsten altijd hun best hen
te dwingen in Jötun-heim te blijven, dat gelegen was in de koude
streken van de Pool. De reuzen werden bijna altijd verslagen in hun
gevechten met de goden, want zij waren zwaar en traag van verstand,
en hadden enkel steenen wapenen te stellen tegen de bronzen van de
Aesir. Trots deze ongelijkheid werden zij dikwijls zeer door de goden
benijd, want zij waren volkomen op de hoogte van alle kennis van het
verleden. Zelfs Odin was naijverig op deze eigenschap, en zoodra hij ze
verkregen had door een dronk uit Mimir's bron, haastte hij zich naar
Jötun-heim om zich te meten met Vafthrudnir, den geleerdsten van het
reuzenbroed. Maar het zou hem nooit zijn gelukt, zijn tegenstander
in dezen vreemden strijd te verslaan, als hij niet opgehouden had
met te vragen naar het verleden en een vraag aangaande de toekomst
had gesteld.
Van alle goden werd Thor het meest door de Jötuns gevreesd, want
hij voerde voortdurend strijd tegen de vorst- en bergreuzen, die
gaarne de aarde voor goed in hun harde boeien hadden geslagen en zoo
de menschen hadden verhinderd den grond te bebouwen. In het gevecht
tegen hen gebruikte Thor, zooals wij reeds gezien hebben, gewoonlijk
zijn verschrikkelijken hamer Miölnir.
Oorsprong van de bergen.
Volgens Germaansche legenden werd het oneffen oppervlak der aarde
veroorzaakt door de reuzen, die hare gladheid bedierven door er op te
loopen toen zij nog zacht en pasgeschapen was, terwijl de stroomen
werden gevormd door de vele tranen, gestort door de reuzinnen, toen
zij de dalen zagen, die door de groote voetstappen hunner mannen waren
gemaakt. Daar dit het Teutonische geloof was, dachten de menschen dat
de reuzen, die voor hen de bergen personifieerden, ongelukkige wezens
waren, die zich enkel in de duisternis of den mist konden bewegen,
en versteenden zoodra de eerste zonnestralen door de duisternis
drongen of de wolken verspreidden.
Dit geloof bracht hem er toe, een van hun voornaamste bergketenen het
Reuzengebergte te noemen. De Skandinaviërs deelden dit geloof ook, en
tot dezen dag duiden de IJslanders hun hoogste bergtoppen aan met den
naam Jokul, een wijziging van het woord "Jötun". In Zwitserland, waar
de eeuwige sneeuw rust op de hooge bergtoppen, vertellen de menschen
nog oude geschiedenissen van den tijd toen de reuzen rondzwierven;
en als een lawine van de berghelling is afgestort, zeggen zij dat
de reuzen onrustig een deel van den ijslast hebben afgeschud van hun
wenkbrauwen en hun schouders.
De eerste goden.
Daar de goden ook verpersoonlijkingen waren van sneeuw, ijs, koude
gesteenten en onderaardsch vuur, heette het, dat zij afstamden
van den oorspronkelijken Fornjotnr, dien sommige bronnen met Ymir
vereenzelvigen. Volgens deze lezing van de mythe had Fornjotnr drie
zonen: Hler, de zee; Kari de lucht; en Loki het vuur. Deze drie
godheden, de eerste goden, vormden de oudste drieëenheid, en hun
respectieve afstammelingen waren de zeereuzen Mimir, Gymir en Grendel,
de stormreuzen Thiassi, Thrym en Beli en de reuzen van vuur en dood,
zooals de Fenriswolf en Hel.
Daar al de koninklijke dynastieën beweerden af te stammen van een
of ander mythisch wezen, verzekerden de Merovingers dat hun eerste
voorvader een zeereus was, die uit de golven opsteeg in de gedaante
van een os, en de koningin verraste, toen zij alleen op het zeestrand
wandelde, en haar dwong zijn vrouw te worden. Zij schonk een zoon het
levenslicht, die Meroveus heette, de stichter van de eerste dynastie
der Frankische koningen.
Er zijn reeds vele verhalen gedaan over de belangrijkste reuzen. Zij
keeren terug in vele der latere mythen en sprookjes, en vertoonen,
na de invoering van het Christendom, een bijzonderen afkeer van den
klank van kerkklokken en het zingen van monniken en nonnen.
De reus verliefd.
De Skandinaviërs vertellen, in dit verband, dat in de dagen van Olaf
den heilige een reus, Senjemand geheeten, op het Eiland Senjen woonde,
en hij was heel boos, omdat een non op het eiland Grypto dagelijks
hare morgenhymne zong. De reus werd verliefd op een mooi meisje,
Juterna-jesta geheeten, en het duurde lang eer hij moed vond haar
te vragen. Toen hij ten slotte zijn stotterend aanzoek deed, wees
de schoone dame hem toornig af, zeggend dat hij veel te oud en te
leelijk was naar haar smaak.
"Ellendige Senjemand--leelijk en grauw!
Gij minnen het meisje van Kvedfiord!
Neen--een lummel zijt gij en blijft gij ook steeds."
Ballade.
In zijn boosheid, omdat hij zoo toornig was afgewezen, zwoer de reus
wraak en kort daarop schoot hij een grooten steenen pijl van zijn
boog op het meisje, dat tachtig mijlen ver woonde. Een ander minnaar,
Torge, ook een reus, die het gevaar zag waarin zij verkeerde en haar
wilde beschermen, wierp zijn hoed naar den voortsnellenden pijl. Deze
hoed was duizend voet hoog en naar verhouding breed en dik, maar
de pijl doorboorde niettemin den bol, bereikte echter zijn doel
niet. Senjemand, ziende dat hij gemist had en den toorn van Torge
vreezend, besteeg zijn paard en wilde zoo snel mogelijk wegrijden;
maar de zon, die toen juist boven den horizon rees, veranderde hem
in steen, samen met den pijl en Torge's hoed; de groote massa heette
Torghattenberg. Men wijst nog een obelisk aan waarvan men zegt dat
hij de steenen pijl is; verder een gat in den berg, 289 voet hoog
en 88 voet breed, dat heet te zijn de opening door den pijl in zijn
vlucht door den hoed gemaakt; eindelijk den ruiter op Senjen-eiland,
die blijkbaar een kolossaal paard berijdt en de vouwen van zijn wijden
rijmantel dicht om zich heen trekt. De non, wier gezang Senjemand
zoo in verwarring bracht, werd ook versteend en ontrustte nooit weer
iemand met haar psalmgezang.
De Reus en de kerkklokken.
Een andere legende vertelt, dat een van de bergreuzen, gehinderd door
het gelui van kerkklokken op meer dan vijftig mijlen afstand, eens
een hooge rots nam die hij naar het heilige gebouw smeet. Gelukkig
raakte zij niet en brak in tweeën. Sedert dien tijd, zeggen de
boeren, komen de heksen op Kerstavond steeds het grootste steenblok
op steenen pilaren zetten en er onder dansen en feestvieren. Een dame,
die wilde weten of dit verhaal waar was, zond eens haar knecht naar de
plaats. De heksen kwamen en boden hem gastvrij een dronk aan uit een
horen met goud gemonteerd en versierd met runen. Den horen grijpende,
wierp de knecht den inhoud weg en snelde er mee heen in wilden galop,
op den voet gevolgd door de heksen, die hij enkel ontsnapte door te
gaan door een stoppelveld en over stroomend water. Eenige harer kwamen
den volgenden dag bij de dame om dezen horen terug te vragen, en toen
zij weigerde er afstand van te doen, vervloekten zij haar, zeggende dat
haar kasteel verbranden zou telkens als de horen van zijn plaats zou
genomen worden. De voorspelling is driemaal uitgekomen en nu bewaakt
de familie de reliek met bijgeloovige zorg. Een dergelijke drinkbeker,
verkregen op bijna dezelfde wijze door de familie Oldenburg, wordt
vertoond in de verzameling van den koning van Denemarken.
Men dacht dat de reuzen geen vast verblijf hadden maar in het donker
zich bewogen, soms groote massa's aarde en zand dragend, die zij
lieten vallen hier en daar. De zandheuvels in Noord-Duitschland en
Denemarken waren, meende men, aldus gevormd.
Het schip van de reuzen.
Een Noord-Friesche overlevering verhaalt, dat de reuzen een
kolossaal schip hadden, Mannigfual genaamd, dat steeds rondvoer in
den Atlantischen Oceaan. Zóó groot was het schip dat, naar men zeide,
de kapitein het dek te paard overging, terwijl het tuig zóó uitgebreid
en de masten zóó hoog waren, dat de matrozen die er als jongelingen
inklommen als grijsaards naar beneden kwamen, terwijl zij gerust en
zich verfrischt hadden in vertrekken, toebereid en met levensmiddelen
voorzien tot dat doel in de groote blokken der katrollen.
Bij ongeluk gebeurde het eens, dat de stuurman het reusachtige schip
in de Noordzee stuurde, en daar hij zoo snel mogelijk terug wilde naar
den Atlantischen Oceaan en in zoo kleine ruimte niet durfde draaien,
stuurde hij in het Engelsche kanaal. Verbeeld u de teleurstelling van
allen die aan boord waren, toen zij den doorgang nauwer en nauwer
zagen worden hoe verder zij kwamen. Toen zij aan de nauwste plaats
kwamen, tusschen Calais en Dover, scheen het totaal onmogelijk dat
het schip, met den stroom drijvend, zich er een weg door zou kunnen
banen. De kapitein met loflijke tegenwoordigheid van geest, beval
onmiddellijk zijn mannen de zijden van het schip met zeep in te smeren,
en een extra dikke laag op het stuurboord te leggen, waar de puntige
klippen van Dover dreigend verrezen. Nauwelijks waren deze bevelen
uitgevoerd, of het schip ging de nauwe ruimte binnen, en, dank zij
de voorzorgen van den kapitein, gleed het er veilig door. De rotsen
van Dover schrabden er echter zóóveel zeep af, dat zij sedert steeds
bijzonder wit zijn geweest, en de golven die er tegen aan slaan,
hebben een ongewoon schuimig aanzien.
Deze pakkende ervaring was niet de eenige die de Mannigfual had, want
wij vernemen dat zij eens, niemand weet hoe, in de Baltische zee kwam,
waar het water niet diep genoeg was om het schip vlot te houden en
de kapitein beval dat alle ballast overboord zou worden geworpen. Het
materiaal dat dus aan beide kanten van het schip in zee werd gegooid,
vormden de twee eilanden Bornholm en Christiansoë.
Prinses Ilse.
In Thüringen en in het Zwarte Woud zijn de verhalen over de reuzen
legio, en een der meest geliefkoosde bij de boeren is dat van Ilse,
de lieflijke dochter van den reus van den Ilsenstein. Zij was zóó
bekoorlijk dat zij wijd en zijd bekend was als de Schoone Prinses
Ilse, en door een aantal ridders gevrijd werd, van wie zij den Heer
van Westerburg koos. Maar haar vader vond volstrekt niet goed dat
zij met een eenvoudig sterveling omgang had, en verbood haar haar
minnaar te zien. Prinses Ilse was echter stijfhoofdig, en in weerwil
van haars vaders verbod bezocht zij dagelijks haren minnaar. De reus,
woedend over haar volharding en ongehoorzaamheid, strekte ten slotte
zijn groote handen uit, greep de rotsen en maakten een groote kloof
tusschen de hoogte waar hij woonde en het kasteel Westerburg. Hierop
ging Prinses Ilse naar de diepte die haar van haar minnaar scheidde en
wierp zich roekeloos over de steilte in den kokenden stroom beneden,
en werd daar in een betooverende waternimf veranderd. Zij woonde vele
jaren in de heldere wateren, van tijd tot tijd verschijnend om haar
betoovering op stervelingen uit te oefenen, en zelfs, zegt men, won
zij de liefde van Keizer Hendrik, die vele bezoeken bracht aan haren
waterval. Haar laatste verschijning was, volgens het volksgeloof, op
Pinksteren, honderd jaar geleden, en de bewoners zien nog steeds uit
naar de schoone prinses, die, zegt men, nog druk den stroom bezoekt
en haar witte armen zwaait om de reizigers in den koelen stroom van
den waterval te lokken.
Ik ben de Prinses Ilse
En ik woon in Ilsenstein;
Kom met mij naar mijn brug en
Wij zullen zalig zijn.
Uw hoofd wil ik besproeien
Met mijnen held'ren stroom,
Gij zult uw smart vergeten
In zoeten, teeren droom.
En in mijn blanke armen
En aan mijn borst gevleid
Daar zult gij liggen droomen
Van ouden zaal'gen tijd.
Heine.
Het speelgoed van de reuzin.
De reuzen bewoonden de geheele aarde voordat deze aan de menschheid
gegeven was, en slechts met tegenzin maakten zij plaats voor het
menschelijk geslacht, en trokken zich terug in de woeste en dorre
deelen van het land, waar zij hun gezin grootbrachten in strenge
afzondering. Zóó groot was de onkunde hunner kinderen, dat een
jonge reuzin, van huis weggezworven, eens in een bewoond dal kwam,
waar zij voor het eerst in haar leven een boer zag ploegen op den
heuvelkant. Daar zij hem een aardig speelgoed vond, nam zij hem met
zijn span op en deed hem in haar schort en bracht hem met vreugde
thuis om hem aan haar vader te laten zien. Maar de reus beval haar
onmiddellijk boer en paarden naar de plaats terug te brengen waar
zij hen had gevonden, en toen zij dit gedaan had, vertelde hij haar
mismoedig dat de schepselen, die zij voor niet meer dan speelgoed
aanzag, eens het reuzenvolk zouden verdrijven, en heeren der aarde
zouden worden.