HOOFDSTUK XXV: DE ELVEN.

Het gebied der Elven.

Behalve de dwergen was er een andere talrijke klasse van kleine wezens,

Lios-alfan, licht- of witte elven geheeten, die het gebied der lucht

tusschen den hemel en de aarde bewoonden, en in het algemeen geregeerd

werden door den beschermgod Frey uit zijn paleis Alf-heim. Zij

waren lieflijke, weldoende schepselen, zóó zuiver en onschuldig dat,

volgens sommigen, hun naam was afgeleid van denzelfden wortel als

het Latijnsche woord "wit" (albus) die, in een gewijzigden vorm,

gegeven werd aan de met sneeuw bedekte Alpen, en aan Albion (Engeland)

wegens zijn witte kalkrotsen, die men uit de verte kan zien.

De elven waren zóó klein, dat zij onzichtbaar konden rondzweven,

terwijl zij over de bloemen, vogels en vlinders waakten, en daar zij

hartstochtelijk verzot waren op dansen, gleden zij dikwijls op de aarde

neer op een maanstraal om te dansen op het groen. Elkaar bij de hand

houdend, dansten zij in cirkels en maakten daarbij "elvenkringen",

die men kon onderscheiden door het dieper groen en de grootere

weelderigheid van het gras, dat hun kleine voeten hadden gedrukt.

Vroolijk' elven, voeten strekkend

Op muziek uit hooge lucht,

Groene ring op heigrond trekkend,

Dansen vlot met blij gerucht.

Sir Walter Scott.

Als een sterveling in het midden van een dezer elvenkringen stond,

kon hij, volgens het populair geloof in Engeland, de feeën zien en

hun gunst verwerven; maar de Skandinaviërs en Teutonen beweerden,

dat de ongelukkige mensch sterven moest. Ter illustratie van dit

bijgeloof wordt verteld hoe Sir Olaf, die ter bruiloft reed, door

de elven in hun kring werd gesloten. Den volgenden dag waren zijn

vrienden in plaats van vroolijk ter bruiloft te gaan, getuigen van

een drievoudige uitvaart, want zijn moeder en zijn bruid stierven ook,

toen zij zijn zielloos lichaam zagen.

Heer Olaf reed uit, eer de nacht was gegaan

En kwam bij het dansende elvenvolk aan,

De dans is zoo vroolijk,

Zoo vroolijk in 't woud.

En 's anderen morgens eer 't zonlicht was rood,

Vond men in zijn huis drie gestrekt in den dood.

De dans is zoo vroolijk,

Zoo vroolijk in 't woud.

Heer Olaf het eerst, dan zijn jeugdige bruid,

Zijn moeder--zij hield het van jammer niet uit.

De dans is zoo vroolijk,

Zoo vroolijk in 't woud.

Meester Olaf en de Elvendans.

De Elvendans.

Deze elven waren ook geestdriftige musici en hadden vooral genot in een

zekere melodie, die als de elvendans bekend was, en zóó onweerstaanbaar

was dat niemand ze kon hooren en zijn danslust bedwingen. Als een

sterveling, die de melodie hoorde, het waagde ze na te doen, merkte

hij plotseling, dat hij niet kon ophouden en verder en verder moest

spelen, totdat hij van uitputting stierf, tenzij hij handig genoeg

was om de melodie achterstvoren te spelen of iemand zoo goed was de

snaren van zijn viool te breken. Zijn hoorders, die moesten dansen

zoolang de tonen aanhielden, konden slechts ophouden als deze zwegen.

De dwaallichtjes.

In de middeleeuwen waren de dwaallichtjes in het Noorden bekend als

elvenlichten, want deze kleine geesten, vooronderstelde men, deden

de reizigers verdwalen, en het volksbijgeloof hield het er voor,

dat de dwaallichtjes de rustelooze geesten van moordenaars waren,

die tegen hun wil werden gedwongen naar het tooneel hunner misdaden

terug te keeren. Als zij elken nacht hierheen gingen, zoo vertelde

men, herhaalden zij norsch met iederen stap: "Het is goed", maar als

zij terugkwamen herhaalden zij droevig: "Het is verkeerd".

Oberon en Titania.

In latere tijden heette het, dat de feeën of elven geregeerd werden

door den koning der dwergen, die een onderaardsche geest was en als

een demon beschouwd werd en wellicht de toovermacht bezat, door de

zendelingen aan den god Frey ontweldigd. In Engeland en Frankrijk

werd de koning der feeën Oberon genoemd; hij regeerde het feeënland

met zijn koningin Titania, en de grootste feesten op aarde werden in

Midzomernacht gehouden. Dan kwamen al de feeën rondom hem samen en

dansten zoo vroolijk.

Viert dan, blij als vogel, feest,

Iedere elf en toovergeest

Zingen saam in harmonie,

Dansen op de melodie.

Midzomernachtsdroom (Shakespeare).

Alf-blot.

In Scandinavië en Duitschland werden aan de elven offers gebracht

om ze gunstig te stemmen. Deze offers bestonden in een klein dier,

of een schotel honig en melk, en waren bekend als Alf-blot. Zij

kwamen veel voor, totdat de zendelingen het volk leerden dat de elven

slechte demonen waren; toen werden zij op de engelen overgebracht,

die men lang smeekte om de vrienden der menschen te zijn en die

gunstig gestemd werden door dezelfde gaven.

Vele elven, meende men, leefden en stierven met de boomen en planten

waarvoor zij zorgden, maar deze mos-, woud- of boommaagden waren

bijzonder schoon als men ze van voren, maar hol als een trog, wanneer

men ze van achteren zag. Zij komen in vele volksvertellingen voor als

welwillende en hulpvaardige geesten, want zij hielpen de stervelingen

gaarne en traden gaarne in vriendschappelijke verhoudingen tot hen.

Beelden op deurposten.

In Scandinavië werden de elven, beide lichte en donkere, vereerd als

huisgodheden, en hunne beelden werden gesneden op de deurposten. De

Noormannen, die van huis werden gedreven door de tirannie van

Harald Harfager in 874, namen hun besneden deurposten met zich

op hunne schepen mee. Dergelijke snijwerken, die beelden van de

goden en helden bevatten, versierden de pilaren van hun hooge

zetels, die zij ook meenamen. De ballingen toonden hun vertrouwen

in hunne goden doordat zij deze houten beelden overboord wierpen,

toen zij de kusten van IJsland naderden en zich neerzetten, waar de

golven de posten heendroegen, al scheen ook de plaats nauwelijks de

meest begeerlijke. "Zoo droegen zij met zich mede den godsdienst,

de poëzie en de wetten van hun ras, en op het verlaten vulkanisch

eiland bewaarden zij deze herinneringen honderden jaren onveranderd,

terwijl andere Teutonische volken langzamerhand den invloed ondergingen

van hun omgang met de Romeinsche en Byzantijnsche Christenheid". Deze

herinneringen, zorgvuldig bewaard door Saemund den geleerde, vormen de

Oudere Edda's, het meest waardevolle overblijfsel van de Oud-Noorsche

letterkunde, zonder hetwelk wij betrekkelijk weinig van den godsdienst

onzer voorvaderen zouden weten.

De sagen vertellen dat de eerste vestigingen in Groenland en Vinland op

dezelfde wijze plaats hadden, terwijl de Noormannen namelijk landden

waar hunne huisgoden aan de kust dreven.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 38 / 46 题