De god van de waarheid.
Zoon van Balder, den god van het licht en van Nanna, de godin der
vlekkelooze reinheid, was Forseti de wijste, welsprekendste en
lieflijkste van alle goden. Toen men vernam dat hij in Asgard was,
stonden de goden hem een zetel toe in de vergaderzaal, bepaalden dat
hij de beschermer zou zijn van gerechtigheid en rechtvaardigheid, en
gaven hem tot verblijf het schitterende paleis Glitnir. Deze woning
had een zilveren dak, dat op pilaren van goud rustte, en het straalde
zóó, dat men het op grooten afstand kon zien.
Glitnir is het tiende;
Gedragen door goud,
Ook met zilver gedekt.
Daar woont Forseti
Altijd door,
Beslecht elken strijd.
Saemunds Edda.
Hier, op een hoogen troon, zat Forseti, de wetgever, dag aan
dag, en vereffende de geschillen van goden en menschen, geduldig
luisterend naar beide kanten van elke vraag, en ten slotte uitsprekend
beslissingen zóó billijk dat niemand ooit met zijn besluiten ontevreden
was. Zóó groot waren de welsprekendheid en overredingskracht van
dezen god, dat hij er altijd in slaagde de harten zijner hoorders
te treffen, en het hem altijd gelukte ook de bitterste vijanden te
verzoenen. Allen, die van hem vandaan gingen, waren voor het vervolg
er zeker van in vrede te leven, want niemand durfde een gelofte te
breken die hem eens was gedaan, anders zou hij zijn rechtmatigen
toorn oploopen en onmiddellijk ten doode verwezen worden.
Forseti, Balders groote zoon
Hoorde mijn eed,
Geef mij rechtvaard'gen dood ter loon
Als 'k hem vergeet.
Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).
Als de god van de gerechtigheid en eeuwige wet, meende men, was
Forseti voorzitter bij elke rechtszitting; steeds wendden zich tot
hem allen die een verhoor moesten ondergaan, en men zeide dat hij
zelden in den steek liet degenen die zijn hulp verdienden.
De geschiedenis van Heligoland.
Om de administratie van het recht in hun land te vergemakkelijken,
benoemden de Friezen, zegt men, twaalf van hun wijste mannen, de
Asegeir, of oudsten, om de wetten van de verschillende familiën en
stammen die hun natie uitmaakten te verzamelen, en daaruit een wetboek
samen te stellen dat de grondslag zou zijn van uniforme wetten. Toen
de oudsten heel nauwkeurig de verschillende gegevens hadden verzameld,
scheepten zij zich in op een klein schip, om een eenzame plaats te
vinden waar zij vreedzaam hun besprekingen zouden kunnen houden. Maar
nauwelijks waren zij van wal gestoken, of een storm zette op, die
hun schip ver naar zee dreef, nu in deze richting en dan in die,
zoodat zij geheel hun kalmte verloren. In hun wanhoop riepen de twaalf
rechtsgeleerden Forseti aan, en smeekten hem hen te helpen het land
weer te bereiken, en nauwelijks was het gebed uit, of zij bespeurden,
tot hun groote verrassing, dat het schip een dertienden passagier
aan boord had.
Het roer grijpend wendde de vreemdeling het vaartuig, stuurde het
naar de plaats waar de golven het hoogst sloegen, en in ongeloofelijk
korten tijd kwamen zij aan een eiland waar de stuurman hen aanspoorde
zich te ontschepen. In eerbiedige stilte gehoorzaamden de twaalf
mannen; en hun verbazing steeg nog meer, toen zij den vreemdeling
zijn oorlogsbijl zagen zwaaien en een heldere bron zagen opspringen
van de plaats op het grasveld waar zij neerkwam. Op voorbeeld van
den vreemdeling dronken allen van dit water zonder een woord te
spreken; toen gingen zij in een kring zitten, zich verbazend omdat
de vreemdeling op ieder hunner in een of andere bijzonderheid geleek,
maar toch veel van hen verschilde in algemeen voorkomen en uiterlijk.
Plotseling werd het zwijgen verbroken en de vreemdeling begon te
spreken op zachten toon, die vaster en luider werd toen hij een wetboek
ging voordragen dat al de verschillende bestaande bepalingen vereenigde
die de Asegeir hadden verzameld. Toen zijn rede uit was, verdween de
vreemdeling even snel en geheimzinnig als hij was gekomen, en de twaalf
rechtsgeleerden, hun spraak terug krijgend, riepen tegelijk uit dat
Forseti zelf bij hen was geweest, en het wetboek had gegeven volgens
hetwelk de Friezen voortaan moesten gevonnisd worden. Ter herinnering
aan de verschijning van den god verklaarden zij het eiland waarop zij
stonden heilig, en zij spraken een plechtige vervloeking uit over ieder
die zijn heiligheid door twist of bloedvergieten zou ontwijden. Zoo
werd dit eiland, bekend als Forseti's land of Heligoland (heilig land)
hoogelijk geëerd door alle Noorsche volken en zelfs de stoutmoedigste
vikings plunderden zijn kusten niet, om geen schipbreuk te lijden of
een schandelijken dood te ondergaan tot straf voor hun misdaad.
Plechtige rechtszittingen werden dikwijls op het heilige eiland
gehouden, terwijl de rechters er altijd water schepten en het zwijgend
dronken, ter herinnering aan Forseti's bezoek. De wateren van deze
bron werden bovendien als zóó heilig beschouwd, dat allen die er
van dronken voor gewijd werden gehouden, en zelfs het vee dat er
van genuttigd had niet mocht worden geslacht. Daar men zeide dat
Forseti zijn zittingen hield in de lente, den zomer en den herfst,
maar nooit in den winter, werd het gewoonte, in alle Noorsche landen,
de gerechtshoven vacantie te geven in deze jaargetijden, want het
volk vond, dat, alleen wanneer het licht helder aan den hemel scheen,
het recht allen zichtbaar kon zijn, en dat het volstrekt onmogelijk
zou wezen een rechtvaardig vonnis te wijzen gedurende het donkere
winterseizoen. Forseti wordt zelden genoemd dan samen met Balder. Hij
nam blijkbaar geen deel aan de eindelooze twisten, waarin al de andere
goden een zoo groote rol speelden.