HOOFDSTUK XXII: LOKI.

De geest van het kwade.

Behalve den afschuwelijker reus Utgard-Loki, de verpersoonlijking

van slechtheid en kwaad, dien Thor en zijn metgezellen in Jötun-heim

bezochten, hadden de oude Noormannen een ander type van de zonde,

dien zij ook Loki noemden, en dien wij reeds onder verschillende

gestalten hebben gezien.

Oorspronkelijk was Loki enkel de verpersoonlijking van het haardvuur

en den geest des levens. Eerst een god, werd hij langzamerhand "god

en duivel tegelijk" en wordt ten slotte algemeen verafschuwd als een

volkomen evenbeeld van den middeleeuwschen Lucifer, den vorst der

leugens, "den veroorzaker van bedrog en den lasteraar" van Aesir.

Volgens sommige bronnen heette Loki de broeder van Odin, maar

anderen beweren dat de twee niet verwant waren, maar elkander alleen

bloedbroederschap hadden gezworen, zooals dit in het Noorden algemeen

voorkomt.

Odin! weet gij nog

Hoe wij in vroeger dagen

Ons bloed vermengden?

Toen gij beslist niet wildet

Bier proeven,

Tenzij we 't samen dronken?

Saemunds Edda.

Loki's karakter.

Terwijl Thor de belichaming is van Noorsche activiteit, verbeeldt Loki

de uitspanning, en de innige kameraadschap die eertijds tusschen deze

twee goden bestond, toont heel duidelijk hoe spoedig onze voorvaderen

begrepen dat beiden tot het welzijn der menschheid noodig waren. Thor

is altijd werkzaam en in ernst, maar Loki maakt van alles een grap,

totdat ten slotte zijn genot in ondeugendheid hem geheel op dwaalwegen

brengt, en hij alle liefde voor het goede verliest en hij uiterst

zelfzuchtig en kwaadwillig wordt.

Hij vertegenwoordigt het kwaad in den verleidenden en schijnbaar

schoonen vorm waarin het zich in de wereld vertoont. Wegens deze

bedriegelijke verschijning vermeden de goden hem eerst niet, maar

behandelden hem als een der hunnen in alle vriendschappelijkheid

en namen hem met zich mede overal waar zij heen gingen, lieten hem

verder niet alleen tot hun vermaken toe, maar ook tot hun vergaderzaal,

waar zij, helaas! te dikwijls naar zijn raad luisterden.

Zooals wij reeds gezien hebben, speelde Loki een groote rol in de

schepping van den mensch, dien hij toerustte met het vermogen om zich

te bewegen en wien hij het bloed vrijelijk door de aderen deed loopen,

waardoor hij met hartstochten werd bezield.

Als verpersoonlijking zoowel van het vuur als van de ondeugendheid

ziet men Loki (bliksem) dikwijls met Thor (donder), dien hij naar

Jötun-heim vergezelt om zijn hamer terug te halen, naar Utgard Loki's

kasteel en naar Geirrod's huis. Hij is het, die Freya's halsketting

en Sif's haar steelt, en Idoen verraderlijk overlevert in de macht

van Thiassi, en ofschoon hij den goden soms goeden raad geeft en hen

werkelijk helpt, is het enkel om hen te bevrijden uit een of anderen

toestand waarin hij hen overijld heeft meegesleept.

Sommige bronnen beweren, dat deze god, in plaats van een deel uit

te maken van de scheppingsdriehoek (Odin, Hoenir en Loeder of Loki)

oorspronkelijk behoorde tot een geslacht van goden ouder dan Odin,

en de zoon was van den grooten reus Fornjotnr (Ymir), terwijl zijn

broeders waren Kari (lucht) en Hler (water), en zijn zuster Ran, de

verschrikkelijke godin van de zee. Andere mythologen echter maken

hem tot den zoon van den reus Farbauti, die vereenzelvigd is met

Bergelmir, den eenigen overlevende uit den zondvloed, en van Laufeia

(bladrijk eiland) of Nal (schip), eigen moeder, dus vaststellend

dat zijn betrekking tot Odin enkel die was van den Noorschen eed

van kameraadschap.

Loki (vuur) huwde eerst Glut (gloed), die hem twee dochters baarde,

Eisa (spranken) en Einmyria (asch); het is dus zeer duidelijk, dat de

Noormannen hem als zinnebeeld van het haardvuur beschouwden en als het

vlammend hout op den haard knettert, dan zeiden de moedertjes in het

Noorden dat Loki zijn kinderen slaat. Behalve zijn vrouw, zegt men,

heeft Loki ook nog gehuwd de reuzin Angur-boda (de angstvoorspellende),

die in Jötun-heim woonde, en die, zooals wij reeds gezien hebben, hem

de drie monsters baarde: Hel, de godin van den dood, de Midgardslang

Iörmungandr, en den grimmigen wolf Fenris.

Loki verwekte den wolf

Bij Angur-boda.

Saemunds Edda.

Sigyn.

Loki's derde huwelijk was met Sigyn, die zich een liefhebbende vrouw

en vol toewijding betoonde, en hem twee zoons baarde, Narve en Vali,

de tweede een naamgenoot van den god die Balder wreekte. Sigyn was

altijd trouw aan haren echtgenoot en verliet hem niet, zelfs toen

hij uit Asgard was geworpen en in de ingewanden der aarde opgesloten.

Daar Loki de belichaming was van het kwaad in de oogen der Noorsche

volken, hadden zij enkel vrees voor hem, bouwden geen tempels hem

ter eere, brachten geen offers aan hem en noemden de schadelijkste

kruiden naar zijn naam. De trillende, overhitte atmosfeer van den

zomer--meende men--duidde zijn nabijheid aan, want de menschen zeiden

dan dat Loki zijn wilde haver zaaide, en als de zon scheen water te

halen, vertelden zij dat Loki bezig was te drinken.

De geschiedenis van Loki is zóó innig verbonden met die van de

andere goden, dat de meeste mythen die op hem betrekking hebben,

reeds verteld zijn en er zijn slechts twee episoden van zijn leven

te verhalen over, een die zijn beteren kant toont voordat hij tot den

aartsbedrieger was ontaard, en de andere laat zien hoe hij ten slotte

de goden er toe bracht, hun vreedzame verblijven door opzettelijken

moord te bezoedelen.

Skrymsli en het kind van den boer.

Een reus en een boer speelden eens samen een spel (waarschijnlijk

schaak, dat een geliefkoosd tijdverdrijf voor den winter was bij de

Noorsche vikings). Natuurlijk hadden zij bepaald dat zij voor zekeren

inzet zouden spelen, en de reus, die won, kreeg den eenigen zoon van

den boer, dien hij--zoo zeide hij--den volgenden dag zou komen halen

en opeischen, tenzij zijn ouders hem zóó knap konden verbergen dat

hij niet kon worden gevonden.

Wetende dat zoo iets voor hen onmogelijk uitvoerbaar was, smeekten

de ouders vurig tot Odin om hulp, en in antwoord op hun beden kwam de

god op aarde neer en veranderde den knaap in een kleinen graankorrel,

die hij in een korenaar midden in een groot veld verborg, verklarend

dat de reus hem niet zou kunnen vinden. De reus Skrymsli echter

bezat wijsheid, veel grooter dan Odin dacht, en toen hij het kind

niet thuis vond, ging hij onmiddellijk naar het veld met zijn zeis,

en maaide het koren af en koos juist de aar uit waar de knaap was

verborgen. Terwijl hij de graankorrels telde zou hij juist zijn hand

op den rechten leggen, toen Odin, die den angstkreet van het kind

hoorde, de korrel uit de hand van den reus rukte en den knaap aan zijn

ouders teruggaf, hem zeggende dat hij alles wat in zijn vermogen was

had gedaan om hen te helpen. Maar toen de reus verklaarde, dat hij

bedrogen was en den volgenden dag den knaap weer zou opeischen tenzij

de ouders hem te slim af waren, gingen de ongelukkige boeren nu naar

Hoenir om hulp. De god hoorde hen goedgunstig aan en veranderde den

knaap in een pluisje dons, dat hij in den borst van een zwaan verborg

die in een vijver in de buurt zwom. Toen nu, eenige minuten later,

Skrymsli kwam, giste hij wat er gebeurd was, en den zwaan grijpend,

beet hij zijn hals af en zou het dons verslonden hebben, had Hoenir

het niet van zijn lippen weggeblazen, buiten zijn bereik, terwijl

hij den knaap gezond en wel aan zijn ouders teruggaf, maar hen zeide,

dat hij hen niet verder kon helpen.

Skrymsli waarschuwde de ouders dat hij een derde poging zou wagen om

het kind te krijgen, waarop zij zich in wanhoop tot Loki wendden,

die het kind naar de zee bracht en het als een klein ei in de kuit

van een bot verborg. Van zijn expeditie terugkeerend ontmoette Loki

den reus bij de kust, en ziende dat hij uit visschen ging, wilde hij

hem vergezellen. Hij voelde zich niet op zijn gemak, vreezende dat

de verschrikkelijke reus zijn plan zou hebben doorzien, en dacht

dat het daarom goed voor hem zou zijn als hij in geval van nood

ter plaatse was. Skrymsli sloeg het aas aan den haak, en was meer

of minder gelukkig in zijn hengelen, toen hij plotseling dezelfde

bot optrok waarin Loki het knaapje, waarvoor hij te zorgen had, had

verborgen. Hij sneed den visch op zijn knie open en ging nauwkeurig

de kuit onderzoeken, totdat hij het ei vond dat hij zocht.

De zaak van den knaap stond zeker zeer gevaarlijk, maar Loki, zijn

kans afwachtende, rukte het ei uit de vuist van den reus, veranderde

het weer in het kind en beval het heimelijk naar huis te loopen,

zijn weg te nemen door het boethuis waar het langs moest en de deur

achter zich sluiten. De verschrikte knaap deed onmiddellijk zooals

hem bevolen was toen hij aan land was, en de reus, die dadelijk

zijn vlucht merkte, sprong hem achterna in het boethuis. Nu had

Loki listig een scherpe piek zóó geplaatst, dat het groote hoofd van

den reus er in volle vaart tegen aan liep, en hij op den grond viel

met een kreet, waarop Loki, ziende dat hij hulpeloos was, hem een

zijner beenen afsneed. Verbeeld u echter de teleurstelling van den

god, toen hij zag dat de stukken zich vereenigden en onmiddellijk

samengroeiden. Maar Loki was een meester in bedrog en bespeurende dat

hier tooverij in het spel was, sneed hij het andere been af, terwijl

hij dadelijk steen en staal tusschen het gescheurde lid en het lichaam

wierp, waardoor hij verdere betoovering verhinderde. De boeren waren

ontzaglijk verlicht toen zij bevonden dat hun vijand verslagen was,

en in het vervolg beschouwden zij Loki steeds als den machtigsten van

den hemelschen raad, want hij had hen werkelijk van hun vijand bevrijd,

terwijl de andere goden slechts tijdelijke hulp verleend hadden.

De reus-Bouwmeester.

In weerwil van hun wonderbare brug Bifröst, den sidderenden weg,

en de waakzaamheid van Heimdall, konden de goden zich niet geheel

veilig voelen in Asgard, en waren dikwijls bang dat de vorstreuzen in

Asgard zouden komen. Om deze mogelijkheid te ontgaan, besloten zij

ten slotte een onneembare sterkte te bouwen, en terwijl zij plannen

maakten hoe dit gedaan kon worden, kwam een onbekend architect met het

aanbod den bouw te ondernemen, mits de goden hem zon, maan en Freya,

godin van jeugd en schoonheid, zouden geven als loon. De goden waren

boos over een zoo aanmatigend aanbod, maar toen zij verontwaardigd

den vreemdeling uit hun tegenwoordigheid wilden jagen, drong Loki

er op aan, dat zij een contract zouden maken hetwelk de vreemdeling

onmogelijk zou kunnen houden, en dus zeiden zij ten slotte tot den

bouwmeester, dat hij de belooning zou hebben, mits de sterkte in een

enkelen winter klaar zou zijn, en hij het werk met geen andere hulp

zou voltooien dan met die van zijn paard Svadilfare.

In Asgard kwam een bouwheer aan

Die een kasteel wou stichten gaan,

Een hoog gebouw

Dat schutten zou

Voor Jötunlist en ruw geweld;

Dit was de eisch door hem gesteld:

Dat Freya met én maan én zon

Het loon zou zijn dat eens hij won.

Valhalla (J. C. Jones).

De onbekende architect stemde in deze schijnbaar onmogelijke

voorwaarden toe en ging onmiddellijk aan het werk, terwijl hij

's nachts zware steenblokken haalde en overdag bouwde, en zóó vlug

voortmaakte, dat de goden wat bang begonnen te worden. Weldra merkten

zij dat meer dan de helft van het werk voltooid was door het wonderros

Svadilfare, en toen zij, tegen het einde van den winter zagen,

dat het werk gereed was behalve slechts één portaal, dat--begrepen

zij--de architect gemakkelijk in den nacht kon afmaken:

Toen werden zij met schrik vervuld,

Gereed was bijna het gebouw,

Drie dagen maar

En 't werk was klaar,

Dan moesten zij hun afspraak trouw,

Betalen hem hun schuld.

Valhalla (J. C. Jones).

Bevreesd dat ze geroepen zouden worden te scheiden niet enkel van de

zon en de maan, maar ook van Freya, de verpersoonlijking van jeugd en

schoonheid in de wereld, wendden de goden zich tot Loki en dreigden

hem te vermoorden, tenzij hij middelen wist om den architect in de

voltooiing van zijn gebouw binnen den bepaalden tijd te verhinderen.

Loki's list bleek opnieuw tegen den toestand opgewassen. Hij

wachtte tot den avond van den laatsten dag kwam, toen hij, terwijl

Svadilfare langs den zoom van een woud ging, met moeite een der groote

steenblokken sleepend die tot de voltooiing van het werk geëischt

werden, in de vermomming van een merrie uit een donkere plaats aanrende

en zóó verlokkend hinnikte, dat, in een oogenblik, het paard zich uit

zijn tuig losrukte en de merrie achterna liep, op den voet gevolgd

door zijn vertoornden meester. De merrie galoppeerde snel voort,

listig paard en meester dieper lokkend in de woudschaduwen, totdat de

nacht bijna voorbij was en het niet langer mogelijk was het werk te

voltooien. De architect was niemand anders dan een verschrikkelijke

Hrimthurs, in vermomming, en hij keerde nu naar Asgard terug in groote

woede over het bedrog dat men hem had aangedaan. Hij nam zijn gewone

afmetingen aan en zou de goden vernietigd hebben, als niet Thor van een

reis plotseling was teruggekeerd en hem met zijn tooverhamer, Miölnir,

dien hij met verschrikkelijke kracht hem vlak in het gezicht sloeg,

had vermoord.

De goden hadden zich bij deze gelegenheid enkel door bedrog en door

de ruwe daad van Thor weten te redden, en door deze zou groote ellende

over hen gebracht worden, en zelfs hun val worden bewerkt en de komst

van Ragnarok worden verhaast. Loki echter voelde, wat hem betrof,

geen berouw, en men zegt, dat hij te zijner tijd de vader werd van

een achtpootig ros, Sleipnir geheeten, dat, zooals wij gezien hebben,

Odin's geliefkoosd paard was.

Maar Sleipnir verwekte

Hij bij Svadilfare.

Hyndlalied.

Loki bedreef zóóvele slechte daden gedurende zijn leven, dat hij ten

volle den naam "aartsbedrieger" verdiende, die hem gegeven werd. Hij

werd in het algemeen gehaat wegens zijn boosaardige handelingen,

en wegens een ingewortelde gewoonte van draaierij, waardoor hij ook

den titel van "vorst des leugens" kreeg.

Loki's laatste misdaad.

Loki's laatste misdaad, en die welke de maat zijner ongerechtigheid

volmaakte, was, dat hij Hodur er toe bracht den noodlottigen maretak

naar Balder te werpen, die hij haatte enkel wegens zijn onbezoedelde

reinheid. Misschien zou hem zelfs deze misdaad zijn vergeven, ware

hij niet verhard geweest toen hij, in de gedaante van een oude vrouw

Thok, een traan voor Balder storten moest. Zijn handelwijze bij

deze gelegenheid toonde den goden dat er enkel boosheid in hem was,

en zij spraken eenstemmig over hem het vonnis uit, dat hij voor goed

van Asgard zou worden verbannen.

Aegirs banket.

Om de somberheid der goden af te leiden en hen voor een korten tijd

het verraad van Loki te doen vergeten en Balders verlies, noodigde

Aegir, de god van de zee, hen uit deel te nemen aan een banket in

zijn koraalgrotten op den bodem van de zee.

Tot troost nu van der goden smart

Tot laafnis van hun treurend hart.

Uit rijk der baren,

Waar grotten waren,

Riep koning Aegir

De fiere Aesir.

Te maaltijd allen

In zijne hallen;

Opdat, schoon elk om Balder nog

Treurend in rouw,

Vergeten zou

Men aan zijn disch de zorgen toch.

Valhalla (J. C. Jones).

De goden namen verheugd de uitnoodiging aan en in de rijkste

kleeding gedost en met een feestelijken glimlach, verschenen zij in de

koraalgrotten op den vastgestelden tijd. Er was niemand afwezig behalve

de schitterende Balder, om wien menige spijtige zucht geslaakt werd,

en de booze Loki; over wien niemand zich kon bedroeven. In den loop

van het feest echter verscheen de laatstgenoemde god in hun midden als

een duistre schaduw, en, toen hem bevolen werd te vertrekken, gaf hij

lucht aan zijn slechte luim in een stroom van verwijten aan de goden.

Van de Aesir en de Alfar

Die zijn hier binnen

Heeft geen een vriendlijk woord voor u.

Aegir's Drinkgelag of Loki's Woordenwisseling.

Toen, naijverig op den lof dien Funfeng, Aegirs knecht, had gekregen

wegens de vlugheid waarmee hij de gasten van zijn meester diende,

keerde zich Loki plotseling naar hem toe en vermoordde hem. Na deze

lichtzinnige misdaad joegen de goden in toorn Loki opnieuw weg,

en dreigden hem met strenge straf als hij hun ooit weer onder de

oogen kwam.

Nauwelijks waren de Aesir van deze onaangename stoornis in hun feest

bekomen, en hadden zij hun plaatsen aan de tafel weer ingenomen,

toen Loki opnieuw binnenkwam, met giftige tong zijn lasteringen

hervattend en de goden beleedigend over hun feilen en tekortkomingen,

terwijl hij boosaardig uitweidde over hun lichamelijke onvolmaaktheden,

en hen uitlachte om hun fouten. Te vergeefs trachtten de goden zijn

ongemanierdheid te doen ophouden; zijn stem werd luider en luider en

hij uitte juist een lagere lastering over Sif, toen hij plotseling

ophield bij den aanblik van Thor's hamer, die toornig gezwaaid

werd door iemand wiens macht hij ten volle kende, en hij vluchtte

onmiddellijk.

Stil, onrein wezen!

Mijn sterke hamer, Miöllnir,

Zal doen zwijgen uw woorden

Ik zal uw hoofd

Slaan van uw hals,

Dan is uw leven uit.

Aegirs Drinkgelag, of Loki's Woordenwisseling.

De vervolging van Loki.

Wetend dat hij de hoop niet kon koesteren weer in Asgard te worden

toegelaten, en dat vroeger of later de goden, met het oog op de

uitwerking zijner booze daden, er spijt van zouden hebben dat zij hem

hadden toegestaan door de wereld te zwerven, en zouden trachten hem

vast te binden of hem te vermoorden, trok Loki zich naar de bergen

terug, waar hij zich een hut bouwde met vier deuren, die hij altijd

wijd open liet opdat hij vlug zou kunnen ontsnappen. Zorgvuldig

maakte hij zijn plannen en besloot dat, als de goden hem zouden

komen zoeken, hij zou snellen naar den naburigen waterval, volgens

de overlevering den Fraananger val of stroom, en dat hij zich in

een zalm zou veranderen en zoo zijn vervolgers zou ontsnappen. Hij

overlegde echter, dat ofschoon hij gemakkelijk een haak kon vermijden,

het hem moeilijk zou zijn te ontvluchten als de goden een net maakten

gelijk dat van de zeegodin Ran.

Door deze vrees ontrust, besloot hij de proef te nemen of zulk een net

gemaakt kon worden, en begon er een te vervaardigen uit garen. Hij

was hiermee nog bezig, toen Odin, Kvasir en Thor plotseling in de

verte verschenen; en wetend dat zij zijn verblijf ontdekt hadden,

wierp Loki zijn half voltooid net in het vuur en, stormend door een

van zijn altijd open deuren, sprong hij in den waterval, waar hij

zich, in de gedaante van een zalm, verborg tusschen eenige steenen

in de bedding van den stroom.

De goden, zijn hut ledig vindend, waren op het punt te vertrekken,

toen Kvasir de overblijfselen bespeurde van het verbrande net op den

haard. Na eenig nadenken kreeg hij een inval, en hij ried den goden

een dergelijk net te weven en het te gebruiken om hun vijand in den

naburigen stroom te zoeken, daar het juist iets voor Loki was op

deze wijze hun vervolging te verijdelen. De raad scheen goed en werd

onmiddellijk opgevolgd, en, toen het net klaar was, gingen de goden

den stroom afdreggen. Loki ontweek het net toen het voor het eerst

werd geworpen doordat hij zich op den bodem van de rivier verborg

tusschen twee steenen; en toen de goden het net zwaarder maakten

en het voor den tweeden keer beproefden, ontkwam hij door stroomop

te gaan. Een derde poging om hem te vangen trof echter doel, want,

toen hij nog eens door een plotselingen sprong trachtte weg te komen,

greep Thor hem midden in de lucht en hield hem zóó vast dat hij niet

ontsnappen kon. De zalm welks gladheid spreekwoordelijk is in het

Noorden, is bekend door zijn opmerkelijk dunnen staart, en de Noren

schrijven dien toe aan de kracht waarmee Thor zijn vijand beetpakte.

Loki's straf.

Loki hernam nu pruilend zijn gewone gedaante, en zijn overwinnaars

sleepten hem in een hol, waar zij hem vastmaakten, waarbij zij als

banden gebruikten de ingewanden van zijn zoon Narve, die in stukken

gescheurd was door Vali, zijn broeder, door de goden tot dit doel

veranderd in een wolf. Een van deze boeien werd onder de schouders

van Loki door gedaan en een onder zijn lendenen, terwijl zij hem hand

en voet stevig vastzetten; maar de goden, niet geheel gerust of de

touwen, ofschoon taai en duurzaam, ook zouden losgaan, veranderden

ze in diamant of ijzer.

U, op een rotspunt,

Met de ingewanden van uw kouden zoon,

Zullen binden de goden.

Saemunds Edda.

Skadi, de reuzin, een verpersoonlijking van den ouden bergstroom,

die met vreugde het vastbinden van haar vijand (het onderaardsche

vuur) had aanschouwd, plaatste nu een slang vlak boven zijn hoofd,

zoodat haar vergif druppel bij druppel op zijn opwaarts gericht gelaat

zou vallen. Maar Sigyn, Loki's trouwe gade, snelde toe met een beker

en ging naast hem staan, en tot aan de dagen van Ragnarok bleef zij

bij hem, de druppelen opvangend terwijl zij vielen en nooit haar

post verlatend behalve wanneer haar beker vol was en zij hem moest

ledigen. Alleen gedurende haar korte afwezigheid konden de druppelen

vallen op Loki's gelaat, en dan veroorzaakten zij een zóó hevige pijn

dat hij zich van angst kronkelde, terwijl zijn pogingen om zich te

bevrijden de aarde deden schudden en de aardbevingen verwekten die

de stervelingen zoo bang maken.

Eer dus worden zou zijn leven,

Hing hem boven 't hoofd vol logen

Skadi nu een slang, die spoog en

Drupp'len deed hem gif, en immer

Elken zenuw pijnde, nimmer

Zal zijn kommer hem begeven.

Naast hem, steeds zijn heil verlangend,

Sigyn aan zijn zijde zit,

Trouwe ziel! in beker vangend

Drupp'len gif in hunnen val,

Pijnlijk, kwetsend, zonder tal!

Zonder slaap, en immer hangend

Trouw hem aan, volvoert zij dit.

Slechts als overvloeit zijn beker

En veroorzaakt nieuwe smart,

Houdt zij op en leegt hem, zeker,

Sloeg op aard geen trouwer hart,

Loki gilt

Dan luid en wild.

Zuchten slaakt hij,

Vloeken braakt hij

In een donderend gekrijt

Wijl zijn schokken d' aarde splijt;

Sidderend en bevend,

De lucht zelfs bestrevend.

Zoo maakt hij door zijn harde straf,

Tot Godenscheem'ring lost hem af.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 34 / 46 题