HOOFDSTUK II: ODIN.

Odin vader van goden en menschen.

Odin, Wuotan, of Wodan, was de hoogste en heiligste god van de

noordelijke rassen. Hij was de alles doordringende geest van het

heelal, de verpersoonlijking van de lucht, de god van universeele

wijsheid en overwinning, en de leider en beschermer van vorsten en

helden. Daar men veronderstelde dat al de goden van hem afstamden, had

hij den bijnaam Alvader, en als oudste en opperste onder hen bezette

hij den hoogsten zetel in Asgard. Bekend onder den naam Hlidskialf,

was deze stoel niet enkel een verheven troon, maar ook een geweldige

wachttoren, van waar hij de heele wereld kon overzien en met een

enkelen blik in oogenschouw nemen alles wat er gebeurde onder goden,

reuzen, elfen, dwergen en menschen.

En uit de hal des hemels toog hij weg

Naar Lidskialf, en zat er op zijn troon,

Den berg, van waar zijn oog de wereld ziet.

En uit den hemel sloeg hij lichten blik

En zag naar Midgard, d' aard' en 't menschenvolk.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Odins persoonlijke verschijning.

Niemand dan Odin en zijn vrouw en koningin Frigga mochten dezen

zetel gebruiken, en als zij er op zaten keken zij meestal naar het

Zuiden en het Westen, het wit van alle verwachtingen en tochten der

noordelijke volken. Odin werd meestal voorgesteld als een groot,

sterk man, ongeveer vijftig jaar oud, hetzij met donker krullend haar

of met een langen grijzen baard en kaal hoofd. Hij was gekleed in

een grijs gewaad, met een blauwe kap, en zijn gespierd lichaam was

gehuld in een wijden blauwen mantel met grijze spikkels--een beeld

van de lucht met haar wollige wolken. In zijn hand had Odin doorgaans

de speer Gungnir die altijd trof en die zoo heilig was dat een eed,

bij haar punt gezworen, nooit kon gebroken worden, en aan zijn vinger

of arm droeg hij den wonderbaren ring, Draupnir, het zinnebeeld van

vruchtbaarheid, boven vergelijking waardevol. Als hij op zijn troon

zat of tot het gevecht was gewapend--want dikwijls daalde hij naar de

aarde af om daaraan deel te nemen--dan droeg Odin zijn adelaarshelm;

maar als hij vreedzaam over de aarde ging in menschelijke gestalte om

te zien wat men uitvoerde, dan droeg hij doorgaans een breedgeranden

hoed, laag over zijn voorhoofd getrokken, ten einde het feit te

verbergen dat hij maar één oog had.

Twee raven, Hugin (gedachte) en Munin (geheugen) zaten op zijn

schouders als hij op zijn troon zetelde, en deze zond hij elken morgen

de wijde wereld in, met spanning wachtend op hun terugkeer tegen den

avond, wanneer zij hem in het oor fluisterden alles wat zij gezien

hadden en gehoord. Zoo werd hij goed op de hoogte gehouden van alles

wat op aarde gebeurde.

Hugin en Munin

Vliegen elken dag

Over de wijde wereld.

Ik vrees voor Hugin

Dat hij niet weerkomt,

Maar nog meer in angst ben ik voor Munin.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Aan zijn voeten hurkten twee wolven of jachthonden, Geri en Freki,

dieren die daarom als heilig beschouwd werden en als goede voorteekenen

wanneer men hen op weg tegenkwam. Odin voederde deze wolven altijd met

eigen hand en met vleesch dat voor hen was neergezet. Hij wilde zelf

geen voedsel en proefde zelden van iets behalve van de heilige mee.

Geri en Freki

De krijger voedt,

Der benden machtige heer;

Maar van wijn enkel

Bestaat de sterke

Odin, hoogberoemd.

Lied van Grimnir.

Als hij in staatsie op zijn troon zat, deed Odin zijn voeten rusten op

een voetbank van goud, het werk der goden wier meubelen en werktuigen

alle gemaakt waren òf van dat kostbare metaal òf van zilver.

Behalve de prachtige hal Gladsheim, waar de twaalf zetels stonden

waarop de goden zaten wanneer zij vergaderden, en Valaskialf, waar

zijn troon, Hlidskialf, was geplaatst, had Odin een derde paleis

in Asgard, gelegen in het midden van het wondervolle bosch Glasir,

welks glanzende bladeren waren van rood goud.

Valhalla.

Dit paleis, Valhalla geheeten (de hal der uitgelezen verslagenen) had

vijfhonderd veertig deuren, breed genoeg om achthonderd krijgslieden

naast elkander door te laten, en boven den hoofdingang waren een

zwijnskop en een adelaar welks scherpe blik doordrong tot de verste

hoeken van de wereld. De muren van dit wondervolle gebouw waren

gemaakt van schitterende speren, zoo sterk gepolijst dat zij de

hal verlichtten. Het dak was van gouden schilden, en de banken

waren versierd met schoone rustingen, de geschenken van den god

aan zijn gasten. Hier boden lange tafels ruimschoots gerief aan de

Einheriar, soldaten gevallen in den slag, die in het bijzonder door

Odin begunstigd werden.

Gemakkelijk wordt herkend,

Door hen die tot Odin gaan,

Het verblijf als men het ziet,

Zijn dak met speren belegd,

Zijn hal met schilden bedekt,

Met wapenen elke bank versierd.

Grimnirs Lied.

De oudste Noorsche natiën, die den oorlog voor het meest eervolle

bedrijf hielden, en moed als de grootste deugd beschouwden, vereerden

Odin vooral als god van strijd en zegepraal. Zij geloofden dat,

zoo dikwijls er een gevecht op handen was, hij zijn bijzondere

dienaressen, de schild-, strijd- of wenschmaagden, Valkyren (kiezers

der gesneuvelden) geheeten, uitzond, die uit de doode krijgers

het halve aantal kozen en ze droegen op haar snelle rossen over de

sidderende regenboogbrug, Bifröst, in het Valhalla. Welkom geheeten

door Odins zonen, Hermod en Bragi, werden de helden geleid naar

den voet van Odins troon, waar zij den prijs ontvingen die hun moed

toekwam. Als een of andere uitverkorene van den god dus in Asgard

werd gebracht, stond Valvader (vader der gesneuvelden) zooals Odin

heette wanneer hij het voorzitterschap bekleedde over de krijgers,

soms van zijn troon op en heette hem in persoon welkom aan de groote

ingangspoort.

Het feest van de helden.

Behalve den roem van zulk een onderscheiding en het genot van Odins

geliefde tegenwoordigheid dag op dag, wachtten nog andere stoffelijke

genietingen de krijgers in het Valhalla. Een onbekrompen onthaal

werd hun bereid aan lange tafels, waar de schoone maagden met hare

blanke armen, de Valkyren, hen met nauwgezetten ijver dienden, nadat

zij hare wapenrusting hadden afgelegd en zij zich in zuivere, witte

kleederen hadden gedoscht. Deze maagden, negen in getal, volgens

sommige bronnen, brachten den helden groote horens met heerlijke

mêe gevuld, en zetten hun enorme porties wild-zwijnenvleesch voor,

waarvan zij lekker smulden. De gewone Noorsche drank was bier of ale,

maar onze voorvaderen vonden dit drinken te gemeen voor de hemelsche

sfeer. Zij verbeeldden zich dus dat Valvader zijn tafel ruim voorzien

had van mee of honigwijn die dagelijks in groote hoeveelheid door

zijn geit Heidrun werd geleverd. Deze geit graasde voortdurend de

teere bladeren en twijgen op Lerad, den hoogsten top van den Yggdrasil.

Veel strijd, gevaarvol vechten was hun leus;

Ontijdig en met purpren wonden vol,

Was harde dood hun keus; hij bracht hun aan

Een recht op feest en drinken dat nooit eindt

In Odins hal, welks ruim weerklinken deed

't Vroolijk rumoer der schimmen, eens geveld

In woest gevecht of door gedurfden slag.

Vrijheid (James Thomson).

De spijs die de Einheriar aten was het vleesch van het goddelijke

everzwijn Saehrimnir, een wonderbaar dier, dat dagelijks geslacht werd

door den kok Andhrimnir, en gekookt in den grooten ketel Eldhrimnir;

maar ofschoon de gasten van Odin echten noorschen eetlust hadden en

tot verzadigings toe aten, was er altijd vleesch genoeg voor allen.

Andhrimnir kookt

In Eldhrimnir

Saehrimnir;

't Is 't beste vleesch;

Geen schier kent

Der Einherjen spijs.

Grimnirs lied.

Bovendien was de voorraad onuitputtelijk, want het wilde zwijn

kwam altijd weer in het leven terug vóór het uur van den volgenden

maaltijd. De wonderbare vernieuwing van voorraad in de provisiekamer

was niet de eenige miraculeuse gebeurtenis in Valhalla, want men zegt

dat de krijgers na tot verzadigd wordens toe gegeten en gedronken

te hebben, altijd naar hun wapenen vroegen, zich uitrustten en naar

het groote hofplein reden, waar zij tegen elkander vochten en de

wapenfeiten herhaalden, waardoor zij beroemd waren geworden op aarde,

en dat zij elkander roekeloos vreeslijke wonden toebrachten, die echter

op wonderdadige wijze totaal waren genezen zoodra de etenshoren klonk.

Odins uitverkoren gasten

Spelen daag'lijks 't oorlogsspel;

Van het feestlijk kampgebied

Rijden zij in glinstrend staal;

En vroolijk, aan der goden disch,

Zwelgt men den kroes met fonklend bier,

En eet Saehrimni's roemrijk vleesch.

Vafthrudni's-mal.

Ongedeerd en gelukkig als de horen klonk, en zonder elkander wrok toe

te dragen om de harde stooten die men had gegeven of ontvangen, reden

de Einheriar opgewekt naar Valhalla terug om in Odins lieflijk bijzijn

hun feesten weer te beginnen, terwijl de Valkyren met hare witte armen

en wuivend haar bevallig rondzweefden en telkens weer haar horens of

haar geliefkoosde drinkschalen, de schedels harer vijanden, vulden,

terwijl de skalden zongen van oorlog en van ontroerende Vikingtochten.

Zij krijgen stoot en houw den ganschen dag

Bij stof en kreet en bloed en lid, verminkt;

Maar keeren 's avonds weer naar Odins hal

Gezond en frisch; zoo is hun hemelsch lot.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Terwijl zij dus vochten en feestvierden brachten de helden hun dagen in

volkomen geluk door, terwijl Odin genoegen had in hun kracht en aantal,

dat echter, dit voorzag hij, zijn val niet zou kunnen voorkomen als

de dag van het laatste gevecht aanbreken zou.

Daar zulke genietingen de hoogste waren die de verbeelding van een

noordelijken krijger kon schilderen, was het zeer natuurlijk dat

alle krijgslieden Odin moesten liefhebben en vroeg in hun leven zich

moesten wijden aan zijn dienst. Zij beloofden dat zij, zoo mogelijk,

zouden sterven met de wapenen in de hand, en verwondden zelfs met hun

eigen speren zich zelven als de dood naderde, wanneer zij ongelukkig

genoeg waren geweest den dood op het oorlogsveld te ontgaan en bedreigd

werden met "een strooien dood", zooals zij overlijden aan ouderdom

of ziekte noemden.

Aan Odin trouw verpand

Kerft hij zich runen,

Dood-runen heel diep op zijn arm en zijn borst.

Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

Tot loon voor deze toewijding waakte Odin met bijzondere zorg over zijn

gunstelingen, gaf hun geschenken, een tooverzwaard, een speer of een

paard en maakte hen onoverwinnelijk totdat hun laatste uur gekomen was,

als hij zelf verscheen om op te eischen of te vernietigen de giften

die hij had geschonken, en de Valkyren de helden naar Valhalla droegen.

Hij gaf aan Hermod

Een helm en pantser,

Van hem ontving ook

Siegmund een zwaard.

Hyndla-lied.

Sleipnir.

Als Odin een werkzaam aandeel had in den oorlog, bereed hij meestal

zijn acht-pootig grijs paard, Sleipnir, en droeg een wit schild. Zijn

schitterende speer over de hoofden der strijdenden geslingerd, was het

teeken dat het gevecht zou beginnen, en hij stormde dan in het midden

van de gelederen en schreeuwde zijn oorlogskreet: "Odin heeft U allen".

En Odin doste

Zich uit met rusting blinkend, helm van goud,

En voerde Sleipnir voort.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Soms gebruikte hij zijn tooverboog waarvan hij tien pijlen tegelijk

kon schieten, en elk velde zonder missen een vijand neer. Ook

veronderstelde men dat Odin zijn begunstigden krijgers de beroemde

Berserkerwoede (Berserker-naakthemd) ingaf, die hen in staat stelde,

ofschoon naakt, zonder wapenen en geheel omsingeld, ongehoorde

daden van moed en kracht te verrichten, en als door tooverkracht

te ontwijken.

Evenals Odins eigenschappen, gelijk de allesdoordringende elementen,

veelvuldig waren, zoo ook zijn namen; hij had er niet minder dan

tweehonderd, die bijna alle een vorm van zijn werken aanduidden. Men

beschouwde hem als den ouden god van de zeelui en van den wind.

"Machtig' Odin,

Noren smeeken: U zij d' eer!

Stuur ons schip, o sterke Wodan,

Veilig over d' Oostzee weer".

Vail.

De wilde jacht.

Odin, in zijn hoedanigheid van windgod, werd afgebeeld als midden door

de lucht ijlend op zijn achtpootig paard, waarvan het oudste Noorsche

raadsel afkomstig is, dat aldus luidt: "Wie rijden er samen naar het

gevecht? Zij hebben drie oogen, tien voeten, één staart: en zwerven

zoo de landen door". En daar men meende dat de zielen van de dooden

werden weggedreven op de vleugelen van den storm, werd Odin vereerd

als de leider van alle zielen die het lichaam hadden verloren. In deze

rol was hij het meest algemeen bekend als de Wilde Jager, en als de

menschen het geruisch en gebulder van den wind hoorden, schreeuwden

zij luid in bijgeloovige vrees en verbeeldden zich dat zij hem zagen

voorbij rijden met zijn stoet, allen gezeten op snuivende paarden,

en vergezeld van blaffende honden. En men beschouwde het voorbijgaan

van de Wilde Jacht, bekend als Wodan's Jacht, de Razende Menigte,

Gabriels Honden of Asgardreia, ook als een voorteeken van onheil als

b.v. oorlog of pest.

De Rijn vloeit klaar, maar een dof gebrom

Van kamp hoort straks zijn bed,

En van speren galmt het land rondom

En er schreeuwt ginds een trompet,

En de dapp're ligt in zijn bloed, geveld,

Want de Wilde Jager is langs gesneld.

De Wilde Jager (Mevr. Hemans).

Verder dacht men dat wanneer iemand zoo oneerbiedig was dat hij in

scherts mee deed aan het wild hallo, hij direct zou worden gegrepen

en met de verdwijnende schare meegevoerd, terwijl diegenen die aan

het hallo deelnamen met onvoorwaardelijk goed geloof, beloond zouden

worden met het plotselinge geschenk van een paardepoot, van boven

hun toegeworpen, en dat deze, als zij hem zorgvuldig bewaarden tot

den volgenden morgen, veranderd zou worden in een klomp goud.

Zelfs na de invoering van het Christendom was het onontwikkelde

Noorsche volk nog bang voor den opkomenden storm en beweerde dat het

de Wilde Jacht was die voortjoeg door de lucht.

"Hem schrikt gerucht,

Want boven hem is Gabriels hondenstoet,

Die met hun slechten heer steeds jagen moet

Het vliedend hert in hooge streek der lucht".

Sonnet (Wordsworth).

Soms liet zij een kleinen zwarten hond achter, die hinkend en jankend

op een nabijzijnden haard, een heel jaar lang bewaard en zorgvuldig

opgepast moest worden, indien hij niet kon worden uitgedreven

of weggeschrikt. Het gewone voorschrift was, precies als voor de

onttoovering van vondelingen, bier te brouwen in eierschalen, en men

meende dat dit bedrijf den spookhond zulk een schrik zou aanjagen, dat

hij zou wegvluchten met zijn staart tusschen de beenen, uitroepend,

dat, ofschoon zoo oud als het Bohemer bosch, hij nooit eerder zoo

iets doms gezien had.

Ik ben oud

Als 't Bohemer woud,

En heb van mijn leven

Zulk gebrouw niet gezien.

Oud gezegde.

Het voorwerp van deze schimmenjacht was zeer afwisselend, en was òf

een denkbeeldig wild zwijn òf wild paard, meisjes met blanke borsten

die gevangen werden en weggevoerd slechts eens in de zeven jaren,

of de boschnimfen, mosmeisjes genoemd, van wie men dacht dat zij de

herfstbladen voorstelden, van de boomen afgescheurd en weggewaaid

door den winterstorm.

In de middeleeuwen, toen het geloof in de oude heidensche godheden

ten deele vergeten was, was de aanvoerder van de Wilde Jacht niet

langer Odin, maar Karel de Groote, Frederik Barbarossa, koning Arthur,

of deze of gene Sabbatschender, zooals de Heer van Rodenstein of Hans

von Hackelberg, die, tot straf voor zijn zonden, veroordeeld was voor

goed te jagen door de lucht.

Men meende, dat, daar de winden het hevigst bliezen in herfst en

winter, Odin het liefst in dat seizoen op jacht ging, vooral in

den tijd tusschen Kerstmis en Driekoningen, en de boeren zorgden er

altijd voor de laatste schoof of maat graan op de velden achter te

laten als voedsel voor zijn ros.

Deze jacht was natuurlijk onder verschillende namen bekend in de

onderscheiden landen van Noordelijk Europa; maar daar de verhalen, er

van verteld, overal gelijk zijn, hadden zij blijkbaar hun oorsprong in

hetzelfde oude heidensche geloof, en tot dezen dag denken onontwikkelde

menschen met een noorsche fantasie, dat het gehuil van een hond in

een stormachtigen nacht een onbedriegelijk voorteeken is van dood.

En ijlen zal de sombre jacht

Tot tijd volend is in zijn duur,

Des daags in holle aardeschacht,

Komt zij er uit in 't nachtlijk uur,

Dit zijn de horen, hond en paard

Die 's avonds soms verneemt de boer,

Dan slaat hij 't kruis, door vrees vervaard,

Als hij bemerkt het wild rumoer.

De wakk're priester treurt dan stil

Om 's menschen trots en 's menschen wee,

Als bij zijn nachtmis dringt een gil,

De helsche roep van "holla hé".

Sir Walter Scott.

De Wilde Jacht, of de Razende Schaar van Duitschland, heette in

Engeland Herlathing, naar den mythischen koning Herla, den vermeenden

aanvoerder; in noordelijk Frankrijk droeg zij den naam van Mesnée

d'Hellequin, naar Hell, de godin van den dood; en in de middeleeuwen

was zij bekend als Cains Jacht of Herodes' Jacht. Deze laatste namen

kreeg zij, omdat men geloofde dat de aanvoerders geen rust konden

vinden wegens de schandelijke moorden op Abel, op Johannes den Dooper

en op de Heilige Onschuldigen.

In midden-Frankrijk heet de Wilde Jager, dien wij in andere landen

al hebben leeren kennen als Odin, Karel den Groote, Barbarossa,

Rodenstein, von Hackelberg, Koning Arthur, Hel, een van de Zweedsche

koningen, Gabriel, Cain of Herodes, ook wel de Groote Jager van

Fontainebleau (le Grand Veneur de Fontainebleau), en men beweert

dat men den avond van den moord op Hendrik IV en ook precies voor

het uitbreken van de groote Fransche Omwenteling, zijn geschreeuw

duidelijk kon hooren toen hij ijlde door de lucht.

Algemeen geloofde men onder de Noorsche volken dat de ziel ontsnapte

uit het lichaam in de gedaante van een muis, die uit den mond van een

lijk kroop en wegliep, en die ook zou kruipen in en uit de monden van

menschen die in somnambule-toestand verkeerden. Terwijl de ziel afwezig

was, kon geen poging of middel den patiënt tot het leven terugroepen;

maar zoodra zij weerom was, kwam de bezieldheid terug.

De Rattenvanger.

Daar Odin de aanvoerder was van al de schimmen, werd hij in de

middeleeuwen vereenzelvigd met den Rattenvanger van Hamelin. Volgens

middeleeuwsche legenden werd Hamelin zoo door ratten gekweld dat het

leven ondragelijk werd, en een groote belooning werd aangeboden aan

dengene, die de stad van deze knagers bevrijden zou. Een fluitspeler,

in veelkleurige kleederen, wilde het werk op zich nemen, en toen men

de voorwaarden had vastgesteld, begon hij door de straten te spelen

zóó, dat al de ratten uit haar gaten werden gelokt totdat zij een

aaneengesloten stoet vormden. Er was iets in de melodie dat haar

dwong mee te gaan, totdat eindelijk de rivier de Weser bereikt was

en allen in haar wateren verdronken.

En eer de fluit drie tonen deed gaan

Scheen 't of een leger kwam murmelend aan;

En het murmelen werd tot een dof gerommel,

En het rommelen werd tot een luider brommen,

En uit ieder huis kwamen ratten in drommen.

Groote, kleine, lenige, vleezige,

Bruine en zwarte, dikke en pezige,

Grijze, halfgele, deftige, vlugge,

Vaders, moeders, oomes en neven,

Snorren gepunt, staarten boven de ruggen,

Familiën in massa, hoe groot is om 't even,

Broeder en zuster, heer en mevrouw,

Volgden den vreemden Pijper getrouw,

Van straat tot straat blies hij doordringend,

En stap voor stap volgden zij springend,

Tot zij kwamen aan de rivier de Weser,

Waar allen in vielen en verdronken.

Robert Browning.

Toen de ratten allen dood waren en er geen kans was dat zij zouden

terugkeeren om hen te plagen, weigerden de menschen van Hamelin de

belooning te betalen, en zij zeiden dat de fluitspeler maar zien moest

wat hij kon. Hij hield hen bij hun woord, en eenige oogenblikken

later klonken de vreemde melodieën van de tooverfluit opnieuw, en

dezen keer waren het de kinderen die in troepen uit de huizen kwamen

en vroolijk den fluitspeler volgden.

Toen kon men ontwaren de woelige maren

Van vroolijke scharen in hevig misbaren,

Van voetjes die trappen en klompjes die stappen,

Van handjes die klappen en mondjes die snappen,

En als vogels op zaad, dat de hong'rigen happen,

Renden aan al de kinderen, meisjes en knapen,

Met wangetjes rood en goud haar om de slapen,

En tanden en oogjes tot schitt'ren geschapen,

Tripp'lend en hipp'lend in vroolijken stoet,

Den wonderen speelman gevolgd op den voet,

Robert Browning.

De burgers waren niet bij machte het treurspel te voorkomen, en toen

zij als door tooverkracht verlamd stonden, voerde de speelman de

kinderen uit de stad naar den Koppelberg, een heuvel aan de grenzen

van de stad, die miraculeus openging om den stoet te ontvangen en zich

niet eerder weer sloot dan toen het laatste kind buiten het gezicht

was. Deze legende deed blijkbaar de zegswijze ontstaan "den speelman

betalen". Sedert heeft men in Hamelin de kinderen nooit teruggezien,

en tot herinnering aan dit algemeene onheil zijn sedert alle officieele

besluiten gedateerd zoovele jaren na het bezoek van den Rattenvanger.

Zij maakten een wet dat juristen nimmer

Moesten meenen hun stukken goed gesteld,

Als na den dag van de maand en het jaar

Niet stond te lezen, duid'lijk en klaar;

"En zoo lang na dat wat gebeurd is daar,

Op twee en twintig Juli, net geteld,

Van dertien honderd en zes en zeventig";

Om het feit te houden voortdurend levendig,

En de plek, waar de kinderen het laatst men zag,

Noemden zij de Rattenvangerstraat sinds dien dag,

En als iemand er voortaan blies op een fluit

Ging hij ongetwijfeld zijn baantje uit.

Robert Browning.

In deze mythe is Odin de speelman, de schrille tonen van de fluit zijn

zinnebeelden van den fluitenden wind, de ratten vertegenwoordigen

de zielen van de dooden, die hem vroolijk volgen, en de holle berg

waarin hij de kinderen voert, verbeeldt het graf.

Bisschop Hatto.

Een andere Germaansche legende, die harer oorsprong dankt aan dit

geloof, is het verhaal van Bisschop Hatto, den ongelukkigen prelaat,

die, geërgerd door het gezucht der armen tijdens een hongersnood, hen

allen levend verbrand had in een verlaten schuur, evenals de ratten,

waarop zij, volgens zijn zeggen geleken en hun niets had willen

meedeelen van het kostelijke graan dat hij voor zich zelf had vergaard.

"O Zie, 't is een heerlijk vreugdevuur" zei

De bisschop, "het land heeft verplichting aan mij,

Want ik heb het gered, in dagen van nood,

Van ratten die enkel verteren het brood."

Robert Southey.

Kort nadat deze verschrikkelijke misdaad was bedreven, berichtten de

hoorigen van den bisschop de komst van een groote menigte ratten. Deze

waren, naar het schijnt, de zielen van de vermoorde boeren, die

de gedaante van de ratten hadden aangenomen, waarmede de bisschop

hen vergeleken had. Zijn pogingen tot ontvluchten waren vergeefsch,

en de ratten vervolgden hem zelfs tot midden in den Rijn, naar een

steenen toren waarin hij trachtte te ontkomen aan hun tanden. Zij

zwommen naar den toren, knaagden zich een weg door de steenen muren,

stortten zich er van alle kanten tegelijk binnen, vonden den bisschop

en verslonden hem levend.

En in door de vensters en in door de poort,

En dwars door den vloer gaat het stormende voort,

En af van den zolder, geen muur die ze stoort,

Van rechts en van links, van zuid en van noord,

Van binnen en buiten, van hier en van daar,

Dringt af op de bisschop de ijlende schaar,

Gewet zijn hun tanden vooraf aan het steen,

Zij bijten den kerkvorst tot diep op het been,

Zij rukten zijn vleesch van het lichaam hem af,

Want dit was hun taak: hem te brengen zijn straf.

Robert Southey.

Men meent dat de roode gloed van den zonsondergang, boven den

muizentoren bij Bingen aan den Rijn de spiegeling is van het helsche

vuur waarin de slechte bisschop langzaam wordt geroosterd als straf

voor zijn gruwelijke misdaad.

Irmin.

In sommige streken van Duitschland hield men Odin voor denzelfden als

den Saksischen god Irmin, wiens beeld, de Irminzuil, bij Paderborn,

door Karel den Groote in 772 werd vernield. Men vertelde dat Irmin

een grooten koperen wagen had waarop hij door de lucht reed langs

het pad dat wij kennen als den Melkweg, maar dat de oude Germanen

aanduidden als Irmins weg. De wagen, welks geratel soms voor

menschenooren verneembaar was als donder, verliet nooit de lucht,

waar men hem nog kan zien in het sterrenbeeld van den Grooten Beer,

in het Noorden ook bekend als Odins of Karels wagen.

"De Wagen, die rijdt door de hemel

Immer zijn cirk'lenden weg, en blijft in de buurt van Orion,

Eenige ster aan de lucht die nooit zich baadt in de golven.

Homerus Ilias.

Mimirs bron.

Ten einde de groote wijsheid te krijgen waardoor hij zoo beroemd is,

bezocht Odin, in het begin der tijden, Mimirs (Memor, herinnering)

bron, "de fontein van alle wetenschap en wijsheid", in welker heldere

diepten zelfs de toekomst klaar gespiegeld werd, en verzocht den ouden

man, die ze bewaakte, hem een teug te gunnen. Maar Mimir, die heel

goed de waarde van zulk een gunst kende (want zijn bron gold als de

bron of hoofdstroom der herinnering), weigerde de gift tenzij Odin

toestond een van zijn oogen in ruil te geven.

De god aarzelde niet, zoo hoog schatte hij de teug, maar rukte

onmiddellijk een van zijn oogen uit, dat Mimir te pand hield en liet

zinken diep in zijn fontein, waar het scheen met milden glans. Odin

bleef met één oog over, wat men als een beeld van de zon beschouwt.

Wij zoeken heel ons leven naar de zon;

Dat brandend voorhoofd is het oog van Odin.

Zijn tweede oog, de maan, schijnt niet zoo hel;

Hij gaf 't aan Mimir, in zijn bron, te pand,

Dat hij er hale water, 't welk geneest,

Dit oog tot sterking, ied'ren nieuwen dag.

Oehlenschläger.

Toen Odin diep dronk uit Mimirs bron, verkreeg hij de kennis, die

hij verlangde, en hij beklaagde zich nooit over het offer dat hij

had gebracht, maar tot verdere herinnering aan dien dag brak hij

een tak van den heiligen boom Yggdrasil, die de bron overschaduwde,

en vormde er van zijn geliefde speer Gungnir.

Een moedig god

Ging om een teug naar de bron,

Waar hij liet in ruiling

Gaarne het licht van een oog.

Van d' Yggdrasil

Rukt' eer hij ging Wotan een tak

En hij spleet het hout

Met heftige kracht van den stam.

Godenschemering, Wagner.

Maar ofschoon Odin nu alwijs was, was hij bedroefd en gedrukt, want hij

had een blik gekregen in de toekomst en had de vergankelijke natuur

van alle dingen bemerkt, en zelfs het lot der goden, die allen tot

ondergang waren gedoemd. Deze wetenschap deed hem zóó aan, dat hij

naderhand er steeds melancholiek en peinzend uitzag.

Om de waarde van de wijsheid, die hij dus had gekregen, te beproeven,

ging Odin den geleerdste van al de reuzen, Vafthrudnir, bezoeken,

en begon met hem een spiegelgevecht in scherpzinnigheid, waarbij de

inzet niet minder was dan het hoofd van den verliezer.

Odin spoedde zich en ging

Tot een kamp in wetenschap

Met den Jute, wijs en sterk;

Naar Vafthrudnirs hooge hal

Kwam de groote runenvorst.

Vafthrudnirs-mal.

Odin en Vafthrudnir.

Bij deze gelegenheid had Odin zich vermomd als een zwerver, op raad

van Frigga, en toen hem zijn naam werd gevraagd, zij hij dat die naam

Gangrad was. De strijd begon onmiddellijk, want Vafthrudnir vroeg zijn

gast naar de paarden die Dag en Nacht door de lucht trokken, naar de

rivier Ifing die Jötun-heim van Asgard scheidde, en ook naar Vigrid,

het veld waar het laatste gevecht moest worden geleverd.

Al deze vragen werden nauwkeurig beantwoord door Odin, die,

toen Vafthrudnir klaar was, op zijn beurt begon te vragen, en even

uitvoerige antwoorden kreeg aangaande den oorsprong van hemel en aarde,

de schepping van de goden, hun strijd met de Vana's, de bezigheden van

de helden in Valhalla, de plichten van de Nornen, en de heerschers die

de Aesir moesten vervangen als dezen waren ondergegaan met de wereld

die zij hadden geschapen. Maar toen ten slotte Odin zich bij den reus

boog en zacht de woorden vroeg die Alvader fluisterde tot zijn dooden

zoon Balder, als hij lag op zijn brandstapel, herkende Vafthrudnir

plotseling zijn goddelijken bezoeker. Hij deinsde teleurgesteld terug

en zei dat alleen Odin die vraag kon beantwoorden, en dat het hem nu

volkomen duidelijk was dat hij dwaaslijk een strijd had aangegaan

in scherpzinnigheid en wetenschap met den koning der goden, en ten

volle de boete verdiende omdat hij verloren had, n.l. het verlies

van zijn hoofd.

Niet de mensch van sterflijk ras

Weet het woord, door u gesproken,

Tot uw zoon in ouden tijd.

Ik hoor den tred van dood die komt;

Hij rukt der runen wijsheid weg,

En 't weten van der goden worden

Uit d' ongelukkige ziel die streed

Met Odin zelf den geesteskamp,

Met hem die wijs is boven elk;

De prijs was 't leven, en gij wont.

Vafthrudnirs-mal.

Zooals het met vele Noorsche mythen het geval is, die vaak fragmentair

en duister zijn, eindigt deze hier, en geen der dichters vertelt ons of

Odin werkelijk zijn tegenstander versloeg, noch ook wat het antwoord

was op zijn laatste vraag; maar mythologen hebben het vermoeden

gewaagd dat het woord, door Odin in Balders oor gefluisterd om hem

over zijn ontijdigen dood te troosten "opstanding" moet zijn geweest.

Vinding van de Runen.

Behalve god der wijsheid was Odin god en uitvinder van de runen, het

oudste alphabet in gebruik bij de noordelijke natiën, welke karakters,

die geheimenis beteekenen, eerst voor waarzegging werden gebruikt,

ofschoon zij later dienden voor inschriften en documenten. Evenals

men de wijsheid slechts kon verkrijgen ten koste van offers, vertelt

Odin zelf dat hij negen dagen en nachten hing aan den heiligen boom

Yggdrasil, starende in de onmetelijke diepten van Niflheim, verzonken

in diepe gedachten, en door eigen speer gewond, eer hij de kennis

kreeg die hij zocht.

Ik weet dat ik hing

Aan een zwiependen tak

Negen nachten lang,

Door een speer verwond,

En aan Odin gewijd,

Ik zelf aan mij zelven;

Aan dien boom

Waarvan niemand weet

Waar zijn wortel is.

Odins Runenzang.

Toen hij deze wetenschap volledig meester was, sneed Odin tooverrunen

op zijn speer Gungnir, op de tanden van zijn paard Sleipnir, op de

klauwen van den beer, en op tallooze andere bezielde en onbezielde

dingen. En omdat hij dus had gehangen over den afgrond een zoo langen

tijd, beschouwde men hem later altijd als den beschermgod van allen

die veroordeeld waren om opgehangen te worden of die door den strop

omkwamen.

Nadat hij de gave der wijsheid en der runen verkregen had, die

hem heerschappij gaf over alle dingen, wilde Odin ook de gave der

welsprekendheid en der poëzie, die hij verwierf op een wijze waarvan

wij zullen vertellen in een volgend hoofdstuk.

Geirrod en Agnar.

Odin, zooals reeds is gezegd, stelde veel belang in de zaken der

menschen, en men vertelt dat hij in het bijzonder gaarne zorgde

voor de aardige zoontjes van Koning Hrauding, Geirrod en Agnar,

toen zij respectievelijk ongeveer acht en tien jaar oud waren. Op

zekeren dag gingen deze kleine jongens visschen, en plotseling kwam

een storm op, die hun boot in zee dreef, totdat zij tenslotte op

een eiland strandden, waar een schijnbaar oud paar woonde, dat in

werkelijkheid Odin en Frigga waren, dus vermomd. Zij hadden deze

gedaanten aangenomen om toe te geven aan een plotselinge begeerte om

bij hun beschermelingen dicht in de buurt zijn. De kinderen werden

hartelijk verwelkomd en vriendelijk bejegend; Odin koos Geirrod tot

zijn gunsteling en leerde hem de wapenen gebruiken, terwijl Frigga

den kleinen Agnar vertroetelde en verwende. De jongens bleven op het

eiland met hun vriendelijke beschermers gedurende het lange koude

winterseizoen; maar toen de lente kwam en de luchten blauw waren, en

de zee kalm, scheepten zij zich in op een boot waarvoor Odin zorgde,

en vertrokken naar hun vaderland. Begunstigd door zachte koelten werden

zij spoedig daarheen gedreven; maar toen de boot het strand naderde

sprong Geirrod er vlug uit en stiet ze ver weg in het water, terwijl

hij zijn broeder verwenschte in de macht van den boozen geest. Op

datzelfde oogenblik draaide de wind en Agnar werd inderdaad weggevoerd,

terwijl zijn broeder zich naar zijns vaders paleis spoedde met een

leugenachtig verhaal over hetgeen met zijn broer gebeurd was. Hij

werd met vreugde ontvangen als een uit den doode herrezene, en te

zijner tijd volgde hij zijn vader op den troon op.

Jaren gingen voorbij, waarin de aandacht van Odin door andere

gewichtige overwegingen werd bezig gehouden, toen op zekeren dag,

terwijl het goddelijk paar zat op den troon Hlidskialf, Odin zich

plotseling het winterverblijf op het onbewoond eiland herinnerde, en

hij zijn vrouw zeide, dat zij moest zien hoe machtig zijn pleegkind was

geworden, en haar beschimpte omdat haar gunsteling Agnar een reuzin

had gehuwd en arm was gebleven en niet vooruit was gekomen. Frigga

antwoordde kalm dat het beter was arm te zijn dan hardvochtig, en

beschuldigde Geirrod van gebrek aan gastvrijheid--een van de ergste

zonden in de oogen van een Noorman. Zij ging zelfs zoo ver te beweren

dat hij trots al zijn rijkdom zijn gasten dikwijls slecht behandelde.

Toen Odin deze beschuldiging hoorde verklaarde hij dat hij de

valschheid der aantijging zou bewijzen door de vermomming van een

Zwerver aan te nemen en Geirrods edelmoedigheid op de proef te

stellen. Gewikkeld in zijn wolkkleurig kleed, met slappen hoed en

pelgrimsstaf,--

Zwerver noemt mij de wereld.

Ver zijn mijn voeten gegaan;

Op der aarde rug

Toog ik eindeloos ver.

Wagner.

vertrok Odin onmiddellijk langs een omweg, terwijl Frigga, om hem

na te gaan, dadelijk een snellen bode zond ten einde Geirrod te

waarschuwen voor een man in een wijden mantel en met breedgeranden

hoed, daar deze een booze toovenaar was die hem kwaad zou doen.

Toen Odin zich dus voor het paleis van den koning vertoonde werd hij

voor Geirrod gesleept en ruw ondervraagd. Hij gaf als zijn naam op

Grimnir, maar weigerde te zeggen vanwaar hij kwam of wat hij wilde,

zoodat daar deze geslotenheid de achterdocht versterkte die Geirrod

was bijgebracht, hij zijn wreeden zin vrij spel liet en beval dat de

vreemdeling zou worden gebonden tusschen twee vuren, op zulk een wijze

dat de vlammen om hem heenspeelden zonder hem heelemaal te raken, en

hij bleef in dien toestand acht dagen en acht nachten, in standvastig

zwijgen, zonder voedsel. Nu was Agnar heimelijk teruggekeerd naar

het paleis van zijn broeder, waar hij een dienstbare betrekking

had gekregen en op zekeren dag, toen alles stil was, bood hij den

ongelukkigen gevangene een beker ale. Maar nu wilde Odin niets te

drinken hebben, het ergste van alles wat de god had uit te staan.

Op het einde van den achtsten dag, terwijl Geirrod, op zijn troon

gezeten, op de marteling van zijn gevangene staarde, begon Odin te

zingen--eerst zacht, dan luider en luider totdat de hal weergalmde van

zijn jubelende tonen--een profetie dat de koning die zoo lang de gunst

van den god genoten had, weldra zou omkomen door zijn eigen zwaard.

Gevallen door 't zwaard

Heeft Ygy u dan;

Uw leven is ten eind:

Boos op u zijn de Dîsir;

Odin zult ge nu zien:

Kom naderbij als ge kunt.

Saemunds Edda.

Toen de laatste tonen wegstierven vielen de ketenen van zijn handen,

vlammen flikkerden en gingen uit, en Odin stond midden in de hal,

niet langer in menschelijke gedaante maar in al de macht en schoonheid

van een god.

Toen Geirrod de onheilspellende profetie hoorde trok hij haastig

zijn zwaard, met het plan den onbeschaamden zanger neer te slaan;

maar toen hij de plotselinge gedaanteverwisseling zag, deinsde hij

bevreesd terug, struikelde, viel op het scherpe lemmet en kwam om,

zooals Odin juist had voorspeld. Toen wendde Odin zich tot Agnar (die,

volgens sommige verhalen 's konings zoon en niet zijn broeder was,

want deze oude geschiedenissen zijn soms wonderlijk verward) en liet

hem den troon bestijgen tot loon voor zijn menschlievend gedrag,

en beloofde hem verder te beloonen voor de teug ale die juist van

pas kwam, hem te zegenen met allerlei voorspoed.

Bij een andere gelegenheid ging Odin naar de aarde en was zoo lang

afwezig dat de goden begonnen te denken dat zij hem in Asgard niet

weer zouden terugzien. Dit gaf zijn broeders Vili en Ve, die enkele

mythologen als andere verpersoonlijkingen van hem zelf beschouwen,

den moed zich zijn macht en zijn troon toe te eigenen, en zelfs,

zooals men zegt, zijn vrouw Frigga te huwen.

Wees nu stil maar, Frigg!

Gij zijt Fiorgyns dochter

En waart op mannen steeds verzot,

Daar Ve en Villi, naar men zegt,

Gij, Vidrir's vrouw, hebt

Allebei omarmd.

Saemunds Edda.

Mei-dag feesten.

Maar toen Odin terugkeerde verdwenen de geweldenaren voor goed; en

ter herinnering aan het verdwijnen van den valschen Odin, die zeven

maanden had geregeerd en enkel ellende in de wereld had gebracht

en aan de wederkomst van den goeden god, vierden de heidensche

Noormannen vroeger jaarlijksche feesten, die lang bleven bestaan

als Mei-dag feesten. Tot in heel laten tijd was er dien dag steeds

een groote optocht in Zweden, bekend als de Meirit, waarin een met

bloemen bedekte Meikoning (Odin) den in bont gehulden Winter (zijn

valschen dubbelganger) met bloesems wierp, totdat hij hem op de vlucht

dreef. In Engeland werd ook de eerste Mei gevierd als een feestelijke

gelegenheid waarbij Meiboomdansen, Meikoningen, Maid Marian en Jack

in the Green een grooten rol speelden.

Als verpersoonlijking van den hemel was Odin natuurlijk de minnaar

en echtgenoot van de aarde, en daar de aarde hun drieërlei aanblik

vertoonde, stelden de Noren hem als polygaam voor en kenden hem

verschillende vrouwen toe. De eerste onder deze was Jörd (Erda),

de primitieve aarde, dochter van Nacht of van de godin Fiorgyn. Zij

schonk hem zijn beroemden zoon Thor, den god van den donder. De

tweede en voornaamste vrouw was Frigga, een verpersoonlijking van de

beschaafde wereld. Zij schonk hem Balder den lieflijken lentegod,

Hermod, en, volgens sommigen, Tyr. De derde vrouw was Rinda, een

personifieering van de harde en bevroren aarde, die met tegenzin

toegeeft aan zijn warme omhelzing, maar eindelijk het leven schenkt

aan Vali, zinnebeeld van den plantengroei.

Ook heet het dat Odin Saga of Laga heeft gehuwd, de godin der

geschiedenis (vandaar het engelsche werkwoord "to say"), en dat hij

haar dagelijks bezocht heeft in de kristallen hal Sokvabek, onder een

koele, altijd vloeiende rivier, om haar wateren te drinken en naar

hare liederen over oude tijden en verdwenen geslachten te luisteren.

Sokvabek heet de vierde woning,

Over haar vloeien koele golven;

Odin drinkt er blij met Saga

Elken dag uit gouden kroes.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Zijn andere vrouwen waren Grid, de moeder van Vidar; Gunlod, de

moeder van Bragi; Skadi; en de negen reuzinnen die tegelijk Heimdall

baarden--allen spelen een meer of minder belangrijke rol in de

verschillende mythen van het Noorden.

De historische Odin.

Behalve dezen ouden Odin was er een meer moderne, half-historische

personage die denzelfden naam droeg, aan wien al die deugden, macht en

avonturen van zijn voorganger zijn toegekend. Hij was het opperhoofd

der Aesir, bewoners van Klein Azië, die, sterk door de Romeinen

onderdrukt en met uitroeiing of slavernij bedreigd, hun geboorteland

ongeveer 70 v. Chr. verlieten en naar Europa verhuisden. Men zegt

dat deze Odin Rusland, Duitschland, Denemarken, Noorwegen en Zweden

heeft veroverd en een zoon heeft achtergelaten op den troon van elk

overwonnen land. Ook bouwde hij de stad Odensö. Hij werd verwelkomd

in Zweden door Gylfi, den koning, die hem een deel van de streek gaf,

en hem toestond de stad Sigtuna te stichten, waar hij een tempel bouwde

en een nieuwe godsvereering invoerde. Verder vertelt de overlevering

dat, toen zijn einde naderde, deze mythische Odin zijn volgelingen

verzamelde, zich voor aller oogen negenmaal met zijn speer in de

borst sneed,--een ceremonie die men "het kerven van Geir-wonden"

noemde--en hun vertelde dat hij terug ging naar zijn land Asgard,

zijn oud verblijf, waar hij hun komst zou afwachten, opdat zij met

hem zouden deelnemen aan een leven van feestvieren, drinken en vechten.

Volgens een ander verhaal reisde Gylfi, toen hij van de macht

der Aesir, de bewoners van Asgard, had gehoord, en daar hij zich

wilde overtuigen of deze berichten waar waren, naar het Zuiden. Te

zijner tijd kwam hij aan Odin's paleis, waar hij werd verwacht, en

waar hij misleid werd door het visioen van Har, Iafn-har en Thridi,

drie godheden, die boven elkander troonden. De poortwachter Gangler

beantwoordde al zijn vragen en gaf hem een lange uiteenzetting van de

Noorsche mythologie, die in de Jongere Edda wordt meegedeeld, en dan,

na zijn onderricht te hebben geëindigd, verdween hij plotseling met

het paleis onder een oorverdoovend geraas.

Volgens andere heel oude gedichten werden Odin's zonen, Weldegg,

Beldegg, Sigi, Skiold, Seaming en Yngvi, koningen van Oost-Saksen,

West-Saksen, Franconia, Denemarken, Noorwegen en Zweden, en van dezen

stammen de Saksers, Hengist en Horso, en de koninklijke familiën van

de Noordelijke landen af. Nog een andere overlevering verhaalt dat

Odin en Frigga zeven zonen hadden, die de Anglo-Saksische heptarchie

stichtten. In verloop van tijd werd deze geheimzinnige koning verward

met den Odin wiens eeredienst hij invoerde, en al zijn daden werden

toegekend aan den god.

Odin werd vereerd in tallooze tempels, maar vooral in het groote

heiligdom te Upsala, waar de plechtigste feesten werden gevierd en

waar offers werden gebracht. Het offer was meestal een paard, maar

in tijden van nijpenden nood bracht men menschenoffers, ja zelfs werd

eens de koning geofferd om een hongersnood af te wenden.

Upsala's tempel waar men schouwt

Valhalla's hal op aard als beeld herbouwd.

Viking verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

De eerste dronk bij ieder feest hier werd op hem ingesteld, en behalve

den eersten Mei, was hem één dag in elke week gewijd, en van zijn

Saksischen naam Woden, heette deze Woden's-dag, vanwaar het Hollandsche

woord "Woensdag" afkomt. Het volk had de gewoonte in zijn heiligdom

bijeen te komen bij feestelijke gelegenheden, de zangen der skalden

te hooren, die voor hun spel beloond werden met gouden braceletten

of armbanden, die aan hun einden opkrulden en "Odin's slangen" heetten.

Er zijn slechts weinige overblijfselen van oude Noorsche kunst, en

ofschoon ruwe beelden van Odin eens zeer algemeen waren, zijn allen

verdwenen, daar zij van hout waren gemaakt--een vergankelijke stof, die

onder de handen van de zendelingen, en vooral van Olaf den Heiligen,

den noordelijken beeldstormer, spoedig tot asch waren verteerd.

Daar in den tempel stond in hout

Het beeld van Odin, fier en stout.

Sage van koning Olaf (Longfellow).

Men veronderstelt dat Odin zijn volk een wetboek heeft gegeven

waarnaar zij hun gedrag hebben te richten, in een gedicht, Hávamál,

of het Hooglied, dat een deel van de Edda uitmaakt. In dit lied

leerde hij de zwakheid van den mensch, de noodzakelijkheid van moed,

matigheid, onafhankelijkheid en oprechtheid, eerbied voor den ouderdom,

gastvrijheid, ontferming en tevredenheid, en gaf voorschriften voor

het begraven der dooden.

Te huis laat een mensch zijn blijde

En jegens een gast milddadig;

Een wijs gedrag moet hij hebben,

Een goed geheugen, een vlotte taal;

Als hij veel kennis verlangt,

Dan spreke hij van het goede veel.

Hávamál.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 10 / 46 题