De god van het elfenland.
Frey, of Froh, zooals hij in Duitschland heette, was de zoon van Niörd
en Nerthus, of van Niörd en Skadi, en werd geboren in Vanaheim. Daarom
behoorde hij tot het ras van de Vana's, de goden van water en lucht,
maar werd hartelijk welkom geheeten in Asgard toen hij er kwam als
gijzelaar met zijn vader. Daar het onder de noordelijke volken gebruik
was een kind een groot geschenk te geven wanneer het zijn eersten
tand kreeg, gaven de Aesir het kind Frey het schoone land Alf-heim
of Elfenland, het verblijf der Lichtelfen.
Alf-heim werd aan Frey
Door de goden gegeven
Eens als tandgeschenk.
Saemunds Edda.
Hier ging Frey, de god van den gouden zonneschijn en de warme
zomerbuien, wonen, bekoord door het gezelschap van de elfen en feeën,
die blindelings zijn bevelen gehoorzaamden, en op een teeken van hem
af en aan zweefden, terwijl zij alle goeds deden dat in haar macht
stond, want zij waren buitengewoon weldadige geesten.
Frey kreeg van de goden ook een wonderbaar zwaard (een beeld van de
zonnestralen), dat de macht had met goed gevolg en uit zich zelf te
strijden zoodra het uit de scheede getrokken was. Frey zwaaide dit
vooral tegen de vorstreuzen, die hij bijna even sterk haatte als Thor,
en omdat hij dit schitterende wapen droeg, is hij soms verward met
den zwaardgod Tyr of Saxnot.
Met een kortgreep'gen hamer strijdt de machtige Thor,
Freys zwaard is slechts lang één el.
Viking-vertellingen van het noorden (R. B. Anderson).
De dwergen van Svart-alfa-heim gaven Frey het goudborstelige zwijn
Gullin-bursti (de goudborstelige) een verpersoonlijking van de zon. De
schitterende borstels van dit dier werden symbolisch verklaard òf als
de zonnestralen, òf als het gouden graan dat op zijn bevel golfde over
de oogstlanden van Midgard, òf als de landbouw, want het wildzwijn
(dat met zijn scherpen snuit den grond omwoelt) werd geacht de
menschheid het eerst geleerd te hebben hoe zij ploegen moest.
Daar was Frey en zat
Op 't goudborstelig zwijn, dat--zeggen zij--
Ploegde de bruine aard', ze maakte groen.
Minnaars van Goedroen (William Morris).
Frey reed soms schrijlings op dit wonderbare zwijn, welks snelheid
zeer groot was en spande het op andere tijden voor den gouden wagen,
die--zooals men zeide--de vruchten en bloemen bevatte welke hij
kwistig over de aarde uitstrooide.
Frey was bovendien de trotsche bezitter van het onverschrokken
ros Blodug-hofi, dat op zijn bevel door vuur en water zou ijlen,
maar ook van het tooverschip Skidbladnir, een verpersoonlijking van
de wolken. Dit schip, dat over land en zee voer, werd altijd door
gunstige winden voortgestuwd, en was zóó elastisch dat, terwijl
het voldoende groote afmetingen kon aannemen om de goden te dragen,
hun paarden en heel hun uitrusting, het ook als een doek kon worden
opgevouwen en in den zak gestoken.
Ivaldi's zonen
Werkten in dagen van ouds
Om te maken Skidbladnir,
Het beste schip
Voor den schoonen Frey,
Niörds goeden zoon.
Grimnir-lied.
Het dingen om Gerda's hand.
In een van de Edda-liederen wordt verteld dat Frey eens Odins troon,
Hlidskialf, durfde beklimmen, van welken hoogen zetel zijn blik over de
wijde wereld zwierf. Toen hij naar het bevroren noorden keek, zag hij
een schoon jong meisje het huis van den vorstreus Gymir binnengaan,
en toen zij haar hand ophief om de klink op te lichten, bestraalde
haar schitterende schoonheid zee en lucht.
Een oogenblik later verdween dit lieflijke wezen, wier naam Gerda
was en die men beschouwt als een verpersoonlijking van het flitsende
noorderlicht, in het huis haars vaders, en Frey keerde in gedachten
terug naar Alfheim, terwijl zijn hart vervuld was met het verlangen
dit mooie meisje zijn vrouw te maken. Smoorlijk verliefd was hij
zwaarmoedig en in de hoogste mate verstrooid, en begon zich zóó
vreemd aan te stellen, dat zijn vader, Niörd, zeer ongerust werd over
zijn gezondheid, en zijn trouwen knecht Skirnir beval de oorzaak van
deze plotselinge verandering te ontdekken. Na veel overreding kreeg
Skirnir ten slotte van Frey een verslag aangaande zijn beklimmen van
Hlidskialf, en van het mooie schouwspel dat hij had gezien. Hij bekende
zijn liefde en ook zijn uiterste wanhoop, want daar Gerda de dochter
was van Gymir en Angur-boda, en een bloedverwante van den vermoorden
reus Thiassi, vreesde hij, dat zij hem nooit gunstig ontvangen zou.
In Gymirs hof heb 'k haar geschouwd,
De maagd die mij gevangen houdt;
Haar sneeuwwitt' armen, blank gezicht
Wierpen op aard' en zee hun licht.
Haar min ik meer dan ooit voorheen
Een meisj' een jongling dierbaar scheen;
Maar elf en god die 't al gebiedt
Gunt ons 't geluk der liefde niet.
Skirners lied.
Maar Skirnir antwoordde troostend dat hij geen reden kon zien waarom
zijn meester een zoo wanhopigen blik op de zaak zou hebben, en hij bood
aan, het meisje in zijn naam te gaan vragen, mits Frey hem zijn paard
voor de reis wilde leenen en hem zijn blinkend zwaard geven tot loon.
Overgelukkig in het vooruitzicht dat hij de schoone Gerda zou winnen,
gaf Frey Skirnir gaarne het blinkende zwaard, en stond hem toe zijn
paard te gebruiken. Maar hij verzonk spoedig weer in den droomerigen
staat die hem gewoon was geworden sinds hij verliefd geworden was, en
zoo merkte hij niet dat Skirnir nog bij hem talmde, en ook niet dat
hij handig de spiegeling van zijn gelaat van het oppervlak der beek
stal waaraan hij gezeten was, en dat hij ze sloot in den drinkhoren,
met het plan "ze uit te storten in Gerda's beker, en door de schoonheid
er van het hart der reuzin voor den heer te winnen" in wiens dienst hij
nu uit vrijen ging. Toegerust met dit portret, met elf gouden appelen
en met den tooverring Draupnir, reed Skirnir nu naar Jötun-heim om zijn
opdracht uit te voeren. Toen hij bij Gymirs woning kwam, hoorde hij het
luid en voortdurend gehuil van zijn wachthonden, die de winterwinden
verpersoonlijkten. Een herder die zijn kudde in de nabijheid hoedde,
vertelde hem, in antwoord op zijn vraag, dat men onmogelijk het huis
kon naderen vanwege den vlammenmuur die het omringde; maar Skirnir,
wetende dat Blodug-hofi door alle vuur heen kon, gaf zijn paard de
sporen, en reed zonder letsel naar de deur van den reus en was weldra
in tegenwoordigheid van de lieflijke Gerda.
Opdat het mooie meisje een gunstig oor zou leenen aan de voorstellen
van zijn meester, toonde Skirnir haar het gestolen portret en haalde
voor den dag de gouden appelen en den tooverring, die zij echter
met hoogheid afwees, zeggend dat haar vader genoeg goud had en meer
dan genoeg.
Ik neem niet aan dien wondren ring
Schoon 'k hem van Balders schat ontving;
'k Behoef geen goud in Gymers hal
Daar 't mij mijn vader geven zal.
Skirners lied.
Boos omdat zij het goud versmaadde, dreigde Skirnir nu haar met zijn
tooverzwaard te onthoofden, maar daar dit het meisje in het minst
niet bang maakte en zij hem met kalmte tartte, nam hij zijn toevlucht
tot tooverkunst. Hij sneed runen in zijn stok en zeide haar, dat,
als zij niet toegaf eer de bezwering klaar was, zij òf tot eeuwige
maagdelijkheid zou veroordeeld zijn òf een vorstreus zou huwen dien
zij nooit zou kunnen beminnen.
Verschrikt door de vreeslijke beschrijving van hare vreugdelooze
toekomst in geval zij volhardde in hare weigering, stemde Gerda
er eindelijk in toe Frey's vrouw te worden, en liet Skirnir gaan,
met de belofte dat zij haar aanstaanden bruidegom op den negenden
avond in het land Burri zou ontmoeten, het groene veld, waar zij zijn
somberheid zou verdrijven en hem gelukkig zou maken.
Burri is liefdes hoog verblijf
Na negen nachten, buiten kijf,
Krijgt sterken Niorders dapp're zoon
Daar Gerda's kus tot liefdeloon.
Skirners lied.
Verheugd over zijn succes, ijlde Skirnir naar Alf-heim terug waar
Frey met vreugde den uitslag van de reis kwam te vernemen. Toen
hij hoorde dat Gerda er in had toegestemd zijn vrouw te worden,
straalde zijn gelaat van geluk, maar toen Skirnir hem vertelde dat
hij negen nachten geduld moest hebben, eer hij de hem toegezegde
bruid zou kunnen zien, ging hij bedroefd weg, zeggende dat hem die
tijd eindeloos zou schijnen.
Lang is een nacht, en twee is meer,
Hoe draag 'k mijn smart ten derden keer?
Een maand van vreugde sneller vlucht
Dan halve nacht vol diep gezucht.
Skirners lied.
Trots deze minnaarswanhoop kwam de tijd van wachten echter tot een
einde en Frey spoedde zich blijde naar het groene land, waar hij,
trouw aan haar aanwijzing, Gerda vond, en zij werd zijn gelukkige
vrouw en zat fier op haar troon naast hem.
Frey had Gerda tot vrouw;
Zij was Gymirs dochter,
Van Jötuns stam.
Saemunds Edda.
Volgens sommige mythologen is Gerda niet een verpersoonlijking van
den noordelijken morgenstond maar van de aarde, die, hard, koud en
onhandelbaar, de geschenken van schoonheid en vruchtbaarheid (appelen
en ring), haar door den lentegod aangeboden, niet wil, de schitterende
zonnestralen (Frey's zwaard) tart, en slechts zijn kus wil ontvangen,
als zij verneemt dat zij anders tot voortdurende onvruchtbaarheid
zal worden veroordeeld, of geheel zal worden overgegeven in de macht
der reuzen (ijs en sneeuw). De negen nachten wachtens duiden de negen
wintermaanden aan; als zij ten einde zijn, wordt de aarde de bruid van
de zon, in de velden waar de boomen bladeren en bloesem doen uitloopen.
Wij hooren dat Frey en Gerda de ouders werden van een zoon, Fiolnir
geheeten, wiens geboorte Gerda troostte over het verlies van haren
broeder Beli. Deze had Frey aangevallen en was door hem verslagen,
ofschoon de zonnegod, berooid van zijn ongeëvenaard zwaard, zich had
moeten verdedigen met een hertshoorn dien hij snel van den muur zijner
woning nam.
Behalve den trouwen Skirnir had Frey twee andere dienstbaren, een
gehuwd paar, Beyggvir en Beyla, de verpersoonlijkingen van molenafval
en mest, twee ingrediënten die in den landbouw gebruikt worden om
den grond vruchtbaar te maken, en daarom als Frey's getrouwe dienaren
werden beschouwd, trots hun onaangename eigenschappen.
De historische Frey.
Snorro-Sturleson zegt in zijn "Heimskringla", of kroniek van de
oude Noorweegsche koningen, dat Frey een historisch persoon was
die Ingvi-Frey heette, en in Upsala regeerde na den dood van den
half-historischen Odin en Niörd. Onder zijn bestuur genoot het volk
zulk een welvaart en vrede dat zij zeiden dat hun koning een god moest
zijn. Zij begonnen hem dus als zoodanig aan te roepen, en trokken hun
enthousiaste bewondering zóó ver, dat, toen hij stierf de priesters,
die het feit niet openbaar durfden maken, hem in een aardhoop legden
in plaats van zijn lichaam te verbranden, zooals tot nu toe gewoonte
was geweest. Zij vertelden het volk toen dat Frey--wiens naam in
het noorsch synoniem is met "meester"--"in den aardhoop was gegaan",
een uitdrukking die uiteindelijk de noorsche term voor den dood werd.
Eerst drie jaren later ontdekte het volk, dat was voortgegaan met
belasting te betalen aan den koning door geld, zilver en koper in
de aardhoop te doen door drie verschillende openingen, dat Frey
dood was. Daar hun vrede en voorspoed niet verstoord waren geworden,
besloten zij dat zijn lijk nooit zou worden verbrand, en zoo voerden
zij de gewoonte in, in een aardhoop te begraven, een gebruik dat
te zijner tijd den brandstapel op vele plaatsen verving. Een van de
drie aardhoopen bij Gamla Upsala heet nog naar den god. Zijn beelden
stonden daar in den grooten tempel, en zijn naam werd behoorlijk te
pas gebracht in alle plechtige eeden waarvan de gewone vorm luidde,
"Zoo helpe mij Frey, Niörd en de Almachtige Asa" (Odin).
Dienst van Frey.
Geen wapens werden ooit in Frey's tempels geduld; de beroemdste dier
tempels waren te Throndhjeim in Noorwegen, en te Thvera op IJsland. In
deze tempels werden hem ossen of paarden geofferd, terwijl men een
zwaren gouden ring doopte in het bloed van het offerdier eer de
bovenvermelde eed er plechtig over werd uitgesproken.
Frey's beelden, evenals die van alle andere Noorsche godheden, waren
ruw gehouwen houtblokken, en het laatste van deze heilige beelden
schijnt door Olaf den Heilige te zijn vernield, die, zooals wij hebben
gezien, velen zijner onderdanen door dwang bekeerde. Daar hij verder
de god was van den zonneschijn, de vruchtbaarheid, den vrede en de
welvaart, werd Frey beschouwd als de patroon van paarden en ruiters,
en de bevrijder van alle gevangenen.
Frey is de beste
Van alle heeren
Onder de goden;
Hij wekt geen tranen
Bij meisjes of moeders;
Hij wil ontboeien
Hen die geketend zijn.
Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).
Het Yule-feest.
Eéne maand van elk jaar, de Yulemaand of Thor-maand, werd beschouwd
als aan Frey gewijd zoo goed als aan Thor, en begon met den langsten
nacht van het jaar, die den naam droeg van Moeder Nacht. Deze maand
was een tijd van feest en vreugde, want zij verkondigde de wederkomst
van de zon. Het feest heette Yule (wiel) omdat men vooronderstelde
dat de zon op een wiel geleek dat snel door de lucht draaide. Deze
gelijkenis deed een eigenaardige gewoonte ontstaan in Engeland,
Duitschland en langs de oevers van den Moezel. Tot zeer onlangs
vergaderde het volk op een berg, om een groot houten wiel, dat met
stroo omwikkeld was, in brand te steken, en dat dan, in lichtelaaie,
den heuvel af te rollen, totdat het sissend in het water neerkwam.
Weer and'ren zoeken op een wiel, versleten, waardeloos,
Omwikk'len het met stroo en touw, verbergen het een poos;
Zij sleepen 't naar een heuveltop, het staat in vuur en gloed,
En went'len het in duist'ren nacht er af met heftigen spoed.
Zoo lijkt het op de zon, die komt dus van den hemel neer,
Het is een vreemd gezicht en wie het ziet, dien treft het zeer,
En zij gelooven dat al kwaad, dus wordt gesleept ter hel,
En nu, van smart en euvel vrij, zij leven kalm en wel.
Naogeorgus.
Al de noordelijke rassen beschouwden het Yulefeest als het grootste
van het jaar, en waren gewoon het te vieren met dansen, feesten
en drinken, terwijl elke god bij name werd aangeroepen. De eerste
Christenzendelingen, die de groote populariteit van dit feest
bespeurden, dachten dat het best was op te wekken tot drinken op
het welzijn van den Heer en zijn twaalf apostelen, toen zij voor het
eerst de noordelijke heidenen begonnen te bekeeren. Ter eere van Frey
at men bij deze gelegenheid varkensvleesch. Gekroond met laurier en
rosmarijn werd de kop van het dier in de eetzaal gebracht met veel
ceremonieel--een gewoonte die men lang in eere hield, zooals blijkt
uit de volgende regels.
Caput Apri defero
Reddens laudes Domino,
Den zwijnskop draag ik in mijn handen
Met rozemaryn en groenguirlanden;
Nu moet gij zingen allemaal
Qui estis in convivio.
Queens College Deun, Oxford.
De vader van het gezin legde zijn hand op den gewijden schotel, die
"het zwijn der verzoening" heette, en bezwoer dat hij zijn familie
trouw zou zijn en al zijn verplichtingen zou nakomen, een voorbeeld dat
door alle aanwezigen werd gevolgd, van de hoogsten tot de laagsten. De
schotel mocht slechts worden aangesneden door een man van onbevlekten
naam en beproefden moed, want de zwijnskop was een gewijd zinnebeeld
dat--zoo dacht men--elk met vrees vervulde. Om die reden werd dikwijls
een zwijnskop gebruikt als versiering voor de helmen der Noorsche
koningen en helden, wier dapperheid buiten twijfel was.
Daar Frey's naam Fro naar den klank dezelfde is als het woord dat in
het Duitsch voor blijdschap wordt gebruikt, werd hij als de beschermer
van alle vreugde beschouwd en werd steeds aangeroepen door gehuwde
paren die in harmonie wilden leven. Zij die er in slaagden dit
een bepaalden tijd te doen, werden openlijk begiftigd met een stuk
zwijnevleesch, dat in latere tijden door de Engelschen en Weeners
vervangen werd door een zij spek of ham.
Gij zult zweren, door kracht van belijdenis,
Als ooit in uw huw'lijk verkeerd iets is,
Hetzij ge zijt getrouwd als vrouw of man,
Als de eendracht bij u niet blijven kan,
Of anders, aan tafel of te bed hebt verstoord
Gij elkanders stemming in doen of in woord;
Of, sinds de priester u heeft getrouwd,
Gij u ongehuwd wenschtet, daar de stap u heeft berouwd;
Of wel, in twaalf maanden en een dag tijd,
Gij niet werdt vervuld met zulk een spijt,
Maar bleeft bij uw denken en uw verlangen
Als toen uw handen elkaar in het koor hielden omvangen.
Als hierop, met vrijmoedigen geest,
Gij vast kunt zweren dat het zóó is geweest,
Dan zult gij krijgen een stuk spek en van hier
Het medenemen met groot plezier;
Want dit is gebruik te Dunmow, steeds en nu--
Schoon de vreugd is aan ons, het spek is van u.
Brands Populaire Oudheden.
In het dorp Dunmow in Essex bestaat de oude gewoonte nog. In Weenen
werd de ham of het stuk spek boven de stadspoort gehangen, vanwaar
de gelukkige candidaat het moest halen, nadat hij den rechters de
zekerheid had gegeven, dat hij met zijn vrouw in vrede had geleefd,
maar niet onder de plak zat. Men zegt dat in Weenen deze ham sedert
lang niet was opgeëischt, totdat een waardig burger zich voor de
rechters vertoonde en bij zich had de geschreven verzekering van
zijn vrouw dat zij twaalf jaren gehuwd waren en nooit twist hadden
gehad--een bewering die door al hunne buren gestaafd werd. De rechters,
tevreden met de bewijzen die zij voor oogen hadden, zeiden den
candidaat dat de prijs hem zou worden gegeven, en dat hij alleen maar
de ladder had te beklimmen, die er onder stond, en hem naar beneden
moest halen. Blij dat hij een zoo mooie ham had gekregen, klom de
man vlug op de ladder; maar toen hij op het punt was naar de ham te
reiken bemerkte hij, dat de ham, aan de middagzon blootgesteld, begon
te smelten, en dat een druppel vet op zijn Zondagsche jas dreigde
te vallen. Snel trok hij zich terug en deed zijn jas uit, met de
schertsende opmerking dat zijn vrouw hem een heftigen uitbrander zou
geven als hij haar vuil maakte, een bekentenis die alle omstanders
in den lach deed schieten, en die hem zijn ham kostte.
Een ander Yuletijdgebruik was het branden van een groot houtblok, dat
den nacht door moest duren, anders werd het als een heel slecht teeken
beschouwd. De verkoolde overblijfselen van dit blok werden zorgvuldig
verzameld en bewaard om het blok van het volgenden jaar aan te steken.
Met hout van vorig jaar
Ontsteek het nieuwe, maar
Grijp uw geluk met handen,
Speel op uw luit een lied
Dat voorspoed talme niet
Maar kome onder 't branden.
Hesperides (Herrick).
Dit feest was zóó populair in Scandinavië, waar het in Januari
werd gevierd, dat koning Olaf, ziende hoe dierbaar het was aan het
Noorsche gemoed, vele van zijn gebruiken overbracht naar den Kerstdag
en daardoor het onkundige volk met hun verandering van godsdienst
verzoende.
Als god van vrede en voorspoed meent men dat Frey dikwijls op aarde
is teruggekeerd, en dat hij over de Zweden geregeerd heeft, onder den
naam van Ingvi-Frey, waarnaar zijn afstammelingen Inglings heeten. Hij
regeerde ook over de Denen onder den naam Fridleef. In Denemarken,
zegt men, trouwde hij een mooi meisje Freygerda, die hij van een
draak had bevrijd. Hij had bij haar een zoon, Frodi, die hem later
als koning opvolgde.
Frodi regeerde over Denemarken in de dagen toen er "vrede over de
wereld" was, dat is, juist toen Christus werd geboren in Bethlehem
van Judea; en omdat al zijn onderdanen in eensgezindheid leefden,
was hij algemeen bekend als Vrede-Frodi.
Hoe de zee zout werd.
Men verhaalt dat Frodi eens van Hengikiaptr een paar magische
molensteenen, Grotti geheeten, kreeg, die zóó zwaar waren dat geen
zijner knechten en zelfs geen van zijn sterkste soldaten ze konden
omkeeren. De koning begreep dat de molen betooverd was en al wat hij
wilde zou malen; daarom was hij verlangend hem aan het werk te zetten,
en, bij een bezoek aan Zweden, zag hij de twee reuzinnen Menia en
Fenia, wier geweldige spieren en gestalten zijn aandacht trokken. Hij
kocht ze als slavinnen.
Toen hij thuis kwam, voerde Vrede-Frodi zijn nieuwe dienstbaren
naar den molen, en beval haar de maalsteenen rond te draaien en te
malen goud, vrede en voorspoed, en onmiddellijk vervulden zij zijn
wensch. Vroolijk werkten de vrouwen door, uur op uur, totdat 's konings
kisten vol goud waren, en voorspoed en vrede heerschten in zijn land.
Malen wij schatten voor Frothi!
Malen wij hem, blijde
Om veelheid van stof,
Op vroolijken steen.
Grotta Savngr.
Maar toen Menia en Fenia gaarne wat zouden gerust hebben, beval de
koning, wiens hebzucht was gewekt, haar door te werken. In weerwil
van haar smeeken beval hij ze te arbeiden uur op uur, en stond hij
ze slechts zooveel rusttijd toe als noodig was om een gezang vers
te zingen, totdat, door zijn wreedheid vertoornd, de reuzinnen ten
slotte besloten zich te wreken. Op zekeren nacht toen Frodi sliep,
veranderden zij haar gezang, en in plaats van voorspoed en vrede,
begonnen zij boos te malen een gewapend leger, waardoor zij den Viking
Mysinger in het land brachten met een groote troepenmacht. Terwijl de
tooverij aan het werk was, bleven de Denen slapen, en dus werden zij
geheel en al verrast door de Vikingenschaar, die hen allen versloeg.
Een leger moet komen
Hier direct,
En branden de stad
Neer voor den vorst.
Grotta Savnrg.
Mysinger nam de toovermolensteenen en de twee slavinnen en zette
ze aan boord van zijn schip; toen liet hij de vrouwen zout malen,
wat in die dagen een handelsartikel van groote waarde was. De
vrouwen gehoorzaamden en hare molensteen en draaiden rond, malend
zout in overvloed; maar de Viking, even wreed als Frodi, wilde den
armen vrouwen geen rust gunnen, waarom hij en de zijnen zwaar werden
gestraft. Een zóó groote hoeveelheid zout werd door de tooversteenen
gemalen dat ten slotte zijn gewicht het schip deed zinken en alles
wat aan boord was.
De zware steenen zonken in zee in de Pentland-Firth, of aan de
noordwestelijke kust van Noorwegen, waar zij een diep rond gat maakten,
en de wateren, die in de draaikolk stroomden en in de gaten, die in
de steenen waren, klokten, veroorzaakten de groote draaikolk die als
de Maelstroom bekend is. Wat het zout betreft, dit smolt spoedig;
maar zóó groot was de onmetelijke hoeveelheid die de reuzinnen hadden
gemalen, dat het al de wateren van de zee doortrok, die sedert altijd
zeer zout is geweest.