De geest van het kwade.
Behalve den afschuwelijker reus Utgard-Loki, de verpersoonlijking
van slechtheid en kwaad, dien Thor en zijn metgezellen in Jötun-heim
bezochten, hadden de oude Noormannen een ander type van de zonde,
dien zij ook Loki noemden, en dien wij reeds onder verschillende
gestalten hebben gezien.
Oorspronkelijk was Loki enkel de verpersoonlijking van het haardvuur
en den geest des levens. Eerst een god, werd hij langzamerhand "god
en duivel tegelijk" en wordt ten slotte algemeen verafschuwd als een
volkomen evenbeeld van den middeleeuwschen Lucifer, den vorst der
leugens, "den veroorzaker van bedrog en den lasteraar" van Aesir.
Volgens sommige bronnen heette Loki de broeder van Odin, maar
anderen beweren dat de twee niet verwant waren, maar elkander alleen
bloedbroederschap hadden gezworen, zooals dit in het Noorden algemeen
voorkomt.
Odin! weet gij nog
Hoe wij in vroeger dagen
Ons bloed vermengden?
Toen gij beslist niet wildet
Bier proeven,
Tenzij we 't samen dronken?
Saemunds Edda.
Loki's karakter.
Terwijl Thor de belichaming is van Noorsche activiteit, verbeeldt Loki
de uitspanning, en de innige kameraadschap die eertijds tusschen deze
twee goden bestond, toont heel duidelijk hoe spoedig onze voorvaderen
begrepen dat beiden tot het welzijn der menschheid noodig waren. Thor
is altijd werkzaam en in ernst, maar Loki maakt van alles een grap,
totdat ten slotte zijn genot in ondeugendheid hem geheel op dwaalwegen
brengt, en hij alle liefde voor het goede verliest en hij uiterst
zelfzuchtig en kwaadwillig wordt.
Hij vertegenwoordigt het kwaad in den verleidenden en schijnbaar
schoonen vorm waarin het zich in de wereld vertoont. Wegens deze
bedriegelijke verschijning vermeden de goden hem eerst niet, maar
behandelden hem als een der hunnen in alle vriendschappelijkheid
en namen hem met zich mede overal waar zij heen gingen, lieten hem
verder niet alleen tot hun vermaken toe, maar ook tot hun vergaderzaal,
waar zij, helaas! te dikwijls naar zijn raad luisterden.
Zooals wij reeds gezien hebben, speelde Loki een groote rol in de
schepping van den mensch, dien hij toerustte met het vermogen om zich
te bewegen en wien hij het bloed vrijelijk door de aderen deed loopen,
waardoor hij met hartstochten werd bezield.
Als verpersoonlijking zoowel van het vuur als van de ondeugendheid
ziet men Loki (bliksem) dikwijls met Thor (donder), dien hij naar
Jötun-heim vergezelt om zijn hamer terug te halen, naar Utgard Loki's
kasteel en naar Geirrod's huis. Hij is het, die Freya's halsketting
en Sif's haar steelt, en Idoen verraderlijk overlevert in de macht
van Thiassi, en ofschoon hij den goden soms goeden raad geeft en hen
werkelijk helpt, is het enkel om hen te bevrijden uit een of anderen
toestand waarin hij hen overijld heeft meegesleept.
Sommige bronnen beweren, dat deze god, in plaats van een deel uit
te maken van de scheppingsdriehoek (Odin, Hoenir en Loeder of Loki)
oorspronkelijk behoorde tot een geslacht van goden ouder dan Odin,
en de zoon was van den grooten reus Fornjotnr (Ymir), terwijl zijn
broeders waren Kari (lucht) en Hler (water), en zijn zuster Ran, de
verschrikkelijke godin van de zee. Andere mythologen echter maken
hem tot den zoon van den reus Farbauti, die vereenzelvigd is met
Bergelmir, den eenigen overlevende uit den zondvloed, en van Laufeia
(bladrijk eiland) of Nal (schip), eigen moeder, dus vaststellend
dat zijn betrekking tot Odin enkel die was van den Noorschen eed
van kameraadschap.
Loki (vuur) huwde eerst Glut (gloed), die hem twee dochters baarde,
Eisa (spranken) en Einmyria (asch); het is dus zeer duidelijk, dat de
Noormannen hem als zinnebeeld van het haardvuur beschouwden en als het
vlammend hout op den haard knettert, dan zeiden de moedertjes in het
Noorden dat Loki zijn kinderen slaat. Behalve zijn vrouw, zegt men,
heeft Loki ook nog gehuwd de reuzin Angur-boda (de angstvoorspellende),
die in Jötun-heim woonde, en die, zooals wij reeds gezien hebben, hem
de drie monsters baarde: Hel, de godin van den dood, de Midgardslang
Iörmungandr, en den grimmigen wolf Fenris.
Loki verwekte den wolf
Bij Angur-boda.
Saemunds Edda.
Sigyn.
Loki's derde huwelijk was met Sigyn, die zich een liefhebbende vrouw
en vol toewijding betoonde, en hem twee zoons baarde, Narve en Vali,
de tweede een naamgenoot van den god die Balder wreekte. Sigyn was
altijd trouw aan haren echtgenoot en verliet hem niet, zelfs toen
hij uit Asgard was geworpen en in de ingewanden der aarde opgesloten.
Daar Loki de belichaming was van het kwaad in de oogen der Noorsche
volken, hadden zij enkel vrees voor hem, bouwden geen tempels hem
ter eere, brachten geen offers aan hem en noemden de schadelijkste
kruiden naar zijn naam. De trillende, overhitte atmosfeer van den
zomer--meende men--duidde zijn nabijheid aan, want de menschen zeiden
dan dat Loki zijn wilde haver zaaide, en als de zon scheen water te
halen, vertelden zij dat Loki bezig was te drinken.
De geschiedenis van Loki is zóó innig verbonden met die van de
andere goden, dat de meeste mythen die op hem betrekking hebben,
reeds verteld zijn en er zijn slechts twee episoden van zijn leven
te verhalen over, een die zijn beteren kant toont voordat hij tot den
aartsbedrieger was ontaard, en de andere laat zien hoe hij ten slotte
de goden er toe bracht, hun vreedzame verblijven door opzettelijken
moord te bezoedelen.
Skrymsli en het kind van den boer.
Een reus en een boer speelden eens samen een spel (waarschijnlijk
schaak, dat een geliefkoosd tijdverdrijf voor den winter was bij de
Noorsche vikings). Natuurlijk hadden zij bepaald dat zij voor zekeren
inzet zouden spelen, en de reus, die won, kreeg den eenigen zoon van
den boer, dien hij--zoo zeide hij--den volgenden dag zou komen halen
en opeischen, tenzij zijn ouders hem zóó knap konden verbergen dat
hij niet kon worden gevonden.
Wetende dat zoo iets voor hen onmogelijk uitvoerbaar was, smeekten
de ouders vurig tot Odin om hulp, en in antwoord op hun beden kwam de
god op aarde neer en veranderde den knaap in een kleinen graankorrel,
die hij in een korenaar midden in een groot veld verborg, verklarend
dat de reus hem niet zou kunnen vinden. De reus Skrymsli echter
bezat wijsheid, veel grooter dan Odin dacht, en toen hij het kind
niet thuis vond, ging hij onmiddellijk naar het veld met zijn zeis,
en maaide het koren af en koos juist de aar uit waar de knaap was
verborgen. Terwijl hij de graankorrels telde zou hij juist zijn hand
op den rechten leggen, toen Odin, die den angstkreet van het kind
hoorde, de korrel uit de hand van den reus rukte en den knaap aan zijn
ouders teruggaf, hem zeggende dat hij alles wat in zijn vermogen was
had gedaan om hen te helpen. Maar toen de reus verklaarde, dat hij
bedrogen was en den volgenden dag den knaap weer zou opeischen tenzij
de ouders hem te slim af waren, gingen de ongelukkige boeren nu naar
Hoenir om hulp. De god hoorde hen goedgunstig aan en veranderde den
knaap in een pluisje dons, dat hij in den borst van een zwaan verborg
die in een vijver in de buurt zwom. Toen nu, eenige minuten later,
Skrymsli kwam, giste hij wat er gebeurd was, en den zwaan grijpend,
beet hij zijn hals af en zou het dons verslonden hebben, had Hoenir
het niet van zijn lippen weggeblazen, buiten zijn bereik, terwijl
hij den knaap gezond en wel aan zijn ouders teruggaf, maar hen zeide,
dat hij hen niet verder kon helpen.
Skrymsli waarschuwde de ouders dat hij een derde poging zou wagen om
het kind te krijgen, waarop zij zich in wanhoop tot Loki wendden,
die het kind naar de zee bracht en het als een klein ei in de kuit
van een bot verborg. Van zijn expeditie terugkeerend ontmoette Loki
den reus bij de kust, en ziende dat hij uit visschen ging, wilde hij
hem vergezellen. Hij voelde zich niet op zijn gemak, vreezende dat
de verschrikkelijke reus zijn plan zou hebben doorzien, en dacht
dat het daarom goed voor hem zou zijn als hij in geval van nood
ter plaatse was. Skrymsli sloeg het aas aan den haak, en was meer
of minder gelukkig in zijn hengelen, toen hij plotseling dezelfde
bot optrok waarin Loki het knaapje, waarvoor hij te zorgen had, had
verborgen. Hij sneed den visch op zijn knie open en ging nauwkeurig
de kuit onderzoeken, totdat hij het ei vond dat hij zocht.
De zaak van den knaap stond zeker zeer gevaarlijk, maar Loki, zijn
kans afwachtende, rukte het ei uit de vuist van den reus, veranderde
het weer in het kind en beval het heimelijk naar huis te loopen,
zijn weg te nemen door het boethuis waar het langs moest en de deur
achter zich sluiten. De verschrikte knaap deed onmiddellijk zooals
hem bevolen was toen hij aan land was, en de reus, die dadelijk
zijn vlucht merkte, sprong hem achterna in het boethuis. Nu had
Loki listig een scherpe piek zóó geplaatst, dat het groote hoofd van
den reus er in volle vaart tegen aan liep, en hij op den grond viel
met een kreet, waarop Loki, ziende dat hij hulpeloos was, hem een
zijner beenen afsneed. Verbeeld u echter de teleurstelling van den
god, toen hij zag dat de stukken zich vereenigden en onmiddellijk
samengroeiden. Maar Loki was een meester in bedrog en bespeurende dat
hier tooverij in het spel was, sneed hij het andere been af, terwijl
hij dadelijk steen en staal tusschen het gescheurde lid en het lichaam
wierp, waardoor hij verdere betoovering verhinderde. De boeren waren
ontzaglijk verlicht toen zij bevonden dat hun vijand verslagen was,
en in het vervolg beschouwden zij Loki steeds als den machtigsten van
den hemelschen raad, want hij had hen werkelijk van hun vijand bevrijd,
terwijl de andere goden slechts tijdelijke hulp verleend hadden.
De reus-Bouwmeester.
In weerwil van hun wonderbare brug Bifröst, den sidderenden weg,
en de waakzaamheid van Heimdall, konden de goden zich niet geheel
veilig voelen in Asgard, en waren dikwijls bang dat de vorstreuzen in
Asgard zouden komen. Om deze mogelijkheid te ontgaan, besloten zij
ten slotte een onneembare sterkte te bouwen, en terwijl zij plannen
maakten hoe dit gedaan kon worden, kwam een onbekend architect met het
aanbod den bouw te ondernemen, mits de goden hem zon, maan en Freya,
godin van jeugd en schoonheid, zouden geven als loon. De goden waren
boos over een zoo aanmatigend aanbod, maar toen zij verontwaardigd
den vreemdeling uit hun tegenwoordigheid wilden jagen, drong Loki
er op aan, dat zij een contract zouden maken hetwelk de vreemdeling
onmogelijk zou kunnen houden, en dus zeiden zij ten slotte tot den
bouwmeester, dat hij de belooning zou hebben, mits de sterkte in een
enkelen winter klaar zou zijn, en hij het werk met geen andere hulp
zou voltooien dan met die van zijn paard Svadilfare.
In Asgard kwam een bouwheer aan
Die een kasteel wou stichten gaan,
Een hoog gebouw
Dat schutten zou
Voor Jötunlist en ruw geweld;
Dit was de eisch door hem gesteld:
Dat Freya met én maan én zon
Het loon zou zijn dat eens hij won.
Valhalla (J. C. Jones).
De onbekende architect stemde in deze schijnbaar onmogelijke
voorwaarden toe en ging onmiddellijk aan het werk, terwijl hij
's nachts zware steenblokken haalde en overdag bouwde, en zóó vlug
voortmaakte, dat de goden wat bang begonnen te worden. Weldra merkten
zij dat meer dan de helft van het werk voltooid was door het wonderros
Svadilfare, en toen zij, tegen het einde van den winter zagen,
dat het werk gereed was behalve slechts één portaal, dat--begrepen
zij--de architect gemakkelijk in den nacht kon afmaken:
Toen werden zij met schrik vervuld,
Gereed was bijna het gebouw,
Drie dagen maar
En 't werk was klaar,
Dan moesten zij hun afspraak trouw,
Betalen hem hun schuld.
Valhalla (J. C. Jones).
Bevreesd dat ze geroepen zouden worden te scheiden niet enkel van de
zon en de maan, maar ook van Freya, de verpersoonlijking van jeugd en
schoonheid in de wereld, wendden de goden zich tot Loki en dreigden
hem te vermoorden, tenzij hij middelen wist om den architect in de
voltooiing van zijn gebouw binnen den bepaalden tijd te verhinderen.
Loki's list bleek opnieuw tegen den toestand opgewassen. Hij
wachtte tot den avond van den laatsten dag kwam, toen hij, terwijl
Svadilfare langs den zoom van een woud ging, met moeite een der groote
steenblokken sleepend die tot de voltooiing van het werk geëischt
werden, in de vermomming van een merrie uit een donkere plaats aanrende
en zóó verlokkend hinnikte, dat, in een oogenblik, het paard zich uit
zijn tuig losrukte en de merrie achterna liep, op den voet gevolgd
door zijn vertoornden meester. De merrie galoppeerde snel voort,
listig paard en meester dieper lokkend in de woudschaduwen, totdat de
nacht bijna voorbij was en het niet langer mogelijk was het werk te
voltooien. De architect was niemand anders dan een verschrikkelijke
Hrimthurs, in vermomming, en hij keerde nu naar Asgard terug in groote
woede over het bedrog dat men hem had aangedaan. Hij nam zijn gewone
afmetingen aan en zou de goden vernietigd hebben, als niet Thor van een
reis plotseling was teruggekeerd en hem met zijn tooverhamer, Miölnir,
dien hij met verschrikkelijke kracht hem vlak in het gezicht sloeg,
had vermoord.
De goden hadden zich bij deze gelegenheid enkel door bedrog en door
de ruwe daad van Thor weten te redden, en door deze zou groote ellende
over hen gebracht worden, en zelfs hun val worden bewerkt en de komst
van Ragnarok worden verhaast. Loki echter voelde, wat hem betrof,
geen berouw, en men zegt, dat hij te zijner tijd de vader werd van
een achtpootig ros, Sleipnir geheeten, dat, zooals wij gezien hebben,
Odin's geliefkoosd paard was.
Maar Sleipnir verwekte
Hij bij Svadilfare.
Hyndlalied.
Loki bedreef zóóvele slechte daden gedurende zijn leven, dat hij ten
volle den naam "aartsbedrieger" verdiende, die hem gegeven werd. Hij
werd in het algemeen gehaat wegens zijn boosaardige handelingen,
en wegens een ingewortelde gewoonte van draaierij, waardoor hij ook
den titel van "vorst des leugens" kreeg.
Loki's laatste misdaad.
Loki's laatste misdaad, en die welke de maat zijner ongerechtigheid
volmaakte, was, dat hij Hodur er toe bracht den noodlottigen maretak
naar Balder te werpen, die hij haatte enkel wegens zijn onbezoedelde
reinheid. Misschien zou hem zelfs deze misdaad zijn vergeven, ware
hij niet verhard geweest toen hij, in de gedaante van een oude vrouw
Thok, een traan voor Balder storten moest. Zijn handelwijze bij
deze gelegenheid toonde den goden dat er enkel boosheid in hem was,
en zij spraken eenstemmig over hem het vonnis uit, dat hij voor goed
van Asgard zou worden verbannen.
Aegirs banket.
Om de somberheid der goden af te leiden en hen voor een korten tijd
het verraad van Loki te doen vergeten en Balders verlies, noodigde
Aegir, de god van de zee, hen uit deel te nemen aan een banket in
zijn koraalgrotten op den bodem van de zee.
Tot troost nu van der goden smart
Tot laafnis van hun treurend hart.
Uit rijk der baren,
Waar grotten waren,
Riep koning Aegir
De fiere Aesir.
Te maaltijd allen
In zijne hallen;
Opdat, schoon elk om Balder nog
Treurend in rouw,
Vergeten zou
Men aan zijn disch de zorgen toch.
Valhalla (J. C. Jones).
De goden namen verheugd de uitnoodiging aan en in de rijkste
kleeding gedost en met een feestelijken glimlach, verschenen zij in de
koraalgrotten op den vastgestelden tijd. Er was niemand afwezig behalve
de schitterende Balder, om wien menige spijtige zucht geslaakt werd,
en de booze Loki; over wien niemand zich kon bedroeven. In den loop
van het feest echter verscheen de laatstgenoemde god in hun midden als
een duistre schaduw, en, toen hem bevolen werd te vertrekken, gaf hij
lucht aan zijn slechte luim in een stroom van verwijten aan de goden.
Van de Aesir en de Alfar
Die zijn hier binnen
Heeft geen een vriendlijk woord voor u.
Aegir's Drinkgelag of Loki's Woordenwisseling.
Toen, naijverig op den lof dien Funfeng, Aegirs knecht, had gekregen
wegens de vlugheid waarmee hij de gasten van zijn meester diende,
keerde zich Loki plotseling naar hem toe en vermoordde hem. Na deze
lichtzinnige misdaad joegen de goden in toorn Loki opnieuw weg,
en dreigden hem met strenge straf als hij hun ooit weer onder de
oogen kwam.
Nauwelijks waren de Aesir van deze onaangename stoornis in hun feest
bekomen, en hadden zij hun plaatsen aan de tafel weer ingenomen,
toen Loki opnieuw binnenkwam, met giftige tong zijn lasteringen
hervattend en de goden beleedigend over hun feilen en tekortkomingen,
terwijl hij boosaardig uitweidde over hun lichamelijke onvolmaaktheden,
en hen uitlachte om hun fouten. Te vergeefs trachtten de goden zijn
ongemanierdheid te doen ophouden; zijn stem werd luider en luider en
hij uitte juist een lagere lastering over Sif, toen hij plotseling
ophield bij den aanblik van Thor's hamer, die toornig gezwaaid
werd door iemand wiens macht hij ten volle kende, en hij vluchtte
onmiddellijk.
Stil, onrein wezen!
Mijn sterke hamer, Miöllnir,
Zal doen zwijgen uw woorden
Ik zal uw hoofd
Slaan van uw hals,
Dan is uw leven uit.
Aegirs Drinkgelag, of Loki's Woordenwisseling.
De vervolging van Loki.
Wetend dat hij de hoop niet kon koesteren weer in Asgard te worden
toegelaten, en dat vroeger of later de goden, met het oog op de
uitwerking zijner booze daden, er spijt van zouden hebben dat zij hem
hadden toegestaan door de wereld te zwerven, en zouden trachten hem
vast te binden of hem te vermoorden, trok Loki zich naar de bergen
terug, waar hij zich een hut bouwde met vier deuren, die hij altijd
wijd open liet opdat hij vlug zou kunnen ontsnappen. Zorgvuldig
maakte hij zijn plannen en besloot dat, als de goden hem zouden
komen zoeken, hij zou snellen naar den naburigen waterval, volgens
de overlevering den Fraananger val of stroom, en dat hij zich in
een zalm zou veranderen en zoo zijn vervolgers zou ontsnappen. Hij
overlegde echter, dat ofschoon hij gemakkelijk een haak kon vermijden,
het hem moeilijk zou zijn te ontvluchten als de goden een net maakten
gelijk dat van de zeegodin Ran.
Door deze vrees ontrust, besloot hij de proef te nemen of zulk een net
gemaakt kon worden, en begon er een te vervaardigen uit garen. Hij
was hiermee nog bezig, toen Odin, Kvasir en Thor plotseling in de
verte verschenen; en wetend dat zij zijn verblijf ontdekt hadden,
wierp Loki zijn half voltooid net in het vuur en, stormend door een
van zijn altijd open deuren, sprong hij in den waterval, waar hij
zich, in de gedaante van een zalm, verborg tusschen eenige steenen
in de bedding van den stroom.
De goden, zijn hut ledig vindend, waren op het punt te vertrekken,
toen Kvasir de overblijfselen bespeurde van het verbrande net op den
haard. Na eenig nadenken kreeg hij een inval, en hij ried den goden
een dergelijk net te weven en het te gebruiken om hun vijand in den
naburigen stroom te zoeken, daar het juist iets voor Loki was op
deze wijze hun vervolging te verijdelen. De raad scheen goed en werd
onmiddellijk opgevolgd, en, toen het net klaar was, gingen de goden
den stroom afdreggen. Loki ontweek het net toen het voor het eerst
werd geworpen doordat hij zich op den bodem van de rivier verborg
tusschen twee steenen; en toen de goden het net zwaarder maakten
en het voor den tweeden keer beproefden, ontkwam hij door stroomop
te gaan. Een derde poging om hem te vangen trof echter doel, want,
toen hij nog eens door een plotselingen sprong trachtte weg te komen,
greep Thor hem midden in de lucht en hield hem zóó vast dat hij niet
ontsnappen kon. De zalm welks gladheid spreekwoordelijk is in het
Noorden, is bekend door zijn opmerkelijk dunnen staart, en de Noren
schrijven dien toe aan de kracht waarmee Thor zijn vijand beetpakte.
Loki's straf.
Loki hernam nu pruilend zijn gewone gedaante, en zijn overwinnaars
sleepten hem in een hol, waar zij hem vastmaakten, waarbij zij als
banden gebruikten de ingewanden van zijn zoon Narve, die in stukken
gescheurd was door Vali, zijn broeder, door de goden tot dit doel
veranderd in een wolf. Een van deze boeien werd onder de schouders
van Loki door gedaan en een onder zijn lendenen, terwijl zij hem hand
en voet stevig vastzetten; maar de goden, niet geheel gerust of de
touwen, ofschoon taai en duurzaam, ook zouden losgaan, veranderden
ze in diamant of ijzer.
U, op een rotspunt,
Met de ingewanden van uw kouden zoon,
Zullen binden de goden.
Saemunds Edda.
Skadi, de reuzin, een verpersoonlijking van den ouden bergstroom,
die met vreugde het vastbinden van haar vijand (het onderaardsche
vuur) had aanschouwd, plaatste nu een slang vlak boven zijn hoofd,
zoodat haar vergif druppel bij druppel op zijn opwaarts gericht gelaat
zou vallen. Maar Sigyn, Loki's trouwe gade, snelde toe met een beker
en ging naast hem staan, en tot aan de dagen van Ragnarok bleef zij
bij hem, de druppelen opvangend terwijl zij vielen en nooit haar
post verlatend behalve wanneer haar beker vol was en zij hem moest
ledigen. Alleen gedurende haar korte afwezigheid konden de druppelen
vallen op Loki's gelaat, en dan veroorzaakten zij een zóó hevige pijn
dat hij zich van angst kronkelde, terwijl zijn pogingen om zich te
bevrijden de aarde deden schudden en de aardbevingen verwekten die
de stervelingen zoo bang maken.
Eer dus worden zou zijn leven,
Hing hem boven 't hoofd vol logen
Skadi nu een slang, die spoog en
Drupp'len deed hem gif, en immer
Elken zenuw pijnde, nimmer
Zal zijn kommer hem begeven.
Naast hem, steeds zijn heil verlangend,
Sigyn aan zijn zijde zit,
Trouwe ziel! in beker vangend
Drupp'len gif in hunnen val,
Pijnlijk, kwetsend, zonder tal!
Zonder slaap, en immer hangend
Trouw hem aan, volvoert zij dit.
Slechts als overvloeit zijn beker
En veroorzaakt nieuwe smart,
Houdt zij op en leegt hem, zeker,
Sloeg op aard geen trouwer hart,
Loki gilt
Dan luid en wild.
Zuchten slaakt hij,
Vloeken braakt hij
In een donderend gekrijt
Wijl zijn schokken d' aarde splijt;
Sidderend en bevend,
De lucht zelfs bestrevend.
Zoo maakt hij door zijn harde straf,
Tot Godenscheem'ring lost hem af.