HOOFDSTUK IX: FREY.

De god van het elfenland.

Frey, of Froh, zooals hij in Duitschland heette, was de zoon van Niörd

en Nerthus, of van Niörd en Skadi, en werd geboren in Vanaheim. Daarom

behoorde hij tot het ras van de Vana's, de goden van water en lucht,

maar werd hartelijk welkom geheeten in Asgard toen hij er kwam als

gijzelaar met zijn vader. Daar het onder de noordelijke volken gebruik

was een kind een groot geschenk te geven wanneer het zijn eersten

tand kreeg, gaven de Aesir het kind Frey het schoone land Alf-heim

of Elfenland, het verblijf der Lichtelfen.

Alf-heim werd aan Frey

Door de goden gegeven

Eens als tandgeschenk.

Saemunds Edda.

Hier ging Frey, de god van den gouden zonneschijn en de warme

zomerbuien, wonen, bekoord door het gezelschap van de elfen en feeën,

die blindelings zijn bevelen gehoorzaamden, en op een teeken van hem

af en aan zweefden, terwijl zij alle goeds deden dat in haar macht

stond, want zij waren buitengewoon weldadige geesten.

Frey kreeg van de goden ook een wonderbaar zwaard (een beeld van de

zonnestralen), dat de macht had met goed gevolg en uit zich zelf te

strijden zoodra het uit de scheede getrokken was. Frey zwaaide dit

vooral tegen de vorstreuzen, die hij bijna even sterk haatte als Thor,

en omdat hij dit schitterende wapen droeg, is hij soms verward met

den zwaardgod Tyr of Saxnot.

Met een kortgreep'gen hamer strijdt de machtige Thor,

Freys zwaard is slechts lang één el.

Viking-vertellingen van het noorden (R. B. Anderson).

De dwergen van Svart-alfa-heim gaven Frey het goudborstelige zwijn

Gullin-bursti (de goudborstelige) een verpersoonlijking van de zon. De

schitterende borstels van dit dier werden symbolisch verklaard òf als

de zonnestralen, òf als het gouden graan dat op zijn bevel golfde over

de oogstlanden van Midgard, òf als de landbouw, want het wildzwijn

(dat met zijn scherpen snuit den grond omwoelt) werd geacht de

menschheid het eerst geleerd te hebben hoe zij ploegen moest.

Daar was Frey en zat

Op 't goudborstelig zwijn, dat--zeggen zij--

Ploegde de bruine aard', ze maakte groen.

Minnaars van Goedroen (William Morris).

Frey reed soms schrijlings op dit wonderbare zwijn, welks snelheid

zeer groot was en spande het op andere tijden voor den gouden wagen,

die--zooals men zeide--de vruchten en bloemen bevatte welke hij

kwistig over de aarde uitstrooide.

Frey was bovendien de trotsche bezitter van het onverschrokken

ros Blodug-hofi, dat op zijn bevel door vuur en water zou ijlen,

maar ook van het tooverschip Skidbladnir, een verpersoonlijking van

de wolken. Dit schip, dat over land en zee voer, werd altijd door

gunstige winden voortgestuwd, en was zóó elastisch dat, terwijl

het voldoende groote afmetingen kon aannemen om de goden te dragen,

hun paarden en heel hun uitrusting, het ook als een doek kon worden

opgevouwen en in den zak gestoken.

Ivaldi's zonen

Werkten in dagen van ouds

Om te maken Skidbladnir,

Het beste schip

Voor den schoonen Frey,

Niörds goeden zoon.

Grimnir-lied.

Het dingen om Gerda's hand.

In een van de Edda-liederen wordt verteld dat Frey eens Odins troon,

Hlidskialf, durfde beklimmen, van welken hoogen zetel zijn blik over de

wijde wereld zwierf. Toen hij naar het bevroren noorden keek, zag hij

een schoon jong meisje het huis van den vorstreus Gymir binnengaan,

en toen zij haar hand ophief om de klink op te lichten, bestraalde

haar schitterende schoonheid zee en lucht.

Een oogenblik later verdween dit lieflijke wezen, wier naam Gerda

was en die men beschouwt als een verpersoonlijking van het flitsende

noorderlicht, in het huis haars vaders, en Frey keerde in gedachten

terug naar Alfheim, terwijl zijn hart vervuld was met het verlangen

dit mooie meisje zijn vrouw te maken. Smoorlijk verliefd was hij

zwaarmoedig en in de hoogste mate verstrooid, en begon zich zóó

vreemd aan te stellen, dat zijn vader, Niörd, zeer ongerust werd over

zijn gezondheid, en zijn trouwen knecht Skirnir beval de oorzaak van

deze plotselinge verandering te ontdekken. Na veel overreding kreeg

Skirnir ten slotte van Frey een verslag aangaande zijn beklimmen van

Hlidskialf, en van het mooie schouwspel dat hij had gezien. Hij bekende

zijn liefde en ook zijn uiterste wanhoop, want daar Gerda de dochter

was van Gymir en Angur-boda, en een bloedverwante van den vermoorden

reus Thiassi, vreesde hij, dat zij hem nooit gunstig ontvangen zou.

In Gymirs hof heb 'k haar geschouwd,

De maagd die mij gevangen houdt;

Haar sneeuwwitt' armen, blank gezicht

Wierpen op aard' en zee hun licht.

Haar min ik meer dan ooit voorheen

Een meisj' een jongling dierbaar scheen;

Maar elf en god die 't al gebiedt

Gunt ons 't geluk der liefde niet.

Skirners lied.

Maar Skirnir antwoordde troostend dat hij geen reden kon zien waarom

zijn meester een zoo wanhopigen blik op de zaak zou hebben, en hij bood

aan, het meisje in zijn naam te gaan vragen, mits Frey hem zijn paard

voor de reis wilde leenen en hem zijn blinkend zwaard geven tot loon.

Overgelukkig in het vooruitzicht dat hij de schoone Gerda zou winnen,

gaf Frey Skirnir gaarne het blinkende zwaard, en stond hem toe zijn

paard te gebruiken. Maar hij verzonk spoedig weer in den droomerigen

staat die hem gewoon was geworden sinds hij verliefd geworden was, en

zoo merkte hij niet dat Skirnir nog bij hem talmde, en ook niet dat

hij handig de spiegeling van zijn gelaat van het oppervlak der beek

stal waaraan hij gezeten was, en dat hij ze sloot in den drinkhoren,

met het plan "ze uit te storten in Gerda's beker, en door de schoonheid

er van het hart der reuzin voor den heer te winnen" in wiens dienst hij

nu uit vrijen ging. Toegerust met dit portret, met elf gouden appelen

en met den tooverring Draupnir, reed Skirnir nu naar Jötun-heim om zijn

opdracht uit te voeren. Toen hij bij Gymirs woning kwam, hoorde hij het

luid en voortdurend gehuil van zijn wachthonden, die de winterwinden

verpersoonlijkten. Een herder die zijn kudde in de nabijheid hoedde,

vertelde hem, in antwoord op zijn vraag, dat men onmogelijk het huis

kon naderen vanwege den vlammenmuur die het omringde; maar Skirnir,

wetende dat Blodug-hofi door alle vuur heen kon, gaf zijn paard de

sporen, en reed zonder letsel naar de deur van den reus en was weldra

in tegenwoordigheid van de lieflijke Gerda.

Opdat het mooie meisje een gunstig oor zou leenen aan de voorstellen

van zijn meester, toonde Skirnir haar het gestolen portret en haalde

voor den dag de gouden appelen en den tooverring, die zij echter

met hoogheid afwees, zeggend dat haar vader genoeg goud had en meer

dan genoeg.

Ik neem niet aan dien wondren ring

Schoon 'k hem van Balders schat ontving;

'k Behoef geen goud in Gymers hal

Daar 't mij mijn vader geven zal.

Skirners lied.

Boos omdat zij het goud versmaadde, dreigde Skirnir nu haar met zijn

tooverzwaard te onthoofden, maar daar dit het meisje in het minst

niet bang maakte en zij hem met kalmte tartte, nam hij zijn toevlucht

tot tooverkunst. Hij sneed runen in zijn stok en zeide haar, dat,

als zij niet toegaf eer de bezwering klaar was, zij òf tot eeuwige

maagdelijkheid zou veroordeeld zijn òf een vorstreus zou huwen dien

zij nooit zou kunnen beminnen.

Verschrikt door de vreeslijke beschrijving van hare vreugdelooze

toekomst in geval zij volhardde in hare weigering, stemde Gerda

er eindelijk in toe Frey's vrouw te worden, en liet Skirnir gaan,

met de belofte dat zij haar aanstaanden bruidegom op den negenden

avond in het land Burri zou ontmoeten, het groene veld, waar zij zijn

somberheid zou verdrijven en hem gelukkig zou maken.

Burri is liefdes hoog verblijf

Na negen nachten, buiten kijf,

Krijgt sterken Niorders dapp're zoon

Daar Gerda's kus tot liefdeloon.

Skirners lied.

Verheugd over zijn succes, ijlde Skirnir naar Alf-heim terug waar

Frey met vreugde den uitslag van de reis kwam te vernemen. Toen

hij hoorde dat Gerda er in had toegestemd zijn vrouw te worden,

straalde zijn gelaat van geluk, maar toen Skirnir hem vertelde dat

hij negen nachten geduld moest hebben, eer hij de hem toegezegde

bruid zou kunnen zien, ging hij bedroefd weg, zeggende dat hem die

tijd eindeloos zou schijnen.

Lang is een nacht, en twee is meer,

Hoe draag 'k mijn smart ten derden keer?

Een maand van vreugde sneller vlucht

Dan halve nacht vol diep gezucht.

Skirners lied.

Trots deze minnaarswanhoop kwam de tijd van wachten echter tot een

einde en Frey spoedde zich blijde naar het groene land, waar hij,

trouw aan haar aanwijzing, Gerda vond, en zij werd zijn gelukkige

vrouw en zat fier op haar troon naast hem.

Frey had Gerda tot vrouw;

Zij was Gymirs dochter,

Van Jötuns stam.

Saemunds Edda.

Volgens sommige mythologen is Gerda niet een verpersoonlijking van

den noordelijken morgenstond maar van de aarde, die, hard, koud en

onhandelbaar, de geschenken van schoonheid en vruchtbaarheid (appelen

en ring), haar door den lentegod aangeboden, niet wil, de schitterende

zonnestralen (Frey's zwaard) tart, en slechts zijn kus wil ontvangen,

als zij verneemt dat zij anders tot voortdurende onvruchtbaarheid

zal worden veroordeeld, of geheel zal worden overgegeven in de macht

der reuzen (ijs en sneeuw). De negen nachten wachtens duiden de negen

wintermaanden aan; als zij ten einde zijn, wordt de aarde de bruid van

de zon, in de velden waar de boomen bladeren en bloesem doen uitloopen.

Wij hooren dat Frey en Gerda de ouders werden van een zoon, Fiolnir

geheeten, wiens geboorte Gerda troostte over het verlies van haren

broeder Beli. Deze had Frey aangevallen en was door hem verslagen,

ofschoon de zonnegod, berooid van zijn ongeëvenaard zwaard, zich had

moeten verdedigen met een hertshoorn dien hij snel van den muur zijner

woning nam.

Behalve den trouwen Skirnir had Frey twee andere dienstbaren, een

gehuwd paar, Beyggvir en Beyla, de verpersoonlijkingen van molenafval

en mest, twee ingrediënten die in den landbouw gebruikt worden om

den grond vruchtbaar te maken, en daarom als Frey's getrouwe dienaren

werden beschouwd, trots hun onaangename eigenschappen.

De historische Frey.

Snorro-Sturleson zegt in zijn "Heimskringla", of kroniek van de

oude Noorweegsche koningen, dat Frey een historisch persoon was

die Ingvi-Frey heette, en in Upsala regeerde na den dood van den

half-historischen Odin en Niörd. Onder zijn bestuur genoot het volk

zulk een welvaart en vrede dat zij zeiden dat hun koning een god moest

zijn. Zij begonnen hem dus als zoodanig aan te roepen, en trokken hun

enthousiaste bewondering zóó ver, dat, toen hij stierf de priesters,

die het feit niet openbaar durfden maken, hem in een aardhoop legden

in plaats van zijn lichaam te verbranden, zooals tot nu toe gewoonte

was geweest. Zij vertelden het volk toen dat Frey--wiens naam in

het noorsch synoniem is met "meester"--"in den aardhoop was gegaan",

een uitdrukking die uiteindelijk de noorsche term voor den dood werd.

Eerst drie jaren later ontdekte het volk, dat was voortgegaan met

belasting te betalen aan den koning door geld, zilver en koper in

de aardhoop te doen door drie verschillende openingen, dat Frey

dood was. Daar hun vrede en voorspoed niet verstoord waren geworden,

besloten zij dat zijn lijk nooit zou worden verbrand, en zoo voerden

zij de gewoonte in, in een aardhoop te begraven, een gebruik dat

te zijner tijd den brandstapel op vele plaatsen verving. Een van de

drie aardhoopen bij Gamla Upsala heet nog naar den god. Zijn beelden

stonden daar in den grooten tempel, en zijn naam werd behoorlijk te

pas gebracht in alle plechtige eeden waarvan de gewone vorm luidde,

"Zoo helpe mij Frey, Niörd en de Almachtige Asa" (Odin).

Dienst van Frey.

Geen wapens werden ooit in Frey's tempels geduld; de beroemdste dier

tempels waren te Throndhjeim in Noorwegen, en te Thvera op IJsland. In

deze tempels werden hem ossen of paarden geofferd, terwijl men een

zwaren gouden ring doopte in het bloed van het offerdier eer de

bovenvermelde eed er plechtig over werd uitgesproken.

Frey's beelden, evenals die van alle andere Noorsche godheden, waren

ruw gehouwen houtblokken, en het laatste van deze heilige beelden

schijnt door Olaf den Heilige te zijn vernield, die, zooals wij hebben

gezien, velen zijner onderdanen door dwang bekeerde. Daar hij verder

de god was van den zonneschijn, de vruchtbaarheid, den vrede en de

welvaart, werd Frey beschouwd als de patroon van paarden en ruiters,

en de bevrijder van alle gevangenen.

Frey is de beste

Van alle heeren

Onder de goden;

Hij wekt geen tranen

Bij meisjes of moeders;

Hij wil ontboeien

Hen die geketend zijn.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Het Yule-feest.

Eéne maand van elk jaar, de Yulemaand of Thor-maand, werd beschouwd

als aan Frey gewijd zoo goed als aan Thor, en begon met den langsten

nacht van het jaar, die den naam droeg van Moeder Nacht. Deze maand

was een tijd van feest en vreugde, want zij verkondigde de wederkomst

van de zon. Het feest heette Yule (wiel) omdat men vooronderstelde

dat de zon op een wiel geleek dat snel door de lucht draaide. Deze

gelijkenis deed een eigenaardige gewoonte ontstaan in Engeland,

Duitschland en langs de oevers van den Moezel. Tot zeer onlangs

vergaderde het volk op een berg, om een groot houten wiel, dat met

stroo omwikkeld was, in brand te steken, en dat dan, in lichtelaaie,

den heuvel af te rollen, totdat het sissend in het water neerkwam.

Weer and'ren zoeken op een wiel, versleten, waardeloos,

Omwikk'len het met stroo en touw, verbergen het een poos;

Zij sleepen 't naar een heuveltop, het staat in vuur en gloed,

En went'len het in duist'ren nacht er af met heftigen spoed.

Zoo lijkt het op de zon, die komt dus van den hemel neer,

Het is een vreemd gezicht en wie het ziet, dien treft het zeer,

En zij gelooven dat al kwaad, dus wordt gesleept ter hel,

En nu, van smart en euvel vrij, zij leven kalm en wel.

Naogeorgus.

Al de noordelijke rassen beschouwden het Yulefeest als het grootste

van het jaar, en waren gewoon het te vieren met dansen, feesten

en drinken, terwijl elke god bij name werd aangeroepen. De eerste

Christenzendelingen, die de groote populariteit van dit feest

bespeurden, dachten dat het best was op te wekken tot drinken op

het welzijn van den Heer en zijn twaalf apostelen, toen zij voor het

eerst de noordelijke heidenen begonnen te bekeeren. Ter eere van Frey

at men bij deze gelegenheid varkensvleesch. Gekroond met laurier en

rosmarijn werd de kop van het dier in de eetzaal gebracht met veel

ceremonieel--een gewoonte die men lang in eere hield, zooals blijkt

uit de volgende regels.

Caput Apri defero

Reddens laudes Domino,

Den zwijnskop draag ik in mijn handen

Met rozemaryn en groenguirlanden;

Nu moet gij zingen allemaal

Qui estis in convivio.

Queens College Deun, Oxford.

De vader van het gezin legde zijn hand op den gewijden schotel, die

"het zwijn der verzoening" heette, en bezwoer dat hij zijn familie

trouw zou zijn en al zijn verplichtingen zou nakomen, een voorbeeld dat

door alle aanwezigen werd gevolgd, van de hoogsten tot de laagsten. De

schotel mocht slechts worden aangesneden door een man van onbevlekten

naam en beproefden moed, want de zwijnskop was een gewijd zinnebeeld

dat--zoo dacht men--elk met vrees vervulde. Om die reden werd dikwijls

een zwijnskop gebruikt als versiering voor de helmen der Noorsche

koningen en helden, wier dapperheid buiten twijfel was.

Daar Frey's naam Fro naar den klank dezelfde is als het woord dat in

het Duitsch voor blijdschap wordt gebruikt, werd hij als de beschermer

van alle vreugde beschouwd en werd steeds aangeroepen door gehuwde

paren die in harmonie wilden leven. Zij die er in slaagden dit

een bepaalden tijd te doen, werden openlijk begiftigd met een stuk

zwijnevleesch, dat in latere tijden door de Engelschen en Weeners

vervangen werd door een zij spek of ham.

Gij zult zweren, door kracht van belijdenis,

Als ooit in uw huw'lijk verkeerd iets is,

Hetzij ge zijt getrouwd als vrouw of man,

Als de eendracht bij u niet blijven kan,

Of anders, aan tafel of te bed hebt verstoord

Gij elkanders stemming in doen of in woord;

Of, sinds de priester u heeft getrouwd,

Gij u ongehuwd wenschtet, daar de stap u heeft berouwd;

Of wel, in twaalf maanden en een dag tijd,

Gij niet werdt vervuld met zulk een spijt,

Maar bleeft bij uw denken en uw verlangen

Als toen uw handen elkaar in het koor hielden omvangen.

Als hierop, met vrijmoedigen geest,

Gij vast kunt zweren dat het zóó is geweest,

Dan zult gij krijgen een stuk spek en van hier

Het medenemen met groot plezier;

Want dit is gebruik te Dunmow, steeds en nu--

Schoon de vreugd is aan ons, het spek is van u.

Brands Populaire Oudheden.

In het dorp Dunmow in Essex bestaat de oude gewoonte nog. In Weenen

werd de ham of het stuk spek boven de stadspoort gehangen, vanwaar

de gelukkige candidaat het moest halen, nadat hij den rechters de

zekerheid had gegeven, dat hij met zijn vrouw in vrede had geleefd,

maar niet onder de plak zat. Men zegt dat in Weenen deze ham sedert

lang niet was opgeëischt, totdat een waardig burger zich voor de

rechters vertoonde en bij zich had de geschreven verzekering van

zijn vrouw dat zij twaalf jaren gehuwd waren en nooit twist hadden

gehad--een bewering die door al hunne buren gestaafd werd. De rechters,

tevreden met de bewijzen die zij voor oogen hadden, zeiden den

candidaat dat de prijs hem zou worden gegeven, en dat hij alleen maar

de ladder had te beklimmen, die er onder stond, en hem naar beneden

moest halen. Blij dat hij een zoo mooie ham had gekregen, klom de

man vlug op de ladder; maar toen hij op het punt was naar de ham te

reiken bemerkte hij, dat de ham, aan de middagzon blootgesteld, begon

te smelten, en dat een druppel vet op zijn Zondagsche jas dreigde

te vallen. Snel trok hij zich terug en deed zijn jas uit, met de

schertsende opmerking dat zijn vrouw hem een heftigen uitbrander zou

geven als hij haar vuil maakte, een bekentenis die alle omstanders

in den lach deed schieten, en die hem zijn ham kostte.

Een ander Yuletijdgebruik was het branden van een groot houtblok, dat

den nacht door moest duren, anders werd het als een heel slecht teeken

beschouwd. De verkoolde overblijfselen van dit blok werden zorgvuldig

verzameld en bewaard om het blok van het volgenden jaar aan te steken.

Met hout van vorig jaar

Ontsteek het nieuwe, maar

Grijp uw geluk met handen,

Speel op uw luit een lied

Dat voorspoed talme niet

Maar kome onder 't branden.

Hesperides (Herrick).

Dit feest was zóó populair in Scandinavië, waar het in Januari

werd gevierd, dat koning Olaf, ziende hoe dierbaar het was aan het

Noorsche gemoed, vele van zijn gebruiken overbracht naar den Kerstdag

en daardoor het onkundige volk met hun verandering van godsdienst

verzoende.

Als god van vrede en voorspoed meent men dat Frey dikwijls op aarde

is teruggekeerd, en dat hij over de Zweden geregeerd heeft, onder den

naam van Ingvi-Frey, waarnaar zijn afstammelingen Inglings heeten. Hij

regeerde ook over de Denen onder den naam Fridleef. In Denemarken,

zegt men, trouwde hij een mooi meisje Freygerda, die hij van een

draak had bevrijd. Hij had bij haar een zoon, Frodi, die hem later

als koning opvolgde.

Frodi regeerde over Denemarken in de dagen toen er "vrede over de

wereld" was, dat is, juist toen Christus werd geboren in Bethlehem

van Judea; en omdat al zijn onderdanen in eensgezindheid leefden,

was hij algemeen bekend als Vrede-Frodi.

Hoe de zee zout werd.

Men verhaalt dat Frodi eens van Hengikiaptr een paar magische

molensteenen, Grotti geheeten, kreeg, die zóó zwaar waren dat geen

zijner knechten en zelfs geen van zijn sterkste soldaten ze konden

omkeeren. De koning begreep dat de molen betooverd was en al wat hij

wilde zou malen; daarom was hij verlangend hem aan het werk te zetten,

en, bij een bezoek aan Zweden, zag hij de twee reuzinnen Menia en

Fenia, wier geweldige spieren en gestalten zijn aandacht trokken. Hij

kocht ze als slavinnen.

Toen hij thuis kwam, voerde Vrede-Frodi zijn nieuwe dienstbaren

naar den molen, en beval haar de maalsteenen rond te draaien en te

malen goud, vrede en voorspoed, en onmiddellijk vervulden zij zijn

wensch. Vroolijk werkten de vrouwen door, uur op uur, totdat 's konings

kisten vol goud waren, en voorspoed en vrede heerschten in zijn land.

Malen wij schatten voor Frothi!

Malen wij hem, blijde

Om veelheid van stof,

Op vroolijken steen.

Grotta Savngr.

Maar toen Menia en Fenia gaarne wat zouden gerust hebben, beval de

koning, wiens hebzucht was gewekt, haar door te werken. In weerwil

van haar smeeken beval hij ze te arbeiden uur op uur, en stond hij

ze slechts zooveel rusttijd toe als noodig was om een gezang vers

te zingen, totdat, door zijn wreedheid vertoornd, de reuzinnen ten

slotte besloten zich te wreken. Op zekeren nacht toen Frodi sliep,

veranderden zij haar gezang, en in plaats van voorspoed en vrede,

begonnen zij boos te malen een gewapend leger, waardoor zij den Viking

Mysinger in het land brachten met een groote troepenmacht. Terwijl de

tooverij aan het werk was, bleven de Denen slapen, en dus werden zij

geheel en al verrast door de Vikingenschaar, die hen allen versloeg.

Een leger moet komen

Hier direct,

En branden de stad

Neer voor den vorst.

Grotta Savnrg.

Mysinger nam de toovermolensteenen en de twee slavinnen en zette

ze aan boord van zijn schip; toen liet hij de vrouwen zout malen,

wat in die dagen een handelsartikel van groote waarde was. De

vrouwen gehoorzaamden en hare molensteen en draaiden rond, malend

zout in overvloed; maar de Viking, even wreed als Frodi, wilde den

armen vrouwen geen rust gunnen, waarom hij en de zijnen zwaar werden

gestraft. Een zóó groote hoeveelheid zout werd door de tooversteenen

gemalen dat ten slotte zijn gewicht het schip deed zinken en alles

wat aan boord was.

De zware steenen zonken in zee in de Pentland-Firth, of aan de

noordwestelijke kust van Noorwegen, waar zij een diep rond gat maakten,

en de wateren, die in de draaikolk stroomden en in de gaten, die in

de steenen waren, klokten, veroorzaakten de groote draaikolk die als

de Maelstroom bekend is. Wat het zout betreft, dit smolt spoedig;

maar zóó groot was de onmetelijke hoeveelheid die de reuzinnen hadden

gemalen, dat het al de wateren van de zee doortrok, die sedert altijd

zeer zout is geweest.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 18 / 46 题