Het vrijen van Rinda.
Billing, de koning van de Ruthenen, was zeer teleurgesteld toen hij
hoorde dat een groote macht zijn rijk zou binnenvallen, want hij was
te oud om als vroeger te vechten, en zijn eenig kind, een dochter
die Rinda heette, weigerde, ofschoon zij op huwbaren leeftijd was,
een echtgenoot te kiezen uit hare vele vrijers, en dan haren vader
de hulp te geven, die hij zoo smartelijk miste.
Terwijl Billing mistroostig nadacht in zijn hal, trad plotseling een
vreemdeling zijn paleis binnen. De koning keek op, en zag een man
van middelbaren leeftijd, gewikkeld in een wijden mantel, met een
breedgeranden hoed over zijn voorhoofd getrokken om te verbergen dat
hij slechts één oog had. De vreemdeling vroeg beleefd naar de oorzaak
van zijn klaarblijkelijke neerslachtigheid, en daar er iets in zijn
houding was dat vertrouwen inboezemde, vertelde de koning hem alles,
en op het eind van het verhaal bood hij aan het leger der Ruthenen
tegen hun vijand aan te voeren.
Toen zijn diensten met blijdschap waren aanvaard, duurde het niet lang
of Odin--want hij was het--behaalde een merkwaardige overwinning, en,
in triomf terugkeerend, vroeg hij toestemming om 's konings dochter
Rinda te vrijen. Ofschoon de pretendent op jaren was, hoopte Billing
dat zijn dochter een gunstig oor zou leenen aan een vrijer die zich
zeer bleek te onderscheiden en hij gaf onmiddellijk toestemming. Zoo
vertoonde Odin, nog onbekend, zich aan de prinses, maar zij wees boos
zijn voorstel af en sloeg hem ruw om de ooren toen hij haar poogde
te kussen.
Genoopt zich terug te trekken, gaf Odin niettemin het plan niet op
Rinda tot zijn vrouw te maken, want hij wist, dank zij Rossthiofs
profetie, dat geen andere dan zij den aangewezen wreker van zijn
vermoorden zoon kon ter wereld brengen. Zijn volgende poging was dus
de gedaante van een smid aan te nemen, en in die vermomming kwam
hij terug in Billings hal, en terwijl hij kostelijke versierselen
maakte van zilver en goud, vermenigvuldigde hij zóó kunstig deze
schoone bijouteriën, dat de koning gaarne zijn toestemming gaf, toen
hij vroeg of hij zich tot de prinses mocht wenden. De smid, Rosterus,
zooals hij zich aandiende, werd echter met even weinig plichtplegingen
door Rinda afgescheept als zij dit den gelukkigen veldheer had gedaan;
maar ofschoon zijn oor opnieuw suisde van haar harden klap, was hij
meer besloten dan ooit haar tot zijn vrouw te maken.
Den volgenden keer toen Odin zich vertoonde voor de grillige dame,
was hij vermomd als een fier oorlogsheld, want, dacht hij, een jong
soldaat zou misschien het hart van het meisje treffen, maar toen hij
haar weer poogde te kussen, stootte zij hem zóó plotseling terug,
dat hij struikelde en op één knie viel.
Menig schoone maagd
Is voor mannen onverschillig
Als men haar kent;
Dat ondervond ik
Toen ik beproefde,
Dat stille meisje
Voor mij te winnen;
Allerlei smaad
Hoopte toen op mij
Dat luimige kind;
Niets van die schoone kreeg ik gedaan.
Saemunds Edda.
Deze derde beleediging maakte Odin zóó woedend, dat hij zijn
magischen runestaf uit zijn borst trok, hem op Rinda richtte en
een zóó vreeselijke bezwering uitsprak, dat zij in de armen harer
dienstbaren viel, stijf en schijnbaar levenloos.
Toen de prinses weer tot zich zelf kwam, was haar vrijer verdwenen,
maar de koning ontdekte tot zijn groot verdriet dat zij geheel haar
verstand verloren had en zwaarmoedig krankzinnig was. Te vergeefs
werden alle dokters geroepen en beproefden zij hun middelen; het meisje
bleef stil en bedroefd, en haar ongeruste vader had bijna alle hoop
opgegeven, toen een oude vrouw, die zich als Vecha, of Vak, aandiende,
verscheen, en aanbood de prinses te genezen. De oude vrouw, die Odin
was in vermomming, schreef der patiënte eerst een voetbad voor; maar,
toen dit geen kennelijke uitwerking scheen te hebben, stelde zij voor
met een krachtiger behandeling de proef te nemen. Tot dit doel, zei
Vecha, moest de patiënte aan haar uitsluitende zorg worden toevertrouwd
en stevig worden vastgebonden zoodat zij niet den minsten weerstand kon
bieden. Billing, die zijn kind wilde redden, vond alles goed; en toen
hij dus volledige macht over Rinda had gekregen, dwong Odin haar hem
te huwen, terwijl hij haar slechts uit hare banden en hare betoovering
los liet, toen zij eerlijk beloofd had zijn vrouw te worden.
De geboorte van Vali.
De voorspelling van Rossthiof was nu vervuld, want Rinda baarde een
zoon, Vali (Ali, Bous of Beav) geheeten, een personifiëering van het
lengen der dagen, die zóó snel opgroeide, dat hij in den loop van één
enkelen dag zijn volle lengte kreeg. Zonder zelfs den tijd te nemen
om zijn gezicht te wasschen of zijn haar te kammen, haastte zich deze
jonge god naar Asgard, boog en pijl in de hand, om Balders dood op
zijn moordenaar Hodur, den blinden god der duisternis, te wreken.
Zie, Vali komt, straft Hodur blind,
Hij zoon van 't west en Rinda's kind,
En Odins, in één dag volboren,
Hij gunt zich rust niet naar behooren,
Noch toeft te wasschen zich de handen
Zich 't haar te kammen, ijlt door landen
Totdat z'n roeping is vervuld
En Hodur heeft geboet zijn schuld.
Valhalla (J. C. Jones).
In deze mythe weerstaat Rinda, een verpersoonlijking van de bevroren
aardkorst, de warme liefde van de zon, Odin, die te vergeefs aanduidt
dat de lente de tijd is voor oorlogsondernemingen, en die de sieraden
van den gouden zomer aanbiedt. Zij geeft slechts toe, als, na een bui
(het voetbad) de dooi begint. Overwonnen dan door de onweerstaanbare
macht van de zon, geeft de aarde zich neer onder zijn omhelzing,
wordt bevrijd van de betoovering (het ijs) die haar hard en koud
maakte, en brengt voort Vali, den voeder, of Bous, den boer, die
uit zijn donkere hut te voorschijn komt als de liefelijke dagen zijn
gekomen. Het vermoorden van Hodur door Vali beteekent dus het "voor
den dag komen van nieuw licht na de duisternis van den winter."
Vali, die als een der twaalf goden voorkomt welke de zetels in de
groote hal van Gladsheim innemen, deelde met zijn vader het huis dat
Valaskialf heette, en was, reeds vóór zijn geboorte, voorbestemd om
het laatste gevecht en de godenschemering te overleven, en met Vidar
te regeeren over de herboren aarde.
Dienst van Vali.
Vali is de god van het eeuwige licht, zooals Vidar van de
onvergankelijke stof; en daar de lichtstralen dikwijls pijlen heetten,
wordt hij altijd als boogschutter voorgesteld en vereerd. Daarom wordt
zijn maand in den Noorschen kalender aangeduid door het teeken van
den boog, en heet Lios-beri, de lichtbrengende. Daar zij valt tusschen
het midden van Januari en Februari, wijdden de eerste Christenen deze
maand aan St. Valentijn, die ook een ervaren boogschutter was, en die,
evenals Vali, de heraut van lichter dagen heette, en de wekker van
teedere gevoelens en de beschermheer van alle minnaars.