Valhalla (J. C. Jones.)

Aegir (de zee) heeft--zoo meent men--evenals zijn broeders Kari (de

lucht) en Loki (het vuur) tot een oudere dynastie van goden behoord,

want hij werd nooit gerekend tot de Aesir, de Vana's, de reuzen,

de dwergen, of elfen, maar werd als almachtige beschouwd binnen

zijn gebied.

Men veronderstelde dat hij veroorzaakte en tot rust bracht de groote

stormen die over de diepte jaagden, en hij werd meestal afgebeeld als

een mager oud man, met langen witten baard en haar, en klauwachtige

vingers, die zich altijd krampachtig toeknepen, alsof hij alle dingen

in zijn greep wilde hebben. Wanneer hij boven de wateren verscheen,

was het enkel om schepen te vervolgen en te overweldigen, en hen

gulzig naar den bodem der zee te sleepen, een werk waarin hij--zoo

dacht men--duivelsch genot vond.

De godin Ran.

Aegir was gehuwd met zijn zuster, de godin Ran, wier naam "roover"

beteekent, en die even wreed, gulzig en onverzadiglijk was als haar

echtgenoot. Haar geliefkoosd tijdverdrijf was te loeren bij gevaarlijke

rotsen, waarheen zij de zeelieden lokte en daar haar net te spreiden,

haar kostbaarst bezit, wanneer zij, na de menschen in zijn mazen

verstrikt te hebben en hun schepen te hebben verbrijzeld op de scherpe

klippen, hen kalm naar beneden trok in haar somber gebied.

In de holle rotsen,

Aan de kust die ruischt,

Bij het wilde klotsen

Als de stormwind bruist,

In de lange uren

In de fjord van 't noord,

Zit zij stil te turen,

En zij grijpt tot moord

En zij spant haar sterk net tot haar roof.

Geschiedenis van Siegfried (Baldwin).

Ran werd beschouwd als de godin van den dood voor allen die op zee

omkwamen, en de noordelijke volken meenden dat zij de verdronkenen

borg in haar koraalspelonken, waar hare bedden gespreid waren om hen

te ontvangen, en waar de weide welig bloeide als in Valhalla. Verder

meende men, dat de godin een groote liefde had voor goud, dat "de

vlam van de zee" werd genoemd, en gebruikt werd om hare hallen te

verlichten. Dit geloof kwam op bij de zeelieden en had zijn ontstaan

te danken aan de treffende phosphoresceerende schittering van de

golven. Om de gunst van Ran te winnen, zorgden de Noormannen er voor,

wat goud bij zich te bergen als een of ander bijzonder gevaar hen op

zee bedreigde.

Goud op verre tochten

Is vol macht en vreugde;

Die met leege handen

Tot de blauwe Ran gaat,

Kust zij koud, en wieglend

Is dan haar omhelzing--

Maar wij schenken aan de

Zeebruid goud het zuiverst.

Viking-vertelling van het Noorden (R. B. Anderson).

De golven.

Aegir en Ran hadden negen schoone dochters, de Golven, of golfmeisjes,

wier sneeuwige armen en boezems, lang gouden haar, diepblauwe oogen, en

slanke, bekoorlijke gestalten buitengewoon betooverend werkten. Deze

meisjes hadden er genoegen in, te spelen op het oppervlak van

haars vaders breed gebied, licht gekleed in doorschijnend blauwe,

witte of groene sluiers. Zij waren echter zeer luimig en grillig,

nu eens speelsch, dan neerslachtig en apathisch, en soms elkander

bijna tot waanzin opzettend, heur haar en sluiers verscheurend, zich

zorgeloos op hare harde bedden, de rotsen, werpende, elkaar met woeste

haast verjagend, en luid schreeuwend van vreugd of wanhoop. Maar zij

kwamen zelden spelen, tenzij haar broeder, de Wind, op het pad was,

en overeenkomstig zijn stemming waren zij zacht en speelsch, of ruw

en rumoerig.

Men meende doorgaans dat de Winden bij drieën rondgingen, en men

zeide dikwijls dat zij speelden rondom de schepen van de Vikingen

dien zij gunstig gezind waren, elke belemmering op hun pad wegnemend,

en hen helpend opdat zij spoedig hun doel bereikten.

En Aegirs dochters in haar blauwe wijl,

Springen om 't roer, en stuwen 't bollend zeil.

Viking-vertellingen van het Noorden (R. B. Anderson).

Aegirs Brouwketel.

Aan de Angel-Saksers was de zeegod Aegir bekend onder den naam Eagor,

en zoo vaak een buitengewoon groote golf tegen de kust kwam donderen,

riepen de matrozen, zooals de Trentschippers nog doen: "Zie, Eagor

komt!" Hij was ook bekend onder den naam Helr (de hoeder) onder de

Noorsche volken en Gymir (de verstopper), omdat hij altijd bereid was

dingen te verbergen in de diepten van zijn gebied, en men er op aan kon

dat hij de aan zijn zorg toevertrouwde geheimen niet openbaarde. En

omdat, zooals men zeide--de wateren van de zee dikwijls ziedden en

kookten, heette de oceaan vaak Aegirs brouwketel of vat.

De twee voornaamste dienaren van den god waren Elde en Funfeng,

zinnebeelden van het phosphoresceeren der zee; zij waren beroemd om

hun snelheid en zij wachtten steeds op de gasten die hij tot zijn

banketten in de diepten der zee noodigde. Aegir verliet soms zijn

gebied om de Aesir in Asgard te bezoeken waar hij altijd koninklijk

werd onthaald en hij behagen schepte in Bragi's vele geschiedenissen

van de avonturen en daden der goden. Opgewekt door deze verhalen en

ook door de tintelende mee, die er mede gepaard ging, waagde de god

het eens de Aesir uit te noodigen het oogstfeest bij hem in Hlesey

bij te wonen, waar hij beloofde hem op zijn beurt te zullen onthalen.

Thor en Hymir.

Verrast door deze uitnoodiging, waagde een der goden Aegir er aan te

herinneren dat zij aan een lekker menu gewoon waren; daarop verklaarde

de god van de zee dat, wat het eten betrof, zij niet bang behoefden

te zijn, daar hij er zeker van was voor de grootste eters genoeg te

hebben; maar hij bekende dat hij niet zoo gerust was wat aanging het

drinken, daar zijn brouwketel vrij klein was. Dit hoorende bood Thor

dadelijk aan, een goeden ketel te verschaffen en trok uit met Tyr om

dien te halen. De twee goden reisden oostelijk van Elivagar in Thors

geitenkar, en, deze verlatend bij het huis van den boer Egil, Thialfi's

vader, gingen zij te voet naar de woning van den reus Hymir, van wien

men wist dat hij een ketel had, een mijl diep en naar verhouding wijd.

Oostwaarts woont

Van Elivagar

d' Alwijze Hymir,

Aan 's hemels end.

Mijn heer, trotsch van zin,

Bezit een vat,

Een grooten ketel,

Een mijl diep.

Saemunds Edda.

Alleen de vrouwen echter waren thuis, en Tyr herkende in de oudste--een

leelijk oud wijf met negen honderd hoofden--zijn eigen grootmoeder;

terwijl de jongere, een schoone jonge reuzin, naar het scheen, zijn

moeder was, en zij ontving haren zoon en zijn makker gastvrij en gaf

hun te drinken.

Na vernomen te hebben wat zij wilden, zei Thyr's moeder dat de

bezoekers zich moesten verbergen onder eenige groote ketels, die op

een balk aan het eind van de hal stonden, want haar man Hymir was

zeer driftig en versloeg dikwijls zijn zoogenaamde gasten met een

enkelen toornigen blik. De goden volgden vlug haar raad; en zoodra zij

verborgen waren, kwam de oude reus Hymir binnen. Toen zijn vrouw hem

zei dat er bezoek was, keek hij zoo verschrikkelijk boos, en wierp een

zóó toornigen blik naar hun schuilplaats, dat de dwarsbalk spleet en de

ketels met een slag neervielen, en, behalve de groote, alle stuk waren.

Stuk vloog de pilaar

Op den blik van den reus;

De balk werd eerst

In tweeën geknakt,

Acht ketels vielen,

Maar slechts een er van,

Een harde ijzeren

Bleef ongedeerd.

Saemunds Edda.

De vrouw van den reus echter kreeg van haren man gedaan, dat hij

Tyr en Thor welkom heette, en hij slachtte drie ossen om hen te

verkwikken, maar groot was zijn teleurstelling, toen hij zag dat de

dondergod twee er van voor zijn avondmaaltijd opat. Mompelend dat

hij den volgenden morgen vroeg zou gaan visschen om een ontbijt te

krijgen voor een zoo vraatzuchtigen gast, ging de reus naar bed,

en toen hij 's anderen daags in de schemering naar de kust ging,

kwam Thor bij hem die zeide dat hij hem was komen helpen. De reus

beval hem op zijn eigen lokaas te letten, waarop Thor kalmweg den

grootsten os van zijn gastheer Himinbrioter, (hemelbreker) doodde en,

zijn hoofd afhakkend, ging hij in een schip en roeide ver in zee. Te

vergeefs protesteerde Hymir dat zijn gewoon vischterrein bereikt was

en dat hij de verschrikkelijke Midgardslang zoude kunnen ontmoeten

als zij zich nog verder waagden; Thor roeide met volharding voort,

totdat hij dacht dat zij vlak boven dit monster waren.

Op donkeren bodem onder zilten vloed,

Lag neer de reuzenslang in sluimering zoet,

Er is geen macht die haar ontwaken doet.

Thors vischvangst (Oehlenschläger).

Terwijl hij den kop van den os aan den hengel sloeg, vischte Thor

Iörmungandr, terwijl de reus intusschen twee walvisschen ophaalde, die

hem genoeg schenen te zijn voor een vroeg ontbijt. Hij wilde dus juist

voorstellen terug te keeren, toen Thor plotseling een schok voelde,

en hij begon zoo hard als hij kon te rukken, want hij wist door den

weerstand van zijn buit en den verschrikkelijken storm die door zijn

woeste kronkelingen veroorzaakt werd, dat hij de Midgardslang aan

den haak had. Bij zijn stellige pogingen om de slang te dwingen tot

het oppervlak te rijzen, drukte Thor zijn voeten zóó stevig tegen den

bodem van de boot dat hij er doorging en op het bed van de zee stond.

Na een onbeschrijfelijke worsteling verscheen de vergifspuwende kop van

het monster en Thor, grijpende zijn hamer, zou het juist vernietigen,

toen de reus, verschrikt door de nabijheid van Iörmungandr en bang

dat de boot zou zinken en hij de buit van het monster zou worden,

de vischlijn doorsneed en dus de slang als een steen op den bodem

der zee deed terugvallen.

Daar komt het mes, en diep onder de zee

Zonk neer de slang, vermoeid door zooveel wee

En zooveel arbeid mee.

Thors vischvangst (Oehlenschläger).

Boos op Hymir omdat hij zoo van onpas was tusschenbeide gekomen, bracht

Thor hem een slag toe met zijn hamer die hem over boord deed slaan;

maar zonder aarzelen waadde Hymir naar het strand, en ontmoette den god

toen hij van de kust terugkeerde. Hymir nam toen beide walvisschen,

zijn zeebuit, op zijn rug, om ze naar huis te dragen; en Thor, die

ook zijn kracht wilde toonen, nam boot, roeispanen en vischtuig op

zijn schouders en volgde hem.

Toen het ontbijt gereed was, daagde Hymir Thor uit zijn kracht te

toonen door zijn beker te breken; maar ofschoon de dondergod hem met

onweerstaanbare kracht tegen steenen pilaren wierp, bleef hij heel

en was zelfs niet gedeukt. Maar op een influistering van Tyrs moeder

smeet Thor den kroes plotseling tegen het hoofd van den reus, de

eenige stof die harder was, waarop hij in splinters op den grond viel.

Nadat Hymir zoo Thors kracht had leeren kennen, zeide hij hem, dat

hij den ketel mocht hebben die de twee goden waren komen zoeken,

maar Tyr trachtte te vergeefs hem op te tillen, en Thor kon hem enkel

van den grond oplichten toen hij zijn krachtgordel had dichtgetrokken

tot het laatste knoopsgat.

Tyr poogde tweemaal

Te bewegen het vat,

Maar elken keer

Bleef de ketel staan;

Toen nam Môdi's vader

Bij den rand hem,

En liep dus

Door 't vertrek.

Hymir-lied.

De ruk waarmede hij hem eindelijk ophief, bracht groote schade toe aan

het huis van den reus, en zijn voeten gingen door den vloer. Toen Tyr

en Thor vertrokken, de laatste met den grooten pot op zijn hoofd in

plaats van een hoed, riep Hymir zijn broeders de vorstreuzen, en stelde

voor, dat zij hun hevigen vijand zouden vervolgen en verslaan. Toen

hij zich omkeerde, merkte Thor plotseling wat zij wilden, en herhaalde

malen Miölnir naar de reuzen werpend, versloeg hij hen allen eer zij

hem konden inhalen. Tyr en Thor aanvaardden toen de terugreis naar

Aegir, den ketel bij zich waarin het bier voor het oogstfeest moest

gebrouwen worden.

De naturalistische beteekenis van deze mythen is natuurlijk een onweer

(Thor), een strijd met de woeste zee (de Midgardslang) en het breken

van het poolijs (Hymirs beker en vloer) in de hitte van den zomer.

De goden kleedden zich nu in feestgewaad en gingen vroolijk naar

Aegirs feest, en zij waren sedert steeds gewoon het oogstfeest in

zijn koraalspelonken te vieren.

Vana's en Aesir keeren zij

Van aard en lucht en Asgard, blij

Met hun godinnen, wonderbaar,

Een zeldzaam schitterende schaar,

Verzellend Odin, trokken voort

Over de zee in lichten tocht.

Valhalla (J. C. Jones).

Onbeminde godheden.

Aegir, zooals wij hebben gezien, beheerschte de zee met behulp van

de verraderlijke Ran. Deze beide godheden werden als wreed beschouwd

door de noordelijke volken, die veel van de zee hadden te lijden,

welke, hen aan alle kanten omringende, ver in het hart hunner landen

drong door de vele fjorden, en dikwijls de schepen hunner Vikingen

verzwolg met heel hun oorlogsbemanning.

Andere goden van de zee.

Behalve in deze voornaamste godheden van de zee geloofden de

noordelijke volken in meermannen en meerminnen, en vele verhalen

worden verteld van meerminnen, die voor een tijd de zwaneveeren of

robbengewaden uitdeden, die zij op de kust lieten en welke door de

menschen gevonden werden, waardoor deze de schoone meisjes konden

dwingen op het land te blijven.

Zij kwam door de zee toen de maan klaar scheen,

Dreef op de golven van d' oceaan,

Zij kwam toen ik liep langs het strand alleen

Met een hart zoo licht als een hart kan slaan.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 30 / 46 题