De meest beminde.
Aan Odin en Frigga, zoo vertelt men ons, werden tweelingzonen geboren,
zoo ongelijk in karakter en uiterlijk als bij twee kinderen mogelijk
is. Hodur, god van de duisternis, was somber, zwijgend en blind,
als het donker van de zonde, die hij, zoo meende men, voorstelde,
terwijl zijn broeder Balder, de schoone, vereerd werd als de zuivere
en stralende god van onschuld en licht. Van zijn sneeuwen voorhoofd
en gouden lokken schenen stralen van zonneschijn te schitteren die
de harten van goden en menschen blij maakten, door wie hij evenzeer
werd bemind.
Van al de twaalf om Odins troon.
Balder enkel, het meest toch schoon,
De zonnegod, goed met zijn rein gezicht
Werd bemind door elk, als men mint het licht.
Valhalla (J. C. Jones).
De jeugdige Balder groeide verwonderlijk snel op, en werd vroeg
toegelaten tot de vergadering der goden. Hij ging wonen in het paleis
Breidablik, welks zilveren dak op gouden pilaren rustte, en welks
schoonheid zóó was, dat niets gewoons of onzuivers binnen zijn kring
mocht komen, en hier woonde hij in volmaakte eenheid met zijn jonge
vrouw Nanna (bloesem), de dochter van Nip (knopje), een schoone en
bekoorlijke godin.
De god van het licht was goed thuis in de wetenschap der runen, die op
zijn tong waren gesneden; hij kende de verschillende krachten van de
kruiden, waarvan een, de kamille, "Balders voorhoofd" heette, omdat
haar bloem even vlekkeloos zuiver was als zijn voorhoofd. Het eenige
wat voor Balders stralende oogen verborgen was, was de waarneming
van wat ten slotte met hem zelf gebeuren zou.
Zijn eigen huis
Breidablik, op welks zuilen Balder schreef
Den tooverklank die dooden leven geeft.
Want wijs was hij, en kende kunsten veel,
En runen ook, en zeldzaam heelend kruid;
Helaas dat hij niet kende d' eene kunst
Van sparen 't eigen leven, 't licht te zien.
Balder Dood (Matthew Arnold).
Balders droom.
Daar het zoo natuurlijk was voor Balder, den schoone, te glimlachen
en gelukkig te zijn, waren de goden zeer ongerust toen zij op zekeren
dag een verandering in zijn uiterlijk begonnen te bespeuren. Allengs
stierf het licht weg uit zijn blauwe oogen, een zorgvolle trek kwam op
zijn gelaat, en zijn stap werd zwaar en traag. Odin en Frigga, ziende
de klaarblijkelijke gedruktheid van hun beminden zoon, smeekten hem
teeder de oorzaak van zijn zwijgend verdriet te zeggen. Balder gaf
ten slotte aan hun dringende woorden toe en vertelde dat zijn slaap,
in plaats van vredig en rustig te zijn als vroeger, onlangs vreemd
ontrust was door duistere en drukkende droomen, die, ofschoon hij
ze zich niet goed kon herinneren als hij ontwaakte, hem voortdurend
kwelden met een vaag gevoel van vrees.
Dien god was zijn slaap
Toen zeer onrustig,
Zijn gunstige droomen
Schenen voorbij.
Lied van Vegtam.
Toen Odin en Frigga dit hoorden, waren zij zeer ontdaan, maar zeiden
dat niets hun algemeen beminden zoon zou deren. Niettemin, toen de
angstige ouders de zaak verder bespraken, bekenden zij dat zij ook
door vreemde voorgevoelens gedrukt werden, en ten slotte, geloovend
dat Balders leven werkelijk bedreigd werd, gingen zij maatregelen
nemen om het gevaar af te wenden.
Frigga zond hare dienaressen naar elke richting, met stellig bevel
bij alle levende wezens, alle planten, metalen, steenen--kortom bij
elk bezield en onbezield ding--er op aan te dringen dat zij plechtig
zouden beloven Balder geen kwaad te doen. De geheele schepping deed
gaarne den eed, want er was niets op aarde dat den stralenden god niet
lief had. Zoo keerden de dienaressen tot Frigga terug, en vertelden
haar dat allen naar den eisch hun woord gegeven hadden, behalve de
maretak, die op den eikestam aan de poort van het Valhalla groeide,
en dit, zoo voegde zij er bij, was een zoo nietig, onschadelijk ding,
dat men er geen letsel van vreezen kon.
En dus werd besloten
Te zenden nu
Tot alle wezens,
Om zekerheid
Dat ze Balder niets zouden doen.
Alle schepselen zwoeren
Dat zij hem sparen zouden;
Frigg ontving alle
Geloften, contracten.
Saemunds Edda.
Frigga nam nu haar spinwerk weer ter hand in groote gerustheid,
want zij voelde er zich zeker van, dat geen leed kon overkomen aan
het kind dat zij boven allen liefhad.
De profetie van de Vala.
Odin had intusschen besloten een van de doode Vala of profetessen te
raadplegen. Hij besteeg zijn achtpootig ros Sleipnir en reed over de
sidderende brug Bifröst en over den vervelenden weg die naar Giallar
voert en den ingang van Niflheim, waar hij, door de Hellepoort en
langs den hond Garm gaande, in Hel's donkere woning drong.
Op rees der menschen heer met spoed,
Zadelde fluks zijn ros als roet;
Toen reed hij langs de steilte voort,
Die voert tot Hela's somb're poort.
Afkomst van Odin (Gray).
Odin zag tot zijn verbazing dat een feest was aangericht in dit donker
gebied, en dat de banken bedekt waren met tapijten en gouden ringen,
alsof een of ander geëerde gast verwacht werd. Maar hij ijlde voort
zonder te talmen, totdat hij de plaats bereikte waar de Vala vele
jaren ongestoord had gerust, toen hij plechtig een tooverformule
begon te zingen en de runen te trekken die de macht hadden de dooden
op te roepen.
Hij sprak driemaal in sombre wijzen
Het lied dat doet de dooden rijzen:
Tot uit den hollen grond een stem
Sleepend en dof bereikte hem.
Afkomst van Odin (Gray).
Plotseling opende zich het graf, en de profetes rees langzaam op,
vragend wie zoo haar lange rust had durven storen. Odin, die niet wilde
dat zij zou weten, dat hij de machtige vader was van goden en menschen,
antwoordde dat hij Vegtam was, de zoon van Valtam, en dat hij haar
geroepen had om te vragen voor wien de Hel hare banken spreidde en
een feestmaal aanrichtte. In holle tonen bevestigde de profetes al
zijne vreezen, hem zeggend dat de verwachte gast Balder was, die was
bestemd om door Hodur, zijn broeder, den blinden god der duisternis,
vermoord te worden.
Hodur zal herwaarts
Zenden zijn broeder;
Hij van Balder
Zal zijn de moordenaar,
En Odins zoon
Ontnemen 't leven;
Door dwang heb ik gesproken,
Nu wil ik zwijgen.
Saemunds Edda.
Trots den blijkbaren onwil van de Vala om verder te spreken, was Odin
nog niet voldaan en drong bij haar aan hem te zeggen wie den verwonden
god zou wreken en zijn moordenaar ter verantwoording roepen. Want
wraak en wedervergelding werden als een heilige plicht beschouwd door
de volken van het Noorden.
Toen vertelde hem de profetes, zooals Rossthiof reeds had voorspeld,
dat Rinda, de aardgodin, Odin een zoon zou baren, en dat Vali, zooals
dit kind zou worden genoemd, noch zijn gelaat zou wasschen noch zijn
haar kammen, totdat hij op Hodur den dood van Balder had gewroken.
In een west'lijke spelonk
Baart Rinda, die haar liefde schonk,
'n Knaapje dat van Odin stamt,
Dat nooit zijn zwarte lokken kamt,
Noch in den stroom wascht zijn gezicht,
Noch ziet het avondzonnelicht,
Tot hij zal lachen bij het hout
Tot brand voor Hodurs lijk gebouwd.
Afkomst van Odin (Gray).
Toen de weerstrevende Vala zoo had gesproken, vroeg Odin: "Wie
zou niet willen weenen bij Balders dood?" Deze ondoordachte vraag
toonde een kennis van de toekomst die geen sterveling kon bezitten,
en openbaarde onmiddellijk aan Vala wie haar bezoeker was. Zij weigerde
dus nog een woord te spreken en zonk terug in de stilte van het graf,
verklarend dat niemand haar er weer uit zou kunnen lokken totdat het
einde der wereld was gekomen.
Ga van hier en zeg thuis dan
Dat nooit een wezen komen kan
Dat m' uit zijn ijz'ren sluim'ring beurt,
Tot Lok zijn sterke keten scheurt;
Nimmer tot de diepe nacht
Weer herwon zijn oude kracht,
Tot in vlammen, woest van haat,
's Werelds schepping ondergaat.
Afkomst van Odin (Gray).
Toen Odin de besluiten van Orlog (lot) had vernomen, waarvan hij wist
dat zij niet afgeweerd konden worden, besteeg hij zijn ros, en wendde
zich bedroefd naar Asgard, denkend aan den tijd, die niet ver af was,
als zijn geliefde zoon niet meer gezien zou worden in de hemelsche
verblijven, en wanneer het licht van zijn tegenwoordigheid voor goed
verdwenen zou zijn.
Toen hij Gladsheim binnentrad, werd Odin echter wat gerust gesteld
door de mededeeling die Frigga hem dadelijk deed, dat alle dingen
onder de zon beloofd hadden Balder geen leed te zullen doen, en zich
overtuigd voelend dat als niets hun geliefden zoon zou vermoorden, hij
zeker moest voortgaan goden en menschen met zijn tegenwoordigheid te
verblijden, zette hij de zorg opzij en gaf zich over aan de genietingen
van het feestmaal.
De goden aan het spelen.
De speelplaats van de goden was gelegen op de groene vlakte van Ida
en heette Idavold. Hier gingen de goden gewoonlijk heen als zij lust
in het spel hadden, en hun geliefkoosde uitspanning was het werpen
met hun gouden schijven, die zij met groote behendigheid konden
gooien. Zij waren met verdubbelden ijver tot dit gewone tijdverdrijf
teruggekeerd, sedert de wolk die hun geesten had neergedrukt door de
voorzorgsmaatregelen van Frigga was weggevaagd. Toen zij echter ten
slotte genoeg hadden van de gewone sport, bedachten zij een nieuw
spel. Zij hadden gehoord dat Balder door geen enkel werptuig kon
gedeerd worden, en zoo amuseerden zij zich door allerlei wapenen,
steenen enz. naar hem te werpen, zeker dat hoe slim zij het ook
aanlegden en hoe nauwkeurig zij ook mikten, de voorwerpen, die gezworen
hadden hem geen kwaad te zullen doen, òf op zij zouden vliegen òf hem
niet zouden raken. Dit nieuw vermaak bleek zóó aangenaam te zijn dat
weldra alle goden zich rondom Balder verzamelden en hem elken keer
als hij ongetroffen bleef met groot gelach begroetten.
De dood van Balder.
Deze uitingen van vroolijkheid wekten de nieuwsgierigheid van Frigga
op, die in Fessalir zat te spinnen; en toen zij een oud vrouwtje haar
woning zag voorbij gaan, zei zij dat zij even moest blijven en haar
vertellen wat de goden deden dat zoo den lachlust prikkelde. Het oude
vrouwtje was niemand anders dan Loki in vermomming, en hij antwoordde
Frigga dat de goden steenen en andere werptuigen, stomp en scherp,
naar Balder gooiden, die glimlachend en ongedeerd in hun midden stond,
en hen uitdaagde hem aan te raken.
De godin glimlachte en vatte haar werk weer op, zeggende dat het
volmaakt natuurlijk was dat niets Balder zou deren, daar alle dingen
het licht liefhadden, waarvan hij het zinnebeeld was, en plechtig
hadden gezworen hem geen leed te doen. Loki, de verpersoonlijking
van het vuur, was zeer verdrietig toen hij dit hoorde, want hij was
jaloersch op Balder, de zon, die hem zoo geheel overschaduwde en die
algemeen bemind was, terwijl hij zooveel mogelijk gevreesd werd en
geschuwd; maar hij verborg wijslijk zijn boosheid en vroeg Frigga of
zij geheel zeker was dat alle dingen tot het verbond waren toegetreden.
Frigga antwoordde trotsch dat zij den plechtigen eed van alle
dingen hadden ontvangen, uitgezonderd van een, een onschuldig klein
woekerplantje, den maretak, dat op den eik bij de poort van het
Valhalla groeide, en dit was te klein en te zwak om er bang voor te
zijn. Deze mededeeling was alles wat Loki noodig had, en hij zei Frigga
vaarwel en strompelde weg. Zoodra hij veilig en wel buiten het gezicht
was, nam hij echter zijn gewone gestalte weer aan en haastte zich
naar het Valhalla, waar hij bij de poort den eik van den maretak vond,
zooals Frigga had aangegeven. Daarop gaf hij door de uitoefening van
tooverkunsten aan den parasiet een omvang en hardheid die er geheel
vreemd aan was.
Zoo maakte hij van den houten stengel handig een schacht waarmee hij
zich terugspoedde naar Idavold, waar de goden nog werptuigen naar
Balder wierpen, terwijl alleen Hodur ondertusschen bedroefd tegen een
boom stond geleund en geen deel nam aan het spel. Zorgeloos naderde
Loki den blinden god, en den schijn van belangstelling aannemend
vroeg hij de oorzaak van zijn zwaarmoedigheid, te gelijker tijd listig
insinueerend dat trots en onverschilligheid hem weerhielden aan het
spel mee te doen. Als antwoord op deze opmerkingen betuigde Hodur
dat enkel zijn blindheid hem weerhield aan het nieuwe spel deel te
nemen, en toen Loki hem de maretakschacht in zijn hand gaf en hem
in het midden van den kring bracht, hem de richting van het nieuwe
mikpunt aanwijzend, wierp Hodur zijn schacht met kracht. Maar tot
zijn spijt trof in plaats van het luide gelach dat hij verwachtte,
een ontstellende kreet van afgrijzen zijn oor, want Balder, de schoone,
was op den grond gevallen, door den noodlottigen maretak doorstoken.
Zoo op den vloer lag Balder dood; gestrooid
Rondom de zwaarden, bijlen, speren al
Waarmee men had geworpen--dwaas gespeel--
Op Balder wien geen werptuig wondd' of schond;
Maar in zijn borst stak de fatale tak
De maretwijg, die Lok, de Duivel, gaf
Aan Hodur, en onwetend Hodur wierp--
Hiertegen slechts was Balder niet bestand.
Balder Dood (Matthew Arnold).
In vreeslijken angst verzamelden zich de goden rondom hun geliefden
makker, maar helaas! het leven was geheel uitgebluscht, en al
hunne pogingen om den gevallen zonnegod weer te wekken hielpen
niet. Ontroostbaar wegens hun verlies keerden zij zich nu boos naar
Hodur, dien zij daar direct zouden hebben vermoord, waren zij niet
weerhouden door de wet der goden, dat geen opzettelijke daad van
geweld hun gewijde vredeplaatsen mocht ontheiligen. Het rumoer van
hun luid geklaag bracht de godin in groote haast bij het vreeselijke
tooneel, en toen Frigga zag dat haar lieveling dood was, smeekte zij
de goden hartstochtelijk naar Niflheim te gaan en Hel te overreden
haar slachtoffer los te laten, want de aarde kon zonder hem niet
gelukkig zijn.
Hermod's Boodschap.
Daar de weg uiterst ruw en moeilijk was, durfde eerst geen der
goden te gaan; maar toen Frigga beloofde dat zij en Odin den bode
boven al de Aesir zouden beminnen, verklaarde zich Hermod bereid
om de boodschap over te brengen. Om hem hiertoe in staat te stellen
leende Odin hem Sleipnir, en het edele ros, dat geen ander op zijn
rug duldde dan Odin, vertrok zonder aarzeling op den donkeren weg,
dien zijn hoeven reeds tweemaal te voren betreden hadden.
Ondertusschen liet Odin het lichaam van Balder naar Breidablik brengen,
en hij beval de goden naar het woud te gaan en hooge pijnboomen te
vellen waarmee een waardige brandstapel zou worden gebouwd.
Maar toen de goden naar het woud gegaan
Waren, bracht Hermod Sleipnir uit zijn stal
En deed hem 't zadel aan; te voren wou
Sleipnir geen hand dan Odin's op zijn nek,
En droeg geen and'ren rijder op zijn rug;
Nu stond hij echter stil aan Hermod's zij,
Buigend zijn hals, en, voor zijn man gereed,
Omdat hij wist hoe Balder werd bemind,
Maar Hermod nu besteeg hem, ging heel stil
En zwijgend op den onbekenden weg
Die van het Noorden takt, en toog dus voort
Den ganschen dag; het licht verdween, 't werd nacht,
En heel dien nacht dus reed en reisde hij.
Zoo negen dagen, negen nachten lang,
Naar 't noordlijk ijs, door dalen, stroomomgord.
En op den tienden dag zag hij de brug
Die overspant met gouden boog den stroom
Van Giall, en op die brug een vrouw, gedost
In rusting, waar men komt aan d' overkant
En waar de weg in rotsen zich verliest.
Balder Dood (Matthew Arnold).
De brandstapel.
Terwijl Hermod zich langs den somberen weg spoedde die tot Niflheim
leidde, hakten en haalden de goden naar de kust een groote massa
brandstof, dat zij op het dek van Balder's drakenschip, Ringhorn,
opstapelden terwijl zij een grooten brandstapel maakten. Volgens
gewoonte werd deze versierd met tapijtbehangsels, bloemenguirlanden,
vaten en wapenen van allerlei soort, gouden ringen en tallooze
voorwerpen van waarde, eer het vlekkelooze lichaam, rijkelijk
uitgedost, er heen gebracht en er opgelegd werd.
Een voor een kwamen de goden nu nader om een laatsten groet te brengen
aan hun geliefden makker, en toen Nanna zich over hem neerboog,
brak haar minnend hart en zij viel levenloos naast hem neder. Toen
zij dit zagen legden de goden haar eerbiedig naast haren echtgenoot,
opdat zij hem tot zelfs in den dood zou vergezellen; en nadat zij
zijn paard en honden gedood hadden en den brandstapel met doornen,
het zinnebeeld van den slaap, hadden omvlochten, kwam Odin, de laatste
der goden, naderbij.
Ten teeken van genegenheid voor den doode en van verdriet over
zijn verlies, hadden allen hun meest kostbare bezittingen op zijn
brandstapel gelegd, en Odin, zich neerbuigend, voegde nu bij de
geschenken zijn tooverring Draupnir. De verzamelde goden merkten dat
hij iets fluisterde in het oor van zijn gestorven zoon, maar geen
was dicht genoeg bij om te hooren wat hij zeide.
Toen deze droeve toebereidselen gedaan waren, maakten de goden
aanstalten om het schip van stapel te laten loopen, maar bevonden
dat de zware last van brandhout en schatten hun vereenigde pogingen
weerstand bood en zij konden het schip geen duim doen bewegen. De
bergreuzen, die het tooneel van verre zagen en hun verlegenheid
bespeurden, kwamen nu naderbij en zeiden dat zij wisten van een reuzin
die Hyrrokin heette en die in Jötun-heim woonde en sterk genoeg
was om zonder eenige hulp het schip van stapel te laten loopen. De
goden lieten dus een van de stormgeesten Hyrrokin roepen, en spoedig
verscheen deze, gezeten op een reusachtige wolf, dien zij aan een
leidsel, van kronkelende slangen gemaakt, stuurde. Naar de kust
rijdende steeg de reuzin af en betuigde trotsch haar bereidheid om
de gevraagde hulp te geven, als de goden intusschen wilden zorgen
voor haar ros. Odin zond onmiddellijk vier van zijn meest woeste
Berserkers om den wolf te houden, maar in weerwil van hun geweldige
kracht, konden zij het monsterachtig schepsel niet bedwingen, totdat
de reuzin het had neergeworpen en vastgebonden.
Toen Hyrrokin zag dat zij nu haar weerspannig ros zouden kunnen
besturen, ging zij langs het strand tot waar, hoog boven den
waterspiegel, Balders machtig schip Ringhorn lag.
Zeventig el vier zich strekte
Op het gras de kiel in praal
Hoog er boven, fonklend rekte
Zich de drakenkop bloeddorstig
Met zijn kam van staal.
De Sage van koning Olaf (Longfellow).
Zij zette haar schouders tegen zijn achtersteven en met een geweldige
inspanning duwde zij het met een vaart in het water. Maar zóó groot was
het gewicht van de massa en de snelheid waarmede het in zee schoot,
dat de aarde als door een aardbeving schokte en de rollen waarop het
schip gleed door de wrijving vuur vatten. De onverwachte schok deed de
goden bijna hun evenwicht verliezen, en dit maakte Thor zóó boos dat
hij zijn hamer ophief en hij de reuzin zou vermoord hebben, ware hij
niet door zijn makkers tegengehouden. Gemakkelijk gekalmeerd, zooals
gewoonlijk--want Thors woede, ofschoon snel gewekt, was voorbijgaande,
greep hij nog eens het schip aan om den brandstapel te wijden met
zijn heiligen hamer. Toen hij deze ceremonie verrichtte strompelde
de dwerg Lit hem hinderlijk in den weg, waarop Thor, die nog niet
heelemaal weer tot kalmte was gekomen, hem in het vuur wierp, dat
hij juist met een doorn had aangestoken, en de dwerg werd tot asch
verbrand met de lichamen van het goddelijk paar.
Het groote schip dreef nu in zee en de vlammen van den brandstapel
leverden een prachtig schouwspel op, dat elk oogenblik grootscher werd,
totdat, toen het schip den westelijken horizon naderde, het scheen
alsof zee en lucht in brand stonden. De goden keken treurig naar het
brandende schip en zijn kostbaren last, totdat het plotseling in de
golven dook en verdween; en zij wendden zich niet af noch keerden
tot Asgard terug voordat de laatste lichtsprank was verdwenen, en
de wereld, ten teeken van rouw over Balder den brave, in een mantel
was gehuld.
Dra met veel leven steeg 't geweldig vuur,
Het brandhout knetterd' en tusschen de blokken
Wiekten vuurtongen bevend op, en vuur
Sprong krullend, schietend hooger, lekte straks
Den top van 't hout, de dooden, ook de mast,
Knaagd' aan de dorre zeilen; toch bleef 't schip
Nog voortgaan, brandend boven romp in vlam.
De goden stonden op de kust, elk keek,
En wijl zij keken neigde zich de zon
In rook omhulde zee, en aan kwam nacht,
Toen legde zich de wind en kalmte kwam;
Maar door het duister zagen zij het schip
Nog over wijde waatren voortgevoerd,
Verder en verder, als een oog van vuur
Zoo leek nu Balder's mutserd in den nacht,
Maar zwakker scheen hij in het sterrenlicht,
De lijken werden dus verteerd, ook 't hout.
En evenals in uitgaand wintervuur
't Verkoolde blok als 't valt nog vonken schiet--
Zoo viel met vonkenstroom de mutserd in,
Kleurend de zee rondom; 't was donker toen.
Balder Dood (Matthew Arnold).
Hermod's tocht.
De goden traden treurig Asgard binnen, waar geen geluiden van
vroolijkheid of feestvieren het oor begroetten, want alle harten
waren met angstige bezorgdheid vervuld over den afloop van alle dingen
die men voelde komen. En waarlijk, de gedachte aan den vreeselijken
Fimbul-winter, die hun dood verkondigde, was er wel een om de goden te
verontrusten. Frigga alleen koesterde hoop, en zij wachtte met angst op
den terugkeer van haren bode, Hermod den snelle, die intusschen over
de sidderende brug was gereden en langs den donkeren Helleweg, totdat
hij, in den tienden nacht, den ruischenden stroom van de rivier Giöll
overkwam. Hier werd hij aangehouden door Mödgud, die vroeg waarom de
Giallar-brug meer onder den stap van zijn paard sidderde dan wanneer
een geheel leger er over ging, en vroeg waarom hij, een levend ruiter,
trachtte binnen te dringen in het gevreesde gebied van Hel.
Wie zijt gij op uw zwart en vurig paard,
Onder welks hoeven Giall's brug hevig schudt
En rammelt? Zeg mij uw geslacht en huis.
Eerst gistren ochtend kwamen hier voorbij
Vijf troepen dooden op hun weg naar Hel,
Deden de brug niet schudden als gij doet,
En gij hebt vleesch en kleur toch op 't gelaat,
Als levenden, die aad'men lucht nog in;
Ook ziet gij er niet uit als dooden doen,
Zielen die afwaarts gaan, die 'k daaglijks schouw.
Balder Dood (Matthew Arnold).
Hermod vertelde aan Mödgud de rede van zijn komst, en nadat hij
zekerheid had gekregen dat Balder en Nanna vóór hem over de brug
waren gereden, haastte hij zich verder, totdat hij kwam aan de poort,
die belemmerend voor hem op rees.
Niet afgeschrikt door dezen slagboom, steeg Hermod af op het gladde
ijs, en de riemen van zijn zadel vaster makende, steeg hij weer op,
bedolf zijn sporen diep in de zachte zijden van Sleipnir en dwong
hem tot een verbazenden sprong, die hem behouden aan den anderen kant
van de Hellepoort bracht.
Toen reed hij verder over 't veld van ijs
Nog noordwaarts, tot hij kwam aan hooge muren
(Belemmerend zijn weg) met traliewerk.
Toen steeg hij af, en trok de riemen aan,
Op 't gladde ijs, van Sleipnir, Odin's paard,
En deed hem springen, en kwam dus er in.
Balder Dood (Matthew Arnold).
Voortrijdende kwam Hermod ten slotte aan Hel's eetzaal, waar hij Balder
vond, bleek en uitgeput, liggend op een bank, zijn vrouw Nanna naast
hem, onafgewend starend op een beker meê, dien hij blijkbaar geen
moed had om te verzwelgen.
De voorwaarde van Balders invrijheidsstelling.
Te vergeefs vertelde Hermod zijn broeder dat hij gekomen was om hem
te verlossen; Balder schudde droevig zijn hoofd en zeide te weten dat
hij in zijn vreugdeloos verblijf moest vertoeven totdat de laatste
dag kwam, maar hij smeekte Hermod Nanna met zich terug te nemen,
daar het huis der schimmen geen plaats was voor een zoo prachtig
en schoon schepsel. Maar toen Nanna dit verzoek hoorde, drong zij
dichter aan de zijde van haren man en bezwoer dat niets er haar toe
zou kunnen brengen van hem te scheiden, en dat zij voor altijd bij
hem zou blijven, zelfs in Niflheim.
De lange nacht werd gesleten in stil gesprek, eer Hermod Hel opzocht
en haar smeekte Balder vrij te laten. De inhalige godin luisterde
zwijgend naar zijn verzoek en zeide eindelijk dat zij haar slachtoffer
zou laten vertrekken, mits alle dingen, bezield en onbezield, hun
smart over zijn verlies zouden toonen doordat zij tranen stortten.
Kom dan! als Balder was zoo teer bemind,
Men in den Hemel zijn gemis zoo voelt,
Hoor hoe den Hemel hij hergeven wordt,
Toon mij alom de teekenen van smart!
Dat Balders toeven hier hun treuren is!
Laat al wat leeft en door de wereld gaat
Weenen om hem, en 't levenlooze ook;
Laat goden, menschen, dieren, plant en rots
Beweenen hem, dan zie 'k hoe men hem mist
En 'k vind het goed en geef U Balder weer.