HOOFDSTUK XI: ULLER.

De god van den winter.

Uller, de god van den winter, was de zoon van Sif, en de stiefzoon

van Thor. Zijn vader die nooit vermeld wordt in de Noorsche sagen

moet een van de meest gevreesde vorstreuzen zijn geweest, want Uller

hield van de koude en reisde gaarne door het land op zijn breede

sneeuwschoenen of glinsterende schaatsen. Deze god hield ook van de

jacht, en dreef zijn spel in de Noorsche wouden, zich maar weinig

bekommerend om ijs en sneeuw, waartegen hij goed was beschermd door

de dikke pelzen waarin hij altijd was gehuld.

Als god van de jacht en het boogschieten wordt hij afgebeeld met

een koker vol pijlen en een grooten boog, en daar de taxis het beste

hout geeft tot vervaardiging van deze wapenen, zegt men dat dit zijn

geliefkoosde boom was. Om altijd genoeg geschikt hout tot zijn gebruik

bij de hand te hebben, sloeg Uller zijn verblijf op te Ydalir, het

dal der taxisboomen, waar het altijd zeer vochtig was.

Ydalir heet het,

Waar Uller zich

Gemaakt heeft een woning.

Saemunds Edda.

Als wintergod werd Uller, of Oller, zooals hij ook heette, beschouwd

als de tweede na Odin, wiens plaats hij gedurende zijn afwezigheid in

de wintermaanden van het jaar zich toeëigende. Gedurende dit tijdperk

voerde hij algeheele heerschappij over Asgard en Midgard, en ook,

volgens sommige bronnen, nam hij bezit van Frigga, Odins vrouw, zooals

vermeld wordt in de mythe van Vili en Ve. Maar daar Uller zeer zuinig

was en nooit iets gaf aan de menschheid, begroette zij met groote

blijdschap den terugkeer van Odin, die zijn onderkruiper wegjoeg en

hem noodzaakte zijn toevlucht te nemen òf in het bevroren noorden òf op

de toppen van de Alpen. Hier, als wij de dichters mogen gelooven, had

hij een zomerhuis gebouwd, waarin hij zich terugtrok, totdat, wetend

dat Odin weer weg was, hij opnieuw in de dalen durfde verschijnen.

Uller werd ook beschouwd als de god van den dood, en men dacht dat hij

in de Wilde Jacht reed en ze soms zelf leidde. Hij is in het bijzonder

bekend om zijn snelheid van beweging, en daar de sneeuwschoenen, die

men in noordelijke streken gebruikt, soms van been worden gemaakt,

en bovenaan zijn opwaarts gekeerd als de boeg van een schip, vertelde

men gewoonlijk dat Uller tooverrunen had gesproken over een stuk been,

dat hij in een schip veranderde, hetwelk hem over land of zee droeg

naar zijn wil.

Daar sneeuwschoenen als een schild er uit zien, en daar het ijs waarmee

hij jaarlijks de aarde omwikkelde als schild dient dat ze voor letsel

in den winter beschermt, had Uller den bijnaam van schildgod, en

hij werd in het bijzonder aangeroepen door alle personen die moesten

meedoen aan een tweegevecht of een wanhopigen strijd.

In Christelijke tijden werd zijn plaats in den dienst des volks

ingenomen door St. Hubert, als jager, die ook gemaakt werd tot den

patroon der eerste maand, welke op 22 November begon, en aan hem

gewijd was, daar de zon door het sterrenbeeld Sagittarius ging,

of den boogschutter.

In het Angelsaksisch was Uller bekend als Vulder; maar in sommige

deelen van Duitschland heette hij Holler en werd beschouwd als de

gemaal van de schoone godin Holda, wier velden hij met een dikken

mantel van sneeuw bedekte, om ze meer vruchtbaar te maken wanneer de

lente kwam.

Bij de Skandinaviërs vertelde men, dat Uller Skadi had gehuwd,

Niörds gescheiden vrouw, de vrouwelijke verpersoonlijking van den

winter en de koude en hun smaak was zóó gelijk dat zij in volkomen

harmonie samen leefden.

Dienst van Uller.

Vele tempels waren in het Noorden aan Uller gewijd, en op zijn

altaren, even goed als die van de andere goden, lag een heilige ring,

waarop eeden werden gezworen. Men zeide dat deze de ring kracht had

zóó hevig ineen te krimpen, dat hij den vinger van een met opzet

meineedige afrukte. Het volk bezocht Ullers tempel, vooral gedurende

de maanden November en December, om hem te vragen dat hij een dikke

deken van sneeuw over hun landen zou brengen, als waarborg van een

goeden oogst; en daar men geloofde dat hij de schitterende stralen

van het noorderlicht zond, die de Noorsche lucht in haar langen nacht

verlichten, dacht men dat hij in nauwe betrekking stond tot Balder,

de verpersoonlijking van het licht.

Volgens andere bronnen was Uller Balders speciale vriend, vooral

omdat hij ook een deel van het jaar in de duistere diepten van

Nevelheim doorbracht, met Hel, de godin van den dood. Men meende

dat Uller daar jaarlijks, gedurende de zomermaanden, verbannen werd,

als hij zijn heerschappij over de aarde moest afstaan aan Odin, den

zomergod, en daar ontmoette hem Balder op Midzomer, den dag waarop

hij uit Asgard verdween, want dan begonnen de dagen korter te worden,

en de heerschappij van het licht (Balder) week allengs voor de steeds

toenemende macht der duisternis (Hodur).

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 20 / 46 题