HOOFDSTUK VII: IDOEN.

De appels van de jeugd.

Idoen, de verpersoonlijking van de lente of de onsterflijke jeugd,

die, volgens sommige mythologen, niet geboren was en nooit den dood zou

behoeven te smaken, werd hartelijk welkom geheeten door de goden, toen

zij met Bragi in Asgard verscheen. Ten einde verder hunne genegenheden

te winnen beloofde zij hen dat zij elken dag mochten proeven van de

wonderbare appelen die zij in haar doos had, en die eeuwige jeugd en

lieflijkheid konden mededeelen aan allen die er van kregen.

De gouden appels

Uit haren tuin

Schonken een gaaf u van jeugd,

At gij ze iederen dag.

Wagner.

Dank zij deze tooverkrachtige vrucht hielden de Skandinavische goden,

die, omdat zij uit een gemengd ras ontsproten, niet allen onsterflijk

waren, de nadering van den ouderdom en van ziekte van zich af, en

bleven sterk, schoon en jong tallooze eeuwen. Deze appelen werden

daarom als zeer kostbaar beschouwd en Idoen bewaarde ze zorgvuldig in

haar tooverdoos. Hoe vele zij er ook uit nam, hetzelfde getal bleef

altijd aanwezig om uit te deelen op het feest der goden, aan wie zij

alleen toestond er van te proeven, ofschoon dwergen en reuzen ook

gaarne de vruchten zouden hebben.

Schoon' Idoena, die nooit sterft,

Die door Valhals zalen zwerft,

Is een rijke schat betrouwd

In haar doos met app'len goud,

Zulke wond're vruchten geven

Aesir kracht ten eeuw'gen leven.

Valhalla.

De geschiedenis van Thiassi.

Op zekeren dag trokken Odin, Hoenir en Loki uit op een van hun gewone

tochten naar de aarde, en, nadat zij langen tijd hadden gezworven,

bevonden zij zich in een verlaten streek, waar zij geen gastvrij dak

konden vinden. Moe en heel hongerig bespeurden de goden een kudde ossen

en doodden een van de beesten, en een vuur ontstoken hebbende, gingen

zij er bij zitten terwijl zij wachtten totdat het vleesch gaar was.

Tot hun verbazing echter bleef, trots de laaiende vlammen, het stuk

volkomen rauw. Begrijpende dat er tooverij in het spel moest zijn,

keken zij rond om te ontdekken wat hun braderij in de war bracht,

toen zij een adelaar zagen die op een boom boven hen zat. Ziende dat

de reizigers erg in hem hadden, sprak de vogel hen toe en erkende dat

hij het was, die het vuur belette zijn gewoon werk te doen, maar hij

bood aan, de betoovering weg te nemen als zij hem zooveel eten gaven

als hij op kon. De goden vonden dit goed, waarop de vogel neerschoot

en de vlammen aanwakkerde met zijn groote vleugels, en weldra was

het vleesch gaar. De adelaar wilde toen drie-vierde meenemen, maar

dit was te veel voor Loki, die een grooten stok nam, welke naast

hem lag, en den gulzigen vogel begon af te rossen, vergetend dat hij

bedreven was in tooverkunsten. Tot zijn groote teleurstelling merkte

hij, dat het eene eind van den stok zich vasthechtte aan den rug van

den adelaar, het andere aan zijn handen, en dat hij werd meegesleurd

over steenen en door struiken, soms door de lucht, terwijl zijn armen

bijna uit het lid werden gerukt. Te vergeefs schreeuwde hij om genade

en smeekte den arend hem los te laten; de vogel vloog verder, totdat

hij beloofde dat hij elken losprijs zou geven dien zijn overwinnaar

wilde in ruil voor zijn vrijheid.

De schijn-adelaar, die de stormreus Thiassi was, stemde ten slotte

erin toe, Loki vrij te laten op één voorwaarde. Hij liet hem beloven

met de plechtigste eeden, dat hij Idoen zou lokken uit Asgard, zoodat

Thiassi haar en haar toovervruchten in zijn bezit zou krijgen.

Eindelijk vrijgelaten keerde Loki naar Odin en Hoenir terug,

zorgde echter hun niet te vertellen op welke voorwaarde hij zijn

vrijheid gekregen had; en toen zij weer in Asgard waren, begon hij

plannen te maken hoe hij Idoen buiten de woning der goden zou kunnen

lokken. Eenige dagen later, toen Bragi afwezig was op een van zijn

minstreel-tochten, zocht Loki Idoen op in de boschjes van Brunnaker,

waar zij verblijf hield, en beschreef sluw eenige appelen die op

kleinen afstand groeiden, en die, zooals hij valschelijk beweerde,

volkomen op de hare geleken; zoo lokte hij haar uit Asgard met een

kristallen schotel vol vruchten, die zij wilde vergelijken met de

door hem geprezene. Zoodra Idoen buiten Asgard was, verliet haar de

bedriegelijke Loki, en eer zij kon terugkeeren in de beschutting

van de hemelsche woning, schoot de stormreus Thiassi neer van het

noorden op zijn adelaarsvleugelen, nam haar in zijn felle klauwen,

en droeg haar snel weg naar zijn kaal en eenzaam verblijf Thrym-heim.

Thrym-heim is het zesde waar

Thiassi woonde,

De almachtige Jötun.

Grimnir-lied.

Ver van haar geliefde gezellen leed Idoen, werd bleek en bedroefd,

maar weigerde beslist Thiassi ook maar iets van haar toovervruchten

te laten proeven, die, zooals hij wel wist, hem schoon zouden maken

en zijn kracht en jeugd hernieuwen.

Van elk ongeval

Dat trof Odins hal,

Is de lage Loki schuld;

Uit Valhalla's paleizen

Heeft hij zoet' Idoena genood

Die bij zich had

Der applen schat,

Welke d'Aesir nooit doen grijzen,

Dat Thiassis toren z' omsloot.

Valhalla (J. C. Jones).

De tijd verliep. De goden, denkend dat Idoen met haar man mee was

en weldra zou terugkeeren, letten eerst niet op haar afwezigheid,

maar langzamerhand verdween de gunstige werking van het laatste

appelmaal. Zij begonnen te voelen dat de ouderdom kwam en zagen hun

jeugd en schoonheid verdwijnen; dus werden zij ongerust en begonnen

naar de godin, die er niet was, te zoeken.

IJverige nasporing bracht het feit aan het licht dat zij het laatst

was gezien in gezelschap van Loki, en toen Odin hem streng ter

verantwoording riep, moest hij bekennen dat hij haar bedrieglijk had

overgegeven in de macht van den stormreus.

Door zijn spottend, boos gezicht

Kwam 't in Valhal snel aan 't licht,

Dat door Loki's leugenmacht

D' arme Idoen was gebracht

Om in donkren toren

Jötun toe te hooren.

Valhalla (J. C. Jones).

De terugkomst van Idoen.

De houding van de goden werd nu zeer dreigend, en Loki begreep, dat,

als hij geen middelen verzon om de godin terug te halen, wel spoedig

zijn leven in groot gevaar zou zijn.

Hij verzekerde de goden dus, dat hij alles in het werk zou stellen om

de bevrijding van Idoen te bewerken, en leende Freya's valkenvederen

en vloog naar Thrym-heim, waar hij Idoen alleen vond, bitter bedroefd

over haar ballingschap uit Asgard en van haar geliefden Bragi. De

schoone godin, volgens sommige overleveringen in een noot, volgens

andere in een zwaluw veranderend, greep Loki haar stevig tusschen

zijn klauwen en vloog snel terug naar Asgard, in de hoop dat hij het

schut van haar hooge muren zou bereiken eer Thiassi terugkwam van

een vischvangst in de wonderlijke zeeën waarheen hij was gegaan.

Intusschen hadden zich de goden verzameld op de wallen van de hemelsche

stad, en zij wachtten Loki's terugkomst met veel sterker spanning af,

dan zij voor Odin hadden gevoeld toen hij Od-hroerir zocht. Terwijl

zij zich het succes van hun list bij die gelegenheid herinnerden,

hadden zij groote massa's brandstof opgestapeld, die zij elk oogenblik

in vlam konden zetten.

Plotseling zagen zij Loki komen, maar ontdekten achter hem een grooten

adelaar. Dit was de reus Thiassi die plotseling was teruggekeerd van

Thrym-heim en merkte dat zijn gevangene door een valk was geroofd,

waarin hij dadelijk een van de goden herkende. Haastig had hij zijn

arendsveeren aangetrokken en was dadelijk op jacht gegaan en haalde

vlug zijn buit in. Loki verdubbelde zijn pogingen toen hij de muren van

Asgard naderde, en eer Thiassi hem inhaalde, bereikte hij het eindpunt

en zonk uitgeput in het midden der goden neer. Onmiddellijk stak men

de opgehoopte brandstof aan, en toen de achtervolgende Thiassi over

de muren kwam op zijn beurt, deden de vlammen en de rook hem verminkt

en half bewusteloos op den grond vallen, een gemakkelijken buit voor

de goden, die onbarmhartig op hem aanvielen en hem afmaakten.

De Aesir waren overgelukkig nu zij Idoen hadden teruggevonden,

en zij namen snel van de kostelijke appelen, die zij behouden had

teruggebracht. Toen zij hun gewone kracht en goed uitzicht voelden

terugkeeren bij elken beet dien zij aten, verklaarden zij goedaardig

dat het geen wonder was, als zelfs de reuzen de appels der eeuwige

jeugd trachtten te proeven. Zij besloten dus dat zij Thiassi's oogen

als een sterrebeeld aan den hemel zouden zetten, om elk gevoel van

wrok weg te nemen dat zijn bloedverwanten zouden kunnen koesteren

als zij hoorden dat hij gedood was.

Op werp ik de oogen

Van Alvadi's zoon

In de hemelen hel:

Zij duiden de grootste

Van al mijne daden.

Harbard-lied.

De godin van de lente.

De natuurlijke verklaring van deze mythen is voor de hand

liggend. Idoen, het zinnebeeld van den plantengroei, wordt in den

herfst met geweld weggesleept, als Bragi afwezig is en het zingen der

vogels heeft opgehouden. De koude winterwind, Thiassi, houdt haar in

het ijzige, barre Noorden, waar zij het niet kan vinden, tot Loki, de

zuidenwind, het zaad of de zwaluw terugbrengt, die beide voorloopers

zijn van de terugkeerende lente. De jeugd, schoonheid en kracht,

door Idoen verleend, symboliseeren de herleving der natuur in het

voorjaar na den slaap van den winter, als kleur en kracht bij de

aarde wederkeeren, die gerimpeld en grijs geworden was.

Idoen valt in de onderwereld.

Daar de verdwijning van Idoen (plantengroei) een jaarlijksche

gebeurtenis was, kunnen wij verwachten andere mythen te vinden,

die zich met dit treffende verschijnsel bezig houden, en er is

een andere geliefkoosde mythe van de oude zangers, die, helaas,

ons slechts in een fragmentaire en zeer onvolledige gestalte heeft

bereikt. Volgens deze overlevering zat Idoen eens op de takken van

den heiligen esch Yggdrasil, toen zij plotseling duizelig werd en haar

houvast kwijt raakte en op den grond viel, tot de diepste diepten van

Nevelheim. Daar lag zij, bleek en stijf, starend met onbeweeglijke en

verschrikte oogen op de sombere visioenen die het Hellegebied opdringt,

heftig bevend als iemand die door felle koude wordt gekweld.

In de diepten woont

De alwetende Dis,

Van Yggdrasils

Esch zonk neer,

Van elfenras,

Idoen genaamd,

Het jongste van Ivaldi's

Oud're kindren.

Slecht bekwam

Haar de val

Onder den boom

Den grijzigen.

Zij kon niet blij zijn nu

Met Norvi's dochter,

Gewend aan vroolijker

Woning thuis.

Odins Ravenzang.

Ziende dat zij niet terugkwam, beval Odin Bragi, Heimdall en een ander

van de goden haar te gaan zoeken en gaf hun een witte wolfshuid mee

om haar in te wikkelen, zoodat zij niet van de koude zou te lijden

hebben; hij gebood hun alles in het werk te stellen om haar op te

wekken uit de verdooving--want krachtens zijn voorwetenschap wist

hij dat deze over haar gekomen was,

Zij gaven haar een wolfshuid

Waarin zij zich kleedde.

Odins Ravenzang.

Idoen liet lijdelijk toe, dat de goden haar in de warme wolfshuid

wikkelden, maar zij weigerde hardnekkig te spreken of zich te bewegen,

en op grond van haar vreemde manieren vermoedde haar man met droefheid

dat zij een visioen had van zeer nare dingen. De tranen stroomden

onophoudelijk van hare bleeke wangen, en Bragi, overstelpt door haar

ellende, vroeg eindelijk de andere goden zonder hem naar Asgard terug

te keeren, zeggend dat hij bij zijn vrouw wilde blijven totdat zij

Hels jammerlijk gebied weer verlaten kon. Het gezicht van haar smart

drukte hem zóó neer, dat hij geen lust had in zijn gewone vroolijke

liederen, en de snaren van zijn harp waren stom terwijl hij in de

onderwereld was.

Die zachte zephyr suist langs bloemenweiden,

Of Bragi's toonen van zijn snaren glijden.

Viking-verhalen van het noorden (R. B. Anderson).

In deze mythe beteekent Idoens val van Yggdrasil het vallen van de

bladeren in den herfst, die bleek en hulpeloos op den kouden, kalen

grond liggen, totdat zij aan het oog worden onttrokken door de sneeuw,

voorgesteld door de wolfshuid, die Odin, de lucht, zendt om ze warm te

houden; en het zwijgen van de liederen der vogels is verder aangeduid

door Bragi's zwijgende harp.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 16 / 46 题