De drie schikgodinnen.
De Noorsche godinnen van het noodlot, die Nornen heetten, waren in
geen enkel opzicht afhankelijk van de andere goden, die noch naar hare
besluiten mochten vragen, noch er invloed op oefenen. Zij waren drie
zusters, waarschijnlijk afstammelingen van den reus Norvi, van wien
Nott (nacht) afkomstig was. Zoodra de Gouden Eeuw voorbij was en de
zonde zelfs de hemelsche woningen van Asgard binnensloop, verschenen
de Nornen onder den grooten esch Yggdrasil en vestigden zich bij de
Urdar-fontein. Volgens sommige bronnen moesten zij de goden waarschuwen
voor toekomstig kwaad, hen op het hart binden goed gebruik te maken
van het heden, en hen gezonde lessen leeren trekken uit het verleden.
Deze drie zusters die Urd, Verdandi en Skuld heetten, stelden het
verleden, het heden en de toekomst voor. Haar voornaamste bezigheden
waren de webbe van het lot te weven, dagelijks den heiligen boom
te besprenkelen met water uit de Urdar-fontein en versche aarde te
leggen om zijn wortelen, opdat hij frisch en altijd groen zou blijven.
Vandaar komen de maagden
Die zeer veel weten,
Drie van de hal
Beneden den boom;
Een heette was,
D' andre zijnde
De derde die zijn zal.
De Völuspâ.
Sommigen beweren verder dat de Nornen wacht hielden over de gouden
appelen, die aan de takken van den boom des levens, der ervaring en
der kennis hingen, en dat zij slechts Idoen toestonden de vrucht te
plukken, de vrucht waardoor de goden konden vernieuwen hun jeugd.
De Nornen verzorgden en voedden ook twee zwanen die over het
spiegelgladde oppervlak van de Urdarfontein zwommen en van die paar
vogels stammen--meende men--alle zwanen op aarde af. Soms, zoo
zegt men, bekleedden zich de Nornen met zwanenveeren om de aarde
te bezoeken, of vermaakten zich als meerminnen langs de kusten en
in verschillende meren en rivieren, waar zij van tijd tot tijd aan
de stervelingen verschenen om hun de toekomst te voorspellen of hun
wijzen raad te geven.
Het web der Nornen.
De Nornen weefden soms zóó groote webben dat als een van de wevers
stond op een hoogen berg in het verste Oosten, een ander ver in de
Westersche zee waadde. De draden van haar weefsel geleken op koorden
en verschilden zeer in kleur, in overeenstemming met den aard der
gebeurtenissen die zouden geschieden, en een zwarte draad, die
van het Noorden ging naar het Zuiden, gold vast als een teeken van
dood. Wanneer deze zusters de spoel deden wentelen af en aan, zongen
zij een plechtig gezang. Zij schenen niet te weven volgens hare eigen
wenschen, maar blindelings alsof zij met tegenzin den wil uitvoerden
van Orlog, de eeuwige wet van het al, een oudere en hoogere macht,
die blijkbaar begin noch einde had.
Twee van de Nornen, Urd en Verdandi, werden voor heel welwillend
gehouden, terwijl, zooals men zeide, de derde steeds haar werk te niet
deed en het dikwijls, als het bijna klaar was, toornig in flarden
scheurde, terwijl zij de overblijfselen op de winden des hemels
uitstrooide. Als verpersoonlijking van den tijd werden de Nornen
voorgesteld als zusters van verschillenden leeftijd en karakter,
terwijl Urd (Wurd, tooverkracht) heel oud en afgeleefd scheen en
voortdurend omkeek alsof zij zich verdiepte in het beschouwen van
voorbijgegane gebeurtenissen en volken van het verleden; Verdandi, de
tweede zuster, jong, actief en zonder vrees, keek recht voor zich uit,
terwijl Skuld, het type van het toekomstige, meestal afgebeeld werd
als dichtgesluierd, met het hoofd gekeerd in tegengestelde richting
als Urd, en vasthoudend een boek of rol, die nog niet geopend of
ontrold was.
Dagelijks kregen deze Nornen bezoek van de goden, die ze gaarne
raadpleegden; en zelfs Odin reed dikwijls naar de Urdarfontein om
haar hulp in te roepen, want meestal beantwoordden zij zijn vragen,
't zwijgen bewarend over zijn eigen lot en dat zijner medegoden.
Lang en heel snel reed hij heen,
Onders 's Levens boom (waar 't vocht
Van de heil'ge Bron welt) zocht
Urdar, Norne van 't Verleên;
Maar haar oog, dat rugwaarts zag
Hielp hem niet op dezen dag.
Op Verdandi's blad viel neer
Schaduw, meldend kommer meer,
Schaduw, die op Asgard hing,
Wierp er op een duistren kring
't Geheim was niet bij deze vrouw,
Wat 't schoone Valhall redden zou.
De jongste zuster, van wat komt
Norna, Skuld, bleef gansch verstomd.
Toen hij vroeg om toekomsts zin,
Haar somber oog sloot kommer in.
Valhalla (J. C. Jones).
Andere beschermgeesten.
Behalve de drie voornaamste Nornen, waren er vele andere, veel minder
belangrijk, die de beschermgeesten der menschheid schijnen te zijn
geweest, aan wie zij dikwijls verschenen, terwijl zij allerlei soorten
van geschenken aan hun gunstelingen gaven, en zelden in gebreke bleven
tegenwoordig te zijn bij geboorte, bij huwelijk en dood.
Veelvuldig is hun maagschap, wie zal hen noemen allen?
Zij heerschen over de menschen en der sterren rijzen en vallen.
Sigurd de Volsung (William Morris).
De geschiedenis van Nornagesta.
Eens bezochten de drie zusters Denemarken, en traden de woning binnen
van een edelman, toen zijn eerste kind ter wereld kwam. Het vertrek
binnentredend waar de moeder lag, beloofde de eerste Norne dat het
kind flink en braaf zou zijn, en de tweede dat hij gelukkig zou wezen
en een groot zanger zou worden--voorspellingen, die de harten der
ouders met blijdschap vervulden. Intusschen had zich het nieuws van
het gebeurde verspreid, en de buren kwamen in zóó groote menigte het
vertrek binnen dat het dringen van de nieuwsgierige schare schuld
was dat de derde Norne op ruwe wijze van haar stoel werd gestooten.
Boos over deze beleediging stond Skuld trotsch op en zei dat de giften
harer zusters niet zouden baten, daar zij zou bepalen dat het kind niet
langer zou leven dan de kaars die bij het bed stond zou branden. Deze
onheilspellende woorden vervulden het hart der moeder met schrik,
en bevend sloot zij haar kind vaster aan haar borst, want de kaars
was bijna afgebrand en het kon niet lang meer duren of zij ging
uit. De oudste Norne echter had geen plan haar voorspelling aldus
te niet te laten doen; maar daar zij hare zuster niet kon dwingen
hare woorden in te trekken, greep zij snel de kaars, deed het licht
uit en terwijl zij het rookende eind aan de moeder van het kind gaf,
beval zij haar het zorgvuldig te bewaren, en het nooit aan te steken
eer haar zoon van het leven genoeg had.
In het huis was het nacht:
De Nornen kwamen
Die zouden beslissen
Over 's prinsen leven.
Saemunds Edda.
Deze jongen werd Nornagesta genoemd ter eere van de Nornen, en groeide
op tot een zoo schoonen, dapperen en begaafden man als een moeder
maar kon wenschen. Toen hij oud genoeg was om den ernst van het hem
toevertrouwde te verstaan, vertelde hem zijn moeder de geschiedenis
van het bezoek der Nornen, en gaf hem het eindje kaars dat hij vele
jaren bewaarde, terwijl hij het veiligheidshalve in de kast van zijn
harp opborg. Toen zijn ouders dood waren, zwierf Nornagesta van plaats
tot plaats, en nam deel aan ieder gevecht en onderscheidde zich in
den oorlog, zijn heldenwijzen zingend waar hij ook ging. Daar hij van
geestdriftigen en dichterlijken aard was, had hij niet spoedig genoeg
van het leven, en terwijl andere helden gerimpeld en oud werden, bleef
hij jong van hart en krachtig van gestalte. Hij was dus getuige van
de geweldige daden der heldeneeuwen, was de trouwe makker van de oude
krijgslieden, en nadat hij driehonderd jaar geleefd had, zag hij dat
het geloof in de oude heidensche goden langzamerhand plaats maakte
voor de prediking der Christenzendelingen. Eindelijk kwam Nornagesta
aan het hof van koning Olaf Tryggvesson, die, overeenkomstig zijn
gewoonte, hem schier door geweld bekeerde en hem dwong den doop te
ontvangen. Wenschend zijn volk te overtuigen dat de tijd voor het
bijgeloof voorbij was, noodzaakte de koning den ouden skalde de kaars
voor den dag te halen en aan te steken, die hij meer dan drie eeuwen
zorgvuldig had bewaard.
Ofschoon hij pas bekeerd was, sloeg Nornagesta de flikkerende vlam
angstig gade, en toen zij ten slotte uitging, zonk hij levenloos op
den grond, dus bewijzend, in weerwil van den ontvangen doop, dat hij
nog in de voorspelling van de Nornen geloofde.
In de middeleeuwen, en zelfs later, komen de Nornen in vele verhalen
en mythen voor, en verschijnen dan als feeën of heksen, zooals, bij
voorbeeld, in het verhaal van de "Schoone Slaapster", en Shakespeare's
treurspel Macbeth.
Eerste heks. Wanneer 't volgend samenzijn?
Bij regen, storm of weerlichtsschijn?
Tweede heks. Als 't rumoeren is gedaan,
Als men hoort victorie slaan.
Derde heks. Dat is na zonsondergaan.
Shakespeare's Macbeth (vert. v. Burgersdijk).
De Vala.
Soms droegen de Nornen den naam Vala, of profetessen, want zij hadden
de gave der waarzegging--een gave die bij alle noordelijke volken
in hoog aanzien was. Zij dachten dat zij het vrouwelijk geslacht was
voorbehouden. De voorspellingen van de Vala werden nooit in twijfel
getrokken, en men zegt dat de Romeinsche generaal Drusus zóó verschrikt
was door de verschijning van Veleda, een der profetessen, die hem
waarschuwde niet de Elbe over te trekken, dat hij inderdaad het sein
tot den terugtocht gaf. Zij voorspelden zijn ophanden zijnden dood,
die inderdaad kort daarop plaats had door een val van zijn paard.
Deze profetessen, die ook bekend waren als Idises, Dises, of
Hagedises, deden dienst in de boschtempels en in de heilige wouden,
en vergezelden altijd de legers die een aanval deden. Aan het hoofd of
in het midden van de schare rijdend, zetten zij de strijders krachtig
tot de overwinning aan, en als de slag voorbij was sneden zij dikwijls
den bloedigen arend op de lichamen van de gevangenen. Het bloed werd
verzameld in groote tonnen, waarin de Dises hare naakte armen tot
de schouders toe dompelden, voordat zij deel namen aan milden daad
waarmee de plechtigheid eindigde.
Het is niet te verwonderen dat deze vrouwen zeer gevreesd waren. Offers
werden gebracht om ze gunstig te stemmen, en eerst in latere tijden
werden zij verlaagd tot den rang van heksen, en verwezen naar de
duivelbende op den Brocken, of den Blocksberg, in den Valpurgisnacht.
Behalve de Nornen of Dises, die ook als schutsgodinnen beschouwd
werden, schreven de Noormannen aan ieder menschelijk wezen een
beschermgeest toe, Fylgie geheeten, die hem zijn geheele leven
vergezelde, hetzij in menschelijke, hetzij in dierlijke gestalte,
en onzichtbaar was, behalve op het oogenblik van zijn dood voor allen
behalve de enkele ingewijden.
De allegorische beteekenis van de Nornen en van hun web des lots is
te duidelijk om verklaring te eischen; toch hebben enkele mythologen
ze tot geesten van de lucht gemaakt, en zeggen dat haar webbe het
wolkenweefsel was, en dat de nevelbanden, die zij knoopten van rots
tot boom, van berg tot berg, gewelddadig verscheurd werden door den
plotselingen opstekenden wind. Sommige autoriteiten zeggen bovendien
dat Skuld, de derde Norne, bij tijd en wijle een Valkyre was, en dan
weer de godin van den dood, de schrikwekkende Hel voorstelde.