HOOFDSTUK III: FRIGGA.

De koningin van de goden.

Frigga, of Frigg, dochter van Fiorgyn en zuster van Jörd, volgens

sommige mythologen, wordt door anderen als een dochter van Jörd en

Odin beschouwd, met wien zij later huwde. Dit huwelijk veroorzaakte

zoo algemeene vreugde in Asgard, waar de godin zeer bemind was, dat

het naderhand steeds gewoonte was den trouwdag te vieren met feest

en gezang, en daar de godin als beschermvrouw van het huwelijk gold,

werd op bruiloften altijd op haar gedronken, evenals op Odin en Thor.

Frigga was de godin van de atmosfeer, of liever van de wolken, en

werd als zoodanig voorgesteld in sneeuwwitte of donkere kleeren,

in overeenstemming met haar ietwat veranderlijken aard. Zij was de

koningin der goden, en zij alleen had het voorrecht te mogen zitten

op den troon Hlidskialf, naast haar verheven echtgenoot. Vanhier kon

zij ook de geheele wereld overzien en waarnemen wat gebeurde, en, zoo

geloofden onze voorouders, zij bezat kennis aangaande de toekomst,

die echter niemand van haar te weten kon komen, waardoor zij bewees

dat Noorsche vrouwen een geheim ongeschonden konden bewaren.

De goden zijn mijn kroost,

En al wat komen moet, ik weet het, maar

Besluit het in mij, zeg het niemand ooit.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Zij werd gewoonlijk voorgesteld als een slanke, schoone en statige

vrouw, gekroond met reigerveeren, het symbool van zwijgen en vergeten,

en gedost in zuiver wit gewaad, om het middel vastgehouden door

een gouden gordel, waarvan een bos sleutels afhing, het attribuut

van de Noorsche huismoeder, als wier bijzondere beschermvrouw

zij gold. Ofschoon zij dikwijls naast haren echtgenoot verscheen,

gaf Frigga er de voorkeur aan in haar eigen paleis te blijven, dat

Fensalir heette, de hal der nevelen of de zee, waar zij ijverig bezig

was met haar wiel of spinrokken en waar zij gouden draden spon of

lange webben van kleurige wolken weefde.

Om dit werk goed te doen gebruikte zij een bewonderenswaardig met

juweelen bezet spinnewiel of rokken, dat 's nachts aan den hemel stond

te schitteren als een sterrenbeeld, in het Noorden bekend als Frigga's

spinnewiel, terwijl de bewoners van het Zuiden dezelfde sterren den

Gordel van Orion noemden.

In haar hal Fensalir noodigde de bevallige godin gehuwde mannen en

vrouwen die op aarde een deugdzaam leven hadden geleid, zoodat zij

elkanders gezelschap ook na den dood konden genieten, en nooit weer

tot scheiden werden opgeroepen.

Daar in de pas staat Fensalir, het huis

Van Frea, godenmoeder, zeer geëerd,

Met open poorten, vensters hel verlicht.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Frigga werd daarom beschouwd als de godin van huwelijks- en

moederliefde, en werd in het bijzonder gehuldigd door liefhebbende

echtgenooten en teedere ouders. Maar deze hooge plicht nam niet al

hare gedachten in beslag, want wij hooren dat zij zeer verzot was op

kleeding, en, als zij voor de vergaderde goden verscheen, was haar

dos rijk en voegzaam, en hare juweelen waren gekozen met veel smaak.

Het gestolen goud.

Frigga's liefde tot opschik bracht haar eens droevig van het spoor,

want daar zij een nieuw versiersel wilde hebben, ontvreemdde zij

heimelijk een stuk goud van een standbeeld dat haren echtgenoot

voorstelde, en dat juist in zijn tempel was gezet. Het gestolen

metaal werd aan de dwergen toevertrouwd, met opdracht een prachtigen

halsketting voor haar gebruik te maken. Toen deze af was, was hij zoo

schitterend dat hij sterk hare bekoorlijkheid verhoogde, en ook Odin's

liefde jegens haar deed toenemen. Maar toen hij den diefstal van het

goud ontdekte, riep hij vertoornd de dwergen en beval hen te zeggen wie

zijn standbeeld had durven aanraken. Daar zij de koningin der goden

niet wilden verraden, bleven de dwergen hardnekkig zwijgen, en toen

Odin zag dat hij geen woord uit hen krijgen kon, beval Odin dat het

beeld boven de tempelpoort zou worden gezet en ging aan het uitdenken

van runen, die het vermogen tot spreken zouden geven zoodat het den

dief zou kunnen aanwijzen. Toen Frigga dit hoorde beefde zij van

angst, en smeekte haar gunstelinge en dienstmaagd, Fulla, een middel

te verzinnen om haar voor Alvader's boosheid te beschermen. Fulla die

altijd bereid was om hare meesteres te dienen, vertrok onmiddellijk

en kwam weldra terug, vergezeld door een afschuwelijken dwerg,

die beloofde te zullen voorkomen dat het beeld zou spreken als

Frigga slechts vriendelijk tegen hem zou glimlachen. Toen dit was

toegestaan haastte zich de dwerg naar den tempel en deed een diepen

slaap neerdalen op de wachten, en toen zij dus in onbewusten toestand

verkeerden, haalde hij het beeld van zijn voetstuk neer en brak het

in stukken, zoodat het nooit Frigga's diefstal verraden kon, trots

al de pogingen van Odin om het te laten spreken.

Toen Odin 's morgens daarop deze schennis ontdekte, was hij werkelijk

zeer boos; zóó boos dat hij Asgard verliet en geheel en al verdween,

met zich nemend al de zegeningen die hij tot nu toe steeds op goden en

menschen had doen neerdalen. Volgens sommigen trokken zijn broeders,

zooals wij reeds gezien hebben, partij van zijn afwezigheid om zijn

gedaante aan te nemen en beslag te leggen op zijn troon en zijn vrouw;

maar ofschoon zij volkomen op hem geleken konden zij de verloren

zegeningen niet teruggeven, en stonden de IJsreuzen of Jötuns toe de

aarde te overvallen en ze in hun koude boeien vast te binden. Deze

boosaardige reuzen knepen de bladeren en knoppen totdat ze geheel

verdorden, stroopten de boomen kaal, wikkelden de aarde in een wit

laken en hulden ze in ondoordringbare nevelen.

Maar aan het einde van zeven vervelende maanden gaf de ware Odin toe

en kwam terug en toen hij al het kwaad zag dat gedaan was, joeg hij de

overweldigers weg, dwong de vorstreuzen de aarde los te laten en haar

uit haar ijsboeien te bevrijden en deed weer al zijn zegeningen op haar

neerdalen, terwijl hij ze blij maakte met het licht van zijn glimlach.

Odin verschalkt.

Zooals wij reeds zagen was Odin, ofschoon de god van verstand en

wijsheid, geen partuur voor zijn vrouw Frigga, die als vrouw op een of

andere manier steeds haar zin wist te krijgen. Eens zat het verheven

paar op Hlidskialf en keek met belangstelling naar de Winilers en

Vandalen, die zich tot een gevecht toerustten, dat beslissen zou welk

volk van nu af aan de oppermacht zou hebben. Odin zag met voldoening

op de Vandalen neer, die luid tot hem baden om de overwinning; maar

Frigga lette op de bewegingen der Winilers met meer belangstelling,

omdat zij haar hulp hadden ingeroepen. Zoo wendde zij zich tot Odin

en vroeg hem met nadruk wie hij den volgenden dag zou begunstigen;

hij, op haar vraag niet willende antwoorden, verklaarde dat hij niet

wilde beslissen, daar het bedtijd was, maar dat hij de zege zou geven

aan hen op wie zijn oogen het eerst 's ochtends zouden rusten.

Dit antwoord was sluw berekend, want Odin wist dat zijn bed zóó stond

dat hij bij zijn ontwaken de Vandalen zou zien, en was van plan vandaar

te kijken, in plaats van te wachten totdat hij zijn troon beklommen

had. Maar, ofschoon zoo sluw overlegd, werd dit plan verijdeld door

Frigga, die, zijn opzet radend, wachtte totdat hij in diepen slaap

was, en toen stil zijn bed omdraaide zoodat hij haar gunstelingen

zou zien. Toen boodschapte zij den Winilers dat zij hunne vrouwen

hun wapenrustingen zouden aandoen en haar als de dageraad aanbrak in

krijgsdos zouden uitsturen, hare lange haren zorgvuldig over wangen

en boezem gekamd.

Neemt al uw vrouwen mee,

Jongen en ouden:

Over uw enkels

Trek aan het wit strijdkleed;

Over uw boezem

Snoer vaster het harnas;

Over uw lippen

Vlecht tressen tot knevels,

Zoo houdt u vorst Odin

Voor baardige krijgers,

Als van 't grauwe zeestrand

Gij groet hem te morgen.

De Longobarden-Sage (Charles Kingsley).

Deze bevelen werden uitgevoerd met angstvallige nauwkeurigheid,

en toen Odin den volgenden morgen wakker werd viel zijn eerste

blik op de gewapende schaar en hij riep in verwondering uit, "Wat

Langbaarden zijn dit?" (In het Duitsch was het oude woord voor lange

baarden Longobarden, met welken naam men de Lombarden placht aan te

duiden). Toen Frigga dezen uitroep hoorde, dien zij had voorzien,

riep zij onmiddellijk in triomf uit, dat Alvader hun een nieuwen

naam had gegeven, en dat hij dus door zijn eer gehouden was het oud

Noorsch gebruik te volgen en hun ook een doopgeschenk te geven.

De naam die gij schonkt hun

Eert hen en u zelven,

Goed is hij en passend.

Geef hun de zegepraal,

Die 't eerst u begroetten;

Geef hun de zegepraal,

Vriend van mijn ziel.

De Longobarden-Sage (Charles Kingsley).

Toen Odin zag dat hij zoo handig misleid was, talmde hij niet, en ter

herinnering aan de overwinning die zijn gunst hun schonk behielden de

Winilers den naam, hun door den koning der goden gegeven, die voortaan

met bijzondere zorg over hen waakte, en hun vele zegeningen gaf,

onder andere een woonplaats in het zonnige Zuiden, in de vruchtbare

vlakten van Lombardije.

Fulla.

Frigga had, tot haren specialen dienst, een aantal schoone meisjes,

onder welke Fulla, (Volla), hare zuster, volgens sommige bronnen,

aan wie zij haar juweelkistje toevertrouwde. Fulla had steeds het

toezicht over het toilet van hare meesteres, had het voorrecht haar

hare gouden schoenen te mogen aandoen, vergezelde haar overal heen,

was haar vertrouwde, en gaf haar dikwijls raad hoe zij het best

de stervelingen kon helpen die haar hulp afsmeekten. Fulla was

inderdaad zeer schoon, en haar lange gouden haar, dat zij los had

hangen over hare schouders, had zij enkel met een gouden ring of

doek opgebonden. Zooals heur haar het gouden graan voorstelde, zoo

beteekende de ring den band om de schoof. Fulla was ook bekend als

Abundia of Abundantia, in sommige deelen van Duitschland, waar zij

beschouwd werd als het symbool van de vruchtbaarheid der aarde.

Hlin, Frigga's tweede dienstbode, was de godin der vertroosting,

uitgezonden om de tranen van weenenden weg te kussen en balsem te

gieten in harten die door smart waren verscheurd. Zij luisterde ook

met altijd geopende ooren naar de gebeden der stervelingen, bracht

die gebeden naar hare meesteres, en ried haar soms hoe er het best

op te antwoorden en den verlangden steun te schenken.

Gna.

Gna was Frigga's snelle bodinne. Op haar paard Hofvarpnir (hoefwerper)

gezeten, reed zij met verwonderlijke snelheid door vuur en lucht,

over land en zee, en werd daarom beschouwd als de verpersoonlijking

van den verfrisschenden wind. Zoo àf en aan vliegend zag Gna alles wat

op aarde gebeurde en vertelde haar meesteres alles wat zij wist. Bij

zekere gelegenheid, toen zij over Hunaland ging, zag zij koning Rerir,

een rechtstreekschen afstammeling van Odin, bedroefd aan het strand

zittend, er over klagend dat hij geen kinderen had. De godin van den

hemel, die ook de godin was van de geboorte, nam, toen zij dit hoorde,

een appel (het symbool van de vruchtbaarheid) uit haar eigen voorraad,

gaf dien aan Gna, en, beval haar hem aan den koning te brengen. Met

de snelheid van het element dat zij personifieerde schoot Gna weg,

en toen zij over Rerir's hoofd kwam, liet zij haar appel in zijn

schoot vallen met een stralenden glimlach.

"Wie vliegt daar op, jagend zoo snel als wind?"

Zij antwoordt als in vaart ver uit de lucht:

"Ik vlieg noch jaag, ik storm, geen die mij bindt,

Hoefwerper snel, door wolk en mist gevlucht."

Asgard en de goden (Wagner-Macdowall).

De koning dacht een oogenblik na over de beteekenis van deze

plotselinge verschijning en van dit geschenk, en snelde toen naar

huis, terwijl zijn hart van verwachting klopte, en gaf den appel

aan zijn vrouw te eten. Tot zijn groote vreugde schonk zij hem, toen

haar tijd was gekomen, een zoon, Volsung, den grooten Noorschen held,

die zoo beroemd werd dat hij zijn naam gaf aan zijn geheele ras.

Lofn, Vjofn en Syn.

Behalve de drie bovengenoemd had Frigga nog andere dienaressen in

haar gevolg. Zoo was er de teedere en bevallige maagd Lofn (hoop of

liefde), die tot taak had alle hinderpalen van het pad van minnenden

weg te nemen.

Mijn lelie slank van haar zadel tillend

Voerde ik toen heen door den tempel, willend

Naar het altaar toe; in den priesterkring,

Zwoer zij Lofn's eed zonder aarzeling.

Viking-vertellingen uit het noorden. (R. B. Anderson).

Vjofn's taak was harde harten tot liefde te neigen, vrede en

eendracht onder de menschen te handhaven, en twistende echtgenooten

te verzoenen. Syn (waarheid) bewaakte de deur van Frigga's paleis

en wilde haar niet openen voor hen die er niet in mochten. Als zij

eenmaal de deur gesloten had voor een gewaanden indringer kon geen

praten haar besluit veranderen. Zij had daarom het praesidium van

alle rechtbanken en verhooren, en wanneer iets niet werd goedgekeurd

was de gewone formule dat Syn er tegen was.

Gefjon.

Gefjon was ook een van de meisjes in Frigga's paleis, en aan haar

werden toevertrouwd al degenen die ongehuwd stierven, die zij ontving

en voor eeuwig gelukkig maakte. Volgens sommige bronnen bleef Gefjon

zelf niet maagd maar huwde een van de reuzen, bij wien zij vier zonen

had. Deze zelfde overlevering vertelt verder dat Odin haar uitzond

om Gylfi, koning van Zweden, te bezoeken, en wat land te vragen dat

zij haar eigen zou mogen noemen. De koning, die haar verzoek aardig

vond, beloofde haar zooveel land als zij in één dag en één nacht

kon omploegen. Gefjon, niet verlegen, veranderde haar vier zonen in

ossen, spande hen voor een ploeg, en begon een vore te trekken zoo

breed en diep dat de koning en zijn hovelingen verbaasd waren. Maar

Gefjon vervolgde haar werk zonder eenige vermoeidheid te toonen,

en toen zij een groot stuk land had rondgeploegd, scheurde zij het

met kracht weg en deed het hare ossen in zee trekken, waar zij het

bevestigde en het Seeland noemde.

Gefjon nam van Gylfi,

Rijk aan schatten, 't land dat

Z' aan het Deensche hechtte.

Vierkoppig met acht oogen

Wijl 't zweet in stralen gutste,

Trokken d' ossen 't stuk weg

Dat vormde 't lieflijk eiland.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Wat de holte betreft die zij achterliet, deze werd snel gevuld met

water en vormde een meer, dat eerst Logrum (de zee) werd genoemd,

maar nu bekend is als Mälar, waarvan elke inkeping overeenkomt met de

landtongen van Seeland. Gefjon huwde toen Skiold, een van Odins zonen,

en werd de stammoeder van het Deensch vorstengeslacht der Skioldungs,

die in de stad Hleidra of Lethra woonden, door hen gesticht, en welke

de voornaamste offerplaats van de heidensche Denen werd.

Eira, Vara, Vör en Snotra.

Eira, ook Frigga's dienstbare, werd beschouwd als een heel handige

dokteres. Zij verzamelde over de heele aarde kruiden om wonden en

ziekten te genezen, en het was haar taak de wetenschap aan vrouwen

te leeren, die alleen het vak onder de oude Noorsche natiën mochten

uitoefenen.

Gaapt een wond, Eira verbindt ze.

Valhalla (J. C. Jones).

Vara hoorde alle eeden en strafte meineedigen, terwijl zij diegenen

beloonde die trouw hun woord hielden. Dan waren er verder nog Vör

(geloof), die alles wist wat er in de wereld gebeurde, en Snotra,

godin der deugd, die alle wetenschap meester was.

Met zulk een schitterenden stoet dienstbaren werd Frigga natuurlijk

beschouwd als een machtige godin; maar in spijt van de voorname plaats,

die zij in den Noorschen godsdienst innam, had zij geen specialen

tempel of bijzonder heiligdom, en werd zij zelden aangebeden dan in

verbinding met Odin.

Holda.

Terwijl Frigga onder dezen naam niet in Zuid-Duitschland bekend

was, werden daar andere godinnen vereerd, wier attributen zoo op de

hare geleken, dat zij blijkbaar dezelfde waren, ofschoon zij zeer

verschillende namen droegen in de verschillende gewesten. Onder dezen

was de schoone godin Holda (Hulda of Frau Holla) die goedgunstig vele

rijke gaven schonk. Daar zij over het weer gezag voerde, zeide men,

wanneer de sneeuwvlokken vielen, dat Frau Holle haar bed schudde,

en als het regende, dat zij hare kleeren wiesch; ook duidde men

vaak de witte wolken als haar linnen aan dat zij te bleeken had

gelegd. Als lange grijze wolkenflarden door de lucht dreven, zeide

men dat zij aan het weven was, want men hield haar ook voor een

ijverige weefster, spinster en huishoudster. Men vertelt dat zij het

vlas aan de menschen gaf en hen het leerde gebruiken, en in Tyrol

verhaalt men de volgende geschiedenis aangaande de wijze waarop zij

dat onwaardeerbare geschenk gaf.

De ontdekking van het vlas.

Er was eens een boer die dagelijks zijn vrouw en kinderen in het

dal achterliet om zijn schapen op den berg te laten weiden, en als

hij zijn kudde hoedde die op de berghelling graasde, had hij vaak

gelegenheid den kruisboog te gebruiken en een gems te vellen, wier

vleesch zijn provisiekast voor vele dagen kon vullen.

Toen hij eens een mooi dier vervolgde, zag hij het verdwijnen achter

een rotsblok, en toen hij aan de plek kwam, was hij verbaasd een

doorgang te zien in den belendenden gletscher, want in de opwinding

van de vervolging was hij hooger en hooger geklommen totdat hij nu

op den top van den berg was, waar de eeuwige sneeuw fonkelde.

De schaapherder ging moedig door de open deur en bevond zich weldra in

een wondervol met juweelen bezet gewelf, behangen met druipsteen; in

het midden er van stond een schoone vrouw, gehuld in zilveren kleederen

en omringd door een schare lieflijke meisjes die met Alpenrozen waren

gekroond. In zijn verbazing zonk de schaapherder op de knieën en als

in een droom hoorde hij de koninklijke gestalte in het midden zeggen

dat hij uitkiezen mocht wat hij wilde en het mocht meenemen. Ofschoon

verblind door den glans van de kostbare steenen rondom hem, keerden

de oogen van den herder gedurig terug tot een kleinen bouquet blauwe

bloemen die de bevallige verschijning in hare hand hield, en hij

stamelde nu bedeesd een verzoek dat hij dien zou mogen hebben. Van

vreugde glimlachend gaf Holda, want zij was het, ze hem, zeggende dat

hij verstandig had gekozen en zoo lang zou leven als de bloemen niet

uitvielen en verwelkten. Toen gaf zij den herder een hoeveelheid zaad

dat hij op het land moest zaaien en liet hem vertrekken, en terwijl

de donder ratelde en de aarde schudde, bevond zich de arme man weer

buiten op de berghelling, en keerde langzaam tot zijn vrouw terug,

aan wien hij zijn avontuur vertelde en de lieflijke blauwe bloemen

liet zien en de hoeveelheid zaad.

De vrouw maakte er haren man een bitter verwijt van, dat hij niet

een van de kostbare steenen meebracht die hij zoo warm beschreef, in

plaats van de bloesems en het zaad; niettemin ging de man het laatste

zaaien en hij bespeurde tot zijn verbazing dat de hoeveelheid genoeg

zaad leverde voor verscheiden bunders.

Weldra kwamen de kleine groene spruiten op, en in een maannacht, toen

de boer er naar keek, zooals hij gewoon was,--want hij voelde zich op

vreemde wijze aangetrokken tot het veld dat hij had bezaaid en toefde

er dikwijls, benieuwd welk soort van koren er zou opwassen,--zag hij

een nevelige gestalte over het veld zweven, met de handen als tot

zegenen uitgestrekt. Eindelijk droeg het land bloesems, en tallooze

witte bloempjes openden hare kelken voor de gouden zon. Toen de

bloemen verdord waren en het zaad was rijp geworden, kwam Holda nog

eens terug om den boer en zijn vrouw te leeren hoe zij het vlas--want

dit was het--moesten oogsten, en er linnen uit moesten spinnen, en

dit weven en bleeken. Daar de menschen in de omgeving gaarne zoowel

linnen als lijnzaad kochten, werden de boer en zijn vrouw spoedig

inderdaad zeer rijk, en terwijl hij ploegde, zaaide en oogstte,

spon, weefde en bleekte zij het linnen. De man leefde tot op hoogen

ouderdom en zag zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen rondom

hem opgroeien. Gedurende al dien tijd was zijn zorgvuldig bewaarde

bouquet even frisch gebleven als toen hij dien voor het eerst naar

huis bracht, maar op zekeren dag zag hij dat gedurende den nacht de

bloemen verwelkt waren en stierven.

Wetende wat dit beteekende, en dat hij ook moest sterven, klom de boer

nog eens den berg op naar den gletscher, en vond den doorgang weer dien

hij dikwijls te vergeefs had gezocht. Hij trad het ijsportaal binnen

en men heeft nooit meer van hem gehoord noch hem gezien, want, zoo

zegt de legende, de godin nam hem onder haar hoede en liet hem wonen

in haar gewelf, waar elke wensch, dien hij koesterde, werd ingewilligd.

Tannhäuser.

Overeenkomstig de middeleeuwsche traditie woonde Holda in een gewelf

in den Hörselberg, in Thuringia, waar zij bekend stond als Frau Venus,

en beschouwd werd als een toovenares die stervelingen in haar gebied

lokte, waar zij hen voor goed gevangen hield, en hun zinnen in allerlei

zinlijke genietingen dompelde. De beroemdste van haar slachtoffers

was Tannhäuser, die, nadat hij een tijd onder haar toovermacht had

geleefd, tot andere gevoelens kwam, wat haar macht over zijn geest

brak en hem bezorgd maakte over zijn ziel. Hij ontsnapte haar macht

en haastte zich naar Rome om zijn zonden te belijden en absolutie

te zoeken. Maar toen de Paus hoorde van zijn omgang met een van de

heidensche godinnen van wie de priesters leerden dat zij niet anders

dan demonen waren, verklaarde hij dat de ridder niet eer op vergiffenis

kon hopen voordat zijn staf knoppen en bloesems kon dragen.

"Hebt gij gelegen in des Duivels net?

Hebt gij uw ziel verpand aan haar verderf?

Hebt gij gehoord de Tooveren der Hel,

En vloek gedronken uit haar kroes die rookt?

Zoo weet dat eer uit den verdorden staf

Dien 'k in mijn hand houd, groen gebladert' spruit

Dan aan het vuur, ontstoken in de hel,

Ontbloeit de bloem des heils."

Tannhäuser (Owen Meredith).

Door deze uitspraak diep verslagen vlood Tannhäuser weg en, in weerwil

van de beden van zijn trouwen vriend Eckhardt, duurde het niet lang

of hij keerde naar den Hörselberg terug, waar hij in het gewelf

verdween. Juist was hij weg, of de boden van den Paus kwamen zeggen

dat hij vergiffenis had gekregen, want de dorre staf was wonderdadig

ontbloeid, aldus bewijzend aan een ieder, dat er geen zonde zoo erg

was of zij kon vergeven worden, mits het berouw oprecht was.

Bemodderd tot de heupen, nat van zweet,

Vloog aan een bode, en in zijn hand hij droeg

Een dorren staf, ontbloeid tot blad en knop.

Hem volgd' een menigte van oud en jong

Zingend een lied waarbij de leeuwrik zwijgt,

"Een wonder, o een wonder bij den Paus!

Eere zij God die maakt het dorre groen!"

Toen sprong de bode toe en vroeg, waar was

De ridder Tannhäuser.

Tannhäuser (Owen Meredith).

Holda was ook de eigenares van een tooverfontein, die Quickborn heette

en de beroemde fontein der jeugd evenaarde, en van een wagen waarin zij

van plaats tot plaats reed als zij haar gebied inspecteerde. Toen dit

voertuig op zekeren keer beschadigd was, liet zij het een wagenmaker

herstellen, en toen hij klaar was gaf zij hem eenige spaanders als

loon. De man was boos over zulk een schrale betaling en nam slechts

eenige er van; maar tot zijn verbazing zag hij deze den volgenden

morgen in goud veranderd.

Fricka, uw vrouw--

Zij stuurt hierheen haar rammenspan

Hoor! hoe zij zwaait

De gouden zweep;

De dieren blaten

Steeds maar door;

Haar wielen raatlen voort,

Toorn licht op uit haar blik.

Wagner.

Eástre, de godin van de Lente.

De Saksische godin Eástre, of Ostara, godin van de lente, wier naam

voortleefde in het Engelsche woord voor Paschen, Eáster, is ook

dezelfde als Frigga want zij wordt eveneens beschouwd als de godin

der aarde, of liever van de opstanding der natuur na den langen dood

van den winter. Deze bevallige godin was zóó innig geliefd bij de oude

Teutonen, dat zelfs, nadat het Christendom ingevoerd was, zij een zóó

vriendelijke herinnering aan haar behielden, dat zij haar niet wilden

verlaagd hebben tot den rang van een demon, zooals vele der andere

goden, en haren naam overbrachten op hun groot Christelijk feest. Het

was lang gebruik geweest dezen dag te vieren door het uitwisselen

van geschenken in gekleurde eieren, want het ei is het zinnebeeld

van het beginnende leven; dus hielden zich de eerste Christenen aan

dezen regel, zeiden echter dat het ei ook de Opstanding verbeeldt. In

verschillende deelen van Duitschland kan men nog steenen altaren zien,

die als Eáster-steenen bekend staan, omdat zij waren gewijd aan de

schoone godin Ostara. Zij werden met bloemen bekranst door de jonge

menschen, die er vroolijk omheen dansten bij het licht van groote

vreugdevuren,--een soort volksspelen die stand hielden tot het midden

der negentiende eeuw, in weerwil van de verboden der priesters en de

edicten, telkens er tegen uitgevaardigd.

Bertha, de Witte Vrouw.

In andere streken van Duitschland is Frigga, Holda of Ostara bekend

onder den naam Brechta, Bertha, of de Witte Vrouw. Het meest bekend

is zij zoo in Thüringen, waar zij, naar men meende, in een hollen

berg woonde en de wacht hield over de Heimchen, zielen van ongeboren

kinderen, en van hen die ongedoopt stierven. Hier behoedde Bertha den

landbouw en zorgde voor de planten, die haar kindertroepje nauwgezet

begoot, want men dacht dat elke kleine tot dat doel een kruikje bij

zich had. Zoolang de godin geëerbiedigd werd en men haar verblijf niet

verontrustte, bleef zij waar zij was; maar de overlevering vertelt

dat zij eens het land verliet met haar kinderstoet en haar ploeg

meesleepte en zich elders vestigde om met haar hulpvaardige diensten

voort te gaan. Bertha is de legendaire stammoeder van verschillende

edele geslachten, en vooral vereenzelvigd met de ijverige koningin

van denzelfden naam, de mythische moeder van Karel den Groote, wiens

naam spreekwoordelijk is geworden, want als men het in Frankrijk en

Duitschland heeft over de Gouden Eeuw zegt men gewoonlijk: "in de

dagen toen Bertha spon."

Daar men meende dat deze Bertha een heel langen en platten voet heeft

gekregen, doordat zij voortdurend de trede van haar wiel drukte,

wordt zij dikwijls in de middeleeuwsche kunst voorgesteld als een

vrouw met een krommen voet, en is daarom bekend als la reine pédauque.

Als stammoeder van het keizerlijke huis van Duitschland heet de Witte

Vrouw in het paleis te verschijnen voor een sterfgeval of onheil in

de familie, en dit bijgeloof leeft nog zóó in Duitschland, dat de

kranten in 1884 het officieele bericht behelsden van een schildwacht,

die beweerde dat hij haar hem snel had zien voorbijgaan in een van

de gangen van het paleis.

Daar Bertha beroemd was wegens haar spinnen, werd zij natuurlijk

beschouwd als de bijzondere beschermster van dien tak van vrouwelijke

nijverheid, en men zeide dat zij door de straten van ieder dorp zwierf,

als de avond viel, gedurende de twaalf nachten tusschen Kerstmis en

6 Januari, terwijl zij in elk venster gluurde om het spinnen van het

gezin na te gaan.

De meisjes, wier werk goed was verricht, werden beloond met een

geschenk van een harer gouden draden of een spinnewiel vol extra fijn

vlas; maar waar zij een zorgelooze spinster vond, werd haar wiel

gebroken, haar vlas bezoedeld, en als zij verzuimd had de godin te

eeren door veel van den koek te eten, die in dien tijd van het jaar

gebakken werd, werd zij streng gestraft.

In Mecklenburg is dezelfde godin bekend als Frau Gode, of Wode,

de vrouwlijke vorm van Wuotan of Odin, en haar verschijning wordt

steeds beschouwd als de voorbode van grooten voorspoed. Ook zal zij

een groote jageres zijn en de Wilde Jacht leiden, gezeten op een wit

paard, terwijl hare gezellen zijn veranderd in honden en allerlei

soorten wilde dieren.

In Holland heette zij Vrouw Elde, en naar haar heet de Melkweg

in Holland Vrouw-eldenstraat; terwijl in sommige streken van

Noord-Duitschland zij Nerthus (moeder Aarde) heette. Haar heilige wagen

werd bewaard op een eiland, waarschijnlijk Rügen, waar de priesters

hem zorgvuldig bewaakten totdat zij verscheen om een jaarlijksche

reis te doen door haar gebied om het land te zegenen. De godin hield

haar gelaat dan verborgen door een zwaren sluier en zat zoo in dezen

wagen die door twee koeien werd getrokken, en zij werd eerbiedig door

hare priesters vergezeld. Als zij passeerde, huldigde het volk haar

door allen twist te staken en hun wapens neer te leggen. Zij trokken

hun feestkleederen aan en hervatten geen strijd voordat de godin

weer teruggekeerd was naar haar heiligdom. Dan werden kar en godin

beiden gebaad in een geheimzinnig meer (de Schwartze See in Rügen),

die de slaven verzwolg welke bij het baden hadden geholpen, en opnieuw

begonnen de priesters hun wacht over het heiligdom en het bosch van

Nerthus of Hlodyn, om haar volgende verschijning te verbeiden.

In Scandinavia heette deze godin ook Huldra en beroemde zich op

een schaar woudnimfen, die haar vergezelden en die soms de menschen

opzochten om met hen te dansen op de dorpsweide. Men kon ze echter

altijd herkennen aan het tipje van een koestaart, die onder haar

sneeuwwitte kleeren uithing. Dit Huldra-volk beschermde in het

bijzonder het vee aan de berghellingen, en men beweerde dat zij soms

den eenzamen zwerver verrasten door de wonderbare schoonheid van de

melodieën die zij zongen om de uren van hun arbeid te korten.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 11 / 46 题