HOOFDSTUK XVI: VALI.

Het vrijen van Rinda.

Billing, de koning van de Ruthenen, was zeer teleurgesteld toen hij

hoorde dat een groote macht zijn rijk zou binnenvallen, want hij was

te oud om als vroeger te vechten, en zijn eenig kind, een dochter

die Rinda heette, weigerde, ofschoon zij op huwbaren leeftijd was,

een echtgenoot te kiezen uit hare vele vrijers, en dan haren vader

de hulp te geven, die hij zoo smartelijk miste.

Terwijl Billing mistroostig nadacht in zijn hal, trad plotseling een

vreemdeling zijn paleis binnen. De koning keek op, en zag een man

van middelbaren leeftijd, gewikkeld in een wijden mantel, met een

breedgeranden hoed over zijn voorhoofd getrokken om te verbergen dat

hij slechts één oog had. De vreemdeling vroeg beleefd naar de oorzaak

van zijn klaarblijkelijke neerslachtigheid, en daar er iets in zijn

houding was dat vertrouwen inboezemde, vertelde de koning hem alles,

en op het eind van het verhaal bood hij aan het leger der Ruthenen

tegen hun vijand aan te voeren.

Toen zijn diensten met blijdschap waren aanvaard, duurde het niet lang

of Odin--want hij was het--behaalde een merkwaardige overwinning, en,

in triomf terugkeerend, vroeg hij toestemming om 's konings dochter

Rinda te vrijen. Ofschoon de pretendent op jaren was, hoopte Billing

dat zijn dochter een gunstig oor zou leenen aan een vrijer die zich

zeer bleek te onderscheiden en hij gaf onmiddellijk toestemming. Zoo

vertoonde Odin, nog onbekend, zich aan de prinses, maar zij wees boos

zijn voorstel af en sloeg hem ruw om de ooren toen hij haar poogde

te kussen.

Genoopt zich terug te trekken, gaf Odin niettemin het plan niet op

Rinda tot zijn vrouw te maken, want hij wist, dank zij Rossthiofs

profetie, dat geen andere dan zij den aangewezen wreker van zijn

vermoorden zoon kon ter wereld brengen. Zijn volgende poging was dus

de gedaante van een smid aan te nemen, en in die vermomming kwam

hij terug in Billings hal, en terwijl hij kostelijke versierselen

maakte van zilver en goud, vermenigvuldigde hij zóó kunstig deze

schoone bijouteriën, dat de koning gaarne zijn toestemming gaf, toen

hij vroeg of hij zich tot de prinses mocht wenden. De smid, Rosterus,

zooals hij zich aandiende, werd echter met even weinig plichtplegingen

door Rinda afgescheept als zij dit den gelukkigen veldheer had gedaan;

maar ofschoon zijn oor opnieuw suisde van haar harden klap, was hij

meer besloten dan ooit haar tot zijn vrouw te maken.

Den volgenden keer toen Odin zich vertoonde voor de grillige dame,

was hij vermomd als een fier oorlogsheld, want, dacht hij, een jong

soldaat zou misschien het hart van het meisje treffen, maar toen hij

haar weer poogde te kussen, stootte zij hem zóó plotseling terug,

dat hij struikelde en op één knie viel.

Menig schoone maagd

Is voor mannen onverschillig

Als men haar kent;

Dat ondervond ik

Toen ik beproefde,

Dat stille meisje

Voor mij te winnen;

Allerlei smaad

Hoopte toen op mij

Dat luimige kind;

Niets van die schoone kreeg ik gedaan.

Saemunds Edda.

Deze derde beleediging maakte Odin zóó woedend, dat hij zijn

magischen runestaf uit zijn borst trok, hem op Rinda richtte en

een zóó vreeselijke bezwering uitsprak, dat zij in de armen harer

dienstbaren viel, stijf en schijnbaar levenloos.

Toen de prinses weer tot zich zelf kwam, was haar vrijer verdwenen,

maar de koning ontdekte tot zijn groot verdriet dat zij geheel haar

verstand verloren had en zwaarmoedig krankzinnig was. Te vergeefs

werden alle dokters geroepen en beproefden zij hun middelen; het meisje

bleef stil en bedroefd, en haar ongeruste vader had bijna alle hoop

opgegeven, toen een oude vrouw, die zich als Vecha, of Vak, aandiende,

verscheen, en aanbood de prinses te genezen. De oude vrouw, die Odin

was in vermomming, schreef der patiënte eerst een voetbad voor; maar,

toen dit geen kennelijke uitwerking scheen te hebben, stelde zij voor

met een krachtiger behandeling de proef te nemen. Tot dit doel, zei

Vecha, moest de patiënte aan haar uitsluitende zorg worden toevertrouwd

en stevig worden vastgebonden zoodat zij niet den minsten weerstand kon

bieden. Billing, die zijn kind wilde redden, vond alles goed; en toen

hij dus volledige macht over Rinda had gekregen, dwong Odin haar hem

te huwen, terwijl hij haar slechts uit hare banden en hare betoovering

los liet, toen zij eerlijk beloofd had zijn vrouw te worden.

De geboorte van Vali.

De voorspelling van Rossthiof was nu vervuld, want Rinda baarde een

zoon, Vali (Ali, Bous of Beav) geheeten, een personifiëering van het

lengen der dagen, die zóó snel opgroeide, dat hij in den loop van één

enkelen dag zijn volle lengte kreeg. Zonder zelfs den tijd te nemen

om zijn gezicht te wasschen of zijn haar te kammen, haastte zich deze

jonge god naar Asgard, boog en pijl in de hand, om Balders dood op

zijn moordenaar Hodur, den blinden god der duisternis, te wreken.

Zie, Vali komt, straft Hodur blind,

Hij zoon van 't west en Rinda's kind,

En Odins, in één dag volboren,

Hij gunt zich rust niet naar behooren,

Noch toeft te wasschen zich de handen

Zich 't haar te kammen, ijlt door landen

Totdat z'n roeping is vervuld

En Hodur heeft geboet zijn schuld.

Valhalla (J. C. Jones).

In deze mythe weerstaat Rinda, een verpersoonlijking van de bevroren

aardkorst, de warme liefde van de zon, Odin, die te vergeefs aanduidt

dat de lente de tijd is voor oorlogsondernemingen, en die de sieraden

van den gouden zomer aanbiedt. Zij geeft slechts toe, als, na een bui

(het voetbad) de dooi begint. Overwonnen dan door de onweerstaanbare

macht van de zon, geeft de aarde zich neer onder zijn omhelzing,

wordt bevrijd van de betoovering (het ijs) die haar hard en koud

maakte, en brengt voort Vali, den voeder, of Bous, den boer, die

uit zijn donkere hut te voorschijn komt als de liefelijke dagen zijn

gekomen. Het vermoorden van Hodur door Vali beteekent dus het "voor

den dag komen van nieuw licht na de duisternis van den winter."

Vali, die als een der twaalf goden voorkomt welke de zetels in de

groote hal van Gladsheim innemen, deelde met zijn vader het huis dat

Valaskialf heette, en was, reeds vóór zijn geboorte, voorbestemd om

het laatste gevecht en de godenschemering te overleven, en met Vidar

te regeeren over de herboren aarde.

Dienst van Vali.

Vali is de god van het eeuwige licht, zooals Vidar van de

onvergankelijke stof; en daar de lichtstralen dikwijls pijlen heetten,

wordt hij altijd als boogschutter voorgesteld en vereerd. Daarom wordt

zijn maand in den Noorschen kalender aangeduid door het teeken van

den boog, en heet Lios-beri, de lichtbrengende. Daar zij valt tusschen

het midden van Januari en Februari, wijdden de eerste Christenen deze

maand aan St. Valentijn, die ook een ervaren boogschutter was, en die,

evenals Vali, de heraut van lichter dagen heette, en de wekker van

teedere gevoelens en de beschermheer van alle minnaars.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 25 / 46 题