HOOFDSTUK IV: THOR.

De Donderaar.

Volgens sommige mythologen is Thor, of Donar de zoon van Jörd (Erda)

en van Odin, maar anderen zeggen dat zijn moeder Frigga was, de

koningin der goden. Dit kind was zeer opmerkelijk groot en sterk,

en heel spoedig na zijn geboorte verbaasde hij de verzamelde goden

spelenderwijs op te tillen en weg te smijten tien groote balen

berenhuiden. Ofschoon doorgaans goed gehumeurd, kon Thor soms in

vreeselijke woede geraken, en daar hij dan heel gevaarlijk was,

zond zijn moeder, die hem niet kon beteugelen, hem van huis, en

vertrouwde hem toe aan de zorg van Vingnir (den gevleugelde), en

van Hlora (hitte). Deze pleegouders, die men ook beschouwde als de

verpersoonlijking van het bliksemgeflits, slaagden er weldra in, den

lastigen pupil te bedwingen, en brachten hem zóó verstandig groot, dat

de goden een zeer dankbare herinnering bewaarden aan hun vriendelijke

hulp. Toen Thor tot het besef kwam wat hij hun verschuldigd was,

nam hij de namen Vingthor en Hlorridi aan, waaronder hij ook bekend is.

Schreeuw dan, Vingi-Thor, maar wild

Als de maliënkolder schudt en danst het deukig oorlogschild,

Sigurd de Volsung (William Morris).

Toen hij volgroeid was en de jaren des onderscheids had bereikt,

werd Thor tot Asgard toegelaten onder de andere goden, waar hij een

van de twaalf zetels in de groote oordeelshal bezette. Hij kreeg ook

de streken Thrud-vang of Thrud-heim, waar hij een wonderbaar paleis

bouwde, Bilskirnir (bliksem) geheeten, het grootste in heel Asgard. Het

had vijfhonderd veertig hallen, ten dienste van de lijfeigenen,

die na hun dood werden welkom geheeten in zijn huis, waar zij op

dezelfde manier werden bejegend als hun meesters in het Valhalla,

want Thor was de beschermgod van de boeren en de lagere standen.

Vijfhonderd hallen

En veertig nog,

Dunkt mij, houdt

Bilskirnir omvat.

Geen huis met dak

Is er gelijk

Aan dat van mijn Zoon.

Saemunds Edda.

Daar hij de god van den donder was, mocht Thor nooit alleen gaan

over de wonderbare brug Bifröst, opdat hij ze niet zou in brand

steken door de hitte van zijn aanwezigheid; en als hij zijn medegoden

wenschte te ontmoeten bij de Urdar-fontein, onder de schaduw van den

heiligen boom Yggdrasil, moest hij zijn weg daarheen te voet afleggen,

wadend door de rivieren Kormt en Ormt, en de twee stroomen Kerlaug,

naar de verzamelplaats.

Thor, die geëerd werd als de hoogste god in Noorwegen, was de tweede

in de trilogie van al de andere landen, en werd "de oude Thor" genoemd,

omdat, zooals sommige mythologen gelooven, hij tot een oudere dynastie

van goden behoorde en niet wegens zijn feitelijken ouderdom, want hij

werd voorgesteld en beschreven als een man in zijn jeugd, slank en

welgevormd, met gespierde ledematen, en borstelig rood haar, waaruit,

als hij toornig was, vonken in stroomen te voorschijn schoten.

Eerst Thor, wiens oog nederstaart,

Momp'lend zacht in zijn rossen baard

(Zijn oog fonkel' naar bliksemaard)

Komt, terwijl dond'rend hij ment

Zijn kar, aangerend,

Bij zijn wilden mokerslag

Schudt hemel en aard' van ontzag

Wolken scheuren wijl siddert de aard.

Valhalla (J. C. Jones).

De noordelijke rassen versierden hem verder met een kroon, en op elke

punt daarvan was een schitterende ster of een steeds brandende vlam,

zoodat zijn hoofd altijd omringd was door een krans van vuur, zijn

eigen element.

Thors hamer.

Thor was de fiere bezitter van een hamer die Miölnir (de verbrijzelaar)

heette en dien hij naar zijn vijanden wierp, de vorstreuzen, met

vernielende kracht, en die de wonderbare eigenschap bezat dat hij

steeds in zijn hand terugkeerde, hoe ver hij hem ook wierp.

Ik ben de Dond'rer!

Hier in mijn noorden,

Mijn vastheid en sterkte,

Heersch ik voor eeuwig.

Hier tusschen gletschers

Regeer ik de volken,

Dit is mijn hamer,

Miölnir de sterke;

Reuzen noch toovenaars

Bieden hem weerstand.

Sage van koning Olaf (Longfellow).

Daar deze groote hamer, het beeld van de bliksems, doorgaans rood-heet

was, had de god een ijzeren handschoen, Iarn-greiper geheeten,

waarmee hij hem stijf kon vasthouden. Hij kon Miölnir ver wegwerpen,

en zijn kracht, die altijd aanzienlijk was, werd verdubbeld als hij

zijn toovergordel droeg, Megin-giörd genoemd.

Dit is mijn gordel.

Als ik hem draag

Is m'n kracht verdubbeld.

Sage van koning Olaf (Longfellow).

Thors hamer werd zóó heilig geacht door het oude Noorsche volk,

dat zij gewoon waren het teeken van den hamer te maken, evenals de

Christenen hen later het teeken van het kruis leerden maken om alle

verkeerde invloeden af te wenden en zegeningen te verwerven. Hetzelfde

teeken werd ook gemaakt over het pasgeboren kind, wanneer water over

zijn hoofd werd gegoten en het een naam kreeg. De hamer werd gebruikt

om grenspalen in te slaan, en men hield het voor heiligschennis ze

te verzetten; verder, om den dorpel van een nieuw huis te zegenen,

een huwelijk plechtig in te wijden, en ten slotte speelde hij een rol

in de heiliging van den brandstapel waarop de lichamen van helden,

tegelijk met hun wapenen en paarden, en soms met hun vrouwen en

onderhoorigen, werden verbrand.

In Zweden dacht men dat Thor, evenals Odin, een breedgeranden hoed

droeg, en daarom heeten de stormwolken in dat land Thors hoed, een naam

dien men ook aan een van de belangrijkste bergen in Noorwegen heeft

gegeven. Het gerommel en gerol van den donder hield men voor het rijden

van zijn wagen, want hij was de eenige onder de goden die nooit op een

paard zat, maar die liep, of reed in een koperen kar, getrokken door

twee geiten, Tanngniostr (tandenkraker) en Tanngrisnr (tandenknarser),

van wier tanden en hoeven voortdurend vonken uitgingen.

Toen kwaamt gij eerst, o machtige krijgsman Thor!

Hamer op schouder, rijdend in uw kar,

Sturend de geiten aan haar zilveren toom.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Wanneer de god dus van plaats tot plaats reed, werd hij Aku-thor

genoemd, of Thor de wagenman, en in Zuid-Duitschland beweerde het

volk, denkend dat een koperen wagen alleen niet al het leven kon

maken dat zij hoorden, dat die wagen met koperen ketels beladen was,

die ratelden en kletterden, en daarom noemde het hem dikwijls, met

oneerbiedige gemeenzaamheid, den ketelverkooper.

Thors familie.

Thor was tweemaal getrouwd; eerst met de reuzin Iarnsaxa (ijzeren

steen) die hem twee zonen schonk, Magni (kracht) en Modi (moed),

beiden bestemd hun vader en de godenschemering te overleven en te

heerschen over de nieuwe wereld die als een phoenix uit de asch van

de eerste zou verrijzen. Zijn tweede vrouw was Sif, de goudharige,

die hem ook twee kinderen schonk Lorride, en een dochter, Trud,

een jonge reuzin, beroemd wegens hun moed en kracht. Overeenkomstig

het bekende feit dat tegenstellingen elkander zoeken, werd Trud

gevrijd door den dwerg Alvis, wien zij vrij goed gezind was; en op

zekeren avond, toen deze aanbidder, die als dwerg het daglicht niet

kon verdragen, in Asgard kwam om hare hand te vragen, weigerden de

vergaderde goden hun toestemming niet. Zij hadden echter nauwelijks

hun goedkeuring te kennen gegeven, toen Thor, die afwezig was geweest,

plotseling verscheen en met een blik van verachting op den nietigen

minnaar verklaarde dat deze moest toonen dat zijn wetenschap zijn

dwergachtigheid goed maakte eer hij zijn bruid winnen kon.

Ten einde Alvi's geestvermogens op de proef te stellen ondervroeg

Thor hem dan in de taal der goden, Vanas, elven en dwergen, slim zijn

onderzoek voortzettend tot zonsopgang, toen de eerste lichtstraal, op

den ongelukkigen dwerg neergestreken, hem deed versteenen. Daar stond

hij, een blijvend voorbeeld van de macht van den god, dat alle andere

dwergen tot waarschuwing kon strekken, als zij de proef durfden nemen.

Nooit in menschen boezem

Vond ik zooveel woorden

Uit den ouden tijd.

U met vlotte slimheid

Heb ik nu bedrogen

Op den grond staat ge; dwerg

Door den dag overrompeld,

Klaar zonlicht vult de hal.

Saemunds Edda.

Sif, de goudharige.

Sif, Thors vrouw, was zeer trotsch op een prachtig hoofd met lang

gouden haar, dat haar van het hoofd tot de voeten als een schitterende

sluier bedekte; en daar zij ook het symbool van de aarde was, zeide

men dat heur haar het lange gras voorstelde, of het gouden graan,

dat de noordelijke oogstvelden bedekte. Thor was zeer trotsch op

het mooie haar van zijn vrouw; verbeeld u dus zijn teleurstelling,

toen hij op zekeren morgen wakker werd en haar geschoren zag en

even kaal en ontsierd als de aarde wanneer het koren in de schuur

gebracht is en enkel de stoppels resten! In zijn toorn sprong Thor

op en bezwoer dat hij hem zou straffen die hem deze beleediging had

aangedaan; onmiddellijk en terecht vermoedde hij dat dit Loki zou

wezen, de aartsschurk die altijd er op uit was om een booze daad

te verrichten. Thor nam zijn hamer en ging Loki zoeken, die den

vertoornden god trachtte te ontwijken door van gedaante te veranderen

maar dit hielp niets, Thor kreeg hem spoedig in zijn macht en greep hem

met niet veel omslag bij den hals en worgde hem bijna eer hij toegaf

aan zijn smeekende gebaren en zijn machtige vuist losliet. Toen hij

adem kon krijgen smeekte Loki om vergiffenis, maar al zijn woorden

waren vergeefsch, totdat hij beloofde Sif een nieuw hoofd met haar

te zullen bezorgen, even mooi als het vorige, en even welig van groei.

Vandaar zal ik brengen nieuw gouden haar

Voor Sif, eer de dag vergleed,

Dat zij lijkt een veld in het vroege jaar

Met zijn bloesembestikte kleed.

De Dwergen (Oehlenschläger).

Toen liet Thor den verrader gaan; dus kroop Loki vlug in het hart der

aarde waar Svart-alfa-heim lag, om den dwerg Dvalin te smeeken niet

alleen het kostbare haar in orde te brengen, maar ook een geschenk

voor Odin en Freya, wier boosheid hij wilde bedwingen.

Zijn verzoek werd goedgunstig ingewilligd en de dwerg maakte de

speer Gungnir, die nooit zijn doel miste, en het schip Skidbladnir,

dat, altijd voortgestuurd door gunstige winden, zoowel door de lucht

als door het water kon varen, en dat verder de wonderbare eigenschap

bezat, dat, ofschoon het al de goden en al hun paarden kon bevatten,

het kon worden opgenomen in de kleinste ruimte en in den zak kon

worden gestoken. Ten slotte spon hij den fijnsten gouden draad,

waaruit hij het haar vervaardigde dat Sif noodig had, en hij zeide,

dat, zoodra het haar hoofd aanraakte, het er vast zou groeien en als

haar eigen haar zou worden.

Nu schijnen zij dood, doch zij raken haar hoofd

En elk haar voelt het leefsap weer gaan,

Door slechtheid noch kunst wordt ooit Sif meer beroofd

Van de lokken die prachtig heur staan.

De Dwergen (Oehlenschläger).

Loki was zóó ingenomen met deze proeven van de kunst der dwergen,

dat hij den zoon van Ivald den handigsten der smeden noemde. Deze

woorden werden opgevangen door Brock, een anderen dwerg, die uitriep

dat zijn broeder Sindri drie voorwerpen kon maken die de andere, nu

in Loki's handen, te boven gingen, niet slechts in innerlijke waarde

maar ook in tooverkracht. Loki daagde onmiddellijk den dwerg uit,

zijn kunstvaardigheid te toonen, zijn hoofd verweddend tegen dat van

Brock na afloop van de onderneming.

Toen Sindri de weddenschap hoorde nam hij Brocks aanbod om den

blaasbalg te blazen aan, waarschuwde hem echter dat hij steeds

moest doorwerken en geen oogenblik vertragen als hij wilde dat hij

zou slagen, daarop wierp hij wat goud in het vuur en ging de gunst

verzoeken van de verborgen machten. Tijdens zijn afwezigheid hanteerde

Brock ijverig den blaasbalg, terwijl Loki, in de hoop hem te doen

ophouden, zich in een paardenvlieg veranderde en hem hevig in de hand

stak. Trots de pijn bleef de dwerg blazen, en toen Sindri terugkeerde

trok hij uit het vuur een enorm wild zwijn, Gullin-bursti geheeten,

wegens zijn gouden borstels, dat de kracht had licht te verspreiden

als het door de lucht schoot, want het kon door de lucht vliegen met

verwonderlijke snelheid.

Toen kwam uit het vuur, ongeloofelijk schier,

Gullinbörst, het goudharig wild zwijn,

Dat zou worden de bode des zonnegods,

Vast het eerste dat ooit er zou zijn.

De Dwergen, Oehlenschläger.

Toen dit eerste stuk werk klaar was, wierp Sindri nog wat meer goud

op het vuur, en zette zijn broeder weer aan het blazen, terwijl hij

weer op weg ging om tooverhulp te zoeken. Dezen keer stak Loki, nog

als paardenvlieg vermomd, den dwerg in zijn wang; maar in weerwil

van de pijn werkte Brock door, en toen Sindri terugkeerde, trok hij

triomfantelijk uit de vlammen den tooverring Draupnir, het zinnebeeld

van vruchtbaarheid, waarvan elken negenden nacht acht gelijke ringen

afvielen.

Zij werkten en smeedden met wonder talent

Tot de wondere kracht hij ontving,

Dat er afvielen iederen negenden nacht

Acht stuks van d' oorspronk'lijken ring.

De Dwergen, Oehlenschläger.

Nu werd een brok ijzer in de vlammen geworpen, en met vernieuwde

oplettendheid dat hun welslagen niet door gebrek aan zorg zou bedorven

worden, ging Sindri weg en liet Brock als te voren den blaasbalg

hanteeren. Loki was nu in wanhoop en bereidde zich voor tot een laatste

poging. Nu, nog in de gedaante van een paardenvlieg, stak hij den dwerg

boven het oog, totdat het bloed in zulk een stroom begon te vloeien,

dat het hem belette te zien wat hij deed. Snel hief Brock zijn hand op,

een seconde maar, en wischte den bloedstroom weg; maar hoe kort de

stoornis ook was, zij bewerkte onherstelbaar letsel, en toen Sindri

zijn werk uit het vuur trok, uitte hij een kreet van teleurstelling

want de hamer, dien hij had gemaakt, was te kort van handvat.

En de dwerg hief uit pijn zijn hand op naar 't oog,

Voor het ijzer gesmeed was dit keer,

En hij merkte: het heft was een duim slechts te kort,

Maar verand'ren kon hij 't niet meer.

De Dwergen, Oehlenschläger.

Trots de mislukking was Brock er zeker van dat hij de weddingschap zou

winnen, en hij aarzelde niet naar de goden in Asgard te gaan, waar

hij Odin den ring Draupnir gaf, Frey het wild zwijn Gullin-Bursti,

en Thor den hamer Miölnir, welks macht niemand kon weerstaan.

Loki gaf op zijn beurt de speer Gungnir aan Odin, het schip

Skidbladnir aan Frey, en het gouden haar aan Thor; maar ofschoon dit

laatste onmiddellijk ging groeien op Sif's hoofd en men eenstemmig

verklaarde dat het schooner was dan hare eigen lokken ooit geweest

waren, beslisten de goden dat Brock de weddingschap had gewonnen op

grond dat de hamer Miölnir, in Thors handen, onschatbaar zou blijken

tegen de vorstreuzen op den laatsten dag.

En aan hun hoofd kwam Thor,

Beurend zijn hamer, dien de reuzen kenden.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Om zijn hoofd te redden, vluchtte Loki hals over kop, maar werd

ingehaald door Thor die hem terugbracht en aan Brock gaf, met de

woorden echter, dat, ofschoon Loki's hoofd hem rechtens toekwam, hij

zijn hals niet moest aanraken. Dus in zijn volledige wraakoefening

belemmerd, besloot de dwerg Loki te straffen door zijn lippen samen

te naaien, en daar zijn zwaard ze niet kon doorboren, leende hij tot

dit doel zijns broeders els. Loki echter, na een poosje den spot der

goden stilzwijgend verdragen te hebben, deed zijn best den draad door

te krijgen en was spoedig weer even spraakzaam als ooit.

In weerwil van zijn geweldigen hamer werd Thor niet gevreesd als de

booze god van den storm, die vredige woningen vernielde en den oogst

vernietigde door plotselinge hagelslagen en wolkbreuken. De Noormannen

geloofden dat hij dien enkel blies tegen ijsreuzen en rotsmuren, deze

laatste vergruizend om de aarde vruchtbaar te maken en te zorgen dat

zij een rijken oogst zou schenken aan de landbouwers.

In Duitschland, waar de oostelijke stormen altijd koud en verwoestend

zijn, terwijl de westelijke warme regens en zacht weer brengen,

geloofde men dat Thor altijd van het Westen naar het Oosten reisde

om de booze geesten te bestrijden die het land gaarne zouden hebben

gewikkeld in ondoordringbare nevelsluiers en ze in ijsboeien hebben

vastgelegd.

Thors Reis naar Jötun-heim.

Daar de reuzen van Jötun-heim voortdurend koude winden zonden om de

teedere knoppen te kwetsen en den groei der bloemen te belemmeren,

besloot Thor nog eens op het pad te gaan en hen tot beterschap te

dwingen. Vergezeld door Loki ging hij uit in zijn wagen, en na een

geheelen dag te hebben gereden kwamen de goden bij het vallen van

den avond aan de grenzen van de wereld der reuzen, waar zij in een

boerenhut, die zij ontdekten, besloten te toeven om er te rusten en

zich te verfrisschen.

Hun gastheer was gastvrij maar heel arm, en Thor, ziende dat hij

ternauwernood het noodige voedsel zou kunnen verschaffen om zijn

geenszins kleinen eetlust te bevredigen, slachtte zijn beide geiten,

die hij kookte en toebereidde, waarna hij zijn gastheer en diens

familie uitnoodigde vrijelijk mee te eten van de dus verstrekte spijs,

terwijl hij hen echter waarschuwde al de beenderen, zonder ze te

breken, in de huiden van de geiten te werpen die hij op den vloer

had uitgespreid.

De boer en zijn gezin aten met graagte, maar zijn zoon Thialfi,

aangemoedigd door den boozen Loki, waagde een van de beenderen te

breken en het merg uit te zuigen, denkende dat zijn ongehoorzaamheid

niet zou worden ontdekt. Den volgenden morgen echter sloeg Thor, die

tot zijn vertrek gereed was, de geitenhuiden met zijn hamer Miölnir,

en onmiddellijk sprongen de geiten even levend als te voren op,

behalve dat een wat lam scheen. Bespeurend dat men zijn geboden

niet gehoorzaamd had, wilde Thor in zijn boosheid de heele familie

vermoorden. De schuldige bekende echter en de boer bood aan, om het

verlies goed te maken, den toornigen god niet alleen zijn zoon Thialfi,

maar ook zijn dochter Roskva te geven, om hem voor goed te dienen.

Thor droeg den man op goed te zorgen voor de geiten die hij daarachter

liet totdat hij terugkwam, en beval de jonge boeren hem te vergezellen;

daarop ging hij met Loki te voet verder, en, na den geheel en dag

gezworven te hebben, bereikte hij bij het vallen van den avond een

koud en kaal land, dat in bijna ondoordringbaren nevel was gehuld. Na

eenigen tijd te hebben gezocht zag Thor door den mist de vage omtrekken

van wat uitzag als een vreemd gevormd huis. Het open portaal daarvan

was zóó ruim en hoog dat het den geheelen eenen kant van het huis

scheen te beslaan. Toen zij er binnentraden en er vuur nog licht

vonden, wierpen Thor en zijn makkers zich moe op den vloer om te

slapen, maar werden spoedig ontrust door een eigenaardig gedruisch, en

een langdurig beven van den grond onder hen. Vreezend dat het geheele

dak gedurende deze aardbeving zou neervallen, vluchtten Thor en zijn

makkers in een vleugel van het gebouw, waar zij weldra in diepen slaap

vielen. Toen de dag aanbrak, gingen de god en zijn makkers naar buiten,

maar zij waren nauwelijks op weg of zij zagen dat een reus lag te

slapen en ontdekten dat de eigenaardige geluiden, die hun rust hadden

gestoord, teweeggebracht werden door zijn gesnork. Op dat oogenblik

werd de reus wakker, stond op, rekte zich uit, keek rond naar zijn

eigendom dat hij kwijt was, en nam een seconde later het ding op dat

Thor en zijn gezellen in het donker ten onrechte voor een huis hadden

gehouden. Toen bespeurden zij met verbazing dat dit niets anders was

dan een groote handschoen en dat de vleugel waarin zij allen hadden

geslapen de afgezonderde plaats was voor den grooten duim van den

reus! Vernemend dat Thor en zijn makkers op weg waren naar Utgard,

zooals het gebied der reuzen ook heette, stelde Skrymir, de reus,

voor hun gids te zijn; en na den geheelen dag met hen te hebben

gewandeld, bracht hij hen, toen de avond viel, op een plaats, waar

hij hen voorstelde te rusten. Maar eer hij ging liggen bood hij hun de

proviand in zijn knapzak aan. Maar trots hun ingespannen poging konden

noch Thor noch zijn makkers de knoopen losmaken die Skrymir had gelegd.

Skrymir riemen

Schenen te hard

Toen gij het voedsel niet krijgen kondet,

Toen gij, gezond, van honger stierft.

Saemunds Edda.

Utgard-Loki.

Boos over zijn gesnork, dat hem wakker hield, deelde Thor hem driemaal

geweldige slagen toe met zijn hamer. Deze slagen, echter, in plaats van

het monster te vernietigen, hadden niet meer uitwerking op den slapende

dan wanneer een stukje boomschors of een takje van een vogelnest boven

op zijn gezicht was gevallen. Vroeg in den morgen verliet Skrymir

Thor en zijn makkers, en wees hun den kortsten weg naar Utgard-Loki's

kasteel, dat van groote ijsblokken gebouwd was, met hooge schitterende

ijskegels als pilaren. De goden slopen tusschen de sluitboomen van

de groote poort door en gingen moedig naar den koning der reuzen,

Utgard-Loki, die hen herkende en dadelijk beweerde heel verwonderd

te zijn over hun kleine gestalte, en den wensch uitdrukte te zien

wat zij wel konden, daar hij dikwijls hun wakkerheid had hooren roemen.

Loki, die langer had gevast dan hij wenschte, zei onmiddellijk dat hij

bereid was met wien dan ook een wedstrijd te houden in het eten. Dus

liet de koning een grooten houten trog vol vleesch in de hal brengen,

en zette Loki aan den eenen kant en zijn kok Logi aan den anderen,

en beval hun te laten zien wie het zou winnen. Ofschoon Loki wonderen

deed en weldra het midden van den trog bereikte, bespeurde hij dat,

terwijl hij zelf de beenderen had schoongekluifd, zijn tegenpartij

die beenderen had verslonden mét den trog.

Utgard-Loki glimlachte verachtelijk en zei dat zij blijkbaar in

het eten niet heel sterk waren, en dit prikkelde Thor zoo, dat

hij verklaarde dat, indien Loki niet kon eten als de gulzige kok,

hij stellig het grootste vat in huis zou kunnen leegdrinken, zoo

onleschbaar was zijn dorst. Onmiddellijk werd een horen binnengebracht,

en Utgard-Loki zeide dat goede drinkers dien in een teug leegden, matig

dorstige personen in twee teugen en kleine drinkers in drie. Thor zette

nu zijn lippen aan den rand, maar ofschoon hij een zóó diepe teug nam

dat hij dacht te barsten, kwam het vocht nog bijna aan den rand toen

hij zijn hoofd ophief. Een tweede en derde poging om dezen horen te

ledigen bleek al even weinig succes te hebben. Thialfi stelde toen

een wedloop voor, maar een jonge kerel, Hugi geheeten, die het tegen

hem opnam, kwam hem weldra voorbij, ofschoon Thialfi heel vlug liep.

Thor stelde vervolgens voor zijn kracht te toonen door gewichten op

te tillen, en werd uitgedaagd de kat van den reus op te nemen. Hij

nam een kans te baat om zijn gordel Megin-giörd, die zijn kracht in

hooge mate vermeerderde, vast te maken en trok toen en deed zijn best,

maar kon enkel een harer poten van den vloer oplichten.

Sterk is Thor, buiten kijf, als Megin-garder

Hij dicht sluit om zijn rotsge lend'nen heen.

Vikingverhalen van het noorden (R. B. Anderson).

Een laatste poging van zijn kant om te worstelen met Udgard-Loki's

oude voedster Elli, de eenige partij die men een zoo nietigen kerel

waardig keurde, eindigde even ongelukkig, en toen de goden bekenden,

dat zij verslagen waren, werden zij gastvrij onthaald. Den volgenden

morgen werden zij begeleid tot de grenzen van Utgard, waar de reus

hun beleefd te kennen gaf dat hij hoopte dat zij nooit meer hem

zouden uitdagen, daar hij genoodzaakt was geweest toovermacht tegen

hen te gebruiken. Hij vertelde toen dat hij de reus Skrymir was, en

dat, had hij de voorzorg niet genomen een berg te zetten tusschen

zijn hoofd en Thors slagen, terwijl hij schijnbaar lag te slapen,

hij gedood zou zijn, evenals diepe kloven in de berghelling, waarop

hij wees, getuigden van de kracht van den God. Verder deelde hij

mede dat Loki's tegenpartij Logi was (wild vuur); dat Thialfi een

wedloop had gehouden met Hugi (gedachte), den allersnelsten looper;

dat Thors drinkhoren was verbonden met den oceaan, waar zijn diepe teug

een aanmerkelijke ebbe had veroorzaakt, dat de kat in werkelijkheid

de verschrikkelijke Midgardslang was die de wereld omgordt, welke

Thor bijna uit de zee had getrokken; en dat Elli, zijn voedster,

de ouderdom was die niemand kon weerstaan. Toen hij deze woorden

geëindigd had en hen had gewaarschuwd nooit weer terug te keeren,

of hij zou zich zelf verdedigen door gelijke toovenarijen, verdween

Utgard-Loki, en ofschoon Thor vertoornd zijn hamer zwaaide en zijn

kasteel had willen verbrijzelen, omhulde dit een nevel zoo dicht

dat het niet zichtbaar was, en de dondergod was genoodzaakt terug te

keeren naar Trud-vang zonder dat hij zijn bedoelde heilzame les aan

het geslacht der reuzen gegeven had.

En zwaar gewapend ging

Wel dikwijls Thor den weg naar Jötun-heim

Maar trots zijn gordel, trots zijn stalen mantel

Zit steeds nog Udgard-Loki op zijn troon,

Kwaad, zelf en kracht, gaat voor geen kracht op zij.

Vikingverhalen van het noorden (R. B. Anderson).

Thor en Hrungnir.

Odin zelf ijlde eens door de lucht op z'n achtpootig paard Sleipnir,

toen hij de aandacht trok van den reus Hrungnir die een wedloop

voorstelde, zeggende dat Gullfaxi zijn paard Sleipnir in snelheid

evenaarde. In de hitte van den strijd merkte Hrungnir de richting

niet waarin zij gingen, totdat, in de ijdele verwachting dat hij

Odin zou inhalen, hij zijn paard voortdreef tot de poorten van het

Valhalla. Toen hij ontdekte waar hij was, werd de reus bleek van angst,

want hij wist dat hij zijn leven op het spel had gezet door zich in

de burcht van de goden, zijn erfvijanden, te wagen.

De Aesir echter stonden te hoog om zelfs bij een vijand van tegenspoed

te profiteeren, en in plaats van hem kwaad te doen, noodigden zij hem

in hun eethallen, waar hij flink begon te drinken van de hemelsche mee

die voor hem werd neergezet. Hij werd al spoedig zóó opgewonden dat hij

zich op zijn macht begon te beroepen en verklaarde dat hij eens zou

komen en Asgard in bezit nemen, dat hij met de goden samen vernielen

zou, behalve Freya en Sif, naar wie hij met bewonderenden blik keek.

De goden die wisten dat hij niet toerekenbaar was, lieten hem

ongehinderd doorpraten, maar Thor, die toen juist van een zijner

reizen thuis kwam en die zijn dreigement hoorde, dat hij de beminde

Sif zou weghalen, werd vreeselijk woedend. Hij zwaaide razend zijn

hamer met het doel den grootspreker te vernietigen. Dit wilden de

goden echter niet toestaan en wierpen zich snel tusschen den toornigen

Thor en zijn gast, terwijl zij Thor smeekten de heilige rechten der

gastvrijheid te eeren, en hun vreedzame plaats niet te ontheiligen

door het vergieten van bloed.

Thor werd ten slotte er toe gebracht zijn toorn te breidelen, maar

hij vroeg dat Hrungnir tijd en plaats zou aangeven voor een "holmgang"

zooals een noorsch tweegevecht gewoonlijk werd genoemd. Dus uitgedaagd

beloofde Hrungnir Thor te zullen treffen te Griottunagard, de grenzen

van zijn gebied, drie dagen later, en vertrok wat ontnuchterd door

den schrik, dien hij had gekregen. Toen zijn medereuzen hoorden

hoe onnadenkend hij was geweest, scholden zij hem erg uit; maar

zij overlegden samen hoe het beste te maken van den leelijken

toestand. Hrungnir vertelde hun dat hij het voorrecht mocht hebben

vergezeld te zijn door een krijger met wien Thialfi zou vechten, en

daarom gingen zij een wezen maken uit klei, negen mijlen lang en naar

evenredigheid breed, dat zij Mokerkialfi (nevelwader) noemden. Daar

zij geen menschelijk hart konden vinden dat groot genoeg was om het

in de borst van dit monster te steken, namen zij dat van een merrie,

dat echter van vrees sidderde en beefde. De dag van het tweegevecht

kwam. Hrungnir en zijn krijger wachtten op het terrein de aankomst

van hun respectieve partijen. De reus had niet alleen een steenen hart

en schedel, maar ook een schild en knots van dezelfde stof, en hield

zich daarom bijna voor onoverwinlijk. Thialfi kwam voor zijn meester

en kort daarop was er een heftig gedruisch en geschud waardoor de

reus merkte dat zijn vijand door den grond zou komen en hem van onder

aanvallen. Hij volgde dus een wenk van Thialfi en stond op zijn schild.

Een oogenblik later zag hij echter zijn vergissing, want, terwijl

Thialfi Mokerkialfi aanviel met een spade, kwam Thor plotseling

op het tooneel en wierp zijn hamer vlak naar het hoofd van zijn

tegenpartij. Hrungnir hield, om den slag af te weren, zijn steenen

knots, die in stukken over de aarde vloog en oorzaak werd van al

de keiën welke men er later zou vinden, en een stuk drong diep in

Thors voorhoofd. Toen de god bewusteloos ter aarde viel, kraakte

zijn hamer tegen het hoofd van Hrungnir, die dood naast hem neerviel,

in dier voege dat een zijner zware beenen over den god kwam te liggen.

Gij doet mij denken nu

Hoe ik met Hrungnir vocht,

Dien stoutmoedigen Jötun,

Wiens hoofd was gansch van steen;

Toch deed ik hem vallen

En voor mij tuim'len.

Saemunds Edda.

Thialfi die intusschen had afgerekend met den grooten reus van klei

met zijn laf merriehart, ijlde nu zijn meester te hulp, maar zijn

pogingen waren vruchteloos, en ook konden de andere goden, die hij

snel te hulp riep, het belemmerende been niet oplichten. Toen zij

daar stonden, zich hulpeloos verbazend wat zij verder zouden doen,

kwam Thors zoontje, Magni, aan. Volgens verschillende berichten was

hij toen slechts drie dagen of drie jaar oud, maar hij greep snel

den voet van den reus, en, zonder dat iemand hem hielp, bevrijdde hij

zijn vader, zeggend dat indien men hem slechts eerder had geroepen hij

met beiden, reus en krijger, zou hebben afgerekend. Deze openbaring

van kracht verbaasde de goden zeer, en deed hun de waarheid merken

van de verschillende voorspellingen, die alle verklaarden dat hun

afstammelingen machtiger zouden zijn dan zij, hen zouden overleven en

op hun beurt over den nieuwen hemel en de nieuwe aarde zouden regeeren.

Om zijn zoon te beloonen voor zijn tijdige hulp gaf Thor hem het ros

Gullfaxi (goud-manig), dat hem krachtens recht van buitmaking toekwam,

en Magni reed voortaan steeds op dit wonderbare paard, dat bijna den

beroemden Sleipnir evenaarde in snelheid en weerstandsvermogen.

Groa, de toovenares.

Na een vergeefsch pogen om den steensplinter uit zijn voorhoofd te

verwijderen, keerde Thor bedroefd naar Thrud-vang terug, waar Sifs

liefderijke pogingen even weinig succes hadden. Zij besloot dus

om Groa (groenmaakster) te zenden, een toovenares, beroemd om hare

bedrevenheid in de geneeskunst en om de kracht harer tooverformulen

en bezweringen. Groa verklaarde zich dadelijk bereid alles wat in haar

vermogen was te doen om den god te helpen, die zoo vaak haar terwille

was geweest, en begon plechtig voor te dragen machtige runen, onder

welker invloed Thor den steen losser en losser voelde worden. Zijn

vreugde bij het uitzicht op een spoedige verlossing deed Thor wenschen

de toovenares direct te beloonen, en wetend dat niets grooter genot kon

geven aan een moeder dan het uitzicht een langverloren kind terug te

zien, ging hij haar vertellen dat hij pas den Elivagar of ijsstroom had

overgestoken, om haar zoontje Orvandil (zaad) uit de wreede macht der

reuzen te bevrijden, en dat hij er in geslaagd was hem in een mandje

mee te voeren. Maar daar de kleine ondeugd volhield een van zijn

bloote teenen door een gat in de mand te steken, was deze bevroren,

en Thor brak hem toevallig af en wierp hem in de lucht, waar hij als

een ster zou schijnen, in het Noorden als "Orvandils Teen" bekend.

Verheugd bij dit nieuws hield de profetes met hare bezweringen op

om haar blijdschap uit te drukken, maar daar zij juist vergeten was

waar zij was gebleven, kon zij haar betoovering niet voortzetten

en de keisteen bleef in Thors voorhoofd zitten waar hij nimmer kon

worden uitgehaald.

Daar Thors hamer hem altijd zulke goede diensten bewees werd deze het

meest van alles wat hij had geprezen, en groot was zijn teleurstelling

toen hij op zekeren morgen wakker werd en de hamer weg bleek. Zijn

kreet van toorn en teleurstelling riep Loki weldra aan zijn zijde

en hem vertrouwde Thor het geheim van zijn verlies toe, zeggende dat

als de reuzen er achter kwamen zij weldra Asgard zouden trachten te

bestormen en de goden te vernielen.

Toornig werd Thor, ontwaakt nu weer,

En vond zijn trouwe knots niet meer,

Hij fronsde 't hoofd, hij streek zijn baard,

Toen keek rondom de zoon der aard,

En daar hij sprak dit woord vóór al:

"Nu luister wat 'k u zeggen zal,

Wat god noch mensch weet, leer ik u:

Weg is mijn knots, wat moet ik nu?"

Thryms Quida.

Thor en Thrym.

Loki zeide dat hij zijn best zou doen om den dief te ontdekken en den

hamer terug te vinden, als Freya hem haar valkenveeren wilde leenen,

en hij haastte zich onmiddellijk naar Folkvang om ze te vragen. Zijn

reis had succes, en in de gestalte van een vogel vloog hij toen over

de rivier Ifing en over de kale uitgestrektheid van Jötun-heim,

waar hij vermoedde dat de dief zich ophield. Daar zag hij Thrym,

heer der vorstreuzen en god van den verwoestenden donder, alleen aan

een heuvelhelling zitten. Hem listig uitvragend, kwam hij spoedig te

weten dat Thrym den hamer had gestolen en hem diep onder den grond

begraven had. Bovendien merkte hij dat er weinig kans was hem terug

te krijgen tenzij Freya hem gebracht werd als een vogel uitgedost.

Ik houd des Dond'rers knots bewaard

Acht meters diep beneden d' aard;

Geen is er die mij hem zal ontstelen

Als hij Freya niet brengt om mijn bed te deelen.

Thryms Quida.

Verontwaardigd over de laatdunkendheid van den reus, keerde Loki terug

naar Thrud-vang, maar Thor meende dat het goed zou zijn Freya op te

zoeken en te trachten haar over te halen dat zij zich zou opofferen ten

algemeenen nutte. Maar toen de Aesir de godin der schoonheid vertelde

wat hij van haar wilde, werd zij zóó woedend dat haar halsketting

barstte. Zij zeide hem dat zij nooit haren geliefden echtgenoot zou

verlaten voor welken god ook, veel minder een afschuwelijken reus huwen

en in Jötun-heim wonen, waar alles uiterst somber was, en waar zij

spoedig zou sterven aan heimwee naar de groene velden en de bloemrijke

weiden, waarin zij zoo gaarne rondzwierf. Ziende dat verdere overreding

vruchteloos zou zijn, keerden Loki en Thor huiswaarts en overlegden

er een ander plan om den hamer terug te krijgen. Op Heimdall's raad,

die echter slechts met grooten tegenzin werd aangenomen, leende Thor de

kleeren van Freya en haar halsketting, trok deze aan en wikkelde zich

in een dichten sluier. Nadat Loki zich als een kamenier had vermomd,

steeg hij met hem in den wagen, met geiten bespannen, en het vreemd

uitgedoste paar vertrok naar Jötun-heim, waar zij de respectieve

rollen zouden spelen van de godin der schoonheid en hare dienstbare.

Naar huis gedreven

Werden de geiten,

Gespannen voor de kar;

Vlug moest het gaan--

De bergen dreunden,

De aarde stond in vlam;

Odins zoon

Reed naar Jötun-heim.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Thrym heette zijn gasten welkom aan de deur van het paleis, zeer

verheugd bij de gedachte, dat hij weldra in het volle bezit zou

zijn van de godin der schoonheid, naar wie hij lang te vergeefs

had gezucht. Hij voerde hen vlug naar de eetzaal, waar Thor,

de uitverkoren bruid, zich onderscheidde door een os op te eten,

acht groote zalmen, en al de koeken en zoetigheden die voor de

vrouwen bestemd waren, terwijl hij deze verschillende gerechten

wegspoelde met den inhoud van twee vaten mee. De reus-bruidegom

sloeg deze gastronomische daden gade met verwondering, waarop Loki,

om hem gerust te stellen, vertrouwelijk fluisterde dat de bruid zóó

verliefd op hem was, dat zij in meer dan acht dagen niet in staat

was geweest een bete te nuttigen. Thrym trachtte toen de bruid

te kussen, maar week terug, ontsteld door het vuur van haar blik,

dien Loki uitlegde als een brandenden liefdeblik. Op de zuster van

den reus, die om de gewone geschenken vroeg, werd niet eens gelet;

daarom fluisterde Loki den verbaasden Thrym weer toe dat liefde

de menschen afgetrokken maakt. Opgewonden door hartstocht en mee,

die ook hij in groote hoeveelheden had gedronken, beval de bruidegom

zijn dienaren nu den heiligen hamer te brengen ten einde het huwelijk

in te zegenen, en zoodra hij er was legde hij hem in den vermeenden

schoot van Freya. Dadelijk greep een sterke hand het korte handvat,

en weldra werden de reus, zijn zuster, en al de genoodigde gasten

verslagen door den vreeslijken Thor.

"Haal nu den hamer, breng hem der maagd

En leg hem neer op den schoot der vrouw",

De Dond'rer lacht, stil verblijd,

Toen de hamer werd op zijn schoot geleid,

Eerst bracht hij Thrym, den koning, om,

En verder al de reuzen rondom.

Thryms Quida.

Een rookende puinhoop achterlatend reden de goden toen snel naar Asgard

terug, waar de geleende kleederen aan Freya werden teruggegeven,

zeer tot verlichting van Thor, en de Aesir zich verheugde over de

ontdekking van den kostbaren hamer. Toen later Odin keek naar dien

kant van Jötun-heim van zijn troon Hlidskialf, zag hij de ruïnen bedekt

met teedere groene spruiten, want Thor had, na zijn vijand overwonnen

te hebben, zijn land in bezit genomen, dat voortaan niet langer kaal

en woest zou blijven maar in overvloed vrucht voortbrengen zou.

Thor en Geirrod.

Loki leende eens Freya's valkengewaad en vloog uit op zoek van

avonturen naar een anderen kant van Jötun-heim, waar hij ging

zitten boven op den gevel van Geirrods huis. Hij trok al spoedig de

aandacht van dezen reus, die een van zijn knechten beval den vogel

te vangen. Loki had vermaak in de onhandige pogingen van den man om

hem te pakken en vloog van plaats tot plaats, zich enkel bewegend

juist wanneer de reus op het punt was hem te grijpen, toen hij zich

vergiste in den afstand en hij plotseling merkte dat hij gevangen was.

Aangetrokken door de schitterende oogen van den vogel keek Geirrod

er oplettend naar en besloot dat het een god was in vermomming,

en toen hij zag dat hij hem niet tot spreken kon dwingen, sloot hij

hem in een kooi, waar hij hem drie heele maanden hield zonder spijs

of drank. Ten slotte door honger en dorst genoopt vertelde Loki wie

hij was en herkreeg zijn vrijheid door te beloven dat hij Thor zou

overhalen Geirrod te bezoeken zonder zijn hamer, gordel of magischen

handschoen. Loki vloog toen naar Asgard terug en zei Thor dat hij

koninklijk was onthaald en dat zijn gastheer een sterk verlangen had te

kennen gegeven om den machtigen dondergod te zien, van wien hij zulke

wonderbare verhalen gehoord had. Gevleid door deze listige woorden

stemde Thor toe in een vriendschappelijken tocht naar Jötun-heim,

en de twee goden vertrokken, de drie wapenen thuis latend. Zij

waren nog niet ver gekomen, toen zij het huis bereikten van Grid,

een van Odins vele vrouwen. Toen zij zag dat Thor ongewapend was,

waarschuwde zij hem zich in acht te nemen voor verraad en leende hem

haar eigen gordel, staf en handschoen. Korten tijd daarna verlieten

Thor en Loki haar en kwamen aan de rivier Veimer, die de Donderaar,

het waden gewoon, wilde doorloopen, terwijl hij Loki en Thialfi zich

liet vasthouden aan zijn gordel.

Maar midden in den stroom greep hem een plotselinge wolkbreuk en

vloed; de wateren begonnen te rijzen en te bruischen, en, ofschoon

Thor stevig op zijn staf leunde, werd hij bijna weggezweept door de

kracht van den woedenden stroom.

Was niet, Veimer,

Nu 'k doorwaden u wil

Naar des reuzen land!

Weet als gij wast,

Wast mijn godensterkte

Hoog als de hemelen.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Thor bespeurde nu dat stroomop Geirrods dochter Gialp zich bevond,

en terecht vermoedend dat zij den storm veroorzaakte, nam hij een

zwaren kei en gooide haar daarmee, mompelend dat de beste plaats

om een rivier af te dammen bij haar bron was. Het werptuig had de

bedoelde uitwerking, want de reuzen vluchtten, de wateren vielen,

en Thor, uitgeput maar gered, trok zich op den anderen oever aan een

kleinen struik op, den bergesch of sorbe. Deze staat sedert bekend als

"Thors redding" en verborgen machten worden er aan toegeschreven. Na

een poos rusten hervatten Thor en zijn makkers hun reis; maar toen

zij aan Geirrods huis kwamen was de god zóó uitgeput dat hij moe

neerviel op den eenigen stoel die er was. Maar tot zijn verbazing

voelde hij hem onder zich oprijzen, en, vreezende dat hij tegen de

balken zou verpletterd worden, stiet hij den geleenden staf tegen den

zolder en drukte den stoel met alle macht naar beneden. Toen volgden

een geweldig gekraak, plotselinge kreten en zuchten van pijn; en toen

Thor aan het onderzoeken ging, bleek het dat de dochters van den reus,

Gialp en Greip, onder zijn stoel waren geslopen om hem verraderlijk

te vermoorden, en dat zij een verdiend loon hadden gekregen en beiden

verpletterd waren.

Eens gebruikte ik

Mijn asa-macht

In het reuzenland,

Toen Gialp en Greip

Mij naar boven tilden.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Geirrod verscheen nu en daagde Thor uit tot een proeve van kracht en

handigheid, maar zonder te wachten op een van te voren afgesproken

teeken wierp hij hem met een rood-gloeiende wig. Thor, vlug van

oogen en een ervaren opvanger, ving het werptuig op met den ijzeren

handschoen van de reuzin en sloeg het terug naar zijn tegenpartij. Zóó

groot was de kracht van den god, dat het ding niet alleen heenging door

den pilaar waarachter de reus gevlucht was, maar door hem zelf heen en

door den muur van het huis, en diep in den grond buiten, zich begroef.

Thor ging toen naar het lijk van den reus, dat op den slag van zijn

wapen versteend was, en zette het op een zichtbare plaats, als een

herinnering aan zijn kracht en aan de overwinning, die hij behaald

had op zijn verschrikkelijke vijanden, de bergreuzen.

De vereering van Thor.

Thors naam is gegeven aan vele plaatsen die hij dikwijls bezocht,

zooals de voornaamste haven van de Faroe-eilanden, en aan geslachten

die beweren van hem af te stammen. Hij komt nog voor in namen als

Thunderhill in Surrey, en in de geslachtsnamen Thorburn en Thorwaldsen,

maar is het duidelijkst in den naam van een der dagen van de week,

Thors dag of Thursday (Donderdag).

Over heel d' aard

Is het nog Thors dag.

Sage van koning Olaf (Longfellow).

Thor werd beschouwd als een buitengewoon goede god, en daarom werd

hij in zoo breeden kring gehuldigd en rezen tempels hem ter eere op

in Moeri, Hlader, Godey, Gothland, Upsala en op andere plaatsen, waar

het volk nooit verzuimde hem te smeeken op Yuldag, zijn hoofdfeest,

om een gunstig jaar. Men was gewoon dien dag een groot blok van een

eik, den hem geheiligden boom, te branden, als een zinnebeeld van de

warmte en het licht van den zomer, die zouden verdrijven de duisternis

en de koude van den winter.

Bruiden droegen altijd rood, Thors geliefkoosde kleur, die als

het zinnebeeld van de liefde gold, en om dezelfde reden waren

verlovingsringen in het noorden bijna altijd van een rooden steen

voorzien.

Thors tempels en beelden waren, evenals die van Wodan, uit hout

gemaakt, en het meerendeel er van werd vernield gedurende de regeering

van koning Olaf den Heilige. Volgens oude kronieken dwong deze vorst

zijn onderdanen met geweld Christen te worden. Hij was vooral boos

op de bewoners van een zekere provincie, omdat zij een ruw beeld van

Thor dienden, dat zij met gouden versierselen bedekten, en waarvoor

zij iederen avond voedsel neerzetten, bewerend dat de god het opat,

daar er den volgenden morgen geen spoor meer van over was.

Toen de bevolking werd aangezegd in 1030, dat zij dit beeld moest

verloochenen ten gunste van den waren god, beloofde zij dit te

zullen doen als den volgenden dag de lucht bewolkt was; maar toen

na een heelen nacht, dien Olaf in vurig gebed had doorgebracht, er

een bewolkte dag volgde, zeide het obstinate volk nog niet overtuigd

te zijn van Gods macht, en enkel te zullen gelooven als de zon den

volgenden dag scheen.

Opnieuw bracht Olaf den nacht biddend door, maar, toen de morgen

daagde, was tot zijn groote spijt de lucht bewolkt. Niettemin

verzamelde hij het volk bij Thors standbeeld, en na heimelijk zijn

eersten dienstman te hebben opgedragen het beeld met zijn strijdbijl te

verbrijzelen als het volk een oogenblik de oogen afwendde, begon hij

het toe te spreken. Plotseling, toen allen aan het luisteren waren,

wees Olaf naar den horizon, waar de zon langzaam door de wolken brak,

en riep uit "Zie onzen God!" Het heele volk keerde zich om, om te zien

wat hij bedoelde en de dienstman benutte deze gelegenheid om het beeld

aan te vallen, dat gemakkelijk voor zijn slagen bezweek, en een menigte

muizen en ander ongedierte kwamen haastig uit zijn inwendige, dat hol

was, te voorschijn. Toen de menschen zagen dat het voedsel, door hen

geplaatst voor hun god, was verslonden door schadelijke dieren alleen,

hielden zij op Thor te vereeren, en namen voor goed het geloof aan,

dat koning Olaf hun zoo lang en te vergeefs had willen opdringen.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 12 / 46 题