HOOFDSTUK XVII: DE NORNEN.

De drie schikgodinnen.

De Noorsche godinnen van het noodlot, die Nornen heetten, waren in

geen enkel opzicht afhankelijk van de andere goden, die noch naar hare

besluiten mochten vragen, noch er invloed op oefenen. Zij waren drie

zusters, waarschijnlijk afstammelingen van den reus Norvi, van wien

Nott (nacht) afkomstig was. Zoodra de Gouden Eeuw voorbij was en de

zonde zelfs de hemelsche woningen van Asgard binnensloop, verschenen

de Nornen onder den grooten esch Yggdrasil en vestigden zich bij de

Urdar-fontein. Volgens sommige bronnen moesten zij de goden waarschuwen

voor toekomstig kwaad, hen op het hart binden goed gebruik te maken

van het heden, en hen gezonde lessen leeren trekken uit het verleden.

Deze drie zusters die Urd, Verdandi en Skuld heetten, stelden het

verleden, het heden en de toekomst voor. Haar voornaamste bezigheden

waren de webbe van het lot te weven, dagelijks den heiligen boom

te besprenkelen met water uit de Urdar-fontein en versche aarde te

leggen om zijn wortelen, opdat hij frisch en altijd groen zou blijven.

Vandaar komen de maagden

Die zeer veel weten,

Drie van de hal

Beneden den boom;

Een heette was,

D' andre zijnde

De derde die zijn zal.

De Völuspâ.

Sommigen beweren verder dat de Nornen wacht hielden over de gouden

appelen, die aan de takken van den boom des levens, der ervaring en

der kennis hingen, en dat zij slechts Idoen toestonden de vrucht te

plukken, de vrucht waardoor de goden konden vernieuwen hun jeugd.

De Nornen verzorgden en voedden ook twee zwanen die over het

spiegelgladde oppervlak van de Urdarfontein zwommen en van die paar

vogels stammen--meende men--alle zwanen op aarde af. Soms, zoo

zegt men, bekleedden zich de Nornen met zwanenveeren om de aarde

te bezoeken, of vermaakten zich als meerminnen langs de kusten en

in verschillende meren en rivieren, waar zij van tijd tot tijd aan

de stervelingen verschenen om hun de toekomst te voorspellen of hun

wijzen raad te geven.

Het web der Nornen.

De Nornen weefden soms zóó groote webben dat als een van de wevers

stond op een hoogen berg in het verste Oosten, een ander ver in de

Westersche zee waadde. De draden van haar weefsel geleken op koorden

en verschilden zeer in kleur, in overeenstemming met den aard der

gebeurtenissen die zouden geschieden, en een zwarte draad, die

van het Noorden ging naar het Zuiden, gold vast als een teeken van

dood. Wanneer deze zusters de spoel deden wentelen af en aan, zongen

zij een plechtig gezang. Zij schenen niet te weven volgens hare eigen

wenschen, maar blindelings alsof zij met tegenzin den wil uitvoerden

van Orlog, de eeuwige wet van het al, een oudere en hoogere macht,

die blijkbaar begin noch einde had.

Twee van de Nornen, Urd en Verdandi, werden voor heel welwillend

gehouden, terwijl, zooals men zeide, de derde steeds haar werk te niet

deed en het dikwijls, als het bijna klaar was, toornig in flarden

scheurde, terwijl zij de overblijfselen op de winden des hemels

uitstrooide. Als verpersoonlijking van den tijd werden de Nornen

voorgesteld als zusters van verschillenden leeftijd en karakter,

terwijl Urd (Wurd, tooverkracht) heel oud en afgeleefd scheen en

voortdurend omkeek alsof zij zich verdiepte in het beschouwen van

voorbijgegane gebeurtenissen en volken van het verleden; Verdandi, de

tweede zuster, jong, actief en zonder vrees, keek recht voor zich uit,

terwijl Skuld, het type van het toekomstige, meestal afgebeeld werd

als dichtgesluierd, met het hoofd gekeerd in tegengestelde richting

als Urd, en vasthoudend een boek of rol, die nog niet geopend of

ontrold was.

Dagelijks kregen deze Nornen bezoek van de goden, die ze gaarne

raadpleegden; en zelfs Odin reed dikwijls naar de Urdarfontein om

haar hulp in te roepen, want meestal beantwoordden zij zijn vragen,

't zwijgen bewarend over zijn eigen lot en dat zijner medegoden.

Lang en heel snel reed hij heen,

Onders 's Levens boom (waar 't vocht

Van de heil'ge Bron welt) zocht

Urdar, Norne van 't Verleên;

Maar haar oog, dat rugwaarts zag

Hielp hem niet op dezen dag.

Op Verdandi's blad viel neer

Schaduw, meldend kommer meer,

Schaduw, die op Asgard hing,

Wierp er op een duistren kring

't Geheim was niet bij deze vrouw,

Wat 't schoone Valhall redden zou.

De jongste zuster, van wat komt

Norna, Skuld, bleef gansch verstomd.

Toen hij vroeg om toekomsts zin,

Haar somber oog sloot kommer in.

Valhalla (J. C. Jones).

Andere beschermgeesten.

Behalve de drie voornaamste Nornen, waren er vele andere, veel minder

belangrijk, die de beschermgeesten der menschheid schijnen te zijn

geweest, aan wie zij dikwijls verschenen, terwijl zij allerlei soorten

van geschenken aan hun gunstelingen gaven, en zelden in gebreke bleven

tegenwoordig te zijn bij geboorte, bij huwelijk en dood.

Veelvuldig is hun maagschap, wie zal hen noemen allen?

Zij heerschen over de menschen en der sterren rijzen en vallen.

Sigurd de Volsung (William Morris).

De geschiedenis van Nornagesta.

Eens bezochten de drie zusters Denemarken, en traden de woning binnen

van een edelman, toen zijn eerste kind ter wereld kwam. Het vertrek

binnentredend waar de moeder lag, beloofde de eerste Norne dat het

kind flink en braaf zou zijn, en de tweede dat hij gelukkig zou wezen

en een groot zanger zou worden--voorspellingen, die de harten der

ouders met blijdschap vervulden. Intusschen had zich het nieuws van

het gebeurde verspreid, en de buren kwamen in zóó groote menigte het

vertrek binnen dat het dringen van de nieuwsgierige schare schuld

was dat de derde Norne op ruwe wijze van haar stoel werd gestooten.

Boos over deze beleediging stond Skuld trotsch op en zei dat de giften

harer zusters niet zouden baten, daar zij zou bepalen dat het kind niet

langer zou leven dan de kaars die bij het bed stond zou branden. Deze

onheilspellende woorden vervulden het hart der moeder met schrik,

en bevend sloot zij haar kind vaster aan haar borst, want de kaars

was bijna afgebrand en het kon niet lang meer duren of zij ging

uit. De oudste Norne echter had geen plan haar voorspelling aldus

te niet te laten doen; maar daar zij hare zuster niet kon dwingen

hare woorden in te trekken, greep zij snel de kaars, deed het licht

uit en terwijl zij het rookende eind aan de moeder van het kind gaf,

beval zij haar het zorgvuldig te bewaren, en het nooit aan te steken

eer haar zoon van het leven genoeg had.

In het huis was het nacht:

De Nornen kwamen

Die zouden beslissen

Over 's prinsen leven.

Saemunds Edda.

Deze jongen werd Nornagesta genoemd ter eere van de Nornen, en groeide

op tot een zoo schoonen, dapperen en begaafden man als een moeder

maar kon wenschen. Toen hij oud genoeg was om den ernst van het hem

toevertrouwde te verstaan, vertelde hem zijn moeder de geschiedenis

van het bezoek der Nornen, en gaf hem het eindje kaars dat hij vele

jaren bewaarde, terwijl hij het veiligheidshalve in de kast van zijn

harp opborg. Toen zijn ouders dood waren, zwierf Nornagesta van plaats

tot plaats, en nam deel aan ieder gevecht en onderscheidde zich in

den oorlog, zijn heldenwijzen zingend waar hij ook ging. Daar hij van

geestdriftigen en dichterlijken aard was, had hij niet spoedig genoeg

van het leven, en terwijl andere helden gerimpeld en oud werden, bleef

hij jong van hart en krachtig van gestalte. Hij was dus getuige van

de geweldige daden der heldeneeuwen, was de trouwe makker van de oude

krijgslieden, en nadat hij driehonderd jaar geleefd had, zag hij dat

het geloof in de oude heidensche goden langzamerhand plaats maakte

voor de prediking der Christenzendelingen. Eindelijk kwam Nornagesta

aan het hof van koning Olaf Tryggvesson, die, overeenkomstig zijn

gewoonte, hem schier door geweld bekeerde en hem dwong den doop te

ontvangen. Wenschend zijn volk te overtuigen dat de tijd voor het

bijgeloof voorbij was, noodzaakte de koning den ouden skalde de kaars

voor den dag te halen en aan te steken, die hij meer dan drie eeuwen

zorgvuldig had bewaard.

Ofschoon hij pas bekeerd was, sloeg Nornagesta de flikkerende vlam

angstig gade, en toen zij ten slotte uitging, zonk hij levenloos op

den grond, dus bewijzend, in weerwil van den ontvangen doop, dat hij

nog in de voorspelling van de Nornen geloofde.

In de middeleeuwen, en zelfs later, komen de Nornen in vele verhalen

en mythen voor, en verschijnen dan als feeën of heksen, zooals, bij

voorbeeld, in het verhaal van de "Schoone Slaapster", en Shakespeare's

treurspel Macbeth.

Eerste heks. Wanneer 't volgend samenzijn?

Bij regen, storm of weerlichtsschijn?

Tweede heks. Als 't rumoeren is gedaan,

Als men hoort victorie slaan.

Derde heks. Dat is na zonsondergaan.

Shakespeare's Macbeth (vert. v. Burgersdijk).

De Vala.

Soms droegen de Nornen den naam Vala, of profetessen, want zij hadden

de gave der waarzegging--een gave die bij alle noordelijke volken

in hoog aanzien was. Zij dachten dat zij het vrouwelijk geslacht was

voorbehouden. De voorspellingen van de Vala werden nooit in twijfel

getrokken, en men zegt dat de Romeinsche generaal Drusus zóó verschrikt

was door de verschijning van Veleda, een der profetessen, die hem

waarschuwde niet de Elbe over te trekken, dat hij inderdaad het sein

tot den terugtocht gaf. Zij voorspelden zijn ophanden zijnden dood,

die inderdaad kort daarop plaats had door een val van zijn paard.

Deze profetessen, die ook bekend waren als Idises, Dises, of

Hagedises, deden dienst in de boschtempels en in de heilige wouden,

en vergezelden altijd de legers die een aanval deden. Aan het hoofd of

in het midden van de schare rijdend, zetten zij de strijders krachtig

tot de overwinning aan, en als de slag voorbij was sneden zij dikwijls

den bloedigen arend op de lichamen van de gevangenen. Het bloed werd

verzameld in groote tonnen, waarin de Dises hare naakte armen tot

de schouders toe dompelden, voordat zij deel namen aan milden daad

waarmee de plechtigheid eindigde.

Het is niet te verwonderen dat deze vrouwen zeer gevreesd waren. Offers

werden gebracht om ze gunstig te stemmen, en eerst in latere tijden

werden zij verlaagd tot den rang van heksen, en verwezen naar de

duivelbende op den Brocken, of den Blocksberg, in den Valpurgisnacht.

Behalve de Nornen of Dises, die ook als schutsgodinnen beschouwd

werden, schreven de Noormannen aan ieder menschelijk wezen een

beschermgeest toe, Fylgie geheeten, die hem zijn geheele leven

vergezelde, hetzij in menschelijke, hetzij in dierlijke gestalte,

en onzichtbaar was, behalve op het oogenblik van zijn dood voor allen

behalve de enkele ingewijden.

De allegorische beteekenis van de Nornen en van hun web des lots is

te duidelijk om verklaring te eischen; toch hebben enkele mythologen

ze tot geesten van de lucht gemaakt, en zeggen dat haar webbe het

wolkenweefsel was, en dat de nevelbanden, die zij knoopten van rots

tot boom, van berg tot berg, gewelddadig verscheurd werden door den

plotselingen opstekenden wind. Sommige autoriteiten zeggen bovendien

dat Skuld, de derde Norne, bij tijd en wijle een Valkyre was, en dan

weer de godin van den dood, de schrikwekkende Hel voorstelde.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 26 / 46 题