De god van de zee.
Behalve Niörd en Mimir, die beiden oceaangoden waren, terwijl de
een de zee voorstelde bij de kust en de ander den oorspronkelijken
oceaan, waaruit, zooals men meende, alle dingen waren voortgekomen,
erkenden de noordelijke volken een ander zeebeheerscher, Aegir of Hler
geheeten, die òf in de koele diepten van zijn vloeibaar gebied woonde
òf verblijf hield op het eiland Lessoe, in het Kattegat, of Hlessey.
Beneden het golvengeruisch
Met lichtende glorie,
In blanke victorie
Was zeegods hooge huis.
Meer blinkend dan baren en schuimen
Blonk steeds door spelonkige ruimen
Het lichtende zand van zijn vloer,
Als meervlak waar windje langs voer.