De appels van de jeugd.
Idoen, de verpersoonlijking van de lente of de onsterflijke jeugd,
die, volgens sommige mythologen, niet geboren was en nooit den dood zou
behoeven te smaken, werd hartelijk welkom geheeten door de goden, toen
zij met Bragi in Asgard verscheen. Ten einde verder hunne genegenheden
te winnen beloofde zij hen dat zij elken dag mochten proeven van de
wonderbare appelen die zij in haar doos had, en die eeuwige jeugd en
lieflijkheid konden mededeelen aan allen die er van kregen.
De gouden appels
Uit haren tuin
Schonken een gaaf u van jeugd,
At gij ze iederen dag.
Wagner.
Dank zij deze tooverkrachtige vrucht hielden de Skandinavische goden,
die, omdat zij uit een gemengd ras ontsproten, niet allen onsterflijk
waren, de nadering van den ouderdom en van ziekte van zich af, en
bleven sterk, schoon en jong tallooze eeuwen. Deze appelen werden
daarom als zeer kostbaar beschouwd en Idoen bewaarde ze zorgvuldig in
haar tooverdoos. Hoe vele zij er ook uit nam, hetzelfde getal bleef
altijd aanwezig om uit te deelen op het feest der goden, aan wie zij
alleen toestond er van te proeven, ofschoon dwergen en reuzen ook
gaarne de vruchten zouden hebben.
Schoon' Idoena, die nooit sterft,
Die door Valhals zalen zwerft,
Is een rijke schat betrouwd
In haar doos met app'len goud,
Zulke wond're vruchten geven
Aesir kracht ten eeuw'gen leven.
Valhalla.
De geschiedenis van Thiassi.
Op zekeren dag trokken Odin, Hoenir en Loki uit op een van hun gewone
tochten naar de aarde, en, nadat zij langen tijd hadden gezworven,
bevonden zij zich in een verlaten streek, waar zij geen gastvrij dak
konden vinden. Moe en heel hongerig bespeurden de goden een kudde ossen
en doodden een van de beesten, en een vuur ontstoken hebbende, gingen
zij er bij zitten terwijl zij wachtten totdat het vleesch gaar was.
Tot hun verbazing echter bleef, trots de laaiende vlammen, het stuk
volkomen rauw. Begrijpende dat er tooverij in het spel moest zijn,
keken zij rond om te ontdekken wat hun braderij in de war bracht,
toen zij een adelaar zagen die op een boom boven hen zat. Ziende dat
de reizigers erg in hem hadden, sprak de vogel hen toe en erkende dat
hij het was, die het vuur belette zijn gewoon werk te doen, maar hij
bood aan, de betoovering weg te nemen als zij hem zooveel eten gaven
als hij op kon. De goden vonden dit goed, waarop de vogel neerschoot
en de vlammen aanwakkerde met zijn groote vleugels, en weldra was
het vleesch gaar. De adelaar wilde toen drie-vierde meenemen, maar
dit was te veel voor Loki, die een grooten stok nam, welke naast
hem lag, en den gulzigen vogel begon af te rossen, vergetend dat hij
bedreven was in tooverkunsten. Tot zijn groote teleurstelling merkte
hij, dat het eene eind van den stok zich vasthechtte aan den rug van
den adelaar, het andere aan zijn handen, en dat hij werd meegesleurd
over steenen en door struiken, soms door de lucht, terwijl zijn armen
bijna uit het lid werden gerukt. Te vergeefs schreeuwde hij om genade
en smeekte den arend hem los te laten; de vogel vloog verder, totdat
hij beloofde dat hij elken losprijs zou geven dien zijn overwinnaar
wilde in ruil voor zijn vrijheid.
De schijn-adelaar, die de stormreus Thiassi was, stemde ten slotte
erin toe, Loki vrij te laten op één voorwaarde. Hij liet hem beloven
met de plechtigste eeden, dat hij Idoen zou lokken uit Asgard, zoodat
Thiassi haar en haar toovervruchten in zijn bezit zou krijgen.
Eindelijk vrijgelaten keerde Loki naar Odin en Hoenir terug,
zorgde echter hun niet te vertellen op welke voorwaarde hij zijn
vrijheid gekregen had; en toen zij weer in Asgard waren, begon hij
plannen te maken hoe hij Idoen buiten de woning der goden zou kunnen
lokken. Eenige dagen later, toen Bragi afwezig was op een van zijn
minstreel-tochten, zocht Loki Idoen op in de boschjes van Brunnaker,
waar zij verblijf hield, en beschreef sluw eenige appelen die op
kleinen afstand groeiden, en die, zooals hij valschelijk beweerde,
volkomen op de hare geleken; zoo lokte hij haar uit Asgard met een
kristallen schotel vol vruchten, die zij wilde vergelijken met de
door hem geprezene. Zoodra Idoen buiten Asgard was, verliet haar de
bedriegelijke Loki, en eer zij kon terugkeeren in de beschutting
van de hemelsche woning, schoot de stormreus Thiassi neer van het
noorden op zijn adelaarsvleugelen, nam haar in zijn felle klauwen,
en droeg haar snel weg naar zijn kaal en eenzaam verblijf Thrym-heim.
Thrym-heim is het zesde waar
Thiassi woonde,
De almachtige Jötun.
Grimnir-lied.
Ver van haar geliefde gezellen leed Idoen, werd bleek en bedroefd,
maar weigerde beslist Thiassi ook maar iets van haar toovervruchten
te laten proeven, die, zooals hij wel wist, hem schoon zouden maken
en zijn kracht en jeugd hernieuwen.
Van elk ongeval
Dat trof Odins hal,
Is de lage Loki schuld;
Uit Valhalla's paleizen
Heeft hij zoet' Idoena genood
Die bij zich had
Der applen schat,
Welke d'Aesir nooit doen grijzen,
Dat Thiassis toren z' omsloot.
Valhalla (J. C. Jones).
De tijd verliep. De goden, denkend dat Idoen met haar man mee was
en weldra zou terugkeeren, letten eerst niet op haar afwezigheid,
maar langzamerhand verdween de gunstige werking van het laatste
appelmaal. Zij begonnen te voelen dat de ouderdom kwam en zagen hun
jeugd en schoonheid verdwijnen; dus werden zij ongerust en begonnen
naar de godin, die er niet was, te zoeken.
IJverige nasporing bracht het feit aan het licht dat zij het laatst
was gezien in gezelschap van Loki, en toen Odin hem streng ter
verantwoording riep, moest hij bekennen dat hij haar bedrieglijk had
overgegeven in de macht van den stormreus.
Door zijn spottend, boos gezicht
Kwam 't in Valhal snel aan 't licht,
Dat door Loki's leugenmacht
D' arme Idoen was gebracht
Om in donkren toren
Jötun toe te hooren.
Valhalla (J. C. Jones).
De terugkomst van Idoen.
De houding van de goden werd nu zeer dreigend, en Loki begreep, dat,
als hij geen middelen verzon om de godin terug te halen, wel spoedig
zijn leven in groot gevaar zou zijn.
Hij verzekerde de goden dus, dat hij alles in het werk zou stellen om
de bevrijding van Idoen te bewerken, en leende Freya's valkenvederen
en vloog naar Thrym-heim, waar hij Idoen alleen vond, bitter bedroefd
over haar ballingschap uit Asgard en van haar geliefden Bragi. De
schoone godin, volgens sommige overleveringen in een noot, volgens
andere in een zwaluw veranderend, greep Loki haar stevig tusschen
zijn klauwen en vloog snel terug naar Asgard, in de hoop dat hij het
schut van haar hooge muren zou bereiken eer Thiassi terugkwam van
een vischvangst in de wonderlijke zeeën waarheen hij was gegaan.
Intusschen hadden zich de goden verzameld op de wallen van de hemelsche
stad, en zij wachtten Loki's terugkomst met veel sterker spanning af,
dan zij voor Odin hadden gevoeld toen hij Od-hroerir zocht. Terwijl
zij zich het succes van hun list bij die gelegenheid herinnerden,
hadden zij groote massa's brandstof opgestapeld, die zij elk oogenblik
in vlam konden zetten.
Plotseling zagen zij Loki komen, maar ontdekten achter hem een grooten
adelaar. Dit was de reus Thiassi die plotseling was teruggekeerd van
Thrym-heim en merkte dat zijn gevangene door een valk was geroofd,
waarin hij dadelijk een van de goden herkende. Haastig had hij zijn
arendsveeren aangetrokken en was dadelijk op jacht gegaan en haalde
vlug zijn buit in. Loki verdubbelde zijn pogingen toen hij de muren van
Asgard naderde, en eer Thiassi hem inhaalde, bereikte hij het eindpunt
en zonk uitgeput in het midden der goden neer. Onmiddellijk stak men
de opgehoopte brandstof aan, en toen de achtervolgende Thiassi over
de muren kwam op zijn beurt, deden de vlammen en de rook hem verminkt
en half bewusteloos op den grond vallen, een gemakkelijken buit voor
de goden, die onbarmhartig op hem aanvielen en hem afmaakten.
De Aesir waren overgelukkig nu zij Idoen hadden teruggevonden,
en zij namen snel van de kostelijke appelen, die zij behouden had
teruggebracht. Toen zij hun gewone kracht en goed uitzicht voelden
terugkeeren bij elken beet dien zij aten, verklaarden zij goedaardig
dat het geen wonder was, als zelfs de reuzen de appels der eeuwige
jeugd trachtten te proeven. Zij besloten dus dat zij Thiassi's oogen
als een sterrebeeld aan den hemel zouden zetten, om elk gevoel van
wrok weg te nemen dat zijn bloedverwanten zouden kunnen koesteren
als zij hoorden dat hij gedood was.
Op werp ik de oogen
Van Alvadi's zoon
In de hemelen hel:
Zij duiden de grootste
Van al mijne daden.
Harbard-lied.
De godin van de lente.
De natuurlijke verklaring van deze mythen is voor de hand
liggend. Idoen, het zinnebeeld van den plantengroei, wordt in den
herfst met geweld weggesleept, als Bragi afwezig is en het zingen der
vogels heeft opgehouden. De koude winterwind, Thiassi, houdt haar in
het ijzige, barre Noorden, waar zij het niet kan vinden, tot Loki, de
zuidenwind, het zaad of de zwaluw terugbrengt, die beide voorloopers
zijn van de terugkeerende lente. De jeugd, schoonheid en kracht,
door Idoen verleend, symboliseeren de herleving der natuur in het
voorjaar na den slaap van den winter, als kleur en kracht bij de
aarde wederkeeren, die gerimpeld en grijs geworden was.
Idoen valt in de onderwereld.
Daar de verdwijning van Idoen (plantengroei) een jaarlijksche
gebeurtenis was, kunnen wij verwachten andere mythen te vinden,
die zich met dit treffende verschijnsel bezig houden, en er is
een andere geliefkoosde mythe van de oude zangers, die, helaas,
ons slechts in een fragmentaire en zeer onvolledige gestalte heeft
bereikt. Volgens deze overlevering zat Idoen eens op de takken van
den heiligen esch Yggdrasil, toen zij plotseling duizelig werd en haar
houvast kwijt raakte en op den grond viel, tot de diepste diepten van
Nevelheim. Daar lag zij, bleek en stijf, starend met onbeweeglijke en
verschrikte oogen op de sombere visioenen die het Hellegebied opdringt,
heftig bevend als iemand die door felle koude wordt gekweld.
In de diepten woont
De alwetende Dis,
Van Yggdrasils
Esch zonk neer,
Van elfenras,
Idoen genaamd,
Het jongste van Ivaldi's
Oud're kindren.
Slecht bekwam
Haar de val
Onder den boom
Den grijzigen.
Zij kon niet blij zijn nu
Met Norvi's dochter,
Gewend aan vroolijker
Woning thuis.
Odins Ravenzang.
Ziende dat zij niet terugkwam, beval Odin Bragi, Heimdall en een ander
van de goden haar te gaan zoeken en gaf hun een witte wolfshuid mee
om haar in te wikkelen, zoodat zij niet van de koude zou te lijden
hebben; hij gebood hun alles in het werk te stellen om haar op te
wekken uit de verdooving--want krachtens zijn voorwetenschap wist
hij dat deze over haar gekomen was,
Zij gaven haar een wolfshuid
Waarin zij zich kleedde.
Odins Ravenzang.
Idoen liet lijdelijk toe, dat de goden haar in de warme wolfshuid
wikkelden, maar zij weigerde hardnekkig te spreken of zich te bewegen,
en op grond van haar vreemde manieren vermoedde haar man met droefheid
dat zij een visioen had van zeer nare dingen. De tranen stroomden
onophoudelijk van hare bleeke wangen, en Bragi, overstelpt door haar
ellende, vroeg eindelijk de andere goden zonder hem naar Asgard terug
te keeren, zeggend dat hij bij zijn vrouw wilde blijven totdat zij
Hels jammerlijk gebied weer verlaten kon. Het gezicht van haar smart
drukte hem zóó neer, dat hij geen lust had in zijn gewone vroolijke
liederen, en de snaren van zijn harp waren stom terwijl hij in de
onderwereld was.
Die zachte zephyr suist langs bloemenweiden,
Of Bragi's toonen van zijn snaren glijden.
Viking-verhalen van het noorden (R. B. Anderson).
In deze mythe beteekent Idoens val van Yggdrasil het vallen van de
bladeren in den herfst, die bleek en hulpeloos op den kouden, kalen
grond liggen, totdat zij aan het oog worden onttrokken door de sneeuw,
voorgesteld door de wolfshuid, die Odin, de lucht, zendt om ze warm te
houden; en het zwijgen van de liederen der vogels is verder aangeduid
door Bragi's zwijgende harp.