Het gebied der Elven.
Behalve de dwergen was er een andere talrijke klasse van kleine wezens,
Lios-alfan, licht- of witte elven geheeten, die het gebied der lucht
tusschen den hemel en de aarde bewoonden, en in het algemeen geregeerd
werden door den beschermgod Frey uit zijn paleis Alf-heim. Zij
waren lieflijke, weldoende schepselen, zóó zuiver en onschuldig dat,
volgens sommigen, hun naam was afgeleid van denzelfden wortel als
het Latijnsche woord "wit" (albus) die, in een gewijzigden vorm,
gegeven werd aan de met sneeuw bedekte Alpen, en aan Albion (Engeland)
wegens zijn witte kalkrotsen, die men uit de verte kan zien.
De elven waren zóó klein, dat zij onzichtbaar konden rondzweven,
terwijl zij over de bloemen, vogels en vlinders waakten, en daar zij
hartstochtelijk verzot waren op dansen, gleden zij dikwijls op de aarde
neer op een maanstraal om te dansen op het groen. Elkaar bij de hand
houdend, dansten zij in cirkels en maakten daarbij "elvenkringen",
die men kon onderscheiden door het dieper groen en de grootere
weelderigheid van het gras, dat hun kleine voeten hadden gedrukt.
Vroolijk' elven, voeten strekkend
Op muziek uit hooge lucht,
Groene ring op heigrond trekkend,
Dansen vlot met blij gerucht.
Sir Walter Scott.
Als een sterveling in het midden van een dezer elvenkringen stond,
kon hij, volgens het populair geloof in Engeland, de feeën zien en
hun gunst verwerven; maar de Skandinaviërs en Teutonen beweerden,
dat de ongelukkige mensch sterven moest. Ter illustratie van dit
bijgeloof wordt verteld hoe Sir Olaf, die ter bruiloft reed, door
de elven in hun kring werd gesloten. Den volgenden dag waren zijn
vrienden in plaats van vroolijk ter bruiloft te gaan, getuigen van
een drievoudige uitvaart, want zijn moeder en zijn bruid stierven ook,
toen zij zijn zielloos lichaam zagen.
Heer Olaf reed uit, eer de nacht was gegaan
En kwam bij het dansende elvenvolk aan,
De dans is zoo vroolijk,
Zoo vroolijk in 't woud.
En 's anderen morgens eer 't zonlicht was rood,
Vond men in zijn huis drie gestrekt in den dood.
De dans is zoo vroolijk,
Zoo vroolijk in 't woud.
Heer Olaf het eerst, dan zijn jeugdige bruid,
Zijn moeder--zij hield het van jammer niet uit.
De dans is zoo vroolijk,
Zoo vroolijk in 't woud.
Meester Olaf en de Elvendans.
De Elvendans.
Deze elven waren ook geestdriftige musici en hadden vooral genot in een
zekere melodie, die als de elvendans bekend was, en zóó onweerstaanbaar
was dat niemand ze kon hooren en zijn danslust bedwingen. Als een
sterveling, die de melodie hoorde, het waagde ze na te doen, merkte
hij plotseling, dat hij niet kon ophouden en verder en verder moest
spelen, totdat hij van uitputting stierf, tenzij hij handig genoeg
was om de melodie achterstvoren te spelen of iemand zoo goed was de
snaren van zijn viool te breken. Zijn hoorders, die moesten dansen
zoolang de tonen aanhielden, konden slechts ophouden als deze zwegen.
De dwaallichtjes.
In de middeleeuwen waren de dwaallichtjes in het Noorden bekend als
elvenlichten, want deze kleine geesten, vooronderstelde men, deden
de reizigers verdwalen, en het volksbijgeloof hield het er voor,
dat de dwaallichtjes de rustelooze geesten van moordenaars waren,
die tegen hun wil werden gedwongen naar het tooneel hunner misdaden
terug te keeren. Als zij elken nacht hierheen gingen, zoo vertelde
men, herhaalden zij norsch met iederen stap: "Het is goed", maar als
zij terugkwamen herhaalden zij droevig: "Het is verkeerd".
Oberon en Titania.
In latere tijden heette het, dat de feeën of elven geregeerd werden
door den koning der dwergen, die een onderaardsche geest was en als
een demon beschouwd werd en wellicht de toovermacht bezat, door de
zendelingen aan den god Frey ontweldigd. In Engeland en Frankrijk
werd de koning der feeën Oberon genoemd; hij regeerde het feeënland
met zijn koningin Titania, en de grootste feesten op aarde werden in
Midzomernacht gehouden. Dan kwamen al de feeën rondom hem samen en
dansten zoo vroolijk.
Viert dan, blij als vogel, feest,
Iedere elf en toovergeest
Zingen saam in harmonie,
Dansen op de melodie.
Midzomernachtsdroom (Shakespeare).
Alf-blot.
In Scandinavië en Duitschland werden aan de elven offers gebracht
om ze gunstig te stemmen. Deze offers bestonden in een klein dier,
of een schotel honig en melk, en waren bekend als Alf-blot. Zij
kwamen veel voor, totdat de zendelingen het volk leerden dat de elven
slechte demonen waren; toen werden zij op de engelen overgebracht,
die men lang smeekte om de vrienden der menschen te zijn en die
gunstig gestemd werden door dezelfde gaven.
Vele elven, meende men, leefden en stierven met de boomen en planten
waarvoor zij zorgden, maar deze mos-, woud- of boommaagden waren
bijzonder schoon als men ze van voren, maar hol als een trog, wanneer
men ze van achteren zag. Zij komen in vele volksvertellingen voor als
welwillende en hulpvaardige geesten, want zij hielpen de stervelingen
gaarne en traden gaarne in vriendschappelijke verhoudingen tot hen.
Beelden op deurposten.
In Scandinavië werden de elven, beide lichte en donkere, vereerd als
huisgodheden, en hunne beelden werden gesneden op de deurposten. De
Noormannen, die van huis werden gedreven door de tirannie van
Harald Harfager in 874, namen hun besneden deurposten met zich
op hunne schepen mee. Dergelijke snijwerken, die beelden van de
goden en helden bevatten, versierden de pilaren van hun hooge
zetels, die zij ook meenamen. De ballingen toonden hun vertrouwen
in hunne goden doordat zij deze houten beelden overboord wierpen,
toen zij de kusten van IJsland naderden en zich neerzetten, waar de
golven de posten heendroegen, al scheen ook de plaats nauwelijks de
meest begeerlijke. "Zoo droegen zij met zich mede den godsdienst,
de poëzie en de wetten van hun ras, en op het verlaten vulkanisch
eiland bewaarden zij deze herinneringen honderden jaren onveranderd,
terwijl andere Teutonische volken langzamerhand den invloed ondergingen
van hun omgang met de Romeinsche en Byzantijnsche Christenheid". Deze
herinneringen, zorgvuldig bewaard door Saemund den geleerde, vormen de
Oudere Edda's, het meest waardevolle overblijfsel van de Oud-Noorsche
letterkunde, zonder hetwelk wij betrekkelijk weinig van den godsdienst
onzer voorvaderen zouden weten.
De sagen vertellen dat de eerste vestigingen in Groenland en Vinland op
dezelfde wijze plaats hadden, terwijl de Noormannen namelijk landden
waar hunne huisgoden aan de kust dreven.