L. E. R.

Er waren ook boosaardige zeemonsters, bekend als Nicort, van wier

naam het spreekwoordelijke Oude Nikker is afgeleid. Vele van de

lagere watergoden hadden vischstaarten, de vrouwelijke droegen den

naam Undines en de mannelijke Stromkarels, Nixies, Necks of Neckar.

Waar in moerassen de roerdompen spelen

Nicker de ziellooze zit wat te kweelen,

Zit er ontroostbaar, heeft vijand noch vrind,

Nicker de ziellooze treurt als een kind.

Uit Broeder Fabian's Handschrift.

In de middeleeuwen geloofde men, dat deze watergeesten hun

geboortestroomen soms verlieten, om te verschijnen bij dorpsdansen,

waar zij herkend werden aan den natten zoom hunner kleederen. Vaak

zaten zij naast de vloeiende beek of rivier, spelend op een harp,

of zingend verleidende liederen, terwijl zij hun lang groen haar

uitkamden.

De Neck speelt zijn harp hier in 't glazen kasteel

En meerminnen kammen heur haren er veel,

En bleeken heur glanzende kleeren.

Stagnelius.

De Nixies, Undines en Stromkarls waren bijzonder vriendelijke en

liefelijke wezens, en waren zeer verlangend herhaalde verzekeringen

te krijgen van hun eeuwig heil.

Vele verhalen worden verteld van priesters of kinderen die hen

ontmoetten, spelend aan een stroom, en die hen dreigden met toekomstige

verdoemenis, een bedreiging die altijd de vroolijke muziek in droevige

klachten verkeerde. Dikwijls haastten priesters of kinderen, als zij

hun fout ontdekten en geroerd waren door den angst hunner slachtoffers,

zich terug naar den stroom en verzekerden de watergeesten met hun

groene tanden, dat zij behouden zouden worden, als zij steeds weer

hun blijde melodieën hervatten.

Kent gij de Nixen, blij en klaar?

Hun oogen zijn zwart, groen is hun haar

Zij toeven op helmige kusten.

Mathisson.

Riviernimfen.

Naast Elf of Elb, den watergeest die den naam gaf aan de rivier de

Elbe in Duitschland, de Neck, waarnaar de Neckar heet, en ouden Vader

Rijn met zijn talrijke dochters (bijrivieren), is de beroemdste van

alle lagere watergoden de Loreley, het sirenenmeisje dat zit op de

rots bij St. Goar aan den Rijn, en wier verlokkend lied menig schipper

in den dood heeft gelokt. De legenden over die sirene zijn inderdaad

zeer talrijk, een der oudste is als volgt:

Legenden van de Lorelei.

Lorelei was een onsterflijke, een waternimf, dochter van Vader Rijn;

overdag woonde zij in de koele diepten der rivierbedding, maar laat in

den avond verscheen zij in het maanlicht, hoog zittend op een rotspunt,

in het volle gezicht van allen die den stroom op en af gingen. Soms

bracht de avondkoelte eenige tonen van haar lied tot de ooren van de

bootslieden, zoodat zij tijd en plaats vergetend bij het luisteren

naar deze betooverende melodieën, op de scherpe en gekante rotsen

dreven, waar zij wis omkwamen.

De jonkvrouw is gezeten

Daarboven wonderbaar

Hoe blinkt haar gouden keten!

Zij kamt haar gouden haar.

Met kam, de gouden, reine,

En zingt een lied daarbij,

Dat heeft een wonderfijne,

Geweldige melodij.

Den schipper bij 't golvenklotsen

Omvat het met wild gerucht,

Hij speurt niet de scherpe rotsen,

Hij tuurt maar omhoog in de lucht.

'k Geloof, in 't golvenbangen

Zijn schipper en boot vergaan,

Dat heeft met hare zangen

De Lorelei gedaan.

Lied, Heine.

Slechts één persoon, zegt men, heeft de Lorelei van zeer nabij

gezien. Dit was een jonge visscher van Oberwesel, die haar elken

avond aan den rivierkant ontmoette, en eenige genotvolle uren met

haar doorbracht, hare schoonheid indrinkend en luisterend naar haar

wegsleepend gezang. De overlevering vertelde, dat eer zij scheidden

de Lorelei de plaatsen aanwees waar de jongeling 's anderen morgens

zijn netten moest werpen--bevelen, waaraan hij altijd gehoorzaamde

en die hem steeds voordeelig waren.

Op zekeren avond zag men den jongen visscher naar de rivier gaan,

maar daar hij nooit wederkeerde, ging men hem zoeken. Daar men hem

niet kon vinden, vertelden de lichtgeloovige Teutonen ten slotte,

dat de Lorelei hem had naar beneden getrokken naar haar koraalgrotten

opdat zij steeds van zijn gezelschap zou mogen profiteeren.

Overeenkomstig een andere overlevering lokte de Lorelei, met haar

wegsleepende melodieën van de scherpe rotsen zóóvele visschers ten

grave in de diepten van den Rijn, dat een gewapende troep eens bij

het vallen van den avond gezonden werd om haar te omringen en te

grijpen. Maar de waternimf betooverde den kapitein en zijn mannen

zóó, dat zij hand noch voet konden bewegen. Terwijl zij onbewegelijk

rondom haar stonden, ontdeed de Lorelei zich van hare sieraden en

wierp ze in het water onder zich; toen zong zij een tooverformule en

liet de wateren komen tot den top van de rots waarop zij stond, en,

tot verbazing van de soldaten, omsloten de golven een zeegroene kar,

door rossen met witte manen getrokken, en de nimf sprong er vlug in en

de tooverwagen was onmiddellijk uit het gezicht. Eenige oogenblikken

later viel de Rijn tot zijn gewoon peil terug, de betoovering was

gebroken en de mannen konden zich weer bewegen, en keerden terug om

te vertellen dat hun pogingen vergeefsch waren geweest. Sedert dat

oogenblik echter is de Lorelei niet gezien, en de boeren zeggen dat

zij nog boos is wegens de haar aangedane beleediging en dat zij nooit

weer hare koraalgrotten zal verlaten.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 31 / 46 题