HOOFDSTUK VIII: NIÖRD.

Een gijzelaar bij de goden.

Wij hebben reeds gezien, hoe de Aesir en Vana's gijzelaars wisselden

na den verschrikkelijken oorlog dien zij hadden gevoerd, en dat,

terwijl Hoenir, Odins broeder, in Vana-heim ging wonen, Niörd, met

zijn twee kinderen, Frey en Freya, voor goed verblijf hield in Asgard.

In Vana-heim

Schiepen hem wijze machten,

En gaven den goden een gijzelaar.

Vafthrudnir-lied.

Als heer van de winden en van de zee bij de kust kreeg Niörd het

paleis Nôatûn, bij de zeekust, waar--zoo hooren wij--hij de hevige

stormen stilde, door Aegir, den god van de diepe zee gewekt.

Niörd, de god van storm, 't zeevolk bekend,

Daarboven niet in Van-heim groot gebracht,

Bij menschen, blijft den goden gijzelaar;

Kent elken mond en elke rotsige kreek,

Omgord met pijnbosch, kent de banken, waar

Zeevogels schreeuwen.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Hij strekte zijn bijzondere zorg uit over handel en visscherij, twee

bezigheden die men met voordeel slechts kon verrichten in de korte

zomermaanden, waarvan hij in zekeren zin als de verpersoonlijking gold.

De god van den zomer.

Niörd wordt in de kunst voorgesteld als een heel lieflijke god, in den

bloei des levens, gehuld in een soort groene tunica, met een kroon

van schelpen en zeegras op zijn hoofd, of een bruingeranden hoed,

versierd met arends- of reigerveeren. Als verpersoonlijking van den

zomer werd hij aangeroepen om de woedende stormen te stillen, die de

kusten gedurende de wintermaanden woest maakten. Ook riep men hem

aan om de warmte van de lente te bespoedigen en zoo de wintervuren

uit te dooven.

Daar de landbouw enkel in de zomermaanden beoefend werd en voornamelijk

langs de fjorden of inhammen van de zee, werd Niörd ook aangeroepen om

gunstige oogsten te schenken, want men zeide dat hij gaarne welvaart

schonk aan hen die op hem vertrouwden.

Niörds eerste vrouw was, volgens sommigen, zijn zuster Nerthus, moeder

aarde, die in Duitschland met Frigga vereenzelvigd werd, zooals wij

hebben gezien, maar in Skandinavië als een afzonderlijke godin gold.

Niörd moest haar echter verlaten toen hij naar Asgard werd geroepen,

waar hij een van de twaalf zetels kreeg in de groote vergaderzaal,

en alle samenkomsten der goden bijwoonde, terwijl hij slechts naar

Nôatûn ging, als de Aesir zijn diensten niet noodig hadden.

Nôatûn is het elfde,

Daar heeft Niörd zich

Zelf een huis gebouwd,

Der menschen heer;

Zonder zonde

Bestuurt hij de hooge hal.

Grimnir-lied.

In zijn huis aan de zeekust zag Niörd gaarne de zeemeeuwen af-

en aanvliegen, en keek met genoegen naar de bevallige bewegingen

van de zwanen, zijn geliefkoosde vogels, die hem heilig waren. Ook

bracht hij menig uur door met te turen naar de kromme sprongen van

de aardige zeehonden, die zich in den zonneschijn aan zijn voeten

kwamen koesteren.

Skadi, godin van den winter.

Kort na Idoens terugkeer van Thrym-heim, en Thiassi's dood binnen

de grenzen van Asgard, werden de vergaderde goden zeer verrast en

teleurgesteld omdat zij Skadi, de dochter van den reus, op zekeren dag

in hun midden zagen verschijnen, om voldoening te vragen voor haars

vaders dood. Ofschoon de dochter van een leelijken ouden Hrim-thurs,

was Skadi, de godin van den winter, inderdaad zeer schoon, in haar

zilveren wapenrusting, met haar blinkende speer, haar scherp gepunte

pijlen, kort wit jachtgewaad, witte bonten beenstukken en breede

sneeuwschoenen; en de goden moesten de rechtmatigheid van haar eisch

erkennen, waarom zij de gewone boete ten zoen aanboden. Skadi was

echter zóó boos dat zij eerst deze schikking afsloeg, en streng leven

voor leven eischte, totdat Loki, die haar toorn wilde kalmeeren en

die dacht dat, als hij haar koude lippen slechts tot een glimlach

kon bewegen, het overige gemakkelijk genoeg zou gaan, allerlei

grappen begon te maken. Zoo bond hij met een onzichtbaar touw een

geit aan zich vast en maakte allerlei potsen die de geit nadeed;

en het gezicht was zóó mal, dat al de goden in lachen uitbarstten en

zelfs Skadi moest glimlachen.

De goden maakten zich deze verzachte stemming ten nutte en wezen

naar den hemel waar de oogen van haar vader als schitterende sterren

gloeiden in het noordelijk halfrond. Zij zeiden dat zij hem daar hadden

geplaatst om hem alle eer te bewijzen, en voegden er ten slotte aan

toe, dat zij als man mocht kiezen een der goden die in de vergadering

aanwezig was, bedingende dat zij tevreden zou zijn hun bekoorlijkheden

te beoordeelen naar hun bloote voeten.

Geblinddoekt, zoodat zij alleen de voeten van de goden kon zien die

in een cirkel om haar heen stonden, keek Skadi rond en haar oog viel

op een paar schoongevormde voeten. Zij wist zeker dat zij aan Balder,

den god van het licht, moesten toebehooren, wiens gelaat haar bekoord

had, en zij wees hun eigenaar als haar keuze aan.

Toen de doek was weggenomen, ontdekte zij echter tot haar spijt dat

zij Niörd gekozen had, met wien zij verloofd was; maar trots haar

teleurstelling bracht zij gelukkige wittebroodsweken in Asgard door,

waar allen er genoegen in schenen te hebben haar te eeren. Vervolgens

bracht Niörd zijn bruid naar zijn huis Nôatûn, waar het eentonig

geluid van de golven, het geschreeuw van de zeemeeuwen, en de kreten

van de zeehonden Skadi's slaap zóó stoorden, dat zij ten slotte het

voor onmogelijk verklaarde er langer te blijven, en zij haar man

smeekte haar terug te brengen naar haar geboorteplaats Thrym-heim.

Slapen kon ik niet

Op mijn zeestrand bed,

Daar de zeevogels schreeuwden.

Daar wekt mij

Als van de golven hij komt

Elken luchtend de meeuw.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Niörd, die gaarne zijn pasgetrouwde vrouw genoegen deed, willigde haar

verzoek in haar naar Thrym-heim te brengen, en er met haar te wonen

negen van elke twaalf nachten, mits zij de overige drie met hem zou

doorbrengen te Nôatûn; maar toen hij den bergstreek naderde, scheen

het gezicht van den wind in de pijnboomen, het gedonder van de lawinen,

het gekraak van het ijs, het gedruisch der watervallen, en het gehuil

der wolven hem even ondragelijk als het geluid van de zee het zijn

vrouw had geschenen, en hij kon slechts blij zijn als zijn periode

van ballingschap geëindigd was, en hij zich weer te Nôatûn bevond.

'k Ben moe van de bergen;

Niet lang was ik daar,

Negen nachten slechts;

't Gehuil der wolven

Klonk, vond ik, heel slecht

Bij den zang van de zwanen.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

De scheiding van Niörd en Skadi.

Gedurende eenigen tijd hielden Niörd en Skadi, die zomer en winter

verbeelden, deze wisseling van woonplaats vol, terwijl de vrouw de drie

korte zomermaanden aan de zee doorbracht, en hij tegen zijn zin bij

haar in Thrym-heim bleef gedurende de negen lange wintermaanden. Maar,

ten slotte bevindend dat hun smaken nooit samen zouden kunnen gaan,

besloten zij voor goed te scheiden, en keerden naar hun respectieve

woonplaatsen terug, waar elk zich kon bezighouden op de manier die

hem door gewoonte lief geworden was.

Thrym-heim, zoo heet het,

Waar Thjasse woonde,

Die stroom-sterke reus;

Maar Skade toeft nu,

Zuivere godenbruid,

In haars vaders veste.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Skadi vatte haar oud jachtbedrijf weer op, en verliet haar gebied

alleen weer om te huwen met den half-historischen Odin, wien zij een

zoon, Seaming geheeten, baarde, den eersten koning van Noorwegen,

en den vooronderstelden stichter van het vorstelijke ras, dat lang

dat land heeft geregeerd.

Volgens andere verhalen echter trouwde Skadi met Uhler,

den wintergod. Daar Skadi een ervaren scherpschutter is, wordt

zij met pijl en boog afgebeeld, en, als godin van de jacht, wordt

zij gewoonlijk vergezeld door een van de wolfachtige Eskimo-honden

die in het Noorden voorkomen. Skadi werd aangeroepen door jagers en

winterreizigers, wier slede zij over sneeuw en ijs voerde en die zij

dan hun bestemming behouden deed bereiken.

Skadi's toorn tegen de goden, die haar vader, den stormreus, hadden

verslagen, is een beeld van de onbuigzame strengheid der in ijs

gehulde aarde, die, ten slotte verzacht door het dartele spel van

Loki (de heete bliksem) glimlacht en de omhelzing van Niörd (zomer)

goedvindt. Zijn liefde kon haar echter niet meer dan drie maanden van

het jaar (in de mythe door nachten aangeduid) houden, en zij verlangt

in stilte altijd naar de winterstormen en haar gewone bezigheden

tusschen de bergen.

De vereering van Niörd.

Men geloofde dat Niörd de schepen zegende die in en uit de haven

gingen, en zijn tempels lagen aan de zeekust; daar werden gewoonlijk

eeden gezworen in zijn naam, en zijn gezondheid werd bij iederen

maaltijd ingesteld, waar hij altijd met zijn zoon Frey werd

samengenoemd.

Daar men dacht dat alle waterplanten hem toebehoorden, stond de

zeespons in het noorden bekend als "Niörds handschoen", een naam

die tot voor kort bewaard bleef, toen dezelfde plant door het volk

herdoopt werd in "Hand der Maagd".

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 17 / 46 题