De voorname beteekenis van de ruwe brokken poëzie, in vroege
IJslandsche litteratuur bewaard, zal nu door niemand meer betwist
worden, maar er bestond tot voor korten tijd een buitengewone
onverschilligheid ten opzichte van de godsdienstige overlevering en
mythische leer die zij behelzen.
De langdurige verwaarloozing van deze kostbare herinneringen aan
onze heidensche voorvaderen is niet de schuld van het materiaal,
waarin alles wat van hun godsdienstige geloofsvoorstellingen over is,
is besloten, want men kan veilig beweren dat de Edda even rijk is
aan de eigenaardigheden van nationalen roman en van rasverbeelding,
hoe ruw dan ook, als de meer bevallige en idyllische mythologie
van het Zuiden. Ook ligt het niet aan een zekere wreedheid in de
opvatting van de goden zelf, want ofschoon zij niet mogen reiken tot
groote geestelijke hoogten, beweren in de eerste plaats kenners van
de IJslandsche letterkunde, dat zij zich verheffen breed en massief
als de Skandinavische bergen. Zij toonen "een geest van overwinning,
die meer is dan brute kracht, die meer is dan het stoffelijke alleen,
een geest die strijdt en overmeestert". [1] "Zelfs waar een deel
van de stof hunner mythen aan anderen is ontleend, hebben de Noren
hunnen goden een edelen, fieren, grooten geest gegeven en hen op een
hoog standpunt geplaatst, dat geheel het hunne is." [2] "Inderdaad,
deze oud-Noorsche zangen hebben een waarheid in zich, een innerlijke
eeuwige waarheid en grootheid. Het is een grootheid, niet van lichaam
en reusachtige afmeting alleen, maar een ruwe grootheid van ziel". [3]
De invoering van het Christendom in het Noorden bracht mede den invloed
van de klassieke rassen, en deze schaadde den aangeboren geest,
zoodat de vreemde mythologie van Griekenland en Rome een toenemend
deel van de geestelijke toerusting der noordelijke volken is geworden
naarmate de letterkunde en overlevering des lands verwaarloosd zijn.
Ongetwijfeld heeft de Noorsche mythologie een diepgaanden invloed
uitgeoefend op onze gewoonten, wetten en taal, en er is daarom een
groote onbewuste inspiratie van deze op de Engelsche letterkunde. De
meest in het oog springende trekken van deze mythologie zijn een zeer
bijzonder grimmige humor, dien men in den godsdienst van geen ander
ras vindt, en een duistere draad van tragiek die door het gansche
weefsel loopt, en deze eigenaardigheden, de beide uitersten rakend,
zijn in forsche trekken op de Engelsche litteratuur geschreven.
Maar van bewusten invloed is er, vergeleken bij den rijkvloeienden
stroom van Helleensche inspiratie, weinig te merken, en als wij ons
keeren tot de moderne kunst, is het verschil zelfs nog duidelijker.
Deze onverschilligheid is toe te schrijven aan vele oorzaken, maar
allereerst aan het feit dat de godsdienstige geloofsvoorstelling
van onze heidensche voorvaderen niet wezenlijk diep waren
geworteld. Vandaar het succes van de meer of minder overwogen
politiek der eerste Christelijke zendelingen, die de heidensche
opvattingen wilden verwarren en ze in het nieuwe geloof wilden
verstikken, waarvan men een belangwekkend voorbeeld heeft in het
overbrengen naar het Christelijk Paaschfeest van de attributen
der heidensche godin Eastre, aan wie het in het Engelsch zelfs
zijn naam ontleent. De Noorsche mythologie werd op deze wijze tot
staan gebracht eer zij hare volle ontwikkeling had bereikt, en de
voortgang van het Christendom bande haar ten slotte in het duister
van vergeten dingen. Haar veel omvattend en ordelijk plan echter,
in tegenstelling met de onsamenhangende mythologie van Grieken en
Romeinen, vormde den grondslag van een meer of min redelijk geloof,
dat de Noren geschikt maakte om de onderrichting van het Christendom
te ontvangen, en zoo aan haar eigen ontbinding medewerkte.
De godsdienstige voorstellingen van het Noorden zijn niet nauwkeurig
weerspiegeld in de oudere Edda. Inderdaad is ons in de Noorsche
litteratuur slechts een travestie van het geloof onzer voorvaderen
bewaard. De primitieve dichter hield van allegoriseeren, en zijn
verbeelding vermeide zich tusschen de scheppingen van zijn vruchtbare
muze. "Zijn oogen waren gevestigd op de bergen, totdat de besneeuwde
toppen menschelijke gestalten aannamen en de reus van de rots op het
ijs neerdaalde met zwaren stap; of hij wilde staren op de pracht van
de lente, of de zomersche velden, totdat Freya met den schitterenden
halsketting, aankwam, of Sif met de wuivende gouden haren." [4]
Wij hooren niets van de offergebruiken en godsdienstige riten, en alles
is weggelaten wat geen stof levert voor artistieke behandeling. De
zoogenaamde Noorsche mythologie kan men dus meer beschouwen als
een waardevolle reliquie der Noorsche dichtkunst in haren aanvang,
dan als een uiteenzetting van de godsdienstige voorstellingen der
Skandinaviërs, en deze letterkundige fragmenten dragen veelvuldig
het kenmerk van den overgangstoestand, waarin de verwarring van oud
en nieuw geloof gemakkelijk is te zien.
Maar niettegenstaande de grenzen, door langdurige verwaarloozing
gesteld, is het mogelijk ten deele een plan van de oude Noorsche
geloofsvoorstellingen te reconstrueeren, en de gewone lezer zal
veel profijt hebben van Carlyle's onderrichtende studie in "Helden
en Heldenvereering." "Een verbijsterend, ondoordringbaar kreupelbosch
van leugens, verwarringen, onwaarheden en absurditeiten, dat het heele
levensveld bedekt!" Zoo noemt hij ze, met goede reden, maar hij gaat
verder en toont aan, met evenveel waarheid, dat in het hart van deze
ruwe vereering van een uit haar verband gerukte natuur een geestelijke
macht uiting zoekt. Wat wij zonder eerbied onderzoeken, zagen zij
met devotie aan, en, daar zij het niet begrepen, vergoddelijkten zij
het onverwijld, zooals alle kinderen geneigd waren te doen in alle
perioden der wereldgeschiedenis. Inderdaad waren zij heldenvereerders
naar het hart van Carlyle, en twijfelzucht had geen plaats in hun
eenvoudige philosophie.
Het was de kindsheid van de gedachte, die staarde op een heelal vol
goddelijkheid, en die hartelijk en oprecht geloofde. Een volk met
ruime ziel dat in het donker zich strekte naar idealen, die beter waren
dan zij zelf wisten. Ragnarok moest een einde maken aan hunne goden,
omdat zij waren gestruikeld van hun hoogere standplaatsen.
Wij hebben aan een eigenaardig verschijnsel te danken, dat zooveel
van de oude leer, als wij nog bezitten, is bewaard. Terwijl
vreemde inlanders de Noorsche taal bedierven, bleef zij vrij wel
onveranderd in IJsland, dat van het vastland uit door de Noormannen
was gekoloniseerd, die er heen gevlucht waren om te ontkomen aan de
onderdrukking van Harold Schoonhaar na zijn vernietigende overwinning
van Hafrsfirth. Deze menschen brachten mede den dichterlijken geest
die zich reeds geopenbaard had, en deze schoot nieuwen wortel in dien
dorren grond. Velen van de oude Noorsche dichters waren uit IJsland
afkomstig, en in den vroegsten tijd der Christelijke jaartelling
werd een groote dienst aan de Noorsche letterkunde bewezen door den
Christenpriester, Saemund, die vlijtig samenbracht een groote massa
heidensche poëzie tot een verzameling, bekend als de Oudere Edda, en
deze is de voornaamste basis van onze tegenwoordige kennis aangaande
den godsdienst der oude Noormannen. De IJslandsche letterkunde
bleef echter een verzegeld boek tot het einde van de achttiende
eeuw, en heel langzaam heeft zij het sedert dien tijd gewonnen op
onverschilligheid, totdat er nu teekenen zijn dat zij eventueel tot
haar recht zal komen. "Het kennen van het oude geloof", zegt Carlyle,
"brengt ons in nauwer en zuiverder betrekking tot het Verleden--tot
onze eigen bezittingen in het Verleden. Want het gansche Verleden
is het bezit van het Heden; het Verleden had steeds eenige waarheid,
en is een kostelijk bezit."
De veelbeteekenende woorden van William Morris met betrekking tot de
Volsunga Saga kunnen ook heel goed worden aangehaald bij wijze van
inleiding tot deze geheele verzameling "Mythen van de Noormannen". "Dit
is de groote geschiedenis van het Noorden, die voor ons ras moet
zijn wat het verhaal van Troje was voor de Grieken--voor ons geheele
ras eerst, en verder, als de verandering van de wereld ons ras niet
meer heeft gemaakt dan tot een naam van hetgeen is geweest--ook een
geschiedenis--dan moet zij voor hen die na ons komen niet minder zijn
dan wat het verhaal van Troje geweest is, voor ons".