HOOFDSTUK I: HET BEGIN.

Scheppingsmythen.

Ofschoon de Arische bewoners van Noord-Europa, overeenkomstig de

vooronderstelling van eenige gezaghebbende geleerden, oorspronkelijk

van de hoogvlakte van Iran, in het hart van Azië, afkomstig zijn,

hadden het klimaat en de omgeving van de landen, waar zij zich ten

slotte vestigden, grooten invloed op de vorming van hun vroegere

godsdienstige opvattingen, alsook op de verandering van hun

levenswijze.

De grootsche en ruwe landschappen van Noord-Europa, de middernachtzon,

de schitterende stralen van den noordelijken dageraad, de oceaan

die zich voortdurend tot woede opzweept tegen de groote klippen en

ijsbergen van den Poolcirkel, moest de bevolking niet minder levendig

aandoen dan de bijna wonderbare plantengroei, het voortdurende licht,

en de blauwe zeeën en luchten van hun korten zomertijd. Het is daarom

niet heel vreemd dat de IJslanders b.v., aan wie wij de meest volledige

herinneringen aan dit geloof te danken hebben, als zij rondom zich

zagen, zich verbeeldden dat de wereld oorspronkelijk was geschapen

uit een zonderling mengsel van vuur en ijs.

De Noordelijke mythologie is grootsch en tragisch. Haar voornaamste

thema is de voortdurende worsteling van de weldadige natuurkrachten

tegen de schadelijke, en dus is zij niet bekoorlijk en idyllisch

als de godsdienst van het zonnige zuiden, waar de bevolking zich kan

koesteren in een voortdurenden zonneschijn, en de vruchten der aarde

opgroeiden zoodat men ze slechts te plukken had.

Het was heel natuurlijk, dat de gevaren, waaraan men bloot stond

op jacht en bij het visschen onder dezen onbarmhartigen hemel, en

het lijden dat werd opgelegd door de lange, koude winters, als de

zon nooit schijnt, onze voorvaderen koude en ijs deden beschouwen

als boosaardige geesten; en het was om dezelfde reden, dat zij met

bijzondere voorliefde aanriepen den weldadigen invloed van warmte

en licht.

Wanneer men hen vraagde naar de schepping der wereld, antwoordden de

Noorsche skalden of dichters, wier zangen in de Edda's en Saga's zijn

bewaard, dat in het begin, toen er nog geen aarde was, noch zee, noch

lucht, toen duisternis op alles rustte, er een machtig wezen bestond,

genaamd Alvader, dien zij vaag beseften als ongeschapen en onzienlijk,

en dat, wat hij wilde, gebeuren moest.

In het midden der ruimte was, bij den aanvang van den tijd, een groote

afgrond Ginnunga-gap, de kloof der kloven, de gapende golf, welker

diepten geen oog kon peilen, daar zij in voortdurende schemering

was gehuld. Benoorden deze plek was een ruimte of wereld, bekend als

Niflheim, de woonplaats van mist en donker, en in het hart daarvan

vloeide de onuitputtelijke bron Hvergelmir, de ziedende ketel, welks

wateren twaalf groote stroomen voedden: de Elivagar. Daar het water

van deze stroomen snel wegliep van zijn bron en de koude winden van de

gapende golf ontmoette, verhardde het weldra tot groote blokken ijs,

die neerrolden in de onmetelijke diepten van den grooten afgrond met

een voortdurend gedruisch als van donder.

Bezuiden deze donkere kloof, en vlak tegenover Niflheim, het

mistgebied, was een andere wereld, met name Muspells-heim, de

woonplaats van het oorspronkelijke vuur, waar alles warmte en

licht was, en welks grenzen steeds bewaakt werden door Surtr, den

vlammenreus. Deze reus zwaaide trotsch zijn blinkend zwaard en zond

voortdurend groote stroomen vonken uit, die met een sissend geluid

op de ijsblokken vielen in den bodem van den afgrond, en ze ten deele

door hitte deden smelten.

Door Surtr, met zijn brandend zwaard

Werd zuid'lijk Muspels poort bewaard,

In stroom van meer dan aardschen gloed

Vloeid' uit de kracht die leven doet.

Valhalla (J. C. Jones).

Ymir en Audhumla.

Toen de damp tot wolken rees, ontmoette hij de heerschende koude en

werd veranderd in rijm of rijp, die, laag op laag, de groote centrale

ruimte vulde. Zoo door de voortdurende werking van koude en hitte,

en waarschijnlijk ook door den wil van den ongeschapene en ongeziene,

ontstond tusschen de ijsblokken van den afgrond een reusachtig wezen

Ymir of Orgelmir (ziedende klei), de verpersoonlijking van den bevroren

oceaan, en daar dit wezen uit rijm geboren was, werd hij Hrim-thurs

of IJsreus genoemd.

In vroegen tijd

Toen Ymir leefde,

Was zand, noch zee

Geen golf die koelt;

Geen aard' omlaag,

Geen lucht omhoog;

Eén chaos 't al

En nergens gras.

Saemunds Edda.

Rondtastend in het donker op zoek naar wat voedsel, bemerkte Ymir een

reusachtige koe, Audhumla (de voedster), die door dezelfde kracht

als hij zelf was geschapen en uit dezelfde grondstoffen. Toen hij

zich naar haar toe spoedde, merkte Ymir met vreugde op dat uit haar

uier vier groote stroomen melk vloeiden, die in ruime mate voedsel

verstrekken zouden.

Aan al zijn behoeften was dus voldaan; maar de koe, rondziende naar

voedsel op haar beurt, begon met haar ruwe tong het zout af te likken

van een ijsblok in de buurt. Hiermee ging zij voort totdat het haar

van een god verscheen en dan het gansche hoofd opdook uit zijn ijzig

omhulsel, totdat langzamerhand Buri (de voortbrenger) vrij ten voeten

uit te voorschijn stapte.

Terwijl de koe dus bezig was geweest, was Ymir in slaap gevallen,

en terwijl hij sliep werden een zoon en dochter geboren uit de

uitwaseming onder zijn oksel, en zijn voeten brachten den zeshoofdigen

reus Thrudgelmir voort, die, kort na zijn geboorte, op zijn beurt het

leven schonk aan den reus Bergelmir van wien al de booze vorstreuzen

afstammen.

Men zegt van Hrim-thurs,

Dat uit z'n oksel voort

Een knaap, een meisje kwam,

Dien wijzen Jötun

Heeft voet met voet verwekt

Zeshoofdigen zoon.

Saemunds Edda.

Odin, Vili en Ve.

Toen deze reuzen het bestaan ontdekten van den god Buri en van zijn

zoon Börr (geboren), dien hij onmiddellijk ter wereld had gebracht,

begonnen zij krijg tegen hen te voeren, want daar de goden en reuzen

vertegenwoordigden de tegengestelde machten van goed en kwaad, kon

niet verwacht worden dat zij met elkander in vrede zouden leven. De

strijd duurde blijkbaar eeuwen, terwijl geen van beide partijen een

beslist voordeel behaalde, totdat Börr de reuzin Bestla huwde, dochter

van Bolthorn (doorn des kwaads), die hem drie geweldige zonen baarde,

Odin (geest), Vili (wil) en Ve (heilig). Deze drie zonen hielpen hun

vader onmiddellijk in zijn strijd tegen de vijandige vorstreuzen,

en slaagden er eindelijk in hun meest doodelijken vijand, den grooten

Ymir, te verslaan. Toen hij levenloos te aarde zonk, gutste het bloed

uit zijn wonden in zulke stroomen, dat het een grooten zondvloed teweeg

bracht, waarin zijn geheele geslacht omkwam, behalve Bergelmir, die in

een boot ontsnapte en met zijn vrouw naar de grenzen der wereld ging.

Gij deedt verdrinken Ymirs gansch geslacht,

Slechts niet Bergelmir, hij ontvlood te scheep

Uw zondvloed, uit hem 't reuzenvolk ontsprong.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Hier vestigde hij zich en noemde de plaats Jötun-heim (het huis der

reuzen) en hier verwekte hij een nieuw ras van vorstreuzen die zijn

antipathieën erfden, den strijd voortzetten en steeds bereid waren toe

te snellen uit hun verlaten land en het gebied der goden te verwoesten.

De goden, in de Noorsche mythologie Aesir (pilaren en dragers van de

wereld) genoemd, begonnen, toen zij zoo getriomfeerd hadden over hunne

vijanden, en niet langer in voortdurenden strijd waren verwikkeld,

rondom zich te zien met het voornemen den desolaten aanblik der

dingen te verbeteren en een bewoonbare wereld te vormen. Na behoorlijk

overleg rolden Börr's zonen het groote lijk van Ymir in den gapenden

afgrond, en begonnen de wereld te scheppen uit zijn verschillende

samenstellende deelen.

De schepping van de aarde.

Uit het vleesch vormden zij Midgard (middentuin), zooals de aarde

werd genoemd. Deze werd geplaatst precies in het centrum van de

groote ruimte, en geheel in het rond omtuind met Ymirs wenkbrauwen

als bolwerken of wallen. De vaste massa van Midgard werd omgeven met

het bloed of zweet van den reus, dat den oceaan vormde, terwijl zijn

beenderen de heuvelen uitmaakten, zijn vlakke tanden de klippen en

zijn gekruld haar de boomen en allen plantengroei.

Zeer tevreden over den uitslag van hun eerste pogingen in zake de

schepping, namen de goden nu den loggen schedel van den reus en hingen

hem behendig als hemelgewelf boven aarde en zee; daarna verstrooiden

zij zijn hersenen door de ruimte er onder en vormden er de bevallige

wolken uit.

Uit Ymirs vleesch

Werd d'aard geschapen,

Uit zijn bloed de zee,

Uit zijn beend'ren de heuvels,

Uit zijn haar boom en plant,

Uit zijn schedel de hemelen,

En uit zijn brauwen

Schiepen de goden

Midgard, het menschenkind ter woon;

Maar uit zijn brein

Werden de wolken zwaar

Alle geschapen.

Noorsche Mythologie.

Ten einde het hemelgewelf te steunen, plaatsten de goden de sterke

dwergen, Nordri, Sudri, Austri, Westri, op zijn vier hoeken, met het

bevel het op hun schouders te houden, en aan hen ontleenden de vier

punten van het kompas hun tegenwoordige namen: Noord, Zuid, Oost en

West. Om aan de dus geschapen wereld licht te geven versierden de goden

het hemelgewelf met vonken, afkomstig uit Muspells-heim, lichtpunten

die gestadig schenen door het donker als schitterende sterren. De

levendigste van deze vonken echter werden bewaard tot de vervaardiging

van de zon en de maan, die in mooie gouden wagens werden gezet.

En uit het vlammenland, waar Muspel heerscht,

Zondt gij en haaldet vuur, en schiept gij 't licht

Van zon en maan en star, gij hingt ze aan 't zwerk.

Deelend de paden dus van nacht en dag.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Toen al deze toebereidselen gereed waren en de rossen Arvakr

(de vroege ontwaker) en Alsvin (de snelle looper) gespannen waren

voor de zonnekar, plaatsten de goden, bang dat de dieren zouden te

lijden hebben als zij in de buurt van de brandende sfeer kwamen,

onder hun schoudergewrichten groote vliezen, gevuld met lucht of met

eene of andere verkoelende stof. Ook vormden zij het schild Svalin

(de verkoeler), en plaatsten het voor den wagen om hen te behoeden

voor de rechte stralen der zon, die anders hen en de aarde tot asch

zouden hebben verbrand. Eveneens was de maanwagen voorzien van een

snel ros, Alsvider (de al-sterke) geheeten; maar er was geen schild

noodig om het te beschermen voor de milde stralen der maan.

Mani en Sol.

De wagens waren klaar, de paarden ingespannen en ongeduldig om hun

dagelijksche ronde te beginnen, maar wie zou hen langs den rechten weg

sturen? De goden keken om zich heen, en hun aandacht werd getrokken

door de twee schoone spruiten van den reus Mundilfari. Hij was heel

trotsch op zijn kinderen en had hen naar de pas geschapen bollen Mani

(de maan) en Sol (de zon) genoemd. Sol, de Zonnemaagd, was de vrouw

van Glaur (gloed) die blijkbaar een van Surtr's zonen was.

De namen bleken gelukkig gekozen, toen aan broeder en zuster

de besturing van de paarden hunner twee naamgenooten waren

toevertrouwd. Nadat zij goeden raad hadden gekregen van de goden,

werden zij naar de lucht gebracht, en vervulden dagelijks de hun

opgelegde plichten en stuurden hun rossen langs de hemelpaden.

Weet dat Mundilfari genoemd

Vader wordt van maan en zon;

Eeuwen, eeuwen gaan voorbij

En zij duiden maand en dag.

Hávamál.

Vervolgens riepen de goden Nott (nacht), een dochter van Norvi, een

van de reuzen, en vertrouwden haar de zorg over een donkere kar,

getrokken door een zwart paard Hrim-faxi (vorst-maan), uit wiens

golvende manen dauw en rijp op aarde vielen.

Hrim-faxi is het zwarte ros

Dat van 't oosten brengt den nacht,

Zwaar van liefdevreugd die stroomt

Bijt hij op 't beschuimd gebit,

Dan drupt weer de dauw en siert

Rondgestrooid der aarde land.

Vafthrudni's-mal.

De godin van den nacht was driemaal getrouwd geweest, en bij haren

eersten man Naglfari, had zij een zoon die Aud heette, bij haar

tweeden, Annar, een dochter Jörd; en bij haar derden, den god Dellinger

(dageraad) werd haar nu een andere zoon, van stralende schoonheid,

geboren, en hij ontving den naam Dag.

Zoodra de goden dit prachtige wezen zagen, rustten zij ook voor hem een

wagen uit, getrokken door het schitterende witte ros Skin-faxi (die

blinkende manen heeft) en van zijn manen schenen felle lichtstralen

van alle kanten, de wereld verlichtend en glans en vreugde brengend

aan iedereen.

Voort van het oost, naar 's hemels toppunt toe,

Dreef Dag zijn ros welks manen schitterden.

Balder Dood (Matthew Arnold).

De wolven Sköll en Hati.

Maar daar het kwaad het goede altijd op de hielen volgt, in de hoop

het te vernietigen, stelden de oude bewoners van de Noordelijke landen

zich voor, dat beiden, Zon en Maan, voortdurend vervolgd werden door

de woeste wolven Sköll (verzet) en Hati (haat), wier eenig doel was

de schitterende wezens vóór hen in te halen en op te eten, opdat de

wereld weer in haar oorspronkelijke duisternis mocht worden gehuld.

Sköll heet de wolf

Die de godin, de prachtige,

Naar de zee toedrijft;

Een andere, Hati genoemd

Is Hrodvitnir's zoon;

Hij zal voorgaan het hemelkind schoon.

Saemunds Edda.

Nu en dan vertelde men, haalden de wolven hun prooi in en trachtten

ze op te eten, brachten zoo een verduistering van de stralende

hemellichamen te weeg. Dan hief het verschrikte volk een zoo

oorverdoovend rumoer aan, dat de wolven, door het getier verschrikt, ze

direct loslieten. Dus bevrijd vervolgden Zon en Maan hun weg en ijlden

sneller dan te voren, terwijl de hongerige monsters voortstormden in

hun zog, snakkend naar den tijd wanneer hun pogingen zouden slagen en

het einde der wereld zou komen. Want de noordelijke volken geloofden

dat, daar hun goden ontsprongen waren aan een vereeniging van het

goddelijke element (Börr) en het sterfelijke element (Bestla),

zij eindig waren, en gedoemd onder te gaan met de wereld die zij

hadden gewrocht.

Maar toen zelfs in dien vroegsten tijd

Was zwak geduid de dageraad

Van woesten strijd, van schok des doods,

Als alles endt in Ragnarok;

Als goed en kwaad, als niet en zijn

Beginnend nu, enden hun kamp.

Valhalla.

Mani werd ook vergezeld door Hiuki, de wassende, en Bil, de afnemende

maan, twee kinderen die hij had weggerukt van de aarde, waar een

wreed vader hen noopte iederen nacht water te dragen. Onze voorouders

verbeeldden zich dat zij deze kinderen, de oorspronkelijke, "Jack en

Jill" met hun emmer, in vage omtrekken op de maan zagen.

De goden stelden niet alleen Zon, Maan, Dag en Nacht aan om

den voortgang van het jaar aan te geven, maar riepen ook Avond,

Middernacht, Morgen, Voormiddag, Middag en Namiddag om hun plichten

te deelen, terwijl zij Zomer en Winter tot de beheerschers der

jaargetijden maakten. Zomer, een rechtstreeksche afstammeling van

Svasud (de milde en lieflijke), erfde den vriendelijken aard van

zijn vader, en werd door allen bemind behalve door Winter, zijn

doodelijken vijand, den zoon van Vindsual, zelf weer een zoon van

den onvriendelijken god, de verpersoonlijking van den ijskouden wind.

Vindsual is de naam van hem

Die heeft verwekt den wintergod;

Zomer was Suasuthers kind;

Beiden zullen gaan hun pad,

Tot der goden schemering.

Vafthrudni's-mal.

De koude winden zweepten voortdurend neer van het noorden, en

verstijfden de aarde, en de Noormannen verbeeldden zich dat deze in

beweging waren gezet door den grooten reus Hraesvelgr (lijken-zwelger),

die, gedost in arendsvederen, aan den meest noordelijken top van den

hemel zat, en dat wanneer hij zijn armen of vleugelen ophief de koude

stormen uitschoten en onbarmhartig zwiepten over het gelaat der aarde,

alle dingen verwoestend met hun ijzigen ademtocht.

Hrae-svelger is de naam van hem

Die zit voorbij der hemelen end,

En spreidt zijn arendsvleug'len uit,

Zoodat de storm te voorschijn schiet.

Vafthrudni's-mal.

Dwergen en elfen.

Terwijl de goden bezig waren met het scheppen van de aarde en voor hare

verlichting zorgden, was er een gansche schare op wormen gelijkende

schepselen uitgebroed in Ymirs vleesch. Deze zonderlinge wezens trokken

nu de aandacht der goden. Zij riepen hen tot zich en gaven hun eerst

gestalten en voorzagen hen met bovenmenschelijk verstand en verdeelden

hen vervolgens in twee groote klassen. Die welke donker, verraderlijk

en sluw van nature waren, werden verbannen naar Svart-alfa-heim,

de woning der zwarte dwergen, gelegen onder den grond, van waar zij

nooit naar buiten mochten komen over dag, op straffe dat zij in steen

zouden worden veranderd. Zij werden Dwergen, Trolls, Gnomen of Kobolden

genoemd en besteedden al hun tijd en kracht aan het doorvorschen van

de geheime schuilhoeken der aarde. Zij verzamelden zilver, goud en

kostbare steenen, die zij wegstopten in geheime spleten, waar zij ze,

als zij wilden, konden uithalen. De overige dezer kleine schepselen,

allen die goed, schoon en nuttig waren, noemden de goden Feeën en

Elfen, en zij lieten hen wonen in het luchtgebied Alfheim (huis der

lichtelfen), gelegen tusschen hemel en aarde, van waar zij konden

neerzweven als zij wilden, om bij de planten en bloemen te zijn, te

spelen met de vogels en vlinders, of te dansen in het zilverachtige

maanlicht op het groen.

Odin die de leidende geest was geweest in al deze ondernemingen,

gebood nu den goden, zijn afstammelingen, hem te volgen naar de

breede vlakte, Idavold geheeten, ver boven de aarde, aan de andere

zijde van den grooten stroom Ifing, welks wateren nimmer bevroren.

Ifings diep' en donk're vloed

Scheidt der aarde kind'ren nu

Van de plek, der goden woon;

Open ligt het water, dat

Nimmer ijskorst stremmen zal

Wijl het wiel der eeuwen vliegt.

Vafthrudni's-mal.

In het midden van de heilige ruimte, die van het begin der wereld

gereserveerd was tot hun eigen verblijf en Asgard (huis der goden)

heette, kwamen al de twaalf Aesir (goden) en vier-en-twintig Asynjur

(godinnen) samen op Odins bevel. Toen werd een groote bijeenkomst

gehouden, waarop werd vastgesteld dat geen bloed binnen de perken van

hun gebied of vredeplaats zou vergoten worden, maar dat er harmonie

zou heerschen voor altijd. Als een verdere uitkomst der bespreking

richtten de goden een smidse op waar zij al hun wapenen maakten en de

gereedschappen, noodig tot het bouwen van de prachtige paleizen van

kostbare metalen waarin zij lange jaren woonden in zulk een gelukkigen

toestand dat deze periode de Gouden Eeuw is genoemd.

De schepping van den mensch.

Ofschoon de goden van den beginne Midgard, of Mana-heim hadden

aangewezen tot woning van den mensch, waren er eerst geen menschelijke

schepsels om er in te wonen. Op zekeren dag trokken Odin, Vili en Ve,

volgens sommigen, of Odin, Hoenir (de schitterende) en Lodur of Loki

(vuur) er samen op uit en wandelden langs de zeekust toen zij vonden

òf twee boomen, den esch, Ask, en den olm Embla, òf twee blokken

hout, gehouwen in de ruwe gelijkenis van de menschelijke gestalte. De

goden staarden eerst op het levenlooze hout in stille verbazing; toen,

merkende wat er van gemaakt kon worden, gaf Odin dezen blokken zielen,

Hoenir verschafte beweging en zintuigen, en Lodur verleende bloed en

bloeiende kleur.

Zoo begiftigd met taal en gedachte en met het vermogen om lief te

hebben en te hopen en te werken, en met leven en dood, mochten de

pas geschapen man en vrouw Midgard beheerschen zooals zij wilden. Zij

bevolkten het gaandeweg met hunne nakomelingen terwijl de goden, zich

herinnerend dat zij hen in het leven hadden geroepen, een bijzonder

belang stelden in al wat zij deden, over hen waakten en hun dikwijls

hulp en bescherming verleenden.

De boom Yggdrasil.

Alvader schiep vervolgens een forschen esch, Yggdrasil, den boom van

het heelal, van den tijd of van het leven, die de heele wereld vulde,

daar hij niet enkel wortel schoot in de verst verwijderde diepten

van Niflheim, waar de bron Hvergelmir vloeide, maar ook in Midgard,

bij Mimirs bron (den oceaan), en in Asgard, bij de Urdas-fontein.

Door zijn drie groote wortels verkreeg de boom een zoo wonderbare

hoogte dat zijn opperste tak, Lerad, (de vredegever) Odins hal

overschaduwde, terwijl de andere wijd zich uitspreidende twijgen over

de andere werelden staken. Een adelaar zat vastgeroest op den tak

Lerad, en tusschen zijn oogen de valk Vedfolnir, die zijn doordringende

blikken in den hemel zond en op de aarde en naar Niflheim, en vertelde

al wat hij zag.

Daar de boom Yggdrasil altijd groen was en zijn bladeren nooit

verdorden, diende hij als weide, niet enkel voor Odins geit Heidrun,

die de hemelsche mee, den drank der goden, verstrekte, maar ook

voor de herten Dain, Dvalin, Duneyer en Durathor, van welker hoornen

honigdauw op aarde druppelde en dat water voor alle rivieren in de

wereld verstrekt.

In den ziedenden ketel Hvergelmir, dicht bij den grooten boom, knaagde

een verschrikkelijke draak, Nidhug, voortdurend aan de wortels,

en werd in zijn vernielingswerk bijgestaan door tallooze wormen,

welker doel was den boom te dooden, daar zij wisten dat zijn dood

het teeken zou zijn van der goden val.

En altijd roofziek werkt een macht baldadig,

De wreede Nidhung uit des wereld diep,

Hij haat het asa-licht welks glans weldadig

Op heldenhoofd en zwaard zijn weerschijn schiep.

Viking-verhalen uit het noorden. (R. B. Anderson).

Onophoudelijk de takken en den stam van den boom op en afvliegend,

sleet het eekhoorntje Ratatosk (takboorder), de typische woelwater en

babbelaar, zijn tijd met aan den draak beneden de opmerkingen van den

adelaar boven te vertellen en omgekeerd, in de hoop twist tusschen

hen te verwekken.

De brug Bifröst.

Het lag, natuurlijk, in de rede, dat de boom Yggdrasil in volkomen

staat werd gehouden, en dit was de plicht der Nornen of Schikgodinnen,

die hem elken dag besprenkelden met de heilige wateren van de

Urdar-fontein. Als dit water naar de aarde druppelde door de takken

en de bladeren, voorzag het de bijen van honig.

Aan weerskanten van Niflheim, hoog zich verheffend boven Midgard,

rees de heilige brug Bifröst (Asabru, de regenboog) op, gebouwd uit

vuur, water, en lucht, welker beweeglijke en wisselende tinten zij

behield, en waarover de goden heen en weer naar de aarde trokken of

naar de Urdar-bron, aan den voet van den esch Yggdrasil, waar zij

dagelijks vergaderden.

"De goden stonden op

Namen hun paarden, vingen aan hun rit

Over de Bifröst, brug die Heimdall hoedt,

Naar Yggdrasil, den esch, naar 't Idavold,

Thor kwam te voet, maar heel de rest te paard.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Van al de goden ging alleen Thor, de dondergod, nooit over de brug,

uit vrees dat zijn zware tred of de hitte van zijn bliksem ze zou

vernielen. De god Heimdall hield er dag en nacht de wacht. Hij was

gewapend met een scherp zwaard, en droeg een trompet, Giallar-hoorn

genaamd, waarop hij gewoonlijk een zachten toon blies om de komst of

het vertrek der goden aan te geven, maar waarop hevig zou geblazen

worden als Ragnarok zou komen, en de vorstreuzen en Surtr samenspanden

om de wereld te verwoesten.

Surtr van het zuiden komt

Met flikk'rende vlam;

Blinkt van zijn zwaard

Niet Val-gods zon?

De rotsen worden saam gesloopt.

De reuzenbergen wank'len;

De menschen gaan het pad der hel,

De hemel is gespleten.

Saemunds Edda.

De Vana's.

Ofschoon nu de oorspronkelijke bewoners van den hemel de Aesir waren,

waren zij niet de eenige godheden van de noordelijke rassen, die

ook de macht erkenden van de zee- en windgoden, de Vana's, wonend

in Vana-heim en regeerend naar hun willekeur. In vervlogen tijden,

eer de gouden paleizen in Asgard gebouwd waren, ontstond een twist

tusschen de Aesir en Vana's, en zij grepen naar de wapenen, terwijl

zij rotsen, bergen en ijsschotsen gebruikten als werptuigen in het

gevecht. Maar toen zij weldra ontdekten dat in eenheid hun kracht lag,

legden zij hunne geschillen bij en sloten vrede, en om het verbond

te bekrachtigen wisselden zij gijzelaars uit.

Zoo gebeurde het dat de Van, Niörd, kwam wonen in Asgard, met zijn

twee kinderen, Frey en Freya, terwijl de Asa, Hoenir, Odins eigen

broeder, zijn tenten opsloeg in Vana-heim.

Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen · 第 9 / 46 题