HOOFDSTUK XIII: HEIMDALL.

De wachter van de goden.

Toen hij eens langs het zeestrand wandelde, zag Odin negen schoone

reuzinnen, de golfmeisjes Gialp, Creip, Egia, Augeia, Ulfrun, Aurgiafa,

Sindur, Atla en Iarnsaxa, in diepen slaap op het witte zand. De god van

de lucht werd zóó bekoord door deze schoone wezens, dat, zooals de Edda

vertelt, hij alle negen huwde, en zij werkten op hetzelfde oogenblik

samen tot de geboorte, van een zoon, die den naam Heimdall kreeg.

'k Ben een kind van negen moeders,

'k Ben een zoon van negen zusters.

Saemunds Edda.

De negen moeders voedden hun kind met de kracht der aarde, de

vochtigheid der zee en de hitte der zon, en deze zonderlinge leefregel

bleek zóó versterkend, dat de jonge god in een verwonderlijk korten

tijd volwassen was, en zich naar zijn vader in Asgard spoedde. Hij

trof de goden aan terwijl zij met trots de regenboogbrug beschouwden,

die zij juist uit vuur, lucht en water hadden gemaakt; nog kan men

deze drie grondstoffen duidelijk zien in haar langen boog, waar de

drie hoofdkleuren schitteren: het rood dat het vuur, het blauw dat

de lucht en het groen dat de koele diepten van de zee aanduidt.

De wachter van den regenboog.

Deze brug verbond hemel en aarde en eindigde onder de schaduw van

den machtigen wereldboom Yggdrasil, dicht bij de fontein, waar Mimir

wacht hield, en de eenige belemmering om ten volle van het prachtige

schouwspel te genieten, was de vrees dat de vorstreuzen er over heen

zouden gaan en zoo in Asgard binnendringen.

De goden hadden besproken dat het geraden was een betrouwbaren wachter

aan te stellen, en zij heetten den nieuweling welkom als iemand die

volkomen geschikt was om die ernstige taak te vervullen.

Heimdall nam gaarne de verantwoordelijkheid op zich, en van nu af

aan hield hij dag en nacht de wacht over den regenboogweg die naar

Asgard voerde.

Bifröst in 't oosten blonk in kleuren rein;

En op zijn top, in blanksten schijn,

Bleek Heimdall op zijn post te zijn.

Oehlenschläger.

Ten einde hun wachter in staat te stellen de nadering van een

vijand van verre te zien, gaven de goden hem zóó scherpe zintuigen,

dat--zooals men zegt--hij het gras op de heuvelhelling en de wol op

den rug van het schaap kon hooren groeien; dat hij honderd mijlen ver

zoowel 's daags als 's nachts duidelijk kon zien; en bij dit alles

had hij minder slaap noodig dan een vogel.

Bij angst'ge reuzen meer bekend

Dan hij die zit in rust omhoog,

Wachter der lucht, en sluit geen oog.

Lied van Skirner.

Heimdall werd verder toegerust met een schitterend zwaard en een

wonderbare trompet, Giallar-hoorn geheeten, en de goden bevalen

hem er op te blazen als hij hun vijanden zag aankomen, zeggende dat

de klank er van alle wezens in den hemel, op aarde en in Niflheim

zou wekken. De laatste hevige stoot er in zou de komst van den dag

aangeven waarop de laatste strijd zou gestreden worden.

Ten strijd zijn de goden geroepen

Door den ouden

Giallar-hoorn,

Luid blaast Heimdall,

Zijn klank is in de lucht.

Saemunds Edda.

Om dit instrument, dat een zinnebeeld was van de wassende maan, altijd

bij de hand te hebben, hing Heimdall het aan een tak van den Yggdrasil

boven zijn hoofd of liet het zinken in de wateren van Mimirs bron. In

deze bron lag het naast Odins oog, dat een zinnebeeld was van de maan

wanneer zij vol is.

Heimdalls paleis, Himinbiorg geheeten, lag op het hoogste punt van

de brug, en hier bezochten de goden hem dikwijls om te smullen aan

de heerlijke mee die hij hun voorzette.

't Wordt genoemd Himinbiorg,

Waar Heimdall, zegt men,

Heeft woning en heerscht.

Daar de wachter drinkt

In still' oude hal

Vroolijk goede mee.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Heimdall werd altijd afgebeeld in schitterende witte rusting, en hij

werd daarom genoemd de blinkende god. Hij stond ook bekend als de

lichte, onschuldige en genaderijke god, en alle goden hielden van

hem. Van moeders zijde verwant aan de zee werd hij somtijds tot de

Vana's gerekend; en daar de oude Noormannen, vooral de IJslanders,

wien de omringende zee het belangrijkste element scheen, dachten dat

alles uit haar was voortgekomen, kenden zij hem een alles omvattende

kennis toe en hielden hem voor bijzonder wijs.

Van d' Aesir de schoonste

Zag hij vooruit

Als d' and're Vanir.

Saemunds Edda.

Heimdall werd verder onderscheiden door zijn gouden tanden, die

lichtten als hij sprak, en hem den bijnaam Gullintani (goudtandige)

bezorgden. Hij was ook de fiere bezitter van een vlug, goudmanig paard

dat Gull-top heette, en dat hem heen en weer droeg over de beweeglijke

regenboogbrug. Deze ging hij vele malen per dag over, maar vooral in

den vroegen morgen, en op dit uur droeg hij, als heraut van den dag,

den naam Heimdellinger.

Vroeg reeds op Bifröst

Reed Ulfruns zoon,

De horenblazer

Van Himinbiörg.

Saemunds Edda.

Loki en Freya.

Zijn buitengewoon scherp gehoor was oorzaak dat Heimdall op zekeren

nacht door het geluid van zachte stappen--als van een kat--werd

opgeschrikt; dit geluid kwam van den kant van Freya's paleis,

Folkvang. Heimdall wierp zijn arendsblik door het duister en bespeurde

dat het geluid werd veroorzaakt door Loki, die, heimelijk als een vlieg

het paleis binnengekomen, naar Freya's bed was gegaan en haar blinkend

gouden halsketen Brisinga-men, het zinnebeeld van de vruchtbaarheid

der aarde, wilde stelen.

Heimdall zag dat de godin in haar slaap zóó lag dat niemand met

mogelijkheid de keten kon losmaken zonder haar te wekken. Loki stond

eenige oogenblikken aarzelend naast het bed, en begon toen vlug

de runen te mompelen waardoor de goden naar willekeur hun gedaante

konden veranderen. Toen hij dit deed, zag Heimdall hem kleiner worden,

totdat hij de afmeting en gedaante had gekregen van een vloo, en toen

kroop hij onder de dekens en beet Freya in de zij, zoodat zij anders

ging liggen zonder dat zij wakker was geworden.

De gesp was nu zichtbaar en Loki maakte ze behoedzaam los en maakte

zich van den begeerden schat meester, terwijl hij er dadelijk mee

wegsloop. Heimdall schoot onmiddellijk naar voren om den nachtelijken

dief te vervolgen, haalde hem spoedig in, trok zijn zwaard uit

zijn scheede, om hem het hoofd af te slaan, toen de god zich in een

flikkerende blauwe vlam veranderde. Snel als de gedachte nam Heimdall

de gedaante aan van een wolk en zond een stroom regen neer om het

vuur te blusschen; maar Loki veranderde even snel zijn gestalte in

die van een grooten ijsbeer en opende zijn grooten muil om het water

te verzwelgen. Heimdall, in het geheel niet bang, nam toen eveneens

de gedaante aan van een beer en deed een moedigen aanval, maar toen

het gevecht voor Loki noodlottig dreigde te eindigen, veranderde

deze zich in een zeehond, en Heimdall desgelijks, waarop een laatste

worsteling plaats greep, die hiermede eindigde, dat Loki den ketting

moest teruggeven, die behoorlijk aan Freya weerom kwam.

In deze mythe is Loki een zinnebeeld van de droogte, of van de

verderfelijke invloeden van de te verschroeiende zonnehitte,

die de aarde (Freya) komt berooven van haar schoonsten sier

(Brisinga-men). Heimdall is een verpersoonlijking van den weldadigen

regen en dauw, die, na een poos worstelen met zijn vijand, de droogte,

hem de baas wordt en hem dwingt zijn buit af te staan.

Heimdall's namen.

Heimdall heeft verschillende andere namen, onder welke wij vinden

die van Hallinskide en Irmin, want soms vervangt hij Odin en wordt

vereenzelvigd met dien god, evenals met andere zwaardgoden, Er, Heru,

Cheru en Tyr, die allen beroemd zijn door hun schitterende wapenen. Hij

echter is het meest bekend als de wachter van den regenboog en de god

des hemels en van de vruchtbare regens en den dauw die verfrissching

aan de aarde brengen.

Heimdall deelde ook met Bragi de eer van de helden in het Valhalla

welkom te heeten, en, onder den naam van Riger, gold hij als de

goddelijke voorvader van de verschillende groepen, die het menschelijke

geslacht uitmaken, zooals blijkt in het volgende verhaal.

De geschiedenis van Riger.

"Heilige kind'ren,

Groot en klein,

Zonen van Heimdall".

Saemunds Edda.

Heimdall verliet op zekeren dag zijn plaats in Asgard om op aarde

te dalen zooals de goden gewoon waren. Hij was niet ver gegaan, toen

hij aan een armelijke hut op het zeestrand kwam, waar hij aantrof Ai

(overgrootvader) en Edda (overgrootmoeder), een arm maar waardig paar,

dat hem gastvrij uitnoodigde om hun eenvoudig maal varkensvleesch te

deelen. Heimdall, die zich Riger noemde, nam verheugd deze invitatie

aan en bleef bij het paar drie dagen, terwijl hij hen veel leerde. Na

verloop van dien tijd hervatte hij zijn reis. Kort na zijn bezoek,

baarde Edda een donkeren, dikken jongen, dien zij Thrall noemde.

Thrall toonde weldra buitengewone physieke kracht en een grooten aanleg

voor allen zwaren arbeid; en toen hij groot geworden was, nam hij tot

vrouw Thyr, een zwaar gebouwd meisje met door de zon gebruinde handen

en platte voeten, die, evenals haar man, vroeg en laat werkte. Vele

kinderen werden dit paar geboren, en van hen stamden alle slaven van

de noordelijke landen af.

Zij hadden kind'ren

En leefden gelukkig;

Z' omheinden landen,

Bemestten 't ploegveld,

Hoedden varkens,

Weidden geiten,

Groeven veen.

Rigsmál.

Na de arme hut op de kale zeekust te hebben verlaten was Riger

het land ingegaan, waar hij spoedig aan bebouwde velden kwam en een

aanzienlijke boerderij. Deze vriendelijke woning binnentredend vond hij

Afi (grootvader) en Amma (grootmoeder) die hem gastvrij uitnoodigden

te gaan zitten en mede te eten van het eenvoudige maar overvloedige

maal dat zij zouden gebruiken.

Riger nam de uitnoodiging aan en hij bleef drie dagen bij zijn gastheer

en gastvrouw, terwijl hij hun intusschen allerlei nuttige kennis

mededeelde. Na zijn vertrek uit hun huis baarde Amma een blauwoogigen

forschen knaap, dien zij Karl noemde. Toen hij groot werd spreidde hij

enorme kennis van landbouwzaken ten toon, en te zijner tijd trouwde

hij een vlugge en huishoudelijke vrouw, Snor geheeten, die hem vele

kinderen baarde, van wie het ras der landbouwers afkomstig is.

Hij groeid' op,

Gedijde flink;

Hij temde ossen,

Maakte ploegen;

Bouwde huizen,

Maakte schuren,

Maakte wagens

En dreef den ploeg.

Rigsmál.

Nadat hij dit huis van het tweede paar had verlaten, vervolgde Riger

zijn reis, totdat hij kwam aan een heuvel, waarop een statig kasteel

was gebouwd. Hier werd hij ontvangen door Fadir (vader) en Modir

(moeder), die, wel gevoed en weelderig gekleed, hem hartelijk welkom

heetten, en hem voorzetten lekkere spijzen en heerlijke wijnen.

Riger bleef drie dagen bij dit paar en keerde vervolgens naar

Himinbiorg terug om zijn taak als wachter van de Asa-brug te hervatten;

en spoedig daarop baarde de vrouw van het kasteel een schoonen,

slank gebouwden knaap, dien zij Jarl noemde. Dit kind toonde vroeg

groote liefde voor de jacht en allerlei krijgsmansoefeningen, leerde de

runen verstaan en liefde om groote daden van dapperheid te verrichten,

die zijn naam beroemd maakten en glorie gaven aan zijn geslacht. Man

geworden huwde Jarl Erna, een aristokratisch en slank gebouwd meisje,

dat zijn huishouden met verstand waarnam en hem vele kinderen baarde,

allen bestemd om te regeeren; de jongste van dezen, Konur, werd de

eerste koning van Denemarken. Deze mythe geeft goed aan het sterk

klassegevoel onder de noordelijke volken.

Op groeiden

Jarl's zonen;

Zij temden paarden,

Bogen schilden

Gladden pijlen,

Drilden speren,

Maar Kon, de jongste,

Wist de runen

Eeuw'ge runen

En levensrunen.

Rigsmál.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 22 / 46 题