Een gijzelaar bij de goden.
Wij hebben reeds gezien, hoe de Aesir en Vana's gijzelaars wisselden
na den verschrikkelijken oorlog dien zij hadden gevoerd, en dat,
terwijl Hoenir, Odins broeder, in Vana-heim ging wonen, Niörd, met
zijn twee kinderen, Frey en Freya, voor goed verblijf hield in Asgard.
In Vana-heim
Schiepen hem wijze machten,
En gaven den goden een gijzelaar.
Vafthrudnir-lied.
Als heer van de winden en van de zee bij de kust kreeg Niörd het
paleis Nôatûn, bij de zeekust, waar--zoo hooren wij--hij de hevige
stormen stilde, door Aegir, den god van de diepe zee gewekt.
Niörd, de god van storm, 't zeevolk bekend,
Daarboven niet in Van-heim groot gebracht,
Bij menschen, blijft den goden gijzelaar;
Kent elken mond en elke rotsige kreek,
Omgord met pijnbosch, kent de banken, waar
Zeevogels schreeuwen.
Balder Dood (Matthew Arnold).
Hij strekte zijn bijzondere zorg uit over handel en visscherij, twee
bezigheden die men met voordeel slechts kon verrichten in de korte
zomermaanden, waarvan hij in zekeren zin als de verpersoonlijking gold.
De god van den zomer.
Niörd wordt in de kunst voorgesteld als een heel lieflijke god, in den
bloei des levens, gehuld in een soort groene tunica, met een kroon
van schelpen en zeegras op zijn hoofd, of een bruingeranden hoed,
versierd met arends- of reigerveeren. Als verpersoonlijking van den
zomer werd hij aangeroepen om de woedende stormen te stillen, die de
kusten gedurende de wintermaanden woest maakten. Ook riep men hem
aan om de warmte van de lente te bespoedigen en zoo de wintervuren
uit te dooven.
Daar de landbouw enkel in de zomermaanden beoefend werd en voornamelijk
langs de fjorden of inhammen van de zee, werd Niörd ook aangeroepen om
gunstige oogsten te schenken, want men zeide dat hij gaarne welvaart
schonk aan hen die op hem vertrouwden.
Niörds eerste vrouw was, volgens sommigen, zijn zuster Nerthus, moeder
aarde, die in Duitschland met Frigga vereenzelvigd werd, zooals wij
hebben gezien, maar in Skandinavië als een afzonderlijke godin gold.
Niörd moest haar echter verlaten toen hij naar Asgard werd geroepen,
waar hij een van de twaalf zetels kreeg in de groote vergaderzaal,
en alle samenkomsten der goden bijwoonde, terwijl hij slechts naar
Nôatûn ging, als de Aesir zijn diensten niet noodig hadden.
Nôatûn is het elfde,
Daar heeft Niörd zich
Zelf een huis gebouwd,
Der menschen heer;
Zonder zonde
Bestuurt hij de hooge hal.
Grimnir-lied.
In zijn huis aan de zeekust zag Niörd gaarne de zeemeeuwen af-
en aanvliegen, en keek met genoegen naar de bevallige bewegingen
van de zwanen, zijn geliefkoosde vogels, die hem heilig waren. Ook
bracht hij menig uur door met te turen naar de kromme sprongen van
de aardige zeehonden, die zich in den zonneschijn aan zijn voeten
kwamen koesteren.
Skadi, godin van den winter.
Kort na Idoens terugkeer van Thrym-heim, en Thiassi's dood binnen
de grenzen van Asgard, werden de vergaderde goden zeer verrast en
teleurgesteld omdat zij Skadi, de dochter van den reus, op zekeren dag
in hun midden zagen verschijnen, om voldoening te vragen voor haars
vaders dood. Ofschoon de dochter van een leelijken ouden Hrim-thurs,
was Skadi, de godin van den winter, inderdaad zeer schoon, in haar
zilveren wapenrusting, met haar blinkende speer, haar scherp gepunte
pijlen, kort wit jachtgewaad, witte bonten beenstukken en breede
sneeuwschoenen; en de goden moesten de rechtmatigheid van haar eisch
erkennen, waarom zij de gewone boete ten zoen aanboden. Skadi was
echter zóó boos dat zij eerst deze schikking afsloeg, en streng leven
voor leven eischte, totdat Loki, die haar toorn wilde kalmeeren en
die dacht dat, als hij haar koude lippen slechts tot een glimlach
kon bewegen, het overige gemakkelijk genoeg zou gaan, allerlei
grappen begon te maken. Zoo bond hij met een onzichtbaar touw een
geit aan zich vast en maakte allerlei potsen die de geit nadeed;
en het gezicht was zóó mal, dat al de goden in lachen uitbarstten en
zelfs Skadi moest glimlachen.
De goden maakten zich deze verzachte stemming ten nutte en wezen
naar den hemel waar de oogen van haar vader als schitterende sterren
gloeiden in het noordelijk halfrond. Zij zeiden dat zij hem daar hadden
geplaatst om hem alle eer te bewijzen, en voegden er ten slotte aan
toe, dat zij als man mocht kiezen een der goden die in de vergadering
aanwezig was, bedingende dat zij tevreden zou zijn hun bekoorlijkheden
te beoordeelen naar hun bloote voeten.
Geblinddoekt, zoodat zij alleen de voeten van de goden kon zien die
in een cirkel om haar heen stonden, keek Skadi rond en haar oog viel
op een paar schoongevormde voeten. Zij wist zeker dat zij aan Balder,
den god van het licht, moesten toebehooren, wiens gelaat haar bekoord
had, en zij wees hun eigenaar als haar keuze aan.
Toen de doek was weggenomen, ontdekte zij echter tot haar spijt dat
zij Niörd gekozen had, met wien zij verloofd was; maar trots haar
teleurstelling bracht zij gelukkige wittebroodsweken in Asgard door,
waar allen er genoegen in schenen te hebben haar te eeren. Vervolgens
bracht Niörd zijn bruid naar zijn huis Nôatûn, waar het eentonig
geluid van de golven, het geschreeuw van de zeemeeuwen, en de kreten
van de zeehonden Skadi's slaap zóó stoorden, dat zij ten slotte het
voor onmogelijk verklaarde er langer te blijven, en zij haar man
smeekte haar terug te brengen naar haar geboorteplaats Thrym-heim.
Slapen kon ik niet
Op mijn zeestrand bed,
Daar de zeevogels schreeuwden.
Daar wekt mij
Als van de golven hij komt
Elken luchtend de meeuw.
Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).
Niörd, die gaarne zijn pasgetrouwde vrouw genoegen deed, willigde haar
verzoek in haar naar Thrym-heim te brengen, en er met haar te wonen
negen van elke twaalf nachten, mits zij de overige drie met hem zou
doorbrengen te Nôatûn; maar toen hij den bergstreek naderde, scheen
het gezicht van den wind in de pijnboomen, het gedonder van de lawinen,
het gekraak van het ijs, het gedruisch der watervallen, en het gehuil
der wolven hem even ondragelijk als het geluid van de zee het zijn
vrouw had geschenen, en hij kon slechts blij zijn als zijn periode
van ballingschap geëindigd was, en hij zich weer te Nôatûn bevond.
'k Ben moe van de bergen;
Niet lang was ik daar,
Negen nachten slechts;
't Gehuil der wolven
Klonk, vond ik, heel slecht
Bij den zang van de zwanen.
Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).
De scheiding van Niörd en Skadi.
Gedurende eenigen tijd hielden Niörd en Skadi, die zomer en winter
verbeelden, deze wisseling van woonplaats vol, terwijl de vrouw de drie
korte zomermaanden aan de zee doorbracht, en hij tegen zijn zin bij
haar in Thrym-heim bleef gedurende de negen lange wintermaanden. Maar,
ten slotte bevindend dat hun smaken nooit samen zouden kunnen gaan,
besloten zij voor goed te scheiden, en keerden naar hun respectieve
woonplaatsen terug, waar elk zich kon bezighouden op de manier die
hem door gewoonte lief geworden was.
Thrym-heim, zoo heet het,
Waar Thjasse woonde,
Die stroom-sterke reus;
Maar Skade toeft nu,
Zuivere godenbruid,
In haars vaders veste.
Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).
Skadi vatte haar oud jachtbedrijf weer op, en verliet haar gebied
alleen weer om te huwen met den half-historischen Odin, wien zij een
zoon, Seaming geheeten, baarde, den eersten koning van Noorwegen,
en den vooronderstelden stichter van het vorstelijke ras, dat lang
dat land heeft geregeerd.
Volgens andere verhalen echter trouwde Skadi met Uhler,
den wintergod. Daar Skadi een ervaren scherpschutter is, wordt
zij met pijl en boog afgebeeld, en, als godin van de jacht, wordt
zij gewoonlijk vergezeld door een van de wolfachtige Eskimo-honden
die in het Noorden voorkomen. Skadi werd aangeroepen door jagers en
winterreizigers, wier slede zij over sneeuw en ijs voerde en die zij
dan hun bestemming behouden deed bereiken.
Skadi's toorn tegen de goden, die haar vader, den stormreus, hadden
verslagen, is een beeld van de onbuigzame strengheid der in ijs
gehulde aarde, die, ten slotte verzacht door het dartele spel van
Loki (de heete bliksem) glimlacht en de omhelzing van Niörd (zomer)
goedvindt. Zijn liefde kon haar echter niet meer dan drie maanden van
het jaar (in de mythe door nachten aangeduid) houden, en zij verlangt
in stilte altijd naar de winterstormen en haar gewone bezigheden
tusschen de bergen.
De vereering van Niörd.
Men geloofde dat Niörd de schepen zegende die in en uit de haven
gingen, en zijn tempels lagen aan de zeekust; daar werden gewoonlijk
eeden gezworen in zijn naam, en zijn gezondheid werd bij iederen
maaltijd ingesteld, waar hij altijd met zijn zoon Frey werd
samengenoemd.
Daar men dacht dat alle waterplanten hem toebehoorden, stond de
zeespons in het noorden bekend als "Niörds handschoen", een naam
die tot voor kort bewaard bleef, toen dezelfde plant door het volk
herdoopt werd in "Hand der Maagd".